← België

Arrest 170920 - Examens (onderwijs) - 08/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.920 Rolnummer: A. 79832/XII-1552 Zaak: Arrest 170920 - Examens (onderwijs) - 08/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-18 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 06:40 Fiche Arrest nr 170.920 van 8 mei 2007 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.920 van 8 mei 2007 in de zaak A. 79.832/XII-

  1. In zake : Luc VAN ROY, die woonplaats kiest bij advocaat M. Smout, kantoor houdende te 1820 Steenokkerzeel, Anjelierenlaan 24 tegen : de HOGESCHOOL SINT-LUKAS BRUSSEL, die woonplaats kiest bij advocaat P. Peeters, kantoor houdende te 1170 Brussel, Terhulpsesteenweg 177/
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc Van Roy op 17 augustus 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 19 juni 1998 van de examencommissie van het tweede meesterjaar audiovisuele kunst, optie animatie, van de Hogeschool Sint-Lukas Brussel waarbij hij in de eerste examenperiode wordt afgewezen; Gelet op het arrest nr. 155.469 van 23 februari 2006 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 5 september 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-1552-1/9 Gelet op de beschikking van 7 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 april 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Smout, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. Vandaele, die loco advocaat P. Peeters verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De gegevens van de zaak
  3. Tijdens het academiejaar 1997-1998 volgt Luc Van Roy de lessen van de tweede meestergraad audiovisuele kunst, optie animatie, aan de Hogeschool Sint-Lukas te Brussel. In de eerste examenperiode krijgt hij volgende cijfers : “Ethiek van de media 8 Maatschappijstudie 14 Kunstactualiteit 10 Recht 3 Electronische Beeldvorming 15 Tekenen 13 Illustratie en Beeldverhaal 16 Jaaroefeningen Animatiefilm 0 Stage & Scriptie 14 Eindejaarswerk Animatiefilm 9”. Met een totaalscore van 46% van de punten wordt hij op 19 juni 1998 door de examencommissie afgewezen. In het proces-verbaal wordt naast de vermelding “onvoldoende globale resultaten” volgende motivering gegeven : “
  4. Onvoldoende voor Jaaroefeningen animatiefilm. XII-1552-2/9 Motivatie: De evaluatie van de jaaroefeningen was onmogelijk, hetzij als gevolg van afwezigheden, hetzij als gevolg van het niet presenteren van de gevraagde opdrachten.
  5. Onvoldoende voor Eindejaarswerk animatiefilm. Motivatie: Het gepresenteerde eindejaarswerk voldoet niet aan de gestelde artistieke eisen”. De grond van de zaak 2.
  6. In zijn tweede middel voert verzoeker een schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook van het motiveringsbeginsel en dit in twee onderdelen. In een eerste onderdeel stelt hij onder meer dat de bestreden beslissing in wezen enkel het volgende vermeldt: “
  7. Notulen van de jury : 9/20, (beslissing van de jury betreffende het gepresenteerde werk) -
  8. De beslissing van de examencommissie is gebaseerd op de nul voor jaarwerk. Uittreksel uit proces-verbaal betreffende Dhr. Luc Van Roy: ‘Van Roy Luc 46 % Afgewezen Onvoldoende globale resultaten’”. Gezien het belang van het laatste meesterjaar audiovisuele kunst, optie animatie, is volgens verzoeker echter een bijzondere motivering vereist waaruit blijkt dat hij na drie succesvolle jaren toch niet voldoet om de graad van meester in de audiovisuele kunst, optie animatie, te krijgen, waardoor hij zijn geplande commerciële activiteiten moet aanvatten zonder te beschikken over een diploma. Hij heeft herhaaldelijk uitgelegd wat hem overkwam en uiteengezet waarom hij meende toch geslaagd te zijn voor het examen, doch verwerende partij achtte het blijkbaar niet nodig hem te informeren omtrent de uiteindelijke redenen voor de beslissing. De beslissing van de jury vindt geen steun in expliciete normen op grond waarvan werd geoordeeld, noch in enig geschreven beoordelingsverslag van correctoren. In een tweede onderdeel stelt verzoeker onder meer dat men hem heeft toegestaan met apparatuur van een schoolvreemd bedrijf een afstudeerproject te realiseren waarvoor in de hogeschool onvoldoende apparatuur voorhanden was. Er was zeer veel overleg met de ateliertitularissen, waaruit bleek dat hij steeds nauwkeurig rekening hield met de artistieke vereisten die blijken uit het programmaboek 1997-
  9. Montage en sonorisatie konden pas na de limietdatum XII-1552-3/9 van 3 juni 1998 gebeuren omdat de hogeschool toen pas over nieuwe computers beschikte die toelieten bewegende 24-bits beelden op computer te tonen. Dan nog werd de jury geconfronteerd met een slecht uitgevoerde projectie, wat, samen met andere elementen, leidde tot de score 9/20 voor het opleidingsonderdeel “Eindejaarswerk animatiefilm”. Verwerende partij had de plicht klaarheid te brengen inzake de door hem opgeworpen punten. Voor dergelijk opleidingsonderdeel is een bijzondere motivering noodzakelijk aangezien de rechtvaardiging en redelijkheid van de evaluatie niet kunnen volgen uit de openbaarheid van de examens, noch uit het feit dat er een geschrift is van verzoeker. 2.
  10. Verwerende partij zet uiteen dat het examenreglement bepaalt dat elk opleidingsonderdeel wordt gequoteerd op 20 punten. Voor het bepalen van het globale examenresultaat wordt het behaalde cijfer vermenigvuldigd met het aantal studiepunten van het betrokken opleidingsonderdeel. Het globale examenresultaat wordt uitgedrukt in een cijfer dat gelijk is aan de som van de gewogen quoteringscijfers van alle opleidingsonderdelen van een studiejaar. Voor het tweede meesterjaar, optie animatie, waren er bijgevolg maximum 1200 punten te verdienen, waarvan 260 betrekking hadden op de “Jaaroefeningen animatiefilm” (20 x 13) en 240 op het eindejaarswerk (12 x 20). Verzoeker behaalde uiteindelijk een totaal gewogen resultaat van 547 punten op 1.200 of 46 %. Hij had een tekort voor de opleidingsonderdelen “Ethiek van de media” (8/20), “Recht” (3/20), “Jaaroefeningen animatiefilm” (0/20) en “Eindejaarswerk animatiefilm” (9/20). Om te slagen diende verzoeker luidens artikel 47.§
  11. van het examenreglement minstens de helft te behalen voor elk opleidingsonderdeel en een globaal examenresultaat van minstens 50 %. Op 19 juni 1998 beraadslaagde de examencommissie over verzoekers delibereerbaarheid, en motiveerde zij de beslissing tot afwijzing. De punten per opleidingsonderdeel, evenals het algemeen examenresultaat werden bovendien weergegeven in het proces-verbaal van de eerste examenzittijd. Het middel mist volgens verwerende partij dan ook feitelijke grondslag. De beslissing tot afwijzing is immers wel degelijk gemotiveerd daar de motieven voor een beslissing in verband met een examen in principe in de punten zelf zijn vervat. Deze punten volstaan enkel niet als motivering indien er elementen zijn die doen twijfelen aan de ernst van de gegeven punten. In dat geval rust de bewijslast op de examinandus, die geloofwaardig moet maken dat de punten op een onjuiste grondslag werden toegekend. De bestreden beslissing gaat veel verder dan een formele motivering voorschrijft aangezien naast de punten, ook de specifieke XII-1552-4/9 redenen voor de afwijzing worden meegedeeld, redenen die als deugdelijke motieven moeten worden beschouwd. De examinatoren of de examencommissie beoordelen de waarde van de proef soeverein zodat de Raad van State zich bij het beoordelen van het examenresultaat niet in de plaats kan stellen van de examencommissie. Deze regel is te dezen in het bijzonder van toepassing daar verzoeker geen enkel element aanvoert waaruit blijkt dat de examencommissie, ten gevolge van een manifeste fout of van een overdreven strengheid, het programma of de draagwijdte van de proef heeft miskend en aldus de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden. De Raad van State heeft bijgevolg slechts een marginale toetsingsbevoegdheid en kan slechts nagaan of de beslissing kennelijk onredelijk is. Verwerende partij betoogt voorts dat verzoeker ten onrechte stelt dat hij niet op de hoogte werd gebracht van de beoordelingscriteria die zouden worden gehanteerd. Hij kan de concrete gegevens inzake inhoud en eisen van de diverse opleidingsonderdelen immers terugvinden in het programmaboek. Daarin staat vermeld dat de animatiefilm zou worden beoordeeld naar zijn impact als resultaat van het volledige creatieve proces van concept tot afwerking. Het examenreglement bevat overigens specifieke bepalingen betreffende het jaarwerk, artikel 89 van voornoemd reglement stelt uitdrukkelijk dat de student moet bewijzen in staat te zijn tot oorspronkelijk professioneel en/of artistiek denken en het adequaat vormgeven aan dit denken. Voorzover kan worden aangenomen dat de inhoud van de opleidingsonderdelen, de evaluatiecriteria en de werkwijze onduidelijk waren, is het uitsluitend aan verzoeker zelf te wijten dat hij zich dit pas na de examenperiode realiseert. Het eindejaarswerk voldeed niet aan de artistieke vereisten. De jury kende de score “9/20” unaniem toe. Verzoekers bewering dat de toegekende score het gevolg zou zijn van een laattijdige presentatie en een slecht uitgevoerde projectie, waarvoor hij niet verantwoordelijk zou zijn, mist feitelijke grondslag. De inhoudelijke kwaliteit van het werk werd eenvoudig niet voldoende bevonden. Er werd wel degelijk rekening gehouden met het feit dat de noodzakelijke apparatuur niet tijdig voorhanden was daar verzoeker de mogelijkheid heeft gekregen zijn eindwerk laattijdig aan het oordeel van de jury te onderwerpen. De beslissing van de juryleden kan dan ook niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. De vaststelling dat de jury geen notulen heeft bijgehouden, houdt geen onwettigheid in. XII-1552-5/9 In het examenreglement wordt nergens voorgeschreven dat de bevindingen van de jury moeten worden gemotiveerd. 2.
  12. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat het principe dat de gegeven quoteringen op zichzelf volstaan niet geldt voor examens waarbij het niet gaat om kennisvragen. Het beoordelen van de artistieke prestaties van een student in het hoger kunstonderwijs behoort tot “andersoortige examens”, zodat een loutere verwijzing naar de toegekende punten voor “Eindejaarswerk animatiefilm” niet volstaat voor het motiveren van de afwijzingsbeslissing. De beslissing van de examencommissie moet op controleerbare, wettige motieven berusten. Het louter toekennen van een waardecijfer voor ingeleverde schetsen beantwoordt niet aan deze voorwaarde van controleerbaarheid. Bovendien wijkt de grondslag voor zijn afwijzing in het proces- verbaal der werkzaamheden af van wat hem op 25 juni 1998 werd meegedeeld, namelijk dat “[d]e beslissing van de examencommissie is gebaseerd op de nul voor jaarwerk”. Het proces-verbaal der werkzaamheden is immers opgevat als een afwijzingsbeslissing die steunt op twee elementen, namelijk onvoldoendes voor jaaroefeningen én voor eindejaarswerk, hetgeen ook blijkt uit de memorie van antwoord. Het gebrek aan motivering is, nog volgens de memorie van wederantwoord, substantieel en het feit dat de jury geen notulen heeft bijgehouden hangt daar nauw mee samen. Waar zijn afwijzing steun zoekt in de beraadslaging van de jury had, luidens de artikelen 48.§
  13. en 50.§
  14. van het examenreglement, het proces-verbaal der werkzaamheden veel meer gestoffeerd moeten zijn, gezien een controle achteraf thans zonder meer onmogelijk is. Over de beoordeling door de jury bestaat slechts de louter boude bewering “[h]et gepresenteerde eindejaarswerk voldoet niet aan de gestelde artistieke eisen”. Externe controle op de afwijzing, die overigens luidens artikel 48.§
  15. van het examenreglement gemotiveerd moet zijn, is onmogelijk indien deze steunt op de beraadslaging van de jury en men bijgevolg vrede moet nemen met een algemeenheid die een willekeurige beoordeling kan verhullen. 2.
  16. In haar laatste memorie dupliceert verwerende partij dat verzoeker, niettegenstaande de bestreden beslissing niet formeel aan deze twee vakken refereert, reeds op grond van zijn onvoldoendes voor de vakken “recht” en XII-1552-6/9 “ethiek van de media”, kennisvakken waarvan de motivering van het examenresultaat in de punten zelf is gelegen, kon worden afgewezen. Met betrekking tot het opleidingsonderdeel “Eindejaarswerk animatiefilm” is de bestreden beslissing afdoende gemotiveerd aangezien de verwijzing naar de “gestelde artistieke vereisten” aantoont welke de motieven waren op grond waarvan verzoeker de betrokken score kreeg. Deze verwijzing moet namelijk gelezen worden samen met het programmaboek, waar bij het opleidingsonderdeel volgende toelichting wordt gegeven: “[d]e student realiseert één langere of meerdere korte animatiefilms, die beoordeeld worden naar hun impact als resultaat van het volledige creatieve proces van concept tot afwerking”.
  17. Het examenreglement verleent verzoeker op grond van de door hem behaalde uitslag geen afdwingbaar recht om geslaagd te worden verklaard. Luidens artikel 47.§
  18. moet een student immers “[o]m te slagen [...] minstens de helft behalen voor elk opleidingsonderdeel en een globaal examenresultaat van minstens 50%”, wat voor verzoeker duidelijk niet het geval is. Verwerende partij stelt overigens terecht vast dat verzoeker geen kritiek heeft bij de onvoldoendes die hem zijn gegeven voor de vakken “recht” en “ethiek van de media”. Op grond van artikel 47.§
  19. evenwel, kan verzoeker na deliberatie gelijkgesteld worden met een student die voldoet aan voornoemde voorwaarden. In voorkomend geval wordt het globaal examenresultaat door de examencommissie opgetrokken tot minstens 50%. De examencommissie beschikt bijgevolg over een discretionaire bevoegdheid om verzoeker, zelfs als hij op sommige opleidingsonderdelen niet de helft behaalt, toch geslaagd te verklaren. Door voor het eerst in de laatste memorie te betogen dat de andere onvoldoendes voor de examencommissie konden volstaan om verzoeker af te wijzen, toont verwerende partij niet onomstotelijk aan dat die examencommissie onvermijdelijk tot dat besluit had moeten komen en verzoeker dienvolgens uit de gevraagde nietigverklaring geen voordeel kan verwachten. De vraag blijft dan ook of de beslissing van de examencommissie gedragen wordt door deugdelijke en toetsbare motieven.
  20. Blijkens het proces-verbaal van de beraadslaging van de examencommissie van 19 juni 1998 werd verzoeker afgewezen om twee redenen, namelijk zijn onvoldoende voor “Jaaroefeningen animatiefilm” en zijn onvoldoende voor “Eindejaarswerk animatiefilm”. Zijn onvoldoendes voor de vakken “recht” en “ethiek van de media” blijken minstens formeel bekeken te harer tijd de bestreden XII-1552-7/9 beslissing niet doorslaggevend te hebben beïnvloed zodat de Raad van State thans niet, in de plaats van de examencommissie, mag aannemen dat de bedoelde onvoldoendes hoe dan ook zouden leiden tot een afwijzing van verzoeker. Immers, luidens voormelde bepalingen van het examenreglement zou verzoeker op grond van deze onvoldoendes niet noodzakelijk niet geslaagd zijn. De examencommissie zelf heeft haar afwijzingsbeslissing niet op deze onvoldoendes gesteund en verwerende partij kan deze “bijkomende motivering” dan ook niet achteraf, in het kader van het door verzoeker ingestelde beroep tot nietigverklaring, inroepen.
  21. Inzake de beoordeling van zijn eindwerk, kan verzoeker worden gevolgd waar hij stelt dat deze beoordeling met schending van de motiveringsplicht is gebeurd. De motivering van de beslissing waarbij een kandidaat voor een examen niet geslaagd is ligt weliswaar in beginsel in de punten zelf vervat, althans zo het examen bestaat uit kennisvragen. Dit principieel uitgangspunt geldt evenwel niet voor een vak als “Eindejaarswerk animatiefilm”, dat de beoordeling inhoudt van een artistieke prestatie en waarbij het niet gaat om kennisvragen. Te dezen blijkt de motivering voor de onvoldoende voor het opleidingsonderdeel “Eindejaarswerk animatiefilm” te zijn “[h]et gepresenteerde eindejaarswerk voldoet niet aan de gestelde artistieke eisen”. In het programmaboek is te lezen dat de animatiefilm wordt beoordeeld naar zijn impact als resultaat van het volledige creatieve proces van concept tot afwerking en in het examenreglement luidt het dat de student moet bewijzen in staat te zijn tot oorspronkelijk professioneel en/of artistiek denken en het adequaat vormgeven aan dit denken. Voormelde motivering geeft evenwel nergens aan in welk opzicht verzoekers eindejaarswerk niet voldoet aan deze eisen. Nergens wordt concreet aangetoond welke aspecten van zijn eindejaarswerk niet voldoen. Derhalve wordt verzoeker door de examencommissie ongemotiveerd afgewezen ofschoon artikel 48.§
  22. van het examenreglement expliciet bepaalt dat die afwijzing gemotiveerd moet zijn. De betrokken motivering is niets anders dan een louter inhoudsloze stijlformule die op om het even welk eindejaarswerk van toepassing kan zijn. Een motivering derhalve, die verzoeker niets bijbrengt, laat staan dat zij hem zou toelaten terzake enig weerwerk te bieden.
  23. Het tweede middel is in de besproken mate gegrond. XII-1552-8/9 OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  24. Vernietigd wordt de beslissing van 19 juni 1998 van de examencommissie van het tweede meesterjaar audiovisuele kunst, optie animatie, van de Hogeschool Sint-Lukas Brussel waarbij Luc Van Roy in de eerste examenperiode wordt afgewezen. Artikel
  25. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1552-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.920 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.76.957 ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.78.854 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.122.884 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.469 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.