← België

Arrest 170963 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.963 Rolnummer: A. 182731/X-13259 Zaak: Arrest 170963 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-15 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 06:41 Fiche Arrest nr 170.963 van 9 mei 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.963 van 9 mei 2007 in de zaak A. 182.731/X-13.

  1. In zake :
  2. Marilyn VANDER ELST-GOOSSENS,
  3. Javier PAREDES, die woonplaats kiezen bij advocaten D. LAGASSE en K. ROELANDT, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : de gemeente WEZEMBEEK-OPPEM, die woonplaats kiest bij advocaat J. SOHIER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Emile De Motlaan
  4. DE WND. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marilyn VANDER ELST - GOOSSENS en Javier PAREDES op 25 april 2007 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 6 maart 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wezembeek-Oppem waarbij aan de heer en mevrouw KABBAJ-MIRI de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een eengezinswoning op een perceel gelegen te Wezembeek-Oppem, Nieuwelaan 130, kadastraal bekend sectie D, nr. 299/y3; Gelet op de beschikking van 26 april 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 3 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. ROELANDT die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat K. LARDENOIT, die loco advocaat J. SOHIER verschijnt voor de verwerende partij; X-13.259-1/4 Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kan verantwoorden; Overwegende, wat de eerste voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, dat de verzoekers het volgende uiteenzetten: “
  5. Verzoekers hebben ontegensprekelijk op diligente wijze gehandeld. Verzoekers hebben op 19 april 2007 kennis genomen van de aanvang van de werkzaamheden. Onderhavig verzoekschrift werd op 25 april 2007 aangetekend verstuurd aan de Raad van State.
  6. Bovendien kan niet geredelijk worden betwist dat de vergunde handelingen en werken op het ogenblik van een uitspraak over een vordering tot schorsing volgens de gewone procedure reeds dermate zouden zijn verwezenlijkt dat deze onmiskenbaar te laat zou komen om de door verzoekers aangevoerde nadelen te voorkomen. Eerste verzoekster dreigt haar zonlicht en uitzicht te verliezen (stuk 10/1). Aangezien een gewone schorsingsprocedure gemiddeld negen tot twaalf maanden in beslag neemt, valt aan te zien dat op die tijd de werken dermate ver zullen gevorderd zijn dat er een constructie zal zijn ingeplant, die aan eerste verzoeker het zonlicht volledig of minstens in zeer grote mate ontneemt. Bovendien zal eerste verzoekster geconfronteerd worden met een uitzicht op een 15 meter lange muur van een aanzienlijke hoogte. De gevelzijde van de woning van eerste verzoekster telt zeven vensters die uitgeven op het bouwperceel en dus uiteraard ook op de ingeplante constructie. Bovendien dreigt in casu het karakter van de woonwijk van verzoekers te worden aangetast door een volledig afgewerkte of minstens zeer ver (gevorderde) constructie die niet thuishoort in de onmiddellijke omgeving. De gewone schorsingsprocedure dreigt te laat te komen om dit nadeel nog te kunnen verhinderen”; Overwegende dat ter staving van hun stelling dat de bouwwerken op 19 april 2007 zouden zijn aangevat, de verzoekers verwijzen naar stuk nr.10/1 van hun dossier; dat dit stuk een foto betreft, waarop een toestel te zien is dat op een X-13.259-2/4 terrein staat en dat wellicht dient om grondsonderingen uit te voeren; dat niet wordt verduidelijkt waar deze foto precies werd genomen; Overwegende dat een dergelijk stuk niet overtuigt; Overwegende dat bovendien in de bestreden stedenbouwkundige vergunning het volgende wordt bepaald: “ Het college van burgemeester en schepenen geeft de vergunning af aan de aanvrager, die ertoe verplicht is: De gemeenteraadsbeslissing dd. 3 juli 2006, houdende ‘Goedkeuring overeenkomst (met) de heer en mevrouw KABBAJ, verlenging wegenis Nieuwelaan’ te respecteren, de bouwwerken pas aan te vatten na de voorlopige oplevering van de verlenging van de straat(...)”; Overwegende dat noch uit het administratief dossier, noch uit de debatten is gebleken dat de werken houdende verlenging van de Nieuwelaan reeds werden aangevat en dat op dit ogenblik geen stedenbouwkundige vergunning voorligt voor die wegeniswerken; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat niet werd voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2, om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. X-13.259-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen mei 2007, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. D. MOONS. X-13.259-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.963 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.245 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.