id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.969 Rolnummer: A. 182730/XIV-29066 Zaak: Arrest 170969 - Uitleveringen - 09/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-15 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 06:41 Fiche Arrest nr 170.969 van 9 mei 2007 Vreemdelingen - Uitleveringen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.969 van 9 mei 2007 in de zaak A. 182.730/XIV-29.
- In zake : Andranik MKARTCHIAN, die woonplaats kiest bij Advocaat J.-Y. CARLIER, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, rue Saint-André 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Andranik MKARTCHIAN, van Armeense nationaliteit, op 25 april 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Minister van Justitie van 21 februari 2007 waarbij de uitlevering van verzoeker aan de regering van Armenië wordt toegestaan, aan verzoeker betekend op 21 april 2007; Gelet op de beschikking van 27 april 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 27 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 mei 2007 om 12.00 uur; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN VRECKOM die, loco Advocaat J.-Y. CARLIER verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat S. DE KERPEL die, loco Advocaat B. DERVEAUX verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XIV-29.066-1/9
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- Verzoeker dient op 13 oktober 1998 een asielaanvraag in, welke wordt afgesloten door een weigeringsbeslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 15 juni
- 1.
- Gevolg gevend aan een verzoek tot rechtshulp van de Armeense overheid wordt verzoeker op 2 december 2004 aangehouden met het oog op uitlevering. Verzoeker wordt op 24 december 2004 door de Raadkamer in vrijheid gesteld. 1.
- Op 2 maart 2005 wordt een nieuw verzoek om rechtshulp toelaatbaar verklaard door de Federale Overheidsdienst Justitie. Bij beschikking van 4 augustus 2006 verklaart de Raadkamer het rechtshulpverzoek uitvoerbaar. De Kamer van Inbeschuldigingstelling bevestigt deze beslissing op 11 september
- Op 10 januari 2007 wordt aan verzoeker een uitleveringsbesluit van 29 november 2006 ter kennis gebracht. Deze beslissing wordt geschorst bij ’s Raads arrest nr. 166.879 van 17 januari
- 1.
- Bij aangetekend schrijven van 10 november 2006 verklaart verzoeker zich andermaal vluchteling. Op 16 januari 2007 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van in overwegingname van een asielaanvraag. Het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen deze beslissing wordt verworpen bij ’s Raads arrest nr. 167.142 van 25 januari
- 1.
- Een verzoek tot het opleggen van voorlopige maatregelen wordt verworpen bij ’s Raads arrest nr. 170.698 van 2 mei
- 1.
- Op 21 april 2007 wordt verzoeker opnieuw van zijn vrijheid beroofd en wordt het ministerieel besluit van 21 februari 2007 betekend, dat zijn uitlevering aan Armenië toestaat. Deze beslissing luidt als volgt : “(...) Gezien de brief dd. 11.03.2005 van de Minister van Buitenlandse Zaken en de daarbij gevoegde nota van de ambassade van Armenië te Brussel waarbij de uitlevering wordt gevraagd van de Armeense onderdaan MKRTCHYAN Andranik, alias MAKARTCHIAN Andranik, geboren de Artik op 24.12.1954; Gezien de daarbij overgelegde stukken, waaronder de ‘beslissing betreffende de toepassing van de arrestatie als voorzorgsmaatregel’ dd. 09.12.2004 van de rechtbank van eerste aanleg van de gemeenten Yerevan Kentron en Norck-Marash en dat deze beslissing te beschouwen is als een bevel tot aanhouding bij verstek met het oog op strafvervolging. Deze titel werd uitgevaardigd wegens feiten die naar Belgisch recht omschreven zijn als: valsheid in geschriften en gebruik door een openbaar ambtenaar XIV-29.066-2/9 enerzijds en verduistering door een openbaar ambtenaar anderzijds. Deze feiten werden gepleegd op Armeens grondgebied op 25.09.1997; Gezien het advies uitgebracht door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen op 13.11.2006; Gelet op het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957; Gelet op de uitleveringswetten van 1 oktober 1833 en 15 maart 1874; Gelet op de schorsing door het arrest van de Raad van State dd. 17.01.2007 van het ministerieel besluit dd. 29.11.2006, betekend op 10.01.2007 om reden van het nog niet voorhanden zijn van een beslissing over de tweede asielaanvraag van betrokkene; Gelet op de niet-ontvankelijkverklaring (‘refus de prise en considération’) van de tweede asielaanvraag van betrokkene bij beslissing dd. 16.01.2007 van de Minister van Binnenlandse Zaken. Aangezien het eventuele beroep bij de Raad van State tegen deze beslissing geen schorsende werking heeft; Overwegende dat de feiten zowel naar Belgisch als naar Armeens recht strafbaar zijn gesteld en dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.1 van voornoemd Uitleveringsverdrag; Overwegende dat de verjaring van de strafvordering noch naar Belgisch, noch naar Armeens recht is bereikt; Overwegende dat de feiten geen politiek misdrijf of een daarmee samenhangend misdrijf uitmaken; Overwegende dat niet is gebleken dat het verzoek tot uitlevering dat op een misdrijf van gemeen recht berust, is ingegeven om de opgeëiste persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke gezindheid te vervolgen of te straffen, noch dat zijn positie om een van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed; Overwegende bijgevolg dat aan de voorwaarden en de formaliteiten inzake de uitlevering is voldaan. (...)”;
- Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
- Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde betreft, verzoeker aanvoert: “UITERST DRINGENDE NOODZAKELIJKHEID. Overwegende dat er sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid, gelet op het feit dat de eiser van zijn vrijheid is beroofd sinds 21 april 2007 met het oog op zijn uitlevering naar Armenië, in uitvoering van de bestreden beslissing; Dat het evident is dat een gewoon verzoekschrift tot schorsing niet tijdig tot een arrest zou kunnen leiden gelet de dreigende en imminente uitvoering van de bestreden beslissing; Dat er trouwens een poging tot effectieve uitlevering heeft plaatsgevonden op 24 april 2007, maar die is niet doorgegaan omdat de eiser zich onwel voelde; Dat de eiser sindsdien nog steeds van zijn vrijheid is beroofd en dat uit deze eerste poging tot effectieve uitlevering aan Armenië de vastberadenheid van de Belgische overheden blijkt om de bestreden beslissing uit te voeren; Dat anderzijds moet worden vastgesteld dat de eiser het beroep met de vereiste spoed heeft ingesteld, gezien de bestreden beslissing hem werd betekend op 21 april 2007 XIV-29.066-3/9 Dat de uiterst dringende noodzakelijkheid daarom is aangetoond;”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij zich wat de hoogdringendheid betreft, schikt naar de wijsheid van de Raad; 2.1.
- Overwegende dat de hoogdringendheid inderdaad vaststaat; 2.2.
- Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde betreft, verzoeker in een tweede middel aanvoert: “
- Tweede middel. Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen in combinatie met het artikel 3 van het EVRM. Overwegende dat de bestreden beslissing helemaal geen rekening houdt met de slechte reputatie van Armenië op het gebied van mensenrechten en in het bijzonder wat betreft de wijdverspreide folteringen die worden begaan door politieagenten tijdens voorlopige hechtenis van gevangenen en in gevangenissen; Dat het artikel 3 van het EVRM een absolute bescherming biedt, van openbare orde is en geen enkele uitzondering toelaat en dus ook volledig losstaat van het gedrag van de persoon in kwestie (stuk 16: VANDE LANOTTE, J. en HAECK, Y., "Handboek EVRM. Artikelsgewijze commentaal”, Antwerpen, Intersentia, p. 162); Dat in gevallen van uitwijzing en uitlevering en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat Lidstaten moeten rekening houden met de eisen van het artikel 3 EVRM, omdat een uitwijzing of uitlevering naar een land waar een persoon folteringen of onmenselijke en vernederende behandeling riskeert te ondergaan, de verantwoordelijkheid van deze Lidstaat met zich mee kan brengen in het licht van het artikel 3 van het EVRM wanneer een schending wordt vastgesteld van het artikel voor het Hof ( stuk 16 : op. cit., p. 161); Dat in het algemeen door het Europees Hof wordt vereist dat een "ernstig en reëel risico" moet worden aangetoond door de klager (zie Soering t./ VK, arrest van 7 juli 1989, Publ. Hof, serie A, Vol. 161, §91 ); Dat er ook rekening wordt gehouden met de houding van de uitwijzende staat, zoals bijvoorbeeld in de zaken Crus Vgraz and others / Zweden en Vilvarajah and ohters / V.K. (zoals geciteerd in stuk 16, op. cit., p. 164-165); Dat aldus in de eerstgenoemde zaken het Hof is benadrukt dat de Zweedse overheden veel ervaring hebben met de Chileense vluchtelingen en de situatie van de asielzoekers dan ook goed kunnen inschatten; dat de Zweedse overheid contact heeft opgenomen met een Chileense mensenrechtenorganisatie die beweerde dat Crus Varaz nooit politiek actief is geweest ( stuk 16, op. cit., p. 165); Dat ook in de zaak Vilvarajah / VK er werd geoordeeld dat de Britse overheden veel ervaring hebben in het onderzoeken van dossiers van Srilankezen en dat elk geval individueel werd onderzocht ( stuk 16, op. cit., p. 165 ); Dat in tegenstelling tot de deze voormelde zaken de tegenpartij helemaal niet is overgegaan tot een individueel onderzoek van het geval van de eiser, omdat na de uitleveringsverzoeken van de Armeense overheden de Dienst Vreemdelingenzaken de nieuwe asielaanvraag van de eiser heeft geweigerd in overweging te nemen, ondanks het feit dat deze uitleveringsverzoeken nieuwe elementen uitmaken in de zin van het artikel 51 /8 van de wet van 15 december 1980; Dat bovendien de tegenpartij nu beweert dat de beslissing van weigering van in overwegingname voldoende zou zijn om tot het besluit te komen dat de eiser geen risico zou lopen op vervolging omwille van zijn politieke gezindheid, wat helemaal niet is beoordeeld door de Dienst Vreemdelingenzaken in de bijlage l3quater; Dat bovenop de verkeerde conclusies die de bestreden beslissing trekt uit de bijlage l3quater, er geen bijkomend onderzoek is gedaan naar het vaststellen van het risico op politieke vervolging door de eiser in geval van uitlevering naar Armenië, net zomin als enig onderzoek naar de soort behandeling die de eiser zal ondergaan indien hij zou worden teruggestuurd naar Armenië; XIV-29.066-4/9 Dat de tegenpartij hierin dus duidelijk is tekort geschoten door de bestreden beslissing helemaal niet te motiveren ten aanzien van een mogelijke schending van het artikel 3 van het EVRM, dit terwijl het nochtans algemeen geweten is dat de Armeense overheden een slechte reputatie hebben op het gebied van mensenrechten en zeer zeker ook op het gebied van respecteren van de mensenrechten van gevangenen; Dat aldus een recente artikel op www.armenialiberty.org vermeldt dat een hooggeplaatste rechten toegeeft dat de rechters in Armenië ernstig lijden aan een gebrek van onafhankelijkheid en dat zij zeer vatbaar zijn voor corruptie (stuk 6); Dat het jaarverslag van Human Rights Watch van 2007 over Armenië bevestigt dat folteringen en mishandelingen tijdens hechtenis door de politie en in gevangenissen nog steeds wijdverspreid zijn, dit ondanks het feit dat Armenië op 31 mei 2006 het Optional Protocol bij de Conventie tegen foltering en andere vrede, onmenselijke en vernederende behandeling en of straffen heeft goedgekeurd (stuk 7, p. 2 ) ; Dat ditzelfde verslag eveneens bevestigt dat mensenrechten groeperingen bevestigen dat de meeste gevangenissen overbevolkt zijn dat basisrechten van de gevangenen met voeten worden gedreven (stuk 7, p. 3); Dat deze bevindingen eveneens worden gevestigd in een Background note van het US State Department (stuk 8, p. 3 ) ; Dat een verslag van de European Committee for the prevention of torture and inhuman and degrading treatment or punishment ( CPT ) van 16 november 2006 een verslag geeft over de bevindingen van een comité, die melding maken van overmatig gebruik van geweld op het moment van arrestatie, fysieke mishandelingen tijdens ondervragingen en gebrekkige toegang tot een raadsman, geneesheer en informatie omtrent individuele rechten ( stuk 14: Report to the Armenian Government on the visit to Armenia carried out by the European Committee for the prevention of torture and inhuman or degrading treatment or punishment", 16 november 2006, p.9, 10 en 13 ); Dat al deze informatie die duiden op systematische mensenrechtenschendingen van gevangenen in detentie toegankelijk zijn voor het publiek via het Internet en dat het dus gaat om elementen waar de tegenpartij kennis van moest hebben; Dat de bestreden beslissing helemaal geen rekening houdt met dit risico voor de eiser om onmenselijke en vernederende behandelingen en zelfs folteringen te ondergaan wanneer hij in een gevangenis in Armenië zal terechtkomen, wat daarom een schending uitmaakt van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 in combinatie met het artikel 3 van het EVRM; Dat in een zaak Chahal v/ UK het Europees Hof van oordeel is geweest dat eventuele uitwijzing door het Verenigd Koninkrijk van een vermeende Sikhterrorist naar India een schending zou uitmaken van artikel 3 van het EVRM; Dat het hof in deze zaak heeft besloten tot een schending van het artikel 3 nadat de algemene toestand en meer specifiek de talloze schendingen van de mensenrechten in de Punjab-regio en meer in het algemeen in geheel India werd vastgesteld ( stuk 16, op.cit., p. 205 ); Dat in het geval van de eiser de verschillende publiek toegankelijke bronnen aantonen dat er sprake is van wijdverspreide mensenrechtenschendingen in de vorm van mishandelingen en het ontzeggen van basisrechten aan de gevangenen in detentie (stukken 6 tot en met 8 en 14) en desondanks heeft de bestreden beslissing dit risico op schending van het artikel 3 EVRM niet beoordeeld of geëvalueerd; Dat de herhaalde uitleveringsverzoeken door de Armeense overheden aantonen dat zij er zeker op gebrand zijn hem in handen te krijgen, wat voor de eiser zijn vrees nog verhoogt om onmenselijke en vernederende behandelingen en foltering te ondergaan eens hij in hun handen zou terechtkomen; Dat gelet op deze elementen moet worden geoordeeld dat de bestreden beslissing daarom een schending uitmaakt van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen en het artikel 3 van het EVRM;”; XIV-29.066-5/9 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “
- Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen in combinatie met artikel 3 EVRM a. Verzoeker stelt dat in het bestreden besluit geen rekening werd gehouden met de slechte reputatie van Armenië op het vlak van respect voor de mensenrechten, en dit gebrek aan appreciatie leidt tot een gebrekkige motivering van het bestreden besluit. b. Vooreerst zal de Raad vaststellen dat de rechterlijke macht bij herhaling, in de beschikking van de Raadkamer bij de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, en in het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen, heeft vastgesteld dat de uitleveringsvoorwaarden vervuld waren, de Kamer van Inbeschuldigingstelling verleende een volkomen gunstig advies aan de Minister omtrent de uitlevering van de betrokkene met de overweging dat de betrokkene niet werd vervolgd omwille van zijn politieke gezindheid. Het EVRM, artikel 3 in het bijzonder, dat rechtstreeks in de Belgische rechtsorde werkt, werd daarbij vanzelfsprekend in de overwegingen betrokken. Naast de rechterlijke controles heeft de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen en Staatlozen de asielaanvraag van de verzoeker ook reeds afgewezen. In het bestreden besluit blijkt de Minister wel degelijk de vrees van de verzoeker in overweging te hebben genomen, en m.n. waar de Minister vaststelt dat "de feiten geen politiek misdrijf of een daarmee samenhangend misdrijf uitmaken”, en dat “niet is gebleken dat het verzoek tot uitlevering dat op een misdrijf van gemeen recht berust, is ingegeven om de opgeëiste persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke gezindheid te vervolgen of te straffen, noch dat zijn positie om één van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed”. In die zin dient te worden vastgesteld dat de Minister in het bestreden besluit niet is tekort geschoten aan de motiveringsverplichting krachtens de wet van 29 juli
- Het middel is niet ernstig.”; 2.2.3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn middel stelt, samengevat, dat door geen rekening te houden met het risico dat hij loopt (wanneer hij, eenmaal uitgeleverd terecht komt in een Armeense gevangenis) om onmenselijk en vernederend te worden behandeld of zelfs gefolterd, de verzoekende partij artikel 3 van het E.V.R.M. (verbod op foltering en op onmenselijk en vernederende behandelingen of straffen) niet in haar oordeel heeft betrokken hetgeen leidt tot een gebrekkige motivering van het bestreden besluit waardoor de motiveringsplicht, vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen wordt geschonden; 2.2.3.2 Overwegende dat de verwerende partij in haar nota antwoordt dat “het E.V.R.M., artikel 3 in het bijzonder .... daarbij vanzelfsprekend in de overwegingen (werd) betrokken”; dat zij ter terechtzitting dit standpunt herhaalt en bevestigt; 2.2.3.
- Overwegende dat uit niets blijkt dat -in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij aanvoert- in het bestreden besluit artikel 3 van het E.V.R.M. “vanzelfsprekend” in de overwegingen werd betrokken; dat in de overwegingen alleen maar wordt gesteld dat in casu voldaan is aan de voorwaarden tot uitlevering zoals deze vervat zijn in de Belgische uitleveringswetten van 1 oktober 1833 en 15 maart 1874, zoals onderwijl gewijzigd en in het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957; dat het bestreden besluit aldus alleen maar de overwegingen, vervat in het advies van de Kamer van XIV-29.066-6/9 Inbeschuldigingstelling van Antwerpen dd. 13 november 2006 herhaalt en er niets aan toevoegt; 2.2.3.
- Overwegende dat de beslissing om een vreemdeling uit leveren problemen schept vanuit het oogpunt van artikel 3 van het E.V.R.M. indien er zwaarwichtige redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkene, na zijn uitlevering, een ernstig risico loopt om aan foltering, onmenselijke of vernederende behandelingen te worden onderworpen; dat verzoeker aan de hand van recente, onafhankelijke en voor iedereen (dus ook voor de Minister van Justitie) gemakkelijk toegankelijk bronnen (Human Rights Watch, jaarlijks verslag van 2007 betreffende Armenië; U.S. Department of State, Background note on Armenia, december 2006; Verslag van het European Committee for the prevention of Torture and Inhuman or degrading treatment or punishment (CPT) van 16 november 2006 betreffende Armenië) aantoont dat de Armeense overheden een allesbehalve vlekkeloze reputatie bezitten op het vlak van het respecteren van de mensenrechten in het algemeen en van de mensenrechten van gevangenen in het bijzonder; 2.2.3.
- Overwegende dat de Minister van Justitie derhalve bij het nemen van de bestreden beslissing rekening had moet houden met - of ten minste althans enige aandacht had moeten schenken aan - de mogelijke schending van artikel 3 van het E.V.R.M. als rechtstreeks resultaat van de bestreden beslissing; dat, door het eventueel risico op de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. niet bij haar overwegingen te betrekken, de Minister inderdaad haar beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd; dat in die mate, op het eerste gezicht, het middel ernstig is; 2.3.
- Overwegende dat, wat de derde voorwaarde betreft, de verzoekende partij aanvoert: “HET MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL. Overwegende dat de uitvoering van de bestreden beslissing een moeilijke en ernstig te herstellen nadeel tot gevolg zal hebben voor de eiser; Dat in dit verzoekschrift twee ernstige middelen worden aangehaald, zodat het moeilijk en ernstig te herstellen nadeel voor bewezen moet worden gehouden; Dat in het arrest n/ 166.879 van 17 januari 2007 van de Raad van State werd geoordeeld dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel werd gevormd door het feit dat de veiligheid van de eiser in het gedrang komt wanneer hij wordt uitgeleverd aan zijn land van herkomst en dat de uitvoering van de bestreden beslissing tot gevolg zal hebben dat hij alle belang verlies bij zijn hangende asielprocedure; Dat deze motivering nog steeds gelden is, nu er nog steeds niet is aangetoond dat er geen risico zou zijn op politieke vervolging of het ondergaan van foltering, onmenselijke en vernederende behandelingen in strijd met het artikel 3 van het EVRM in geval van terugkeer naar Armenië, enerzijds omdat de tweede asielaanvraag van de eiser niet in overweging genomen en er geen oordeel werd geveld door de Dienst Vreemdelingenzaken omtrent het risico op politieke vervolging na de uitleveringsverzoeken door de Armeense overheid en anderzijds gelet op de wijdverspreide mensenrechtenschendingen van gevangenen in detentie in Armenië zoals bevestigd door publiek toegankelijke bronnen ( zie supra : stukken 6 tot en met 8 en 14 ); XIV-29.066-7/9 Dat bovendien de bestreden beslissing geen melding heeft gemaakt van de eventuele rechtsmiddelen die hij zou kunnen aanwenden tegen de "beslissing betreffende de toepassing van arrestatie als voorzorgsmaatregelen" van de rechtbank van eerste aanleg van de gemeenten Yerevan Kentron en Norck-Marash zodat zijn rechten van verdediging worden geschonden en door de uitvoering van de bestreden beslissing hij deze rechtsmiddelen niet meer op een nuttige wijze zal kunnen aanwenden; Dat de eiser riskeert om te worden vervolgd omwille van politieke redenen, zoals hij heeft aangehaald in zijn tweede asielaanvraag, gelet op de drogredenen aangehaald door de Armeense overheden om zijn uitlevering vragen; Dat aan de eiser de mogelijkheid moet worden gegeven een beslissing te krijgen van de Dienst Vreemdelingenzaken en eventueel van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en Staatlozen omtrent de ontvankelijkheid en eventuele kennelijke ongegrondheid van zijn tweede asielaanvraag, nu een bijlage l3quater geen oordeel heeft geveld over het risico op vervolging omwille van politieke redenen gelet op de uitleveringsverzoeken van de Armeense overheden; Dat indien de bestreden beslissing zal worden uitgevoerd aan de eiser het recht zal worden ontzegd om zijn rechtsmiddelen aangewend tegen de bijlage l3quater, met name de verzoekschriften tot schorsing en nietigverklaring bij de Raad van State (stukken 4 en 5 ) aan te wenden, evenmin als de verzoekschrift voor voorlopige maatregelen in uiterst dringende noodzakelijkheid (stuk 15); Dat de eiser op geen enkele wijze een gevaar betekent voor de openbare orde over de veiligheid; Dat omwille van die redenen het ernstig en moeilijk te herstellen nadeel als bewezen moet worden beschouwd;”; 2.3.
- Overwegende dat, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, de verwerende partij zich schikt naar de wijsheid van de Raad; 2.3.
- Overwegende dat de uiteenzetting van verzoeker genoeg overtuigingskracht bezit om te besluiten dat ook aan de derde voorwaarde is voldaan;
- Overwegende dat aldus is voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde cumulatieve voorwaarden om tot schorsing te kunnen overgaan, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Minister van Justitie van 21 februari 2007 waarbij de uitlevering van verzoeker aan de regering van Armenië wordt toegestaan, aan verzoeker betekend op 21 april
- Artikel
- De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting op negen mei tweeduizend en zeven, door : XIV-29.066-8/9 de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter. C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.066-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.969 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.502 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.