id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.993 Rolnummer: Zaak: Arrest 170993 - Milieuvergunningen - 10/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-30 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-29 06:41 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 170.993 van 10 mei 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.993 van 10 mei 2007 in de zaken A. 76.082/VII-16.027 A. 76.089/VII-16.
(2)de voorwaarden inzake het lozen van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater, niet worden nageleefd; Overwegende dat de NV CGAE tot op heden geen concrete planning aangaande structurele maatregelen en/of investeringen kan voorleggen waaruit blijkt dat op termijn de opgelegde exploitatievoorwaarden en saneringsplannen zullen nageleefd/uitgevoerd worden zodat de opgelegde lozingsvoorwaarden voor bedrijfsafvalwater gerespecteerd worden en de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau kan beperkt worden". 2.5. De afdeling Milieuvergunningen hoort op 24 september 1997 onder meer de algemeen directeur van de verzoekende partij. Deze voert het volgende aan : "- de problemen zijn reeds ontstaan door het slechte concept bij de bouw van de fabriek; het proces is sinds de overname door CGAE, een Franse groep, volledig vernieuwd; - in het verleden werden de milieuproblemen onvoldoende aangepakt, vooral omwille van de belangrijke financiële problemen; sinds het tweede semester van 1996 zijn de verliezen echter sterk gedaald; - de waterzuiveringsinstallatie is ondergedimensioneerd; de normen voor lozing in oppervlaktewater zijn niet haalbaar met deze installatie; als oplossing op korte termijn werd de aansluiting op riolering gevraagd, voor 2 à 3 jaar, doch dit werd geweigerd; VII-16.027 & VII-16.031-7/32 - de firma GTI zou in de toekomst (kontrakt voor 15 jaar) alle nutsvoorzieningen van CGAE overnemen, gezien GTI veel kapitaal- krachtiger is en hierin over meer know-how beschikt; GTI garandeert dat de klant 75 % van de prijs van het kontrakt terugwint door besparingen op de nutsvoorzieningen; - volgende projekten worden in beschouwing genomen om de energetische en milieuresultaten te verbeteren : * bouw van een biologische waterzuiveringsinstallatie * optimalisatie van de biofilter (vervangen van het filtermateriaal, nazien van het luchtverdelingssysteem) * verbranding van vet en slib door semi-pyrolyse in een trommeloven * omgekeerde osmose voor het proceswater * installatie van een warmtetransformator * koude-opslag in de aquifer (grondwaterlagen) * warmtekrachtkoppeling * installatie van een zuigerkompressor voor de piekafname van perslucht * droogkoelers in plaats van koeltorens * afleggen van de transformator bij nullast - GTI engageert zich kontraktueel dat de milieunormen zullen gehaald worden; - sinds 1 juli 1997 werd een externe milieucoördinator van GTI aangenomen door CGAE, evenals een gespecialiseerd technieker; - een verdriedubbeling van de produktiecapaciteit wordt overwogen, wat mogelijk zou zijn binnen de huidige omschrijving van de vergunning, en waarbij 15 mensen bijkomend zouden tewerkgesteld worden; - op 13 oktober 1997 is er een shut-down om de biofilter struktureel te kunnen aanpakken; - in de week van 6 tot 10 oktober 1997 gebeuren metingen door VMM in het kader van de afvalwaterheffingen; - er wordt overwogen om na 13 oktober nog een aantal weken gedurende 2 dagen te sluiten om belangrijke aanpassingen uit te voeren; - het feit dat niet met gesloten deuren werd gewerkt is vooral te wijten aan het werkklimaat voor de arbeiders; in augustus 1997 was het onhoudbaar voor de arbeiders; - de 2 belangrijkste geurhinderbronnen zijn de waterzuiveringsinstallatie en het slecht concept en onderhoud van de biofilter; - Aquafin onderzoekt vanaf 24 september de mogelijkheid voor een tijdelijke aansluiting op riolering; - de slechte kwaliteit van de Tangebeek is niet enkel te wijten aan CGAE". 2.6. Op 6 oktober 1997 verleent AMINAL volgend advies over de verzoeken tot opheffing van de vergunningen : "Overwegende dat in het voorgaande uitvoerig werd aangetoond dat de bepalingen van het milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten en de geldende vergunningsvoorwaarden niet werden nageleefd; dat derhalve de bevoegde overheid de milieuvergunning kan schorsen of opheffen; dat een schorsing aan de orde is als vaststaat dat de exploitant binnen het kader van zijn vergunningen aanpassings- en saneringswerken kan uitvoeren, waarna een uitbating volgens de milieuvergunningsvoorwaarden mogelijk wordt; dat een opheffing daarentegen dient te worden overwogen als de exploitant enkel via een reorganisatie van het bedrijf en/of het uitvoeren van saneringsmaatregelen, die het vragen van een nieuwe vergunning impliceren, de hinder voor de omwonenden, inclusief de werknemers op de bedrijven in dezelfde VII-16.027 & VII-16.031-8/32 industriezone, en de effekten op het leefmilieu, tot een aanvaardbaar niveau zal kunnen beperken; Overwegende dat in dit geval, naast een aantal overtredingen die vooral organisatorisch van aard waren ook inbreuken werden vastgesteld waarvoor saneringswerken nodig zijn; dat echter naast de voorgestelde korte-termijn- maatregelen ook inbreuken zijn vastgesteld waaraan pas op middellange termijn kan aan voldaan worden; dat de beperking van de hinder voor de woon- omgeving en van de effecten op het leefmilieu en het oppervlaktewater in het bijzonder niet gewaarborgd wordt op korte termijn; dat het daarom past de verleende vergunningen op te heffen". 2.7. Dezelfde dag, 6 oktober 1997, wordt het bestreden besluit in de zaak A. 76.082 genomen, dat luidt als volgt : "BESLUIT VAN DE VLAAMSE MINISTER VAN LEEFMILIEU EN TEWERKSTELLING HOUDENDE OPHEFFING VAN DE MILIEUVERGUNNINGEN VOOR DE EXPLOITATIE VAN DE NV CGAE, GELEGEN TE 1850 GRIMBERGEN, WEST-VAARTDIJK 95. De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling, Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zoals gewijzigd bij de decreten van 7 februari 1990, 12 december 1990, 21 december 1990, 21 december 1993, 21 december 1994 en 08 juli 1996, in het bijzonder artikel 36; Gelet op het besluit van 6 februari 1991 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 27 februari 1992, 28 oktober 1992, 27 april 1994, 01 juni 1995 en 26 juni 1996; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 01 juni 1995, houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 20 juni 1995 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 20 oktober 1992 tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse regering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 20 januari 1993, van 7 oktober 1993 en van 20 juni 1995; Gelet op het besluit nr. 12/72796/48561 van de Bestendige Deputatie van Brabant van 24 augustus 1989 houdende verlenen van de vergunning aan de NV FMS voor de exploitatie van een vetsmelterij, voor een proefperiode van 2 jaar; Gelet op het ministerieel besluit van 2 maart 1994 houdende bevestiging in beroep van het besluit van de Bestendige Deputatie van 24 augustus 1989; Overwegende dat geen definitieve uitspraak werd getroffen na het einde van de proefperiode, gezien de NV CGAE de ARAB-aanvraag, ingediend door de NV FMS, introk en eind 1994 een volledig nieuweVlarem-milieuvergunnings- aanvraag indiende voor het volledige bedrijf; Overwegende dat bijgevolg momenteel volgende vergunningen van kracht zijn op onderhavige inrichting : - de lozingsvergunning nr. LE45/1182.0066/0 van 26 mei 1989, verleend door de directeur van de Vlaamse Waterzuiveringsmaatschappij aan de NV FMS, voor de lozing van ander afvalwater dan normaal huisafvalwater in de Tangebeek langs de Westvaartdijk te 1850 Grimbergen, voor een onbeperkte termijn, ingevolge artikel 71, van titel I van het Vlarem ingekort tot 1 september 2011; VII-16.027 & VII-16.031-9/32 - het besluit nr. D/OVR/92K12/2.775 van 18 november 1992 van de Bestendige Deputatie van Brabant houdende aktename van de melding van de overname van NV Sograca door de NV CGAE; - het besluit nr. D/PMVC/95A06/10.709 van 27 april 1995 van de Bestendige Deputatie van Vlaams-Brabant houdende verlenen van de vergunning voor de exploitatie van een vetsmelterij, voor een termijn eindigend op 1 september 2011, en houdende weigeren van de vraag tot wijziging van de afvalwaterlozingsnormen; - het ministerieel besluit nr. AMV/00001754/602 van 18 oktober 1995 waarbij in beroep bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarden werden opgelegd; - het besluit nr. D/PMVC/96104/16413 van 10 juli 1997 van de Bestendige Deputatie van Vlaams-Brabant houdende verlenen van de vergunning voor de wijziging van de vetsmelterij, voor een termijn eindigend op 1 september 2011, en houdende weigeren van de vraag tot wijziging van de afvalwaterlozingsnormen; Overwegende dat een beroep ingediend door de NV CGAE tegen het besluit van de Bestendige Deputatie van 10 juli 1997 in behandeling is; Gelet op het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van Grimbergen van 11 augustus 1997, aangetekend verzonden op 13 augustus 1997, om de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling te verzoeken om de vergunningen verleend aan de NV CGAE op te heffen; Gelet op het aanvullend schrijven van het College van Burgemeester en Schepenen van Grimbergen van 22 augustus 1997 waarbij bijkomende gegevens inzake proces-verbalen opgesteld in augustus 1997 werden overgemaakt; Gelet op de vraag van de afdeling Milieu-inspectie, buitendienst Vlaams-Brabant, aangetekend verzonden op 21 augustus 1997, tot schorsing of opheffing van voormelde vergunningen; Gelet op het feit dat het College van Burgemeester en Schepenen de vraag tot opheffing van de vergunning staaft door volgende argumenten : - door de politie van Grimbergen werden sinds 1991 negentien processen-verbaal opgesteld inzake : * illegale lozing van afvalwater in de Tangebeek * illegale lozing van koelwater op een naburig terrein * veroorzaken van geurhinder * lek in de afzuigleidingen naar de biofilter * werken met open poorten * onzorgvuldige uitbating: de vloer in het gebouw van de waterzuiverings- installatie was smerig en vuil; dierlijk afval lag naast en op de randen van de stortbak en op de parking - door het Bestuur Milieu-inspectie werden eveneens verschillende vaststellingen van overtredingen opgemaakt; - er werden bovendien vele klachten ingediend bij zowel de politiediensten als de gemeentelijke milieudienst, over onsmakelijke geur van rottend vlees zowel overdag als - ook verschillende bedrijven in de omgeving klagen over indringende stank, zodat geen normale werkomstandigheden meer kunnen verzekerd worden; door het naburige Caterpillar wordt gemeld dat de stank zo ondraaglijk is dat sommige werknemers braakneigingen hebben en hun werk eronder lijdt; - herhaaldelijk werden overtredingen vastgesteld van artikel 12 (zindelijke uitbating) en 789, § 7 (werken met gesloten deuren) van de vergunning van 27 april 1995; - er werd bij de exploitant meermaals aangedrongen om de poorten gesloten te houden, doch zonder gevolg; VII-16.027 & VII-16.031-10/32 - in het beroepschrift van 23 mei 1995 tegen de vergunning van 27 april 1995 werd er reeds op gewezen dat * er geen koelruimten zijn voor het bewaren van nog niet verwerkt afval * de aanvoer van afval en de verwerking ervan gebeurt niet in lokalen onder druk * de biofilter onvoldoende capaciteit heeft * de problemen in het verleden veelvuldig waren; - met de huidige waterzuiveringsinstallatie kan CGAE niet voldoen aan de opgelegde normen voor lozing in de Tangebeek; bovendien is deze installatie vaak onbemand en in zeer onreine toestand, wat eveneens voor geurhinder zorgt; - door de afdeling Milieu-inspectie werd in aanwezigheid van de gemeentelijke milieudienst vastgesteld dat de gaswasser niet naar behoren funktioneert, zodat de biofilter een sterke ammoniakgeur verspreidt; - gezien het belangrijkste eindprodukt vet is voor consumptiedoeleinden en gelet op de onhygiënische toestanden, heeft het gemeentebestuur ook vragen bij de naleving van de reglementering inzake verwerking van dierlijk afval; - uit dit alles blijkt dat het niet mogelijk blijkt het bedrijf te runnen zonder overmatige hinder voor de omgeving; Gelet op het feit dat de afdeling Milieu-inspectie de vraag tot schorsing/opheffing van de vergunning staaft door volgende argumenten : - gelet op de door de politie van Grimbergen gedane vaststellingen; - door de afdeling Milieu-inspectie werden sinds april 1993 zeventien processen-verbaal opgesteld inzake : * illegale lozingen van vet en slib in de Tangebeek * niet naleven van de lozingsnormen * veroorzaken van geurhinder * lozen van bedrijfsafvalwater zonder de controle-inrichting te passeren * onzindelijke toestand binnen het bedrijf * niet vergunde activiteiten * niet naleven van de bijzondere voorwaarden inzake geur en afvalwater * niet uitvoeren van verplichte rookgasmetingen * rechtstreeks lozen van verontreinigd regenwater in de Tangebeek * werken met openstaande poorten * slechte werking van de gaswasser; - er werden bovendien talrijke klachten ingediend bij zowel de politie en rijkswacht, de gemeentelijke milieudienst als de afdeling Milieu-inspectie van Vlaams-Brabant; - omwonenden (particulieren en bedrijven) klagen over onsmakelijke geur; er werd vastgesteld dat de geurhinder ondubbelzinnig afkomstig was van CGAE; - verschillende bedrijven in de omgeving (Caterpillar, Tecnor) klagen over indringende stank, zodat geen normale werkomstandigheden meer kunnen verzekerd worden; - in het ministerieel besluit van 18 oktober 1995 werd de opmaak van een saneringsplan inzake geurhinder opgelegd, samen met de eis om de saneringen uiterlijk tegen 1 juni 1996 te realiseren; fase III van het voorgestelde saneringsplan is tot op heden niet uitgevoerd, volgens de heer Bridoux (algemeen directeur van CGAE) om technische redenen; - er werden regelmatig mondelinge en schriftelijke aanmaningen gegeven inzake het werken met open poorten, de onzindelijke toestand en de slechte werking van de biofilter annnex gaswasser; - de heer Bridoux heeft verklaard dat CGAE niet voldoet aan volgende bepalingen van Vlarem II, subafdeling 5.2.2.10, aangezien : * de aangevoerde afvalstoffen uitzonderlijk (1 weekend op 3) niet binnen de 24 uur verwerkt worden VII-16.027 & VII-16.031-11/32 * de ontvangstruimte (receptiebakken) voor afvalstoffen niet koel gehouden worden; - de lozingsnormen voor het bedrijfsafvalwater kunnen met de bestaande waterzuiveringsinstallatie niet gehaald worden, wegens het ontbreken van een biologische zuivering (volgens het saneringsplan voor afvalwater); - een verzoek tot wijziging van de lozingsvoorwaarden werd in eerste aanleg geweigerd; dat beroep zou worden ingediend; - het voorgelegde saneringsplan voor afvalwater, conform het ministerieel besluit van 18 oktober 1995, werd door de afdeling Milieuvergunningen niet goedgekeurd; - het groot aantal vaststellingen van illegale lozingen geeft aan dat deze een chronisch karakter hebben, veroorzaakt door het slecht functioneren en/of het gebrekkig beheer van de bedrijfsinstallaties en waterzuiveringsinfrastruc- tuur; - de heer Bridoux, directeur, heeft verklaard dat het bedrijf zeer zware financiële moeilijkheden heeft gekend, dat de eigenaar maximale financiële middelen ter beschikking stelt, doch dat deze onvoldoende zijn om de nodige investeringen op milieuvlak te realiseren; - uit dit alles blijkt dat de voorwaarden inzake beperking van geurhinder en inzake afvalwaterlozing niet worden nageleefd; - gelet op artikel 36 van het milieuvergunningsdecreet en gelet op het ministerieel besluit van 18 oktober 1995, is de bevoegde overheid inzake schorsing/opheffing de Vlaamse minister voor Leefmilieu en Tewerkstelling; gelet op artikel 47, § 2, 2/ kunnen de met het toezicht gelaste ambtenaren aan de bevoegde overheid voorstellen de vergunning volledig of deels te schorsen of op te heffen; - aan CGAE wordt medegedeeld dat een verzoek tot schorsing/opheffing van de vergunning wordt ingediend; Gelet op het advies van het College van Burgemeester en Schepenen van Grimbergen van 15 september 1997 inzake de vraag van de afdeling Milieu-inspectie tot schorsing/opheffing van de milieuvergunningen, conform artikel 47, § 2, 1/ van Vlarem I; Gelet op het aangetekend schrijven van 15 september 1997 van de afdeling Milieuvergunningen waarbij de NV CGAE werd uitgenodigd tot een onderhoud; Gelet op het horen op 24 september 1997 van de heer Bridoux, algemeen direkteur van NV CGAE, en de heer Eeckman van de firma GTI Technical Management, waarbij het volgende werd gesteld : - de problemen zijn reeds ontstaan door het slechte concept bij de bouw van de fabriek; het proces is sinds de overname door CGAE, een Franse groep, volledig vernieuwd; - in het verleden werden de milieuproblemen onvoldoende aangepakt, vooral omwille van de belangrijke financiële problemen; sinds het tweede semester van 1996 zijn de verliezen echter sterk gedaald; - de waterzuiveringsinstallatie is ondergedimensioneerd; de normen voor lozing in oppervlaktewater zijn niet haalbaar met deze installatie; als oplossing op korte termijn werd de aansluiting op riolering gevraagd, voor 2 à 3 jaar, doch dit werd geweigerd; - de firma GTI zou in de toekomst (kontrakt voor 15 jaar) alle nutsvoorzieningen van CGAE overnemen, gezien GTI veel kapitaal- krachtiger is en hierin over meer know-how beschikt; GTI garandeert dat de klant 75 % van de prijs van het kontrakt terugwint door besparingen op de nutsvoorzieningen; - volgende projekten worden in beschouwing genomen om de energetische en milieuresultaten te verbeteren : * bouw van een biologische waterzuiveringsinstallatie VII-16.027 & VII-16.031-12/32 * optimalisatie van de biofilter (vervangen van het filtermateriaal, nazien van het luchtverdelingssysteem) * verbranding van vet en slib door semi-pyrolyse in een trommeloven * omgekeerde osmose voor het proceswater * installatie van een warmtetransformator * koude-opslag in de aquifer (grondwaterlagen) * warmtekrachtkoppeling * installatie van een zuigerkompressor voor de piek-afname van perslucht * droogkoelers in plaats van koeltorens * afleggen van de transformator bij nullast - GTI engageert zich kontraktueel dat de milieunormen zullen gehaald worden; - sinds 1 juli 1997 werd een externe milieucoördinator van GTI aangenomen door CGAE, evenals een gespecialiseerd technieker; - een verdriedubbeling van de produktiecapaciteit wordt overwogen, wat mogelijk zou zijn binnen de huidige omschrijving van de vergunning, en waarbij 15 mensen bijkomend zouden tewerkgesteld worden; - op 13 oktober 1997 is er een shut-down om de biofilter struktureel te kunnen aanpakken; - in de week van 6 tot 10 oktober 1997 gebeuren metingen door VMM in het kader van de afvalwaterheffingen; - er wordt overwogen om na 13 oktober nog een aantal weken gedurende 2 dagen te sluiten om belangrijke aanpassingen uit te voeren; - het feit dat niet met gesloten deuren werd gewerkt is vooral te wijten aan het werkklimaat voor de arbeiders; in augustus 1997 was het onhoudbaar voor de arbeiders; - de 2 belangrijkste geurhinderbronnen zijn de waterzuiveringsinstallatie en het slecht concept en onderhoud van de biofilter; - Aquafin onderzoekt vanaf 24 september de mogelijkheid voor een tijdelijke aansluiting op riolering; - de slechte kwaliteit van de Tangebeek is niet enkel te wijten aan CGAE; Gelet op het advies van 6 oktober 1997 van de afdeling Milieuvergunningen van de Administratie voor Milieu, Natuur, Land- en Waterbeheer; Overwegende dat het bedrijf in kwestie een inrichting is waar dierlijke vetten worden gesmolten, waarbij als eindprodukt enerzijds vetten bestemd voor menselijke consumptie worden bekomen, en anderzijds technische vetten voor de zeepindustrie; dat hierbij 2 procédés worden toegepast: een droog procédé (4 autoclaven) en een nat procédé (1 smelttank) waarbij een belangrijke afvalwaterstroom ontstaat; dat dit bedrijf in 1989 werd opgericht, en in 1992 werd overgenomen door de huidige uitbater NV CGAE, die deel uitmaakt van de Franse groep Mainguet; Overwegende dat bij een dergelijke activiteit onmiskenbaar een risico op aanzienlijke geuremissie bestaat, door de te verwerken materialen en de produktie van vetten op verhoogde temperaturen; dat bovendien vooral door het nat procédé een zeer belast afvalwater wordt geproduceerd, dat wordt geloosd in de Tangebeek, die ter hoogte van het bedrijf overwelfd is; Overwegende dat het bedrijf, zoals hoger vermeld, in het verleden diverse malen werd geverbaliseerd, omwille van : - het veroorzaken van geurhinder, waarbij ondermeer vaak werd vastgesteld dat met open poorten werd gewerkt; - overtreding van de afvalwaterlozingsnormen, en illegale lozing doordat niet via de controle-inrichting werd geloosd; - onzorgvuldige, slordige uitbating; Overwegende dat het bedrijf, wat de geurhinder betreft, ook verwijst naar andere geurbronnen in de omgeving, namelijk het composteringsbedrijf van de VLAR, palend aan het bedrijf, en het gelatinebedrijf PB Gelatines, divisie van VII-16.027 & VII-16.031-13/32 Tessenderlo Chemie, gelegen te Vilvoorde, aan de overzijde van het kanaal Brussel-Willebroek; Overwegende dat de klachten en vaststellingen inzake geurhinder op diverse plaatsen gebeurden, afhankelijk van de meteorologische omstandigheden; dat het duidelijk niet om alleenstaande klachten ging; dat bovendien de karakteristieke vetgeur van een dergelijk bedrijf organoleptisch duidelijk te onderscheiden is van de geur van de naburige potentiële geurbronnen; Overwegende dat de exploitant, zoals blijkt uit de verhoren van de verantwoordelijke van het bedrijf ter gelegenheid van de processen-verbaal, herhaalde malen heeft toegegeven dat het bedrijf op diverse punten de milieuvoorwaarden in het verleden heeft overtreden; Overwegende dat de geurproblemen bovendien bij warm weer belangrijker worden; dat het werken met gesloten poorten, door het ontbreken van afdoende verluchting, voor de arbeiders bij zeer warm weer onhoudbaar is; dat hierdoor in augustus 1997 de geurproblemen zeer frekwent waren; dat door het College van Burgemeester en Schepenen en door de afdeling Milieu-inspectie in die kontekst werd geoordeeld dat de uitbating onder die omstandigheden niet langer kon geduld worden, temeer daar geen enkele vordering werd vastgesteld in de uitbatingswijze; Overwegende dat bij een plaatsbezoek van een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen op 29 september 1997 door CGAE een concrete lijst werd voorgelegd, genoemd nog niet zal voldaan zijn aan alle milieuvoorwaarden; Overwegende dat de geuremissie in hoofdzaak ontstaat in de produktieruimte (ruimte voor het vochtig en voor het droog koken); dat verder ook de stortbakken in de ontvangstruimte en de waterzuivering belangrijke geurbronnen zijn; Overwegende dat een biofilter werd gebouwd, opgedeeld in 2 kompartimenten met een oppervlakte van respektievelijk 75 m² en 25 m² volgens het saneringsplan; dat in de milieuvergunningsaanvraag van 16 januari 1995 2 biofilters van respektievelijk 120 en 40 m² werden vermeld (pag. 21) en op het bijhorende plan staan zelfs 2 filters van respektievelijk 70 en 238 m² getekend; dat de biofilters dus de helft kleiner werden gebouwd dan oorspronkelijk was voorgesteld; dat het kleinste kompartiment bovendien nooit werd in gebruik genomen; dat voor de biofilter een gaswasser aanwezig is om de dampen te bevochtigen; dat de dampen uit de hierboven genoemde geurbronnen werden aangesloten op de biofilter, met uitzondering van de ruimte-afzuiging van de produktieruimte; Overwegende dat een dergelijke biologische gaszuivering enkel een gunstig rendement heeft indien deze met de nodige deskundigheid wordt uitgebaat; dat zo ondermeer de drukval over de filter moet gevolgd worden, het vochtgehalte van het filtermateriaal en van de lucht na de gaswasser, enz.; dat echter, zoals blijkt uit de korte termijn planning, overhandigd op 29 september 1997, de installatie werd verwaarloosd gezien diverse lekken dienen te worden hersteld, een alarm dient te worden geplaatst om het uitvallen van pompen (gaswasser) te vermijden, het sproeisysteem moet gekuist worden, enz.; dat geen enkel element aantoont dat het bedrijf in het verleden de nodige inspanningen heeft geleverd om tot een efficiënte geurbestrijding te komen; dat alle elementen erop wijzen dat wel een biofilter aanwezig is doch dat deze nooit met (goed) VII-16.027 & VII-16.031-14/32 resultaat is uitgebaat; dat dit trouwens wordt bevestigd door de waarnemingen vermeld in het PV nr. 97/357 van de afdeling Milieu-inspektie; dat bovendien bij het plaatsbezoek van de vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen op 29 september 1997 is vastgesteld dat het filtermateriaal allesbehalve gelijkmatig was verdeeld over de biofilter, zodat de verdeling van de lucht over de filter evenmin gelijkmatig was, en een gunstig rendement uitgesloten is; Overwegende dat in het ministerieel besluit van 18 oktober 1995 werd opgelegd dat een concept van te treffen maatregelen teneinde de geur-emissies te beperken moest ingediend worden tegen 18 november 1995, en dat de volledige sanering uiterlijk tegen 1 juli 1996 moest uitgevoerd zijn; dat een rapport, opgesteld door de BVBA Enviro Consult pas werd verstuurd op 30 april 1996; dat hierin een sanering in 3 fasen werd voorgesteld; dat dit rapport werd goedgekeurd door de afdeling Milieuvergunningen, echter met de vermelding dat bijkomend een storingsanalyse wenselijk zou zijn, omdat juist bij storingen de geurproblemen optreden en dus het vermijden maximaal moet nagestreefd worden; dat uit het proces-verbaal van de afdeling Milieu-inspektie nr. PV/97/357 blijkt dat fase 3 van het saneringsplan nog steeds niet is uitgevoerd; dat fase 3 bestaat uit het capteren van de ( Overwegende dat de korte termijn planning voorziet om fase 3, eventueel onder een alternatieve vorm, uit te voeren tegen 13 november 1997; dat een alternatief enkel kan aanvaard worden indien dit minstens gelijkwaardige resultaten oplevert; Overwegende dat ook maatregelen zijn voorzien om de warmte in de produktieruimte beter te evacueren; dat dit het werken met gesloten poorten beter moet mogelijk maken; dat in het verleden diverse malen werd vastgesteld dat met open poorten werd gewerkt, wat trouwens niet wordt ontkend door de aanvrager; dat dit een overtreding inhoudt van artikel 789, § 7 van het besluit van de Bestendige Deputatie van 27 april 1995; Overwegende dat uit het voorgaande kan besloten worden dat de geurhinder veroorzaakt door CGAE veroorzaakt is door een combinatie aan faktoren : - onvoldoende bestudering van de capaciteit van de biofilter en onvoldoende opvolging van de werking; - een slordige, onzorgvuldige bedrijfsvoering (open poorten); - het niet volledig uitvoeren van het saneringsplan zodat nog niet alle geurbronnen zijn aangepakt; Overwegende dat het bedrijfsafvalwater wordt geloosd in de Tangebeek; dat deze beek uitmondt in de Zenne; dat de Tangebeek volgens de oppervlaktewaterdoelstellingen conform het besluit van de Vlaamse regering van 21 oktober 1987, de bestemming basiswater is toegewezen; Overwegende dat langs het bedrijf tevens een kollektor van Aquafin loopt; dat deze kollektor in de toekomst zou afwateren naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) Grimbergen-Vilvoorde-Zemst; dat voor deze RWZI nog (geen) concrete inplantingsplaats werd vastgelegd; dat voor de ingebruikname ervan derhalve nog geen concrete tijdsplanning bestaat; Overwegende dat in het Technisch Plan van de RWZI Grimbergen, goedge- keurd door de Vlaamse minister voor Leefmilieu op 5 april 1995, geen rekening werd gehouden met de vuilvracht van de NV CGAE, gelet op de voor CGAE vergunde lozing in oppervlaktewater; Overwegende dat een lozingsvergunning werd verleend op 26 mei 1989 voor de lozing van ander afvalwater dan normaal huisafvalwater in de Tangebeek, voor een maximum debiet van 40 m³/uur en 275 m³/dag, ondermeer met volgende lozingsnormen : VII-16.027 & VII-16.031-15/32 - BOD : 60mg/l; - COD : 360 mg/l; - zwevende stoffen : 60 mg/l; - Kjeldahl stikstof : 100 mg/l ; dat een versoepeling van deze lozingsnormen werd gevraagd begin 1995, doch niet werd toegestaan (besluit van 27 april 1995); dat in deze aanvraag werd gesteld dat na zuivering in het effluent nog volgende concentraties overblijven : - BOD : 1.700 mg/l; - COD : 3.800 mg/l; - zwevende stoffen : 2.600 mg/1; - Kjeldahl stikstof : 120 mg/l; dat dit duidelijk aantoont dat de aanwezige waterzuiveringsinstallatie (bestaande uit een flokkulator en een flotatieunit) onvoldoende is om de lozingsnormen voor lozing in oppervlaktewater, die reeds sinds 1989 zijn opgelegd, te halen; dat in het besluit van 27 april 1995 wel een wijziging van de lozingsdebieten werd vergund, zodat maximum 90 m³/uur, 250m³/dag en 38.000 m³/jaar bedrijfsafvalwater mag geloosd worden; Overwegende dat bovendien meerdere malen proces-verbaal werd opgesteld inzake overtreding van de lozingsnormen; dat het bedrijf evenmin ontkent dat de huidige normen niet kunnen gehaald worden; dat trouwens uitgaande van de ontwerp-gegevens waarop de fysico-chemische waterzuiveringsinstallatie werd gedimensioneerd (pag. 26 van de milieuvergunningsaanvraag van 16 januari 1995), namelijk een COD van het influent van 4.000 mg/l en een zuiverings- rendement, opgegeven door de konstrukteur, van 50 tot 80 % voor COD, kan besloten worden dat de lozingsnorrmen met de huidige installatie onmogelijk kunnen gehaald worden; Overwegende dat het bedrijf nooit op eigen initiatief concrete plannen heeft gemaakt om de waterzuivering dermate uit te bouwen dat de opgelegde lozingsnormen konden gehaald worden; dat in die optiek in het ministerieel besluit van 18 oktober 1995 een saneringsplan voor de afvalwaterproblematiek werd opgelegd, in te dienen tegen 1 januari 1996; dat dit rapport werd opgesteld door de BVBA Enviro Consult en pas werd ontvangen door de afdeling Milieuvergunningen op 20 juni 1996, ter goedkeuring, zoals beschreven in het ministerieel besluit van 18 oktober 1995; Overwegende dat door de exploitant bij het horen op 24 september 1997 werd verklaard dat de financiële situatie de voorbije jaren een aanzienlijke investering in de verdere uitbouw van de waterzuiveringsinstallatie niet toeliet; dat dan ook in de nabije toekomst geen garanties bestaan dat de lozingsnormen zullen gehaald worden; dat immers in de korte termijn planning, overhandigd op 29 september 1997, geen concrete stappen zijn opgenomen die moeten leiden tot zuivering tot de normen uit de lozingsvergunning, doch enkel een Overwegende dat het bedrijf momenteel als tussenoplossing voorstelt om het afvalwater voorlopig op de kollektor van Aquafin te lozen, zoals trouwens ook omschreven in het saneringsplan voor de afvalwaterproblematiek; dat dit uiteraard bedoeld is om de geldende lozingsnormen te ontwijken; dat door de afdeling Milieuvergunningen, in haar schrijven van 9 juni 1997 aan de NV CGAE, waarin de saneringsplannen inzake geur en afvalwater werden beoordeeld, duidelijk wordt gesteld dat de voorgestelde omschakeling van lozing op oppervlaktewater naar lozing op riool, niet kan aanvaard worden; dat hiervoor een milieuvergunningsaanvraag werd ingediend; dat deze aanvraag echter in eerste aanleg werd geweigerd; dat het beroep, ingesteld door CGAE, momenteel in behandeling is en een besluit terzake uiterlijk op 15 januari 1998 moet getroffen worden; dat een dergelijke omschakeling in huidige toestand weinig logisch lijkt gezien de kollektor toch nog niet is aangesloten op een RWZI en dus ook in oppervlaktewater uitmondt; VII-16.027 & VII-16.031-16/32 VII-16.027 & VII-16.031-17/32 Overwegende dat bovendien in het saneringsplan voor de afvalwaterproblematiek, op pagina 6, wordt vermeld dat het werkelijk geloosde dagdebiet (450 m³/
- d)bijna het dubbel bedraagt van het vergunde dagdebiet (250 m³/d); Overwegende dat tenslotte door de afdeling Milieu-inspektie werd vastge- steld dat afvalwater ook illegaal werd geloosd, zonder de kontrole-inrichting te passeren; Overwegende dat uit een proces-verbaal opgesteld door de afdeling Milieu-inspektie op 11 september 1997 is gebleken dat door een brand de elektrische installaties van de waterzuivering en de biofilter waren uitgevallen; dat deze calamiteit niet werd gemeld aan de overheid, wat in strijd is met de bepalingen van titel II van het Vlarem; dat in de korte termijnplanning overhandigd op 29 september 1997 ook de vernieuwing van de elektrische installaties is vermeld; dat evenmin aan de vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen op het plaatsbezoek van 29 september 1997 werd medegedeeld dat deze vervanging het gevolg is van de vernietiging door brand; dat deze maatregel dus wordt voorgesteld als een saneringsmaatregel die de toestand in vergelijking met het verleden moet verbeteren, terwijl het louter een noodzakelijke ingreep is om aan de gevolgen van de brand te verhelpen; Overwegende dat CGAE de intentie heeft om met de firma GTI Technisch Beheer scheep te gaan, door een kontrakt van 15 jaar, waarbij GTI zou instaan voor alle nutsvoorzieningen en zuiveringsinstallaties; Overwegende dat uit de besprekingen met CGAE en GTI is gebleken dat naast de korte-termijn-maatregelen opgesomd in de lijst die werd overhandigd op 29 september 1997, wel concrete plannen bestaan om de situatie op langere termijn ten gronde te saneren (o.m. bouw van een biologie); dat deze saneringen echter worden gekoppeld aan een verhoging van de capaciteit van het bedrijf; dat het bedrijf stelt dat dit kan binnen de huidige vergunningen, gezien geen nieuwe gebouwen zouden opgetrokken worden; dat dit echter wel een volledige reorganisatie van de produktielijnen zou inhouden, zodat een dergelijke wijziging wel degelijk het voorwerp zou moeten vormen van een bijkomende milieuvergunning; Overwegende dat ook de verbranding van het slib van de waterzuivering naar voor wordt geschoven; dat ook hiervoor een milieuvergunning zou dienen te worden gevraagd; dat hetzelfde geldt voor de bouw van een biologische waterzuivering; Overwegende dat dus de sanering ten gronde afhankelijk wordt van de toekenning van bijkomende vergunningen; dat CGAE aldus de sanering aangrijpt om vergunning te verkrijgen voor uitbreiding van de produktiecapaci- teit; dat de toekenning van een dergelijke vergunning allesbehalve evident is in het licht van de bedrijfsvoering in het verleden; dat wel wordt voorgesteld dat de firma GTI het tij volledig zal doen keren, doch dat echter geen garanties bestaan dat de financiële middelen in de toekomst wel zullen voorhanden zijn; Overwegende dat in het voorgaande uitvoerig werd aangetoond dat de bepalingen van het milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten en de geldende vergunningsvoorwaarden niet werden nageleefd; dat derhalve de bevoegde overheid de milieuvergunning kan schorsen of opheffen; dat een schorsing aan de orde is als vaststaat dat de exploitant binnen het kader van zijn vergunningen aanpassings- en saneringswerken kan uitvoeren, waarna een uitbating volgens de milieuvergunningsvoorwaarden mogelijk wordt; dat een opheffing daarentegen dient te worden overwogen als de exploitant enkel via een reorganisatie van het bedrijf en/of het uitvoeren van saneringsmaatregelen, die het vragen van een nieuwe vergunning impliceren, de hinder voor de omwonenden, inclusief de werknemers op de bedrijven in dezelfde industrie- zone, en de effekten op het leefmilieu, tot een aanvaardbaar niveau zal kunnen beperken; VII-16.027 & VII-16.031-18/32 Overwegende dat in dit geval, naast een aantal overtredingen die vooral organisatorisch van aard waren, ook inbreuken werden vastgesteld waarvoor saneringswerken nodig zijn; dat echter naast de voorgestelde korte-termijn-maatregelen ook inbreuken zijn vastgesteld waaraan pas op middellange termijn kan aan voldaan worden; dat de beperking van de hinder voor de woonomgeving en van de effecten op het leefmilieu en het oppervlakte- water in het bijzonder niet gewaarborgd worden op korte termijn; dat het daarom past de verleende vergunningen op te heffen; BESLUIT: Enig artikel - De volgende vergunningen, verleend voor de inrichting van de NV CGAE, Westvaartdijk 95, 1850 Grimbergen, voor de exploitatie van een inrichting gelegen te 1850 Grimbergen, Westvaartdijk 95, namelijk : - de lozingsvergunning nr. LE45/l182.0066/0 van 26 mei 1989, verleend door de directeur van de Vlaamse Waterzuiveringsmaatschappij aan de NV FMS, voor de lozing van ander afvalwater dan normaal huisafvalwater in de Tangebeek langs de Westvaartdijk te 1850 Grimbergen, voor een onbeperkte termijn, ingevolge artikel 71 van titel I van het Vlarem ingekort tot 1 september 2011; - het besluit nr. D/OVR/92K12/2.775 van 18 november 1992 van de Bestendige Deputatie van Brabant houdende aktename van de melding van de overname van NV Sograca door de NV CGAE; - het besluit nr. D/PMVC/95A06/10.709 van 27 april 1995 van de Bestendige Deputatie van Vlaams-Brabant houdende verlenen van de vergunning voor de exploitatie van een vetsmelterij, voor een termijn eindigend op 1 september 2011, en houdende weigeren van de vraag tot wijziging van de afvalwaterlozingsnormen; - het ministerieel besluit nr. AMV/00001754/602 van 18 oktober 1995 waarbij in beroep bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarden werden opgelegd; - het besluit nr. D/PMVC/96104/16413 van 10 juli 1997 van de Bestendige Deputatie van Vlaams-Brabant houdende verlenen van de vergunning voor de wijziging van de vetsmelterij, voor een termijn eindigend op 1 september 2011, en houdende weigeren van de vraag tot wijziging van de afvalwaterlozingsnormen; worden opgeheven. (...)". 2.8. Op 16 oktober 1997 wordt de in de zaak A. 76.089 bestreden beslissing genomen, die luidt als volgt : "BEVELSCHRIFT dd. 16 oktober 1997 De Burgemeester, Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Belgisch Staatsblad, 17 september 1985), zoals gewijzigd bij de decreten van 07 februari 1990, 12 december 1990, 21 december 1990, 22 december 1993, 21 december 1994 en 08 juli 1996; Gelet op artikel 38 van het milieuvergunningsdecreet; Gelet op het Besluit van de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Tewerkstel- ling dd. 06 oktober 1997 houdende opheffing van de milieuvergunningen voor de exploitatie van de n.v. C.G.A.E., gelegen te 1850 Grimbergen, Westvaartdijk 95; Beveelt de stopzetting van de aanvoer van grondstoffen en van afgewerkte produkten ten laatste op maandag 20 oktober 1997 om 00.00 uur VII-16.027 & VII-16.031-19/32 de stillegging van de machines van de produktie-eenheid ten laatste op woensdag 22 oktober 1997 om 09.00 uur de exploitant om alle maatregelen te nemen om de bedrijfsinstallaties en het bedrijfsterrein in een gereinigde, zindelijke en veilige toestand te brengen zodanig dat elke vorm van hinder uitgesloten is en er geen bezwaar kan ontstaan voor de mens en het milieu; een sluitingsscenario ter uitvoering van het Besluit van de Minister van Leefmilieu dd. 06 oktober 1997 op te maken voor de verdere afbouw van de vergunningsplichtige activiteiten van het bedrijf en dit scenario ter goedkeuring voor te leggen aan de burgemeester vóór donderdag 23 oktober 1997"; 3. Over de gegrondheid van de zaak A. 76.082/VII-16.027. 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van "het algemeen motiveringsbeginsel", de beginselen van behoorlijk bestuur zoals "het vertrouwens- en zorgvuldigheids- beginsel" en "de basisprincipes van het milieubeleid"; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel stelt dat de formele motivering afdoende moet zijn, wat inhoudt dat zij draagkrachtig moet zijn, de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werden genomen, dat ze niet al te faciel of oppervlakkig mag zijn, dat ze voldoende precies moet zijn, voldoende onderbouwd derwijze dat ze het eindbesluit verantwoordt en ze vooral niet tegenstrijdig mag zijn en feitelijk correct moet zijn en derhalve een afdoende antwoord moet geven op de tijdens de procedure naar voor gebrachte bezwaren en aanspraken, hetgeen niet gebeurde, zodat de formele motiveringsvereiste geschonden is; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel stelt dat het bestreden besluit niet aangeeft waarom meteen voor de zwaarste maatregel, de opheffing van de milieuvergunningen, wordt geopteerd, en waarom meteen en uitsluitend de zwaarste dwangmaatregel de enige weg zou zijn; Overwegende dat de verzoekende partij in een derde onderdeel aanvoert dat de overheid op de hoogte was van diverse saneringsmaatregelen die zij genomen had of zinnens was te nemen en een gedoogbeleid voerde op het vlak van het respecteren van diverse afgesproken termijnen voor sanering van het bedrijf; VII-16.027 & VII-16.031-20/32 Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichting bij het eerste onderdeel betoogt dat op grond van de gedane vaststellingen niet kan worden afgeleid dat de in de P.V.'s vastgestelde geurhinder (uitsluitend) van haar bedrijf afkomstig was; dat zij dit in detail illustreert aan de hand van de diverse P.V.'s; dat zij betoogt dat zonder meer voor alle P.V.'s geldt dat geen rekening werd gehouden met meteorologische omstandigheden en er niet gecontroleerd werd of de geur wel degelijk van haar bedrijf afkomstig was, dan wel of de geurhinder mede door de andere bedrijven veroorzaakt werd, dat de geur van haar bedrijf overigens niet zo duidelijk van andere geuren te onderscheiden is, dat waar de bestreden beslissing gesteund is op geurhinder, zij gebaseerd is op vaststellingen die feitelijk niet correct zijn en alleszins onvoldoende gestaafd, dat de in de bestreden beslissing op p. 8 onderaan vermelde overwegingen dan ook manifest onjuist zijn en niet vermogen aan te tonen dat de in de P.V.'s gedane vaststellingen correct zouden zijn; Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichting bij het tweede onderdeel van het middel betoogt dat de motivering niet aangeeft waarom nu juist tot een opheffing en niet tot een andere sanctie besloten werd, dat in het besluit enkel op algemene en abstracte wijze aangegeven wordt wanneer tot schorsing dan wel tot opheffing van de vergunning kan worden overgegaan, dat het bestreden besluit in concreto had dienen aan te geven waarom een dergelijk onderscheid gemaakt wordt, dat ook elke motivering waarom net op een moment dat een vermindering van de geurhinder te verwachten was de bestreden maatregel werd opgelegd, ontbreekt, dat gelet op de zeer verreikende gevolgen van het besluit tot opheffing van de vergunningen, de nakoming van de motiveringsplicht aan de strengste controle dient te worden onderworpen; Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichting bij het derde onderdeel stelt dat de overheid sedert 18 oktober 1995 niet is opgetreden met betrekking tot de vervaltermijnen die tussenkwamen, dat terwijl de goedkeuring van de saneringsplannen op zich liet wachten tot 9 juni 1997, dat zij desalniettemin deze saneringsplannen was beginnen uitvoeren, dat juist omwille van de laattijdige goedkeuring van fase drie van het saneringsplan, deze fase onder een alternatieve vorm werd uitgevoerd en dat dit dan als een element ten nadele van haar wordt aangegrepen, dat op grond van door Aquafin gedane toezeggingen zij erop mocht vertrouwen dat lozing in de riool mogelijk zou zijn, en dat met het bestreden besluit hieromtrent plots een afwijzende houding wordt aangenomen; VII-16.027 & VII-16.031-21/32 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord aangaande het eerste onderdeel van het eerste middel samengevat betoogt dat het bestreden besluit uitermate omstandig en afdoende gemotiveerd is, en dit zowel op het vlak van de geurhinder, alsook op het vlak van illegale lozingen, niet naleven van vergunningsvoorwaarden en onzorgvuldige, slordige uitbating; dat de verwerende partij voorts stelt dat de minister op basis van de diverse vaststellingen wel degelijk kon beslissen, en de overtredingen toegegeven werden door verantwoordelijken van het bedrijf, dat de geurhinder niet simpelweg herleid kan worden tot de weersomstandigheden, dat uit bepaalde vaststellingen blijkt dat de geurhinder wel degelijk afkomstig is van het bedrijf van de verzoekende partij, dat de stelling dat er ook inbreuken waren bij andere bedrijven niet wegneemt dat er ook inbreuken waren bij de verzoekende partij, dat de milieu-inspectie tijdens talrijke vaststellingen wel degelijk geurhinder die veroorzaakt werd door de verzoekende partij heeft kunnen vaststellen, dat ook de gemeentepolitie en de milieudienst van Grimbergen tot die vaststelling kwamen, dat de geur van het bedrijf van de verzoekende partij te onderscheiden is van andere geurhinder, dat uit talrijke feiten blijkt dat de verzoekende partij niet ernstig is, dat gelet op de toestand bij de verzoekende partij, er wel degelijk ook op zondag geurhinder kon zijn, zelfs zonder activiteit, dat een gedoogbeleid niet onbeperkt kan worden verder gezet, nu in het verleden saneringsmaatregelen en -plannen niet of niet tijdig werden uitgevoerd of nageleefd; Overwegende dat de verwerende partij, wat betreft het tweede onderdeel van het middel, samengevat betoogt dat het bestreden besluit wel degelijk motiveert waarom gekozen werd voor een opheffing van de vergunning, dat deze motivering betrekking heeft op de concrete situatie van het bedrijf, dat zij in het besluit voldoende voorbeelden van inbreuken gaf, dat het evenwel materieel onmogelijk is om daarvan een exhaustieve, gedateerde lijst te geven, dat gelet op de financiële situatie van de verzoekende partij, te betwijfelen valt of het bedrijf binnen de normen zal blijven bij uitbreiding van de productie, dat vanaf 1991 in het dossier wel degelijk gradueel tewerk gegaan werd, dat vaststellingen, aanmaningen en bevelen elkaar opvolgden, dat het evenwel niet mocht baten; Overwegende dat de verwerende partij, wat betreft het derde onderdeel, betoogt dat het engelengeduld van de overheid bij de verzoekende partij bezwaarlijk het vertrouwen mocht wekken dat dit alles tot in de eeuwigheid door zou kunnen gaan, dat gelet op de omstandigheden de overheid in alle redelijkheid de meest passende remedie nam, dat de verzoekende partij haar wel verwijt dat de VII-16.027 & VII-16.031-22/32 goedkeuring van het saneringsplan op zich liet wachten, maar voorbijgaat aan het feit dat ze zelf de bijkomende termijnen voor de indiening van het saneringsplan niet respecteerde, dat, niettegenstaande fasen van het saneringsplan waren uitgevoerd, er nog steeds geurhinder werd geconstateerd en er nog herhaaldelijk illegale lozingen van afvalwater werden vastgesteld, dat saneringsplannen niet veel zin hebben als de maatregelen in de praktijk ongedaan gemaakt worden doordat er geen enkele vordering in de uitbatingswijze werd vastgesteld, dat een toezegging van Aquafin voor de aansluiting op riolering enkel toegestaan kan worden indien de verzoekende partij aan de wettelijke lozingsnormen voldoet, dat bovendien, gelet op de omstandigheden met de RWZI, een lozing op riolering zou neerkomen op een lozing in de oppervlaktewateren (de Zenne); 3.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord haar eerste middel herhaalt en aangaande het eerste onderdeel nog betoogt dat de weersomstandigheden van belang zijn om te weten vanwaar de geurhinder afkomstig is, dat uit klachten of P.V.’s niet blijkt dat de geurhinder aan haar toegeschreven kan worden, dat uit persberichten blijkt dat zij niet de enige veroorzaker van geurhinder was, dat de door haar geproduceerde geur organoleptisch moeilijk te onderscheiden is van die van de VLAR en PB-Gelatine, dat ook na haar sluiting er nog steeds veel geuroverlast is, dat bij de gedane vaststellingen bewust geen rekening werd gehouden met de geurhinder afkomstig van andere bedrijven, dat het bedrijfsterrein zeker niet permanent vervuild is met dierlijke resten, en dat de stelling dat talrijke inbreuken bij haar werden vastgesteld manifest onjuist is; dat, wat betreft het tweede onderdeel van het middel, de verzoekende partij in essentie herhaalt wat zij reeds in het verzoekschrift betoogde en aangaande de problematiek van het afvalwater nog stelt dat het gaat om een structureel probleem waarvan de aansprakelijkheid bij de overheid ligt; dat de verzoekende partij in de toelichting bij het derde onderdeel van het middel in wezen herneemt wat zij reeds in het verzoekschrift betoogde; 3.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie aangaande het eerste middel stelt dat het bestreden besluit gestoeld is op artikel 36 van het milieuvergunningsdecreet en dat het op een zeer uitvoerige, voldoende, uitdrukkelijke en afdoende wijze wordt gemotiveerd, ook wat betreft de keuze van de dwangmaatregel, dat van de overheid niet kan worden verwacht dat zij ten eeuwige dagen een gedoogbeleid blijft voortzetten, en dat uit de motivering van de bestreden beslissing duidelijk en gedetailleerd blijkt dat de laatst door de VII-16.027 & VII-16.031-23/32 verzoekende partij voorgestelde saneringsplannen op korte termijn geen oplossing bieden voor de gerezen milieuproblemen; 3.1.5. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie opnieuw haar eerste middel herhaalt en aangaande het eerste onderdeel beknopt herneemt wat zij reeds in haar verzoekschrift en in haar memorie van wederantwoord heeft opgemerkt omtrent de motivering van de bestreden beslissing; dat zij betreffende het tweede onderdeel nogmaals haar betoog zoals uiteengezet in vorige stukken herhaalt en hierbij nog verwijst naar het arrest van de Raad van State nr. 127.546 van 29 januari 2004, waarbij zij stelt dat de Raad de stelling bevestigde "dat de opheffing van de milieuvergunning een strikte motivering in concreto vereist, in het bijzonder wanneer uit de begeleidende omstandigheden blijkt dat de overheid een standpunt inneemt dat tegenstrijdig is aan de opheffing van de vergunning"; dat de verzoekende partij nog concludeert dat in het bestreden besluit niet op afdoende wijze wordt gemotiveerd waarom precies op dit moment, namelijk op het moment waarop reeds bepaalde werken waren uitgevoerd en de derde fase van de saneringswerken zou worden aangevat, de zwaarste maatregel van volledige opheffing van de vergunningen genomen werd, maatregel die niet als enige mogelijke sanctie door de milieu-inspectie gevorderd werd en die voor het overgrote deel gebaseerd is op vaststellingen die onjuist, betwist en alleszins niet bewijskrachtig ingevolge het ontbreken van beantwoording van aangeklaagde elementen, minstens onvoldoende gestaafd zijn; dat de verzoekende partij in de toelichting bij het derde onderdeel van het middel nogmaals herneemt wat zij reeds in het verzoekschrift betoogde; 3.1.6. Overwegende dat het bestreden besluit ertoe strekt dat de milieuvergunningen van de verzoekende partij worden opgeheven, en gebaseerd is op artikel 36 van het milieuvergunningsdecreet en artikel 47 van Vlarem I; dat luidens die bepalingen de milieuvergunning kan worden geschorst of opgeheven in geval de bepalingen van het milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten en de geldende vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd; 3.1.6.1. Overwegende, wat de aangevoerde schending van de formele motiveringsplicht betreft, dat in het bestreden besluit zeer omstandig, concreet en gedetailleerd uiteengezet wordt op welke beweegredenen het is gebaseerd; dat er wordt stilgestaan bij het verzoek tot opheffing van de vergunning uitgaande van het college van burgemeester en schepenen alsook van de afdeling milieu-inspectie, en bij de inhoudelijke elementen die deze verzoeken schragen; dat in het bestreden VII-16.027 & VII-16.031-24/32 besluit de minister voorts een zeer omstandige eigen motivering van de genomen maatregel geeft; dat inzonderheid de minister erop wijst dat de exploitant toegegeven heeft dat in het verleden op diverse punten de milieuvoorwaarden overtreden werden; dat in het bestreden besluit te lezen staat dat de verzoekende partij artikel 789, § 7, van het milieuvergunningsbesluit van de bestendige deputatie van 27 april 1995 overtreden heeft, doordat met open deuren gewerkt werd; dat de minister ook aanstipt dat meerdere P.V.'s werden opgesteld wegens overtreding van de lozingsnormen, en dat het bedrijf niet ontkent dat de huidige normen niet gehaald kunnen worden; dat ook wordt gewezen op illegale lozingen van afvalwater; dat de minister ten slotte melding maakt van het feit dat een bepaalde calamiteit - met name een brand in de elektrische installatie - niet aan de overheid werd gemeld, hoewel de bepalingen van titel II van Vlarem zulks nochtans voorschrijven; dat de verzoekende partij niet overgaat tot een weerlegging van deze feiten op zich, dat zij zelfs niet echt ontkend worden; dat die feiten alleen in een bepaald daglicht worden gesteld of gerelativeerd; dat deze feiten, waarvan mag worden aangenomen dat zij overtredingen uitmaken van het milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten en/of van de vergunningsvoorwaarden derhalve afdoende motieven vormen om de bestreden beslissing op te baseren; Overwegende dat de verzoekende partij in verband met die motivering ook een aantal meer specifieke grieven aanvoert : zo stelt zij dat het bestreden besluit niet aangeeft waarom meteen voor de zwaarste maatregel, met name de opheffing, wordt geopteerd; dat het middel op dit punt feitelijke grondslag mist, vermits in de bestreden beslissing wordt overwogen dat "een schorsing aan de orde is als vaststaat dat de exploitant binnen het kader van zijn vergunningen aanpassings- en saneringswerken kan uitvoeren, waarna een uitbating volgens de milieuvergunningsvoorwaarden mogelijk wordt; dat een opheffing daarentegen dient te worden overwogen als de exploitant enkel via een reorganisatie van het bedrijf en/of het uitvoeren van saneringsmaatregelen, die het vragen van een nieuwe vergunning impliceren, de hinder voor de omwonenden, inclusief de werknemers op de bedrijven in dezelfde industriezone, en de effecten op het leefmilieu, tot een aanvaardbaar niveau zal kunnen beperken"; dat verder wordt overwogen dat "de beperking van de hinder voor de woonomgeving en van de effecten op het leefmilieu en het oppervlaktewater in het bijzonder niet gewaarborgd worden op korte termijn; dat het daarom past de verleende vergunningen op te heffen"; dat de motivering aldus tevens geconcretiseerd wordt naar de feitelijke situatie van de verzoekende partij; VII-16.027 & VII-16.031-25/32 Overwegende dat de verzoekende partij ook stelt dat onvoldoende vaststaat dat de geurhinder van haar bedrijf afkomstig zou zijn; dat evenwel vastgesteld moet worden dat de verwerende partij niet is voorbijgegaan aan dit probleem, nu zij overweegt dat "bovendien de karakteristieke vetgeur van een dergelijk bedrijf organoleptisch duidelijk te onderscheiden is van de geur van de naburige potentiële geurbronnen"; dat overigens de omstandigheid dat eventueel ook andere bedrijven geurhinder veroorzaken niets afdoet aan de vaststelling dat ook de verzoekende partij geurhinder veroorzaakt, hetgeen zij, gelet op de vele klachten en P.V.’s die ook haar inrichting betreffen, bezwaarlijk kan ontkennen; dat de verzoekende partij trouwens zelf toegeeft dat zij gedeeltelijk medeverantwoordelijk is voor de geurhinder; dat haar argumentatie op dit punt geenszins afbreuk kan doen aan het feit dat talrijke inbreuken op de milieu- en vergunningsvoorwaarden werden vastgesteld, bijvoorbeeld in verband met de lozing van het afvalwater, en dat het precies daarop is dat de bestreden maatregel gebaseerd kan worden; 3.1.6.2. Overwegende dat, wat de schending van het vertrouwens-, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, de verzoekende partij in essentie stelt dat de overheid een gedogende houding aannam en op de hoogte was van de maatregelen die zij van plan was te nemen; dat ook deze argumentatie niet opgaat; dat de omstandigheid dat de exploitant voor het naleven van onderrichtingen en verplichtingen uitstel verkreeg, er niet toe kan leiden dat het bestuur gedwongen blijft steeds verder uitstel te verlenen en tegen de overtreder geen dwangmaatregel kan nemen, zeker als bepaalde uiterste data voor het nakomen van onderrichtingen verstreken zijn op het ogenblik dat de dwangmaatregel wordt opgelegd; dat dit des te meer het geval is indien blijkt dat het onmogelijk is om op korte termijn de milieu- en vergunningsvoorwaarden na te leven; dat uit de motivering van de bestreden beslissing duidelijk en gedetailleerd blijkt dat de maatregelen en saneringsplannen die de verzoekende partij voorstelde en voorlegde op korte termijn geen oplossing konden bieden voor de gerezen milieuproblemen, zodat een opheffing van de vergunningen niet in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur; dat de verwijzing van de verzoekende partij naar het arrest nr. 127.546, de n.v. HENDRICKX, van 29 januari 2004 niet opgaat, vermits de omstandigheden in die zaak er op wezen dat er geen noodzaak was om de meest drastische maatregel op te leggen, omstandigheden die onder meer bleken uit de lange behandelingsduur van het administratief beroep, en er in het aldaar bestreden besluit niet werd gemotiveerd waarom voor de zwaarste maatregel werd geopteerd; dat in casu er wel degelijk omstandigheden voorhanden waren die tot het opleggen van de zwaarste maatregel noopten en dat voor het opleggen van die maatregel in het bestreden VII-16.027 & VII-16.031-26/32 besluit wel degelijk afdoende motieven terug te vinden zijn; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de substantiële vormvereiste tot gelijktijdige mededeling aan de exploitant van de ter schorsing, dan wel opheffing ingevolge door een derde of door de administratie ingeroepen middelen, adviezen en opgestelde processen- verbaal van vaststelling van overtredingen, en derhalve van artikel 47, § 2, van Vlarem I, evenals van het recht op een adequate verdediging en op inzage, voorafgaandelijk aan de verdediging, van haar volledige dossier; Overwegende dat de verzoekende partij doet gelden dat haar niet gelijktijdig met het tot opheffen of schorsen bevoegde bestuur kennis werd gegeven van voorstellen, adviezen en P.V.'s van overtreding, dat dit een schending uitmaakt van een substantiële vormvereiste, waarbij ze de vergelijking maakt met de verplichting tot het tijdig en in volledig afschrift betekenen aan de exploitant van de beroepschriften tegen in eerste aanleg genomen vergunningsbesluiten, een verplichting die door de Raad van State als een substantiële vormvereiste werd aangemerkt; dat de verzoekende partij voorts aanvoert dat, net zoals de middelen in een beroep tegen een verleende milieuvergunning ter kennis moeten worden gebracht van de exploitant, ook hier de argumenten van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen en van de afdeling Milieu- inspectie haar ter kennis dienden te worden gebracht, dat zij daarop immers met kennis van zaken moest kunnen reageren; dat de verzoekende partij nog stelt dat in de brief van 15 september 1997, waarmee zij werd uitgenodigd tot een onderhoud op 24 september 1997, niet werd gepreciseerd welke milieuvergunningen zouden worden opgeheven en dat de middelen daartoe niet werden medegedeeld, dat het bestuur voldoende precies moet aangeven welke feiten ten laste worden gelegd, en dat de omvang van de hoorplicht afhangt van het verreikend karakter van de voorgenomen maatregelen; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat de procedure voorgeschreven bij artikel 47 van Vlarem I werd nageleefd, dat de betrokken bepaling geenszins in de gelijktijdige mededeling aan de exploitant van adviezen, stukken en P.V.'s of afschriften van verzoeken die door de gemeente aan de minister worden gericht, voorziet, dat de rechten van verdediging wel degelijk werden gerespecteerd, hetgeen blijkt uit de feitelijke toedracht die hier wordt toegelicht, dat de tegen de verzoekende partij ingeroepen VII-16.027 & VII-16.031-27/32 grieven haar maar al te goed bekend waren, dat ze alle P.V.'s ontving die voldoende expliciet zijn en tot vervelens toe steeds weer dezelfde overtredingen vaststelden, dat bovendien het dossier ter inzage was, zodat de verzoekende partij alle gelegenheid had het te consulteren ter bevestiging van de eerder ingeroepen grieven; dat de verwerende partij voorts stelt dat de vergelijking met betrekking tot de verplichting tot het toesturen van een afschrift van de beroepschriften tegen een in eerste aanleg verleende vergunning niet opgaat, vermits de regelgeving verschilt, dat ten slotte in de uitnodigingsbrief van 15 september 1997 uitdrukkelijk vermeld stond dat de vraag tot opheffing sloeg op alle vergunningen, en dat dit gesteund was op de talrijke P.V.'s ten laste van het bedrijf; 3.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog betoogt dat de grieven die ten grondslag lagen aan de verzoeken tot opheffing van de vergunning haar niet werden medegedeeld; 3.2.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie betoogt dat de verzoekende partij meer dan effectief en op nuttige wijze haar recht om gehoord te worden en haar rechten van verdediging heeft uitgeoefend zowel in het raam van de verrichte verbalisaties als in het raam van de besluitvorming met betrekking tot de uiteindelijke opheffingsbeslissing; dat de tussenkomende partij verder nog in herinnering brengt wat de Raad overwoog in het tussenarrest nr. 69.296 van 30 oktober 1997; 3.2.5. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie verwijst naar de toelichting bij het middel zoals opgenomen in het verzoekschrift en in de memorie van wederantwoord; 3.2.6.1. Overwegende dat artikel 47, § 2, van Vlarem I niet voorschrijft dat voorstellen, adviezen, P.V.'s en dergelijk meer die ten grondslag liggen aan een beslissing tot schorsing of opheffing van een milieuvergunning, tegelijkertijd aan het tot opheffen of schorsen bevoegde bestuur en aan de exploitant moeten worden betekend; dat dit evenmin kan worden vereist op basis van de beginselen van behoorlijk bestuur; dat de schending van de rechten van de verdediging in de vorm waarin de verzoekende partij zich erop beroept enkel van toepassing is in strafzaken en tuchtzaken, en dat het in casu geen strafsanctie of tuchtmaatregel in de eigenlijke betekenis van het woord betreft; dat bovendien de rechten van de verdediging niet zo ver strekken dat elk document dat ten grondslag ligt aan een bepaalde maatregel VII-16.027 & VII-16.031-28/32 tegelijkertijd moet worden betekend aan diegene aan wie de maatregel zal worden opgelegd en aan het bestuur dat tot het nemen van die maatregel bevoegd is; 3.2.6.2. Overwegende dat de verzoekende partij wel recht heeft om te worden gehoord op een wijze dat zij nuttig voor haar belangen kan opkomen; dat in casu uit de aanhef van de bestreden beslissing blijkt dat op 24 september 1997 de verzoekende partij werd gehoord, en dat blijkt dat zij heel wat argumenten ten haren voordele naar voor heeft kunnen brengen; dat de verzoekende partij ook zeer goed wist waarover zij zou worden gehoord, vermits in de uitnodigingsbrief van 15 september 1997 te lezen staat dat aan de Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu een vraag werd gericht tot opheffing van alle milieuvergunningen van het bedrijf, conform artikel 47 van Vlarem I; dat aangenomen mag worden dat de verzoekende partij aldus zeer goed wist over welke milieuvergunningen het ging, nu zij zelf de titularis is van die vergunningen; dat in deze brief werd gepreciseerd dat deze vraag gesteund was op de talrijke processen-verbaal ten laste van haar bedrijf, en dat zij werd uitgenodigd voor een onderhoud waarbij zij terzake haar argumenten naar voor kon brengen; dat de verzoekende partij in principe op de hoogte moest zijn van de inhoud van de P.V.'s die in het verleden werden opgesteld, daar zulke P.V.'s overeenkomstig artikel 30, § 2, van het milieuvergunningsdecreet aan de exploitant dienen te worden toegezonden, en de verzoekende partij overigens niet betwist dat zij kennis had van die P.V.'s; dat de verzoekende partij bovendien in bijlage bij haar verzoekschrift niet minder dan 7 P.V.'s voegt die dateren van vóór de uitnodigingsbrief van 15 september 1997; dat in die omstandigheden de verzoekende partij haar verweer alleszins nuttig kon voorbereiden, daar zij op de hoogte was van de voorgenomen maatregel en van de feiten waarop die gebaseerd zou kunnen worden; dat zoals gezegd uit de aanhef van de bestreden beslissing blijkt dat de verzoekende partij zeer veel argumenten ten haren voordele heeft kunnen aandragen, en dat blijkt dat zij zeer goed wist welke tekortkomingen haar werden aangewreven; 3.2.6.3. Overwegende ten slotte dat, wat de parallel betreft die de verzoekende partij trekt met de tijdige betekening van de beroepschriften aan de exploitant, die parallel niet opgaat; dat de artikelen 50, 1/,
- c)en 52, 1/, c), van Vlarem I immers expliciet voorzien dat de ontvankelijk bevonden beroepen binnen een bepaalde termijn aan de exploitant moeten worden betekend, doch dat in artikel 47, § 2, van Vlarem I daarentegen niets staat over een verplichting om binnen een bepaalde termijn bepaalde adviezen, voorstellen en P.V.'s aan de exploitant te betekenen; dat het tweede middel niet gegrond is; VII-16.027 & VII-16.031-29/32 3.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel, alsook het gelijkheidsbeginsel met schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; dat de verzoekende partij stelt dat meteen de zwaarste dwangmaatregel genomen werd, en dat een ander bedrijf dat ook geurhinder veroorzaakt wel een vergunning krijgt; dat zij ook wijst op de aangekondigde sanering; dat zij betoogt dat de bestreden beslissing niet in verhouding staat tot de vastgestelde overtredingen, zeker rekening houdend met het aanpalend bedrijf van de VLAR dat ook geurhinder veroorzaakt, dat de beslissing kennelijk onredelijk is; 3.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat de Milieu-inspectie wel degelijk gradueel tewerk ging, dat de situatie evenwel zo ernstig en onhoudbaar werd dat een strenge aanpak zich opdrong, dat de beweringen aangaande de ongelijke behandeling van andere bedrijven nergens worden bewezen, dat de omstandigheid dat andere bedrijven in overtreding zouden zijn de verzoekende partij geenszins het recht geeft om alle regels, waarschuwingen en aanmaningen te miskennen, dat er overigens voor de onderscheiden behandeling wel degelijk een objectieve en redelijke verantwoording is, nu de andere bedrijven in de omgeving van de verzoekende partij hun afvalwater zuiveren; 3.3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog betoogt dat haar bedrijf geviseerd werd door de gemeente Grimbergen; 3.3.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie verwijst naar haar bespreking van het eerste middel en naar het tussenarrest nr. 69.296 van 30 oktober 1997; 3.3.5. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie het middel zoals uiteengezet in de memorie van wederantwoord herhaalt; 3.3.6.1. Overwegende dat, zoals reeds aangegeven, in de bestreden beslissing te lezen staat waarom geopteerd werd voor een opheffing van de vergunningen, veeleer dan voor een schorsing ervan; dat die motivering geenszins onjuist of kennelijk onredelijk is; dat de omstandigheid dat de verzoekende partij werk wou maken van een sanering, niet betekent dat de overheid niet tot de VII-16.027 & VII-16.031-30/32 opheffing van de vergunningen kan overgaan indien blijkt dat er ernstige geurhinder en watervervuiling is en indien blijkt dat de voorgenomen saneringsmaatregelen op korte termijn niet zullen kunnen leiden tot een aanvaardbaar niveau van hinder en milieuvervuiling en tot het naleven van de vergunningsvoorwaarden; dat het niet kennelijk onredelijk voorkomt dat de overheid dan tot een opheffing van de milieuvergunningen overgaat; 3.3.6.2. Overwegende dat de omstandigheid dat een ander bedrijf dat geurhinder zou veroorzaken een milieuvergunning krijgt, terwijl de vergunningen van de verzoekende partij worden opgeheven, geenszins betekent dat een schending van het gelijkheidsbeginsel vaststaat; dat alzo niet blijkt dat het betrokken bedrijf zich in dezelfde mate als de verzoekende partij bezondigde aan overtredingen van het milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten en/of de vergunnings- voorwaarden, en evenmin blijkt dat er illegale afvalwaterlozingen plaatsvonden, en dergelijke meer; dat de schending van het gelijkheidsbeginsel aldus absoluut niet is aangetoond; dat het derde middel niet gegrond is; 3.4.1. Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel neemt uit de schending van haar milieuvergunningsvoorschriften, door haar te onthouden van de toepassing van een alternatieve saneringsvorm, aldus de principes schendend van artikel 1.2.2.1. en 1.2.2.2. van Vlarem II; dat de verzoekende partij zich erover beklaagt dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat een alternatief enkel aanvaard kan worden indien dit minstens gelijkwaardige resultaten oplevert, terwijl zulks wordt vastgesteld zonder dat zelfs wordt voorgehouden dat er geen gelijk- waardige resultaten kunnen worden bereikt met de voorgestelde techniek, en zonder dat in de vergunning een welbepaalde techniek was opgelegd; 3.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat de voorgestelde saneringsvoorstellen en alternatieven van de verzoekende partij nauwkeurig op hun merites werden beoordeeld en te licht werden bevonden, dat de procedures van artikel 1.2.2.1. en 1.2.2.2. van Vlarem II hier niet aan de orde zijn; dat zij ten slotte nog naar de inhoud van het tussenarrest in voorliggende zaak verwijst; 3.4.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog betoogt dat een afwijking van de exploitatievoorwaarden niet tot een vermindering van de beschermingsgraad mag leiden, en dat door de VII-16.027 & VII-16.031-31/32 verwerende partij niet wordt aangetoond dat de door haar voorgestelde alternatieve uitvoering een vermindering van de beschermingsgraad zou inhouden; 3.4.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie verwijst naar het tussenarrest nr. 69.296 van 30 oktober 1997; 3.4.5. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie het middel zoals uiteengezet in de memorie van wederantwoord herhaalt; 3.4.6. Overwegende dat niet duidelijk is hoe de bestreden beslissing de milieuvergunningsvoorschriften van de verzoekende partij zou kunnen schenden, vermits de bestreden maatregel juist werd opgelegd omdat de verzoekende partij haar milieuvergunningsvoorschriften miskent; dat van een schending van de artikelen 1.2.2.1.en 1.2.2.2. van Vlarem II evenmin sprake kan zijn, vermits die bepalingen betrekking hebben op de individuele afwijkingsmogelijkheden van de voorschriften van Vlarem II voor alle inrichtingen, en niets van doen hebben met de opheffing van een vergunning wegens de miskenning van decretale en reglementaire bepalingen en/of individuele vergunningsvoorwaarden; dat overigens de verzoekende partij bezwaarlijk met goed gevolg de schending van de artikelen 1.2.2.1. en 1.2.2.2. van Vlarem II kan inroepen, nu niet blijkt dat zij een afwijkingsaanvraag in de zin van die bepalingen heeft ingediend; dat het vierde middel niet gegrond is; 4. De ontvankelijkheid van de zaak A. 76.089/VII-16.031 Overwegende dat de verwerping van het annulatieberoep tegen de beslissing tot opheffing van haar milieuvergunningen voor de exploitatie van de inrichting gelegen te Grimbergen, Westvaartdijk, 95, meebrengt dat de verzoekende partij de inrichting niet mag exploiteren; dat dienvolgens de verzoekende partij niet meer over het wettig belang beschikt om het besluit van de burgemeester van de gemeente Grimbergen van 16 oktober 1997 te bestrijden; dat het beroep om die reden alleen reeds onontvankelijk is; dat dienvolgens de door de verwerende partij aangevoerde exceptie van onontvankelijkheid van het beroep, gestoeld op een andere argumentatie, niet moet worden onderzocht; Overwegende dat de kosten verschuldigd voor de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid reeds werden begroot in de arresten VII-16.027 & VII-16.031-32/32 nrs. 69.296 en 69.297 van 30 oktober 1997, zodat er geen aanleiding toe bestaat dit alsnog te doen in huidig arrest, BESLUIT: Artikel 1. De zaken nrs. A. 76.082/VII-16.027 en A. 76.089/VII-16.031 worden gevoegd. Artikel 2. De annulatieberoepen worden verworpen. Artikel 3. De kosten van de annulatieberoepen, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst in de zaak A. 76.082/VII-16.027, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien mei tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-16.027 & VII-16.031-33/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.993 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div