id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.096 Rolnummer: A. 74451/IX-312 Zaak: Arrest 171096 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-08 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:42 Fiche Arrest nr 171.096 van 14 mei 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.096 van 14 mei 2007 in de zaak A. 74.451/IX-
- In zake : Sofia DE MEUTER, wonende te GREZ-DOICEAU, rue de la Ferme du Grand Sart 8 tegen : De Post. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Sofia DE MEUTER op 23 mei 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van haar dienstchef waarbij haar een B-evaluatie wordt toegekend voor het jaar 1996; Gelet op het arrest nr. 68.905 van 16 oktober 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 18 november 1997 door verzoekster; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 5 juli 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 mei 2007; IX-312-1/10 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van verzoekster, en van advocaat I. VAN DEN BOSSCHE, die loco advocaat M. BUEKENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Over de gegevens van de zaak.
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- De verzoekster was sinds februari 1994 in dienst van de Post, waar zij van februari 1995 tot begin april 1997 deel uitmaakte van de juridische dienst. 1.
- Voor 1995 kreeg zij een A-evaluatie. Die evaluatie wordt krachtens het statuut van de postambtenaren toegekend wanneer het betrokken personeelslid met betrekking tot alle evaluatiecriteria de beoordeling A heeft gekregen. Daar het diensthoofd van de juridische dienst eind januari 1997 nog geen aanvang had gemaakt met het toekennen van de evaluaties voor 1996, vroegen de verzoekster en drie collega's een gezamenlijk onderhoud aan met het diensthoofd over de problematiek van de evaluatie. Dit onderhoud had plaats op 31 januari 1997, dit is op de laatste dag dat de evaluaties volgens het statuut toegekend konden worden. Van het verloop van dit onderhoud geven de partijen uiteenlopende versies. Volgens het proces-verbaal dat door het diensthoofd van deze vergadering werd opgemaakt en dat op 28 maart 1997 aan de verzoekster ter ondertekening werd voorgelegd, heeft het diensthoofd op die vergadering ingevolge een eis van de verzoekster een individueel evaluatiegesprek met haar gevoerd en haar meegedeeld dat zij een evaluatie A verdiende op het vlak van kennis en rendement, doch onder IX-312-2/10 de norm viel wat betreft haar kritische houding (= algemene attitudes) binnen haar werkomgeving en dat haar bijgevolg een globale evaluatie B werd toegekend. De verzoekster zou hiermee niet akkoord zijn gegaan en het bureau hebben verlaten om terug te keren met haar syndicaal afgevaardigde. Volgens de verzoekster is die vergadering helemaal anders verlopen. Zij stelt dat het diensthoofd helemaal niet is ingegaan op haar evaluatie maar precies alleen de situatie van twee van de drie andere ambtenaren die samen met de verzoekster het onderhoud hadden aangevraagd, heeft besproken. Wat de verzoekster betrof zou het diensthoofd meerdere malen hebben gesteld dat het evaluatiegesprek wat haar betrof van geen belang was gezien zij toch van de Post zou weggaan, waarop de andere collega's zouden hebben gereageerd dat de verzoekster niet van plan was de Post te verlaten maar alleen van dienst zou veranderen. Volgens de verzoekster zou zij ook niet met haar syndicale afgevaardig- de zijn teruggekeerd vermits zij niet gesyndikeerd is. Zij heeft dan ook geweigerd het proces-verbaal te ondertekenen. 1.
- Op 3 februari 1997 maakte de verzoekster aan haar diensthoofd een lijst over met elementen waarvan zij meende dat ze in aanmerking kwamen om als gunstige feiten te worden genoteerd op haar individuele fiche. Op 6 februari stuurde zij een aangetekende herinnering betreffende haar “aanvraag tot het laten inschrijven van (haar) positieve feiten alsmede tot het bekomen van een evaluatie A”. 1.
- Volgens de verwerende partij vonden er ten gevolge van die aanvragen evaluatiegesprekken met de verzoekster plaats op 4 en 6 februari
- Volgens het daarvan opgestelde proces-verbaal herhaalde het diensthoofd in grote lijnen hetzelfde als wat zij reeds op 31 januari had gezegd. In verband met verzoeksters te kritische houding verduidelijkte het diensthoofd dat de verzoekster als niveau 1 in zekere mate een voorbeeld moest zijn om een evaluatie A te verdienen en dat het niet haar taak was dagelijks kritiek te uiten op de juridische dienst en zijn medewerkers en op de leiding van de Post. Het proces-verbaal vervolgt dat de verzoekster deze opmerking negeerde en een ontwijkend antwoord gaf op de punten van negatieve ingesteldheid, gebrek aan overleg en participatie tegenover medewerkers en onmiddellijke chef. IX-312-3/10 Volgens de verzoekster ging het niet om evaluatiegesprekken als bedoeld in artikel 34 van het administratief statuut van de postambtenaren, maar betrof het de evaluatie van de werking van de dienst naar aanleiding van een nota die het diensthoofd over haar dienst diende te maken ten behoeve van de gedele- geerd bestuurder. 1.
- Op 24 februari 1997 schreef het diensthoofd aan de verzoekster dat zij haar nota van 3 februari 1997 en haar aangetekende brief van 6 februari 1997 met het verzoek de daarin vermelde gunstige feiten of bevindingen te noteren op haar individuele fiche van 1996, goed had ontvangen. Zij stelde verder : “Met genoegen geef ik hieraan gevolg (zie bijlage) en verwijs in deze naar een van onze gesprekken en in het bijzonder naar ons evaluatiegesprek van 6 februari 1997”. Als bijlage bij die nota was de individuele fiche van de verzoekster gevoegd, waarvan de verzoekster een kopie voorlegt. Op de fiche zijn verscheidene gunstige feiten vermeld, gedateerd van 25 oktober 1996 tot 9 december
- De verzoekster heeft elk van die vermeldingen op 24 februari 1997 geviseerd. 1.
- Op 25 februari 1997 heeft verzoekster de ontvangst bevestigd van het schrijven van het diensthoofd van 24 februari 1997 en van de individuele fiche. Na te hebben vastgesteld dat de procedure bedoeld in artikel 34, § 1, van het administratief statuut van de postambtenaren, ingeval van weigering om een evaluatie A toe te kennen, niet werd gevolgd, meende zij te mogen concluderen dat haar een A-evaluatie werd toegekend. Zij vroeg daarvan zo vlug mogelijk de bevestiging. 1.
- Op 13 maart 1997 richtte de verzoekster dan een aangetekend schrijven tot de directeur-generaal van het algemeen secretariaat, met kopie aan de voorzitster van de raad van bestuur, de gedelegeerd bestuurder, de bestuur- der-directeur Algemene Audit, de bestuurder-directeur van het personeel en het diensthoofd. De verzoekster legde in dat schrijven uit dat zij nog steeds niet wist welke evaluatie haar voor 1996 werd toegekend, maar dat zij via informele kanalen meende te moeten begrijpen dat het een B-evaluatie was. Zij verzocht haar schrijven te beschouwen als een akte van willig beroep. Daarin vestigde zij de aandacht op de elementen die volgens haar de toekenning van een A-evaluatie konden verantwoor- den, en voerde zij aan dat de beslissing tot toekenning van een B-evaluatie was genomen met miskenning van de dwingende vormen voorgeschreven bij artikel 34 van het statuut van de postambtenaren. IX-312-4/10 Op 21 maart 1997 zond het diensthoofd een nota aan de direc- teur-generaal, kennelijk als antwoord op een vraag om uitleg : “De individuele fiche van 1996 werd me nog niet terugbezorgd door Mevr. S. DE MEUTER. Deze werd haar bezorgd bij nota d.d. 3 februari 1997 door mij. Ik dring nogmaals aan bij haar en zal bij ontvangst daarvan uitleg verschaf- fen op uw verzoek vermeld in rand.” 1.
- Op 28 maart 1997 stuurde het diensthoofd aan de verzoekster een brief waarvan de inhoud luidt als volgt : “
- Hierbij gaat uw individuele evaluatiefiche 1996 (cf. art. 30 Personeels- statuut POST (...)) terug zonder visum van de onmiddellijke chef. De gunstige feiten of bevindingen zijn correct. De datum van inschrij- ving niet ! Het is immers slechts op 3 februari 1997 en ingevolge uw aangeteken- de brief van 6 februari 1997 (= afschrift van brief van 3 februari 1997) dat U me verzocht deze in te schrijven. Conform art. 35 Personeelsstatuut diende de individuele evaluatiefiche terug bezorgd binnen de 10 dagen en de evaluatie door de evaluator toegekend.
- Verzoek het proces-verbaal van onderhoud d.d. 31 januari 1997 omtrent uw evaluatie te ondertekenen (...).” Bij de brief was het proces-verbaal van het hiervóór genoemde gesprek van 31 januari 1997 gevoegd, alsmede een nieuwe versie van de individuele evaluatiefiche. Op die versie, waarvan de verzoekster een kopie voorlegt, waren met de hand dezelfde gunstige feiten ingevuld als op de op 24 februari 1997 medege- deelde fiche, maar deze keer was voor die feiten geen datum vermeld. 1.
- Op 15 mei 1997 heeft de directeur-generaal een schrijven aan de verzoekster gestuurd, waarin hij haar meedeelde dat hij niet beschikte over alle elementen om stelling te nemen. Aangezien bovendien de verzoekster zelf, volgens inlichtingen verstrekt door haar diensthoofd, niet geantwoord had op een aantal specifieke vragen van haar diensthoofd in verband met haar evaluatiedossier, beschouwde hij de zaak als afgehandeld. 1.
- Ondertussen was de verzoekster overgeplaatst naar de cel Interne Audit, na te zijn geslaagd in de interne selectieproeven die daartoe werden ingericht. Met ingang van 1 maart 1998 heeft zij haar mutatie voor die cel verkregen. IX-312-5/10 1.
- Op haar verzoek heeft zij van 1 augustus 1999 tot 31 juli 2001 verlof zonder wedde gekregen. Na afloop van die periode is zij niet meer terugge- keerd naar De Post, en heeft zij integendeel ontslag genomen. Over de ontvankelijkheid van het beroep
- Overwegende dat de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang; dat zij aanvoert dat de verzoekster niet doet blijken van een rechtstreeks en zeker belang, dat de verzoekster weliswaar allerlei nadelige invloeden aanvoert die zij ingevolge de toekenning van een B-evaluatie voor het dienstjaar 1996 zou ondergaan, maar dat geen van die invloeden wordt bewezen, dat de vernietiging van de bestreden beslissing voor de verzoekster slechts een theoretisch belang zou hebben; dat de verwerende partij in haar laatste memorie voorts aanvoert dat de verzoekster op dat ogenblik verlof zonder wedde heeft verkregen en buiten De Post tewerkgesteld is bij een andere werkgever, dat zij bij haar terugkeer gereaffecteerd zal worden op een betrekking van haar graad en dat, indien zij de dienst niet zou hervatten bij het verstrijken van de periode waarvoor verlof zonder wedde is verleend, zij haar hoedanigheid van ambtenaar verliest, dat de verzoekster dan ook geen belang meer heeft bij haar beroep; Overwegende dat de verzoekster aanvoert dat zij een moreel en een financieel belang heeft en blijft hebben, gelet ondermeer op de invloed van de bestreden beslissing op haar loopbaan en op haar werkomstandigheden; Overwegende dat de bestreden beslissing bestaat in de toekenning van een B-evaluatie voor het dienstjaar 1996; dat, aangezien de verzoekster gevraagd heeft om, zoals voor het dienstjaar 1995, een A-evaluatie te verkrijgen, de toegekende evaluatie voor haar als een ongunstige beoordeling moet worden beschouwd; dat zij derhalve minstens een moreel belang heeft bij haar beroep tot nietigverklaring van die beoordeling; dat zij dit moreel belang heeft behouden, ook al is zij na de toekenning van de bestreden evaluatie overgeplaatst naar een andere dienst binnen De Post, en zelfs al heeft zij sinds het instellen van het voorliggende beroep De Post verlaten; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; IX-312-6/10 Ten gronde 3.
- Overwegende dat de verzoekster een eerste middel inroept, afgeleid uit de miskenning van de artikelen 34 en 36 van het administratief statuut van de postambtenaren; dat zij in essentie aanvoert dat, als de onmiddellijke chef geen gunstig gevolg kan geven aan een verzoek tot toekenning van een evaluatie, deze volgens de artikelen 34 en 36 van het administratief statuut van de post- ambtenaren voorafgaandelijk aan het opmaken van de evaluatie een onderhoud met de betrokken ambtenaar moet hebben, dat de ambtenaar tijdens dat onderhoud zijn opmerkingen mag laten kennen, en dat van dat onderhoud een proces-verbaal moet worden opgemaakt dat door de onmiddellijke chef en de ambtenaar wordt ondertekend; dat de verzoekster voorts aanvoert dat een gesprek zoals voorgeschre- ven bij artikel 34 nooit heeft plaatsgevonden, dat het onderhoud dat de verzoekster samen met drie collega’s op 31 januari 1997 met het diensthoofd heeft gehad, niet beschouwd kan worden als een gesprek in de zin van artikel 34, dat immers dat gesprek door de genoemde ambtenaren niet aangevraagd is als een gesprek over de evaluatie van de betrokkenen, maar als een onderhoud over de hele evaluatieproble- matiek, dat het onderhoud van 31 januari 1997 voorts van het begin tot het einde heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van andere personen dan alleen maar het diensthoofd en de verzoekster, waardoor de verzoekster haar opmerkingen niet naar behoren heeft kunnen doen gelden, dat voorts van dat gesprek pas twee maanden later een proces-verbaal is opgemaakt, naar aanleiding van het gerezen evaluatiege- schil, wat aantoont dat ook het diensthoofd het gesprek van 31 januari 1997 nooit heeft opgevat als een gesprek in de zin van artikel 34 van het statuut, dat overigens dat proces-verbaal is verwerkt in een gewoon proces-verbaal, zoals na afloop van een gewone vergadering, en niet op het standaardformulier dat gebruikelijk is voor een evaluatiegesprek, dat ten slotte, doordat het proces-verbaal pas twee maanden na het bedoelde gesprek is aangeboden, de verzoekster het concrete feitenrelaas waarop de evaluatiebeslissing berust niet meer regelmatig kon viseren; 3.
- Overwegende dat artikel 36 van het administratief statuut van de postambtenaren het volgende bepaalt : “Zo de onmiddellijke chef geen gunstig gevolg kan geven aan een verzoek om een evaluatie ‘A’ te bekomen, wordt de procedure vermeld in artikel 34 toegepast”; IX-312-7/10 Overwegende dat artikel 34, § 1, van het genoemde statuut bepaalt : “Voorafgaandelijk aan het opmaken van de evaluatie wordt de ambtenaar door zijn onmiddellijke chef of diens afgevaardigde voor een onderhoud opgeroepen. Laatstgenoemden laten zich in voorkomend geval bijstaan door de adjunct onder wiens bevel betrokkene heeft gewerkt. Het onderhoud handelt over de individuele evaluatiefiche van de ambtenaar en over de hem toe te kennen evaluatievermelding. De ambtenaar mag tijdens het onderhoud zijn opmerkingen laten kennen. Het door de onmiddellijke chef en de ambtenaar ondertekende proces- verbaal van het onderhoud wordt bij de evaluatiestaat gevoegd”; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij er blijkens de memorie van antwoord van uitgaat dat het diensthoofd aan de verzoekster op 31 januari 1997 de evaluatie B heeft toegekend, nadat er op die dag een evaluatiegesprek is geweest; dat dit standpunt steunt op het proces-verbaal van het onderhoud van 31 januari 1997, dat het diensthoofd op 28 maart 1997 aan de verzoekster heeft meegedeeld; dat de Raad van State voor de beoordeling van de gegrondheid van het middel er eveneens van kan uitgaan dat er op 31 januari 1997 een evaluatiegesprek is geweest, onmiddellijk gevolgd door de toekenning van een evaluatie; dat het middel de vraag doet rijzen of het bedoelde evaluatiegesprek wel beantwoordt aan de aangehaalde bepalingen van het administratief statuut van de postambtenaren; Overwegende dat door de verwerende partij niet betwist wordt dat de vergadering van 31 januari 1997 er gekomen is op verzoek van de verzoekster en drie van haar collega’s; dat de aanwezigheid van vier ambtenaren tijdens het onderhoud met het diensthoofd doet vermoeden dat dit onderhoud niet gericht was op een bespreking van de individuele evaluatie van elk van die ambtenaren; dat het proces-verbaal van het onderhoud trouwens vermeldt dat het evaluatiegesprek over de verzoekster er gekomen is nadat de verzoekster tijdens het onderhoud daarom uitdrukkelijk verzocht heeft; dat de verwerende partij niet betwist dat het gesprek over de evaluatie van de verzoekster verder gevoerd is in aanwezigheid van de drie collega’s van de verzoekster; dat uit een en ander afgeleid moet worden dat de verzoekster niet is opgeroepen voor een onderhoud over de haar toe te kennen evaluatie, maar dat het evaluatiegesprek heeft plaatsgevonden in het kader van een onderhoud met een meer algemene strekking, in aanwezigheid van andere personen; IX-312-8/10 Overwegende voorts dat niet blijkt dat aan de verzoekster de gelegenheid geboden werd om zich behoorlijk voor te bereiden op een gesprek over de weigering van haar diensthoofd om in te gaan op haar verzoek om een A- evaluatie te krijgen; dat immers niet blijkt dat het diensthoofd reeds vóór het onderhoud van 31 januari 1997 had laten verstaan dat zij niet geneigd was om de gevraagde A-evaluatie toe te kennen; dat de verzoekster pas tijdens dat onderhoud de bezwaren van het diensthoofd heeft vernomen, en dat, mede gelet op het feit dat 31 januari de laatste dag was voor het toekennen van de evaluaties, zij zich daartegen onmiddellijk heeft moeten verdedigen, in de aanwezigheid van drie collega’s; dat het evaluatiegesprek dan ook heeft plaatsgevonden in omstandigheden die het de verzoekster niet mogelijk hebben gemaakt om haar opmerkingen behoorlijk naar voor te brengen; Overwegende dat tijdens het onderhoud ook geen individuele evaluatiefiche voorlag; dat op die fiche pas later, op verzoek van de verzoekster, bepaalde feiten zijn ingevuld, en dat de verzoekster daarvan pas later in kennis is gesteld, namelijk bij schrijven van 24 februari 1997, gecorrigeerd bij schrijven van 28 maart 1997; dat de verzoekster aldus pas kennis kreeg van de vermeldingen op haar individuele evaluatiefiche op een ogenblik dat het evaluatiegesprek reeds had plaatsgevonden en de evaluatie reeds was gegeven; dat het onderhoud van 31 januari 1997 dan ook niet heeft kunnen gaan over de individuele evaluatiefiche; Overwegende ten slotte dat van het onderhoud slechts op 28 maart 1997 een proces-verbaal is medegedeeld, op een ogenblik dat de evaluatie reeds gegeven was; dat het in die omstandigheden nog weinig zin had voor de verzoekster om de inhoud ervan te betwisten, als zij meende dat die niet of niet geheel met de werkelijkheid overeenstemde; dat het proces-verbaal in de evaluatieprocedure nochtans een belangrijk gegeven is, nu artikel 34, § 1, van het administratief statuut van de postambtenaren voorziet in de ondertekening van het proces-verbaal door onder meer de betrokken ambtenaar; Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat het evaluatie- gesprek heeft plaatsgevonden zonder dat de verzoekster daartoe behoorlijk is opgeroepen, dat het niet is gevoerd op basis van een ingevulde evaluatiefiche, dat de verzoekster onmiddellijk en in de aanwezigheid van collega’s haar opmerkingen op de bezwaren van het diensthoofd kenbaar heeft moeten maken, en dat zij vóór het verlenen van de evaluatie geen kennis heeft kunnen nemen van het proces-verbaal IX-312-9/10 van het onderhoud; dat uit het geheel van die gegevens blijkt dat het evaluatie- gesprek niet beantwoordt aan de vereisten die, in het belang van de betrokken ambtenaar, bij artikel 34, § 1, van het administratief statuut van de postambtenaren zijn opgelegd; dat de evaluatie dan ook is toegekend met miskenning van de genoemde bepaling; dat het middel in zoverre gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de verantwoordelijke van de juridische dienst van 31 januari 1997, waarbij aan Sofia DE MEUTER voor het jaar 1996 een B-evaluatie wordt toegekend. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 mei 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-312-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.096 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.68.905 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.