← België

Arrest 171102 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.102 Rolnummer: A. 69164/IX-1709 Zaak: Arrest 171102 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-31 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 06:42 Fiche Arrest nr 171.102 van 14 mei 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.102 van 14 mei 2007 in de zaak A. 69.164/IX-1709. In zake : Liliane BAMMENS, wonende te ZOLDER, Elfde Julilaan 11 tegen : De Post. tussenkomende partij : Michael VAN MIGERODE, wonende te MASSEMEN, Prinsenhof 40. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Liliane BAMMENS op 30 mei 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van het Directiecomité van De Post van 25 maart 1996 waarbij de heer Michael VAN MIGERODE wordt bevorderd tot de graad van bureauchef bij de dienstengroep personeel, contractuele aanwervingen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 3 oktober 1996; Gelet op de beschikking van 7 oktober 1996 die de tussenkomst van Michael VAN MINGERODE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 20 april 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-1709-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 mei 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van juriste L. VANHOOREN, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat A. FAYT die, loco advocaat J. DE BRABANTER verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Over de gegevens van de zaak 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : Met een zogenaamde “gele lijst” 3.2.1.1/13 van 24 oktober 1995 werden een aantal vacante betrekkingen van bureauchef bekendgemaakt, waaronder een betrekking voor een Nederlandstalige kandidaat bij de dienstengroep Personeels-beheer, afdeling Contractuele aanwervingen. Drie personen, waaronder de verzoekster en de tussenkomende partij, dienden hun kandidatuur in. De kandidaten werden gehoord door het hoofd van de betrokken dienst. Met een nota van 6 december 1995 stelde deze de tussenkomende partij voor benoeming voor. Op 22 januari 1996 verleende het directiecomité zijn akkoord met alle voorstellen, waaronder die voor de benoeming van de tussenkomende partij. Alle goedgekeurde benoemingsvoorstellen werden dan bij lijst 3.2.1.1/13 van 30 januari 1996 ter kennis van de belanghebbende personeelsleden gebracht, met mededeling dat de personeelsleden die zich benadeeld achtten een bezwaarschrift konden indienen. IX-1709-2/8 Op 5 februari 1996 diende de verzoekster een bezwaarschrift in. Zij vroeg daarbij om gehoord te worden. Op 4 maart 1996 gaf het directiecomité opdracht aan de heer Verbeeren, bestuurder-directeur, om de bezwaarindieners namens het directiecomité te horen. Het verhoor vond plaats op 14 maart 1996. Met een nota van 22 maart 1996 overwoog de heer Verbeeren dat geen enkel nieuw element werd aangebracht, dat van aard was om tot een wijziging van de voorstellen te leiden. Hij stelde dan ook voor om de bezwaren, waaronder dat van de verzoekster, te verwerpen, en de eerder gedane voorstellen goed te keuren. Op 25 maart 1996 besliste het directiecomité om de tussenkomende partij te benoemen tot de graad van bureauchef bij de afdeling Contractuele aanwervingen. Deze beslissing wordt met een lijst 3.2.1.1/28 van 9 april 1996 aan het personeel meegedeeld. Zij vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Bij schrijven van 16 april 1996 werd aan de verzoekster medegedeeld dat het directiecomité haar “klacht” om nader uiteengezette redenen als ongegrond beschouwd had, en ze dienvolgens verworpen had; Over de gegrondheid van het beroep 2. Overwegende dat de verzoekster een eerste middel inroept, afgeleid uit de schending van de “statutaire rangschikking” en het redelijkheids- beginsel; dat zij aanvoert dat zij statutair het meest gunstig was gerangschikt en dat, als de overheid van deze rangschikking wenste af te wijken, zij dit zeer omstandig diende te motiveren, dat deze motivering in redelijkheid aanvaardbaar moet zijn, dat geen enkel element in het dossier de voorkeur betoond voor de bevorderde kandidaat kan staven en ondersteunen; Overwegende dat artikel 52, § 2, van het administratief statuut van de postambtenaren bepaalt dat de bevordering door verhoging in graad tot een in niveau 2 ingedeelde graad, waarvoor geen examen is voorgeschreven, wordt verleend aan de kandidaat die het best gerangschikt is volgens de bepalingen die de “statutaire rangschikking” van de ambtenaren vaststellen, dit is aan de kandidaat met de grootste anciënniteit; dat niet betwist wordt dat de verzoekster de grootste anciënniteit had; IX-1709-3/8 Overwegende dat de bestreden bevordering is verleend met toepassing van artikel 53 van het administratief statuut van de postambtenaren; dat het directiecomité volgens die bepaling, voor de toekenning van bepaalde graden of leidinggevende functies van niveau 2, bij gemotiveerde beslissing kan afwijken van de in artikel 52, § 2, bepaalde volgorde; dat het directiecomité op grond van die bepaling de kandidaat kan benoemen die het de meest geschikte acht, mits het daarvoor kan steunen op bepaalde motieven; dat, anders dan de verzoekster in haar memorie van wederantwoord aanvoert, voor de benoeming van een kandidaat met een geringere anciënniteit niet is vereist dat aangetoond wordt dat de kandidaat met de grootste anciënniteit “ongeschikt” is om de betrokken functie uit te oefenen; Overwegende dat de drie kandidaten te dezen geïnterviewd werden door het hoofd van de betrokken dienst; dat deze voor de beoordeling van de kandidaten gebruik gemaakt heeft van een tabel waarin voor elk van de kandidaten een score werd gegeven op de volgende rubrieken, verband houdend met een aantal aspecten van het profiel dat bij de bekendmaking van de vacature was gevoegd: vereiste ervaring, kennis tweede landstaal, kennis postreglementering, kennis sociale en juridische wetgeving, gebruik pc en netwerk Post; dat de verzoekster weliswaar beter scoorde dan de tussenkomende partij met betrekking tot het gebruik van pc en netwerk van De Post, maar dat de tussenkomende partij beter scoorde met betrekking tot de vereiste ervaring, de kennis van de tweede landstaal en de kennis van de sociale en juridische wetgeving, terwijl beide kandidaten een gelijke score haalden met betrekking tot de kennis van de postreglementering; dat het hoofd van de dienst in zijn nota van 6 december 1995, na de bekwaamheden en de verdiensten van de kandidaten vergeleken te hebben, de tussenkomende partij voor benoeming voorstelde, op grond dat deze “ernstig en competent (

  1. is)en ... vertrouwd (
  2. is)met alle problemen van de uit te oefenen functie”; Overwegende dat de verzoekster in de toelichting bij het middel een aantal gegevens aanvoert, die volgens haar aantonen dat zij “op de meest uitgebreide” wijze aan het profiel beantwoordt; dat zij in het bijzonder wijst op haar ervaring in verschillende domeinen, onder meer inzake comptabiliteit en personeelsbeheer, op haar vertrouwdheid met informatica, op haar zeer goede scores op de vakken statuut van de rijksambtenaren en personeel, behaald naar aanleiding van een bevordering tot adjunct-sectiechef in 1991, en op het feit dat zij sinds 1989 IX-1709-4/8 werkte bij de dienst Personeelsbeheer; dat zij die gegevens ook vermeld heeft in de kandidatuur die zij op 31 oktober 1995 heeft ingediend; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar kandidatuur van 25 oktober 1995 onder meer melding maakte van haar tewerkstelling sinds 1988 bij de Personeelsdirectie, en sinds 1992 meer bepaald bij de afdeling Contractuele wervingen, waardoor zij de mogelijkheid kreeg om de verschillende aspecten van de desbetreffende werkzaamheden te leren kennen en uit te voeren, alsmede van het feit dat zij een beroepsopleiding inzake sociale wetgeving had gevolgd en dat zij vertrouwd was met de informatica; dat de ervaring opgedaan bij de dienst zelf waarin de te benoemen persoon zou worden tewerkgesteld, een objectief gegeven uitmaakte waarmee de benoemende overheid rekening mocht houden; dat, anders dan de verzoekster aanvoert, de omstandigheid dat zij zelf niet in de gelegenheid is geweest om in de bedoelde afdeling ervaring op te doen, niet doet blijken van een onwettig fnuiken van haar bevorderingsmogelijkheden; Overwegende dat de scores vermeld op de hiervóór genoemde tabel steun vinden in de gegevens die de kandidaten in hun kandidatuur hebben vermeld; dat uit de tabel blijkt dat het directiecomité de aanspraken van de twee kandidaten met elkaar heeft vergeleken, en dat zijn conclusie dat de tussenkomende partij de meeste geschikte kandidaat is, in het licht van de gegevens van het dossier niet kennelijk onredelijk is; dat het middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekster een tweede middel inroept, afgeleid uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij aanvoert dat in de bestreden beslissing niet wordt gesteld welke de feitelijke en juridische overwegingen zijn die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen; Overwegende dat het bestreden besluit van 25 maart 1996 zich ertoe beperkt in zijn aanhef te verwijzen naar een aantal verordenende bepalingen die de juridische grondslag ervan vormen; dat daarbij weliswaar geen melding wordt gemaakt van artikel 53 van het administratief statuut van de postambtenaren, bepaling die, zoals uit het antwoord op het eerste middel blijkt, mede rechtsgrond biedt voor het bestreden besluit; dat het ontbreken van een uitdrukkelijke verwijzing naar dat artikel de verzoekster echter niet geschaad heeft, nu uit haar verzoekschrift blijkt dat zij met kennis van zaken het eerste middel heeft kunnen aanvoeren, waarin IX-1709-5/8 zij de bestreden beslissing op grond van de toepasselijke reglementering heeft betwist; Overwegende dat het bestreden besluit voorts weliswaar niet de feitelijke gegevens vermeldt waarop het is gesteund; dat uit de gegevens van het dossier evenwel onomstotelijk blijkt welke die gegevens zijn; dat het directiecomité immers op 22 januari 1996 beslist heeft om een aantal voorstellen tot benoeming te doen, waaronder de benoeming in de vacante betrekking van bureauchef in de afdeling Contractuele wervingen, en dat die beslissing steunt op een nota waarin voor elk van de voorstellen wordt verwezen naar de motivering vervat in een als bijlage gevoegde nota; dat, wat betreft de benoeming in de afdeling Contractuele wervingen, de bijlage bestaat in de nota van het hoofd van de betrokken dienst van 6 december 1995; dat het voorstel om de tussenkomende partij te benoemen volgens die nota steunt op het volgende motief: “Bewuste ambtenaar is ernstig en competent en is vertrouwd met alle problemen van de uit te oefenen functie”; dat die motivering aldus ook die is van het benoemingsvoorstel; dat, aangezien het directiecomité op 25 maart 1996 geoordeeld heeft dat het bezwaarschrift van de verzoekster (van 5 februari 1996) geen nieuwe elementen heeft aangebracht, van aard om het voorstel te wijzigen, die motivering ook die is van het bestreden besluit zelf; dat dit besluit als zodanig niet formeel ter kennis van de verzoekster moest worden gebracht; dat de verzoekster bij schrijven van 16 april 1996 op de hoogte is gebracht van het feit dat haar bezwaar tegen het benoemingsvoorstel is verworpen, en dat de uiteindelijke beslissing van het directiecomité daarin als volgt wordt gemotiveerd: “Gezien zijn vertrouwdheid met de uit te oefenen taken was en bleef het voorgestelde personeelslid het meest aangewezen voor die functie”; dat de verzoekster aldus kennis had van de motieven die het directiecomité tot het bestreden besluit gebracht hebben; dat het ontbreken van een vermelding van de feitelijke gegevens in het bestreden besluit zelf de verzoekster aldus, in de specifieke omstandigheden van de voorliggende zaak, niet geschaad heeft; Overwegende dat het middel niet kan worden aangenomen; 4. Overwegende dat de verzoekster een derde middel inroept, afgeleid uit de schending van artikel 46, § 3, van het administratief statuut van de IX-1709-6/8 postambtenaren; dat zij aanvoert dat zij niet, overeenkomstig de genoemde bepaling, werd gehoord door het directiecomité, maar door de heer Verbeeren en door mevrouw Langue, die daartoe niet waren gedelegeerd; Overwegende dat de verwerende partij niet betwist dat uit artikel 46, § 3, van het administratief statuut van de postambtenaren volgt dat, in geval van bezwaar tegen een benoemingsvoorstel, de indiener van het bezwaar in voorkomend geval gehoord moet worden door “de instantie die daarvoor statutair werd aangewezen”, dit is de instantie die het betrokken benoemingsvoorstel heeft gedaan, te dezen het directiecomité; Overwegende dat het directiecomité op 4 maart 1996 beslist heeft dat de heer Verbeeren, bestuurder-directeur, de bezwaarindieners “namens het directiecomité” zou horen; dat uit een nota van de heer Verbeeren van 22 maart 1996 blijkt dat deze de verzoekster op 14 maart 1996 effectief gehoord heeft; dat de verzoekster in haar laatste memorie weliswaar stelt “niet te zijn gehoord door de heer Verbeeren”, maar dat zij in dit verband niet de minste toelichting verstrekt; dat zij in haar memorie van wederantwoord voorts aanvoert dat mevrouw Langue, aan wie geen delegatie werd verleend, “zich niet beperkt heeft tot het schrijven van een brief, doch wel degelijk een verhoor heeft afgenomen”; dat die bewering echter geen steun vindt in de gegevens van het dossier, met name niet in de genoemde nota van 22 maart 1996; Overwegende dat artikel 19, derde lid, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven bepaalt dat “het directiecomité ... zekere van zijn bevoegdheden, doch met uitzondering van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 4, § 2, en 11, § 2, (kan) opdragen aan één of meer van zijn leden of aan leden van het personeel”; dat de opdracht aan de heer Verbeeren, lid van het directiecomité, met toepassing van die bepaling is verleend; dat noch uit artikel 19 van de wet van 21 maart 1991, noch uit enige andere bepaling volgt dat, zoals de verzoekster aanvoert, een opdracht om de indieners van een bezwaarschrift te horen slechts bij wege van algemene maatregel kan worden verleend; dat het horen van de verzoekster is gebeurd door een daartoe regelmatig aangestelde instantie; dat het middel niet kan worden aangenomen; BESLUIT: IX-1709-7/8 Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 mei 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1709-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.102 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.