← België

Arrest 171116 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 14/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.116 Rolnummer: A. 89453/IX-2212 Zaak: Arrest 171116 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 14/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-31 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-29 06:42 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 171.116 van 14 mei 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.116 van 14 mei 2007 in de zaak A. 89.453/IX-2212 In zake : Vera JACOBS, die woonplaats kiest bij advocaten J. COCH, Ph. THIERY en T. BEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Geraetsstraat 19 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landbouw en Middenstand. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Vera JACOBS op 8 februari 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 15 december 1999 van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen “waarbij de gevraagde vrijstelling van de betaling van de gewone sociale bijdragen van zelfstandige voor de kwartalen 2, 3 en 4 van 1998 en voor de kwartalen 1 t.e.m. 4 van 1999 werd geweigerd”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 14 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 20 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-2212-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. COCH, die verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de auditeur-verslaggever ambtshalve onderzocht heeft of de memorie van wederantwoord, die ingediend werd op 9 september 2000 terwijl de memorie van antwoord reeds op 21 april 2000 ten huize van verzoekster was aangeboden, binnen de reglementair voorgeschreven termijn ingediend is; dat hij tot het besluit gekomen is dat de memorie laattijdig ingediend werd en dat er toepassing gemaakt moet worden van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat verzoekster in haar laatste memorie betoogt dat zij haar memorie van wederantwoord ingediend heeft binnen de termijn die zij van de griffie heeft gekregen bij de latere kennisgeving van de memorie van antwoord aan de raadsman bij wie zij woonplaats gekozen heeft; 2.
  2. Overwegende dat verzoekster bij het indienen van haar beroep geen keuze van woonplaats gedaan heeft; dat zulks slechts gebeurd is met het schrijven van 23 juni 2000 van de raadsman van verzoekster; dat de griffie van de Raad van State dan ook rechtsgeldig vóór die datum alle processtukken naar het adres van verzoekster heeft kunnen sturen; 2.
  3. Overwegende dat de griffie van de Raad van State aldus met een op 19 april 2000 ter post aangetekend verzonden brief de memorie van antwoord naar verzoekster gezonden heeft; dat blijkens de op de omslag aangebrachte vermelding, die zending op 21 april 2000 ten huize van verzoekster aangeboden is met achterlating van een bericht; dat verzoekster de zending op het postkantoor niet afgehaald heeft; Overwegende dat de griffie van de Raad van State een tweede poging ondernomen heeft om de memorie van antwoord aan verzoekster te betekenen, maar dat ook de desbetreffende zending, die op 11 mei 2000 ten huize van verzoekster aangeboden is met achterlating van een bericht, door haar niet in IX-2212-2/4 ontvangst genomen is, noch op de post afgehaald; dat tenslotte ook een poging van de griffie om de kennisgeving langs administratieve weg te laten gebeuren, zonder resultaat gebleven is; 2.
  4. Overwegende dat de termijn van zestig dagen voor het indienen van een memorie van wederantwoord ingaat bij de kennisneming van de memorie van antwoord; dat deze kennisneming gebeurt bij de ontvangst van de desbetreffen- de brief van de griffie van de Raad van State, hetgeen bewezen wordt door de ondertekening van het bericht van ontvangst; dat, bij ontstentenis van dergelijk bewijs van ontvangst, een aangetekend verzonden brief wordt geacht door de betrokkene ontvangen te zijn op het ogenblik van de aanbieding -met achterlating van een bericht- van de zending te zijnen huize; dat de aanbieding met achterlating van een bericht bewezen wordt door een mededeling van de postdienst; dat artikel 84, zesde lid, van het algemeen procedurereglement weliswaar bepaalt dat de Raad van State, “zo de geadresseerde langs de post niet werd bereikt”, het schrijven langs administratieve weg overmaakt, maar dat die bepaling te dezen niet van toepassing is aangezien verzoekster niet betwist dat zij van de post een bericht van aanbieding van een aangetekende zending gekregen heeft, gedateerd op 21 april 2000; 2.
  5. Overwegende dat, nu de memorie van antwoord op het adres van verzoekster aangeboden is op 21 april 2000, de termijn voor het indienen van de memorie van wederantwoord op die datum ingegaan is en liep tot 20 juni 2000; dat noch de omstandigheid dat de griffie van de Raad van State na 21 april 2000 nieuwe pogingen heeft ondernomen om verzoekster in kennis te stellen van de memorie van antwoord, noch de omstandigheid dat de raadsman van verzoekster op 23 juni 2000 aan de Raad van State medegedeeld heeft dat verzoekster op zijn adres keuze van woonplaats deed en dat hij vervolgens de gelegenheid gekregen heeft om alsnog een memorie van wederantwoord in te dienen, tot gevolg kan hebben dat de termijn voor het indienen van de memorie van wederantwoord met inachtneming van een ander uitgangspunt dan 21 april 2000 berekend kan worden; dat immers op die wijze afbreuk gedaan zou worden aan de strikte verplichtingen die de partijen op het vlak van de vervaltermijnen worden opgelegd en waarvan de miskenning, wat de verzoekende partij betreft, uitloopt op het ontzeggen van het wettelijk vereiste belang, overeenkomstig artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat verzoekster zich niet kan beroepen op een schrijven van de griffie van de Raad van State om haar eigen tekortkoming goed te maken; IX-2212-3/4 2.
  6. Overwegende dat verzoekster haar memorie van wederantwoord niet binnen de voorgeschreven termijn ingediend heeft; dat artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State daaraan het onweerlegbaar vermoeden koppelt dat verzoekster geen belang meer heeft bij haar vordering; dat ambtshalve vastgesteld moet worden dat het beroep onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 mei 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2212-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.116 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.