← België

Arrest 171239 - Monumenten en Landschappen - 15/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.239 Rolnummer: A. 110088/X-10548 Zaak: Arrest 171239 - Monumenten en Landschappen - 15/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-12 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 06:42 Fiche Arrest nr 171.239 van 15 mei 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.239 van 15 mei 2007 in de zaak A. 110.088/X-10.

  1. In zake : Patrick ARICKX, die woonplaats kiest bij advocaat P. ROTSAERT, kantoor houdende te 8510 MARKE-KORTRIJK, Pieter Breughelstraat 25 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick ARICKX op 10 september 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “
  3. het ministerieel besluit van 11 juni 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Huisvesting en Ambtenarenzaken, houdende bescherming als monument, stads- en dorpsgezicht van onder meer als monument het ‘Strichtensgoed’, eigendom van verzoeker, gelegen te 8700 Tielt (Kanegem) en er op het kadaster gekend onder Tielt, Sectie A, deel van perceel nummer 149C en als dorpsgezicht de omgeving van het ‘Strichtensgoed’, op het kadaster gekend onder Tielt, Sectie A, perceelnummers 145A, en 145C en 149C,
  4. en het daaraan voorafgaand ministerieel besluit van 8 maart 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenaren- zaken en Sport, houdende termijnverlenging van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten stads- of dorpsgezichten”; Gelet op het arrest nr. 102.323 van 21 december 2001 waarbij de vordering tot schorsing wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 147.569 van 11 juli 2005 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangeduide lid wordt gelast met het aanvullend onderzoek; X-10.548-1/8 Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 13 september 2005 die de neer- legging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking 8 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. ROTSAERT, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat N. DECLERCQ, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 5, §7, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten; dat hij in essentie aanvoert dat uit de interne logica van voormeld decreet inzake de rechtsgevolgen van de voorlopige bescherming afgeleid dient te worden dat het verlengingsbesluit niet alleen had moeten genomen worden binnen twaalf maanden na de betekening van het besluit houdende voorlopige bescherming aan de overheden bedoeld in artikel 5, §2, 1/, van voormeld decreet, doch dat de betekening van datzelfde verlengingsbesluit aan de verzoeker in zijn hoedanigheid van eigenaar ook binnen de voormelde termijn had moeten geschieden, en dat het feit dat zulks niet het geval is de onregelmatigheid van het verlengingsbesluit tot gevolg heeft; dat hij besluit dat deze onregelmatigheid het navolgende besluit houdende de definitieve bescherming vitieert; X-10.548-2/8 Overwegende dat de betekening van een besluit houdende voorlopige bescherming een substantiële pleegvorm is, waarbij het verzuim zulks te doen de regelmatigheid van het definitief beschermingsbesluit zelf aantast en dit vanuit het oogmerk van de vrijwaring van de rechten van de zakelijke gerechtigden; Overwegende dat de betekening van een verlengingsbesluit niet dezelfde rechtsgevolgen doet ontstaan als de betekening van een besluit houdende voorlopige bescherming; dat immers de rechtsgevolgen van de betekening van een besluit houdende voorlopige bescherming veel verder reiken; dat wat dergelijk besluit betreft artikel 5, §2, 3/, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten bepaalt dat de betekening ervan het openbaar onderzoek opent; dat artikel 5, §§ 3 en 4, van hetzelfde decreet de plicht oplegt de huurders en bewoners kennis te geven van het ontwerp van lijst na betekening ervan aan de zakelijke gerechtigden, op straffe van hoofdelijke aansprakelijkheid van laatstgenoemden, respectievelijk de plicht oplegt kennis te geven aan het bestuur voor monumenten en landschappen van gewijzigde eigendomstoestanden na betekening van het ontwerp van lijst aan de zakelijk gerechtigden, tevens op straffe van hoofdelijke aansprakelijkheid van laatst- genoemden; dat bovendien uit artikel 5, §7, in fine van voormeld decreet dat stelt dat de oorspronkelijke termijn kan verlengd worden, alsook uit artikel 7 van voormeld decreet dat stelt dat de definitieve bescherming dient beslist te worden binnen de termijn bedoeld in artikel 5, §7, blijkt dat het de wil is geweest van de decreetgever om de verlengingstermijn van hoogstens zes maanden te laten aansluiten bij de oorspronkelijke termijn van twaalf maanden die wat betreft de einddatum ervan onafhankelijk is van de betekening aan de eigenaar; Overwegende dat de betekening van een verlengingsbesluit de hiervoor uiteengezette rechtsgevolgen niet met zich brengt; dat laatstgenoemde betekening geen substantiële pleegvorm uitmaakt; Overwegende dat de verzoeker in de laatste memorie nog doet gelden dat “moet vastgesteld worden dat het definitief beschermingsbesluit eveneens op formeel gebrekkige wijze betekend werd, vermits artikel 8, § 1, (van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten) vereist dat een besluit tot bescherming aan de eigenaar moet betekend worden op dezelfde datum als het beschermingsbesluit zelf”; dat de verzoeker betoogt dat de voormelde bepaling werd geschonden daar het eerste bestreden besluit dateert van 11 juni 2001 en de betekening gebeurde bij brief van 10 juli 2001; dat, anticiperend X-10.548-3/8 op de vraag naar de ontvankelijkheid van dit door hem aangevoerde wettigheids- bezwaar, de verzoeker laat gelden dat hij “in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring expressis verbis artikel 8, § 1, van het Decreet aangewezen (heeft) als zijnde geschonden”; Overwegende dat uit de uiteenzetting van het eerste middel in het verzoekschrift tot nietigverklaring helemaal niet blijkt dat de verzoeker artikel 8, § 1, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, al dan niet uitdrukkelijk, als geschonden heeft aangewezen; dat de verzoeker in zijn verzoekschrift slechts doet gelden dat “voorts artikel 8, § 1, (van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten) (bepaalt) dat het besluit houdende bescherming wordt betekend op de datum van het besluit”, en onmiddellijk daarop stelt dat “er weliswaar niet (staat) dat het besluit houdende verlenging op de datum van het besluit moet betekend (worden), maar dit volgt uit de interne logica van de wetskrachtige norm en uit de vereisten inzake publiciteit die daaraan gekoppeld zijn”; dat de verzoeker aldus van het voornoemd artikel 8, § 1, slechts melding heeft gemaakt binnen de grenzen van het gerechtelijk debat omtrent de opgeworpen onregelmatigheid van het verlengingsbesluit zelf; dat dit des te meer blijkt uit het feit dat hij in het opschrift van het eerste door hem in het verzoekschrift aangevoerde middel, uitdrukkelijk gewaagt van een schending van “artikel 5,§ 7, van het Decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van Monumenten en Stads- en Dorpsgezichten”; dat de verzoeker dan ook in zijn laatste memorie een nieuw en derhalve niet ontvankelijk middel opwerpt waar hij sub “4.1 Omtrent het eerste middel” concludeert dat “uit wat voorafgaat blijkt dat het (eerste) bestreden besluit tweemaal een substantiële vormvereiste schendt (...) en een tweede maal door zelf niet tijdig betekend te zijn”; dat ten overvloede dient te worden vastgesteld dat de betrokken bepaling niet handelt over het tijdstip van de betekening van het beschermingsbesluit, maar over het tijdstip van de identificatie van de zakelijk gerechtigden, en bovendien een onregelmatig- heid in de betekening van het definitief beschermingsbesluit zonder gevolg is wat de wettigheid van dit besluit zelf betreft; Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 5, § 7, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, “juncto de verplichting tot formele motivering van bestuurshandelingen en de beginselen van behoorlijk bestuur, X-10.548-4/8 inzonderheid de verplichting tot zorgvuldige feitenvinding”; dat de verzoeker in de uiteenzetting van het middel stelt dat het besluit houdende termijnverlenging, dat is ingegeven door de bekommernis om het onderzoek van de bezwaarschriften te kunnen vervolledigen en afsluiten, duidelijk ongemotiveerd is, dat noch de bevoegde minister, noch de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen ter motivering van het beschermingsbesluit zomaar de bevindingen van het bestuur voor monumenten en landschappen vermogen over te nemen, en dat het beschermings-besluit ongemotiveerd en onredelijk is en blijk geeft van een inconsistent beleid aangezien voor de site die nu als dorpsgezicht wordt beschermd, meerdere bouwvergunningen werden afgeleverd; dat de verzoeker ten slotte de opportuniteits- en appreciatiekritiek herneemt die door hem reeds werd geformuleerd als bezwaar tijdens het openbaar onderzoek; Overwegende, in zoverre de verzoeker aanvoert dat het besluit houdende termijnverlenging niet afdoende is gemotiveerd, dat het middel, gelet op het gezag van gewijsde van voormeld arrest nr. 147.569 van 11 juli 2005, niet ontvankelijk is; Overwegende dat wanneer de overheid een onroerend goed als monument of als stad- of dorpsgezicht beschermt zij, om te voldoen aan de door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen opgelegde motiveringsverplichting, in het besluit zelf de juridische en feitelijke overwegingen dient te vermelden waarop het is gesteund; dat niet is vereist dat in het besluit zelf de bezwaren en opmerkingen worden beantwoord die tijdens de voorafgaande procedure, met name tijdens het openbaar onderzoek, werden ingediend; dat het volstaat dat het besluit opgeeft om welke redenen van artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde het bestuur van oordeel is dat het beschermde goed van algemeen belang is; dat het middel in zoverre niet gegrond is; Overwegende dat het bestreden ministerieel besluit houdende bescherming als monument, stads- en dorpsgezicht in concreto de motieven vermeldt waarom de betrokken onroerende goederen omwille van het algemeen belang gevormd door de historische, en wat de bescherming van het Strichtensgoed als monument ook de “architectuur-historische” waarde, als monument, respectievelijk dorspgezicht worden beschermd; dat het feit dat deze motieven identiek zijn aan de motieven van het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen die op hun beurt indentiek zijn aan de motieven van X-10.548-5/8 het gemotiveerd advies van de Afdeling Monumenten en Landschappen van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen om de betrokken goederen te beschermen als monument, respectievelijk dorpsgezicht, aan deze vaststelling geen afbreuk doet; dat in dat geval de eigen beoordeling van de bevoegde minister, respectievelijk de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, bestaat in het bijtreden van de motieven van laatstgenoemd advies; Overwegende ten slotte dat de verzoeker de opportuniteits- en appreciatiekritiek herneemt die hij reeds heeft geformuleerd in zijn bezwaarschrift; dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen de weerlegging van de bezwaren door de Cel Monumenten en Lanschappen tot de hare heeft gemaakt; dat de verzoeker niet aanvoert dat deze weerlegging onjuist is of kennelijk onredelijk; dat de Raad van State niet bevoegd is om opnieuw kennis te nemen van de bezwaren als zodanig en de weerlegging van de bezwaren door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen te onderwerpen aan een eigen beoordeling ervan; Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 5, § 11, en 8, §2, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten; dat hij uiteenzet dat artikel 2 van het besluit houdende voorlopige bescherming melding maakt van “mogelijk op te leggen erfdienstbaarheden”, waarna enkel wordt verwezen naar het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten, hetgeen niet strookt met “de eis om de erfdienstbaarheden te vermelden die worden opgelegd” en dat “het facultatieve in de aanhef van artikel 2 derhalve onwettig (is) en (niet) kan leiden tot de latere bescherming uit artikel 2 van het besluit d.d. 11.06.2001”; dat hij voorts verwijst naar artikel 8, § 2, van voormeld decreet dat bepaalt dat het besluit houdende definitieve bescherming de bijzondere beperkingen moet vermelden die met het oog op de vrijwaring van de wezenlijke kenmerken van het beschermde monument, stads- of dorpsgezicht aan het eigendomsrecht worden gesteld; dat de verzoeker ten slotte doet gelden dat “gelet op de niet te onderschatten gevolgen van de opname op de lijst” het vereist is dat “men in detail de op te leggen erfdienstbaarheden opsomt en dat per monument, stadsgezicht of dorpsgezicht”; dat “enkel op die manier een zinvol X-10.548-6/8 openbaar onderzoek (kan) georganiseerd worden en de commissie een doelgericht advies (kan) geven”, zodat “de betrokken eigenaar (weet) wat hem nog toegelaten is en wat hem verboden is”; dat in casu de lasten vermeld in artikel 2 van zowel het voorlopig als het definitief beschermingsbesluit op vijf hoeven slaan, en er dus geen specificatie is per goed, en op het plan ook geen melding wordt gemaakt van de bijzondere beperkingen; Overwegende, daargelaten de vaststelling dat verzoekers wettig- heidskritiek op het ministerieel besluit van 29 februari 2000 houdende vaststelling van het ontwerp van lijst niet meer op ontvankelijke wijze kan worden aangevoerd aangezien dit besluit ingevolge de verwerping van het beroep van verzoeker tegen dit besluit bij arrest nr. 96.884 van 22 juni 2001 definitief is geworden, dat de voorschriften vervat in het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten principieel van rechtswege van toepassing zijn op een voorlopig of definitief beschermd monument of stads- of dorpsgezicht; dat artikel 1, § 2, van dit besluit bepaalt dat ze slechts niet van toepassing zijn wanneer er specifieke voorschriften zijn opgenomen in het beschermingsbesluit; dat dit in casu niet het geval is; dat de verwijzing door de verzoeker naar artikel 8, § 2, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten irrelevant is, daar er geen bijzondere beperkingen worden opgelegd; Overwegende dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  5. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-10.548-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien mei 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.548-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.239 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.102.323 ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.569 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.