id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.262 Rolnummer: A. 73985/XII-519 Zaak: Arrest 171262 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 15/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-31 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 06:42 Fiche Arrest nr 171.262 van 15 mei 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.262 van 15 mei 2007 in de zaak A. 73.985/XII-
- In zake : Jos RABIJNS, die woonplaats kiest bij advocaat J. Guns, kantoor houdende te Affligem, Kasteelstraat 58 tegen : de PROVINCIE LIMBURG. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jos Rabijns op 14 april 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 19 februari 1997 van de provincieraad van Limburg om hem in instantie van wedertewerkstelling te plaatsen en na één jaar in disponibiliteit wegens ontstentenis van betrekking; Gelet op het arrest nr. 140.636 van 15 februari 2005 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 24 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-519-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Guns, die verschijnt voor verzoeker, en van bestuurssecretaris T. Roosen, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De feiten
- Bij besluit van 13 oktober 1995 stelt de provincieraad van Limburg met ingang van 1 januari 1995 een nieuwe personeelsformatie van het administratief en technisch personeel vast. De beide leidinggevende graden van de dienst gebouwen, namelijk de graden van hoofdingenieur-directeur en van adjunct- directeur, respectievelijk bekleed door verzoeker en Henri Van Lishout, komen niet meer in de organieke personeelsformatie voor, maar worden in een overgangsformatie voor het vastbenoemd technisch personeel geplaatst. Het zijn “functies in overtal”, die “eventuele vacatures in de organieke personeelsformatie van het technisch personeel [blokkeren]” en uitdovend zijn. Vanaf 1 februari 1996 wordt de afgeslankte dienst gebouwen opgenomen in de directie patrimonium, aan het hoofd waarvan een afdelingschef staat. Vanaf dezelfde datum wordt de functie van afdelingschef aan Henri Van Lishout toegewezen. Op 19 februari 1997 beslist de provincieraad om verzoeker in instantie van wedertewerkstelling te plaatsen en na één jaar in disponibiliteit wegens ontstentenis van betrekking. Daarbij wordt onder meer overwogen “dat de functie afdelingschef bij de directie patrimonium, die trouwens op dit ogenblik toegewezen is, geen geschikte taakvulling is”, dat de door verzoeker enerzijds en door het bestuur anderzijds voorgestelde taakinvullingen evenmin als gepast worden beschouwd respectievelijk door het bestuur en door betrokkene, en dat er bijgevolg geen gepaste taakinvulling gevonden is. XII-519-2/5 De grond van de zaak Stelling van partijen
- Verzoeker voert in een eerste middel aan wat volgt : “Eerste middel: schending van het administratief statuut van het provinciepersoneel doordat verzoeker in instantie van wedertewerkstelling wordt geplaatst zonder dat deze procedure werd voorzien in het statuut. Het besluit plaatst verzoekende partij in instantie van wedertewerkstelling. Het statuut voorziet evenwel niet in een procedure om iemand in instantie van wedertewerkstelling te plaatsen. In die mate schendt de beslissing het voornoemde statuut”.
- Het antwoord van verwerende partij in de memorie van antwoord luidt : “Artikel 167 § 1 van het administratief statuut voo[r]ziet expressis verbis het geval van het person[e]elslid dat zich ‘in instantie van wedertewerkstelling bevindt’. Dit betekent dat een personeelslid niet in instantie van wedertewerkstelling wordt geplaatst, wel dat het person[e]elslid zich in die toestand bevindt en als dusdanig wordt erkend. Verzoeker was, met ingang van 13 januari 1997, werkbekwaam en als dusdanig in instantie van wedertewerkstelling. Hij kon nochtans niet in dienst worden hernomen wegens ontstentenis van betrekking ener[z]ijds, de weigering van verzoeker anderzijds, om een opdracht te vervullen die ‘geen volwaardige’ taak is, in overeenstemming met zijn graad, ervaring en opleiding, wat betreft de materie, het belang en de verantwoordelijkheid”.
- Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord onder meer dat blijkens artikel 167, § 1, “het zich ‘in instantie van wedertewerkstelling bevinden’ een gevolg is van een plaatsing in die toestand”, dat het statuut nergens bepaalt hoe men in instantie van wedertewerkstelling geraakt, noch wat dat betekent, en dat de interpretatie van verwerende partij erop neerkomt “dat wanneer iemand na een ziekteverlof terug werkbekwaam wordt zich ‘alsdusdanig in instantie van wedertewerkstelling’ zou bevinden”.
- In de laatste memorie doet verwerende partij nog gelden : “De plaatsing in instantie van wedertewerkstelling wordt wel degelijk geregeld in artikel 167, §1 van het administratief statuut en de provincieraad heeft met zijn bestreden besluit niets meer gedaan dan verzoeker in instantie van wedertewerkstelling geplaatst, besluit dat tevens inhield dat indien binnen het jaar geen andere gepaste bestrekking werd gevonden hij van rechtswege in disponibiliteit zou worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking (zie XII-519-3/5 inventarisstukken nrs. 29 en 31). Het administratief statuut werd dus niet geschonden”. Beoordeling
- Ter terechtzitting uitdrukkelijk gevraagd naar de rechtsgrond voor de bestreden beslissing, deelt verwerende partij mee die grond uitsluitend in artikel 167, § 1, van het administratief statuut te vinden. Volgens deze bepaling wordt het personeelslid dat zich in instantie van wedertewerkstelling bevindt en dat niet terug in dienst werd genomen binnen een termijn van een jaar sedert zijn plaatsing in instantie van wedertewerkstelling, van rechtswege in disponibiliteit gesteld wegens ontstentenis van betrekking.
- De bestreden beslissing plaatst verzoeker in instantie van wedertewerkstelling. Zij wijzigt aldus zijn administratieve situatie, door hem naar een nieuwe administratieve stand te doen overgaan. Nergens in het statuut wordt evenwel bepaald wie in instantie van wedertewerkstelling kan worden gesteld, wanneer en met inachtneming van welke voorwaarden. Ook het artikel 167, § 1, bepaalt dat niet: het betreft niet de plaatsing in instantie van wedertewerkstelling, maar het lot van wie zich reeds in die stand bevindt. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat de verwijzing van verwerende partij naar “inventarisstukken nrs. 29 en 31” terzake evenmin iets bijbrengt, nu het administratief dossier maar vijftien stukken telt. In de gegeven omstandigheden is het dan ook volkomen gratuit om, zoals verwerende partij op bladzijde 5 van de laatste memorie doet, te betogen dat er, gelet op de motieven van de bestreden beslissing, “wel degelijk omstandig- heden [zijn] die statutair tot een plaatsing in instantie van wedertewerkstelling (met het mogelijk van rechtswege gevolg na 1 jaar van de in disponibiliteitsstelling) kunnen nopen”. Immers is er statutair zonder meer niets geregeld en ontbreekt de juridische basis voor een plaatsing in instantie van wedertewerkstelling.
- Het besproken middel is gegrond. XII-519-4/5 OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 19 februari 1997 van de provincieraad van Limburg om Jos Rabijns in instantie van wedertewerkstelling te plaatsen en na één jaar in disponibiliteit wegens ontstentenis van betrekking. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien mei 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-519-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.262 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.636 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div