← België

Arrest 171294 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 16/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.294 Rolnummer: A. 179033/XII-4942 Zaak: Arrest 171294 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 16/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-06 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 06:43 Fiche Arrest nr 171.294 van 16 mei 2007 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.294 van 16 mei 2007 in de zaak A. 179.033/XII-

  1. In zake : Gertrudis VAN DE VIJVER, die woonplaats kiest bij advocaat R. Rombaut, kantoor houdende te Hove, Lintsesteenweg 740 tegen : de UNIVERSITEIT GENT, die woonplaats kiest bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Gertrudis Van de Vijver op 30 november 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Raad van Bestuur van de Universiteit Gent dd. 22 september 2006, waarbij de professoren Raymond Detrez, Stefaan Slembrouck en Michel Tanret met ingang van 1 oktober 2006 worden bevorderd tot hoogleraar, en waarbij derhalve aan de kandidatuur van verzoekende partij tot dergelijke bevordering geen gunstig gevolg wordt gegeven”; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekster de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien het administratief dossier neergelegd door de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-4942-1/7 Gelet op de beschikking van 5 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 april 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. Rombaut, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat P. Devers, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De feitelijke gegevens van de zaak
  3. Verzoekster is voltijds hoofddocent aan de Universiteit Gent, vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte. De docenten en hoofddocenten van deze faculteit die in aanmerking komen voor één van drie beschikbare bevorderingen tot hoogleraar worden op 21 november 2005 uitgenodigd hun aanvraag in te dienen door middel van het specifiek daartoe bestemd sollicitatieformulier. Een door de faculteitsraad aangestelde beoordelingscommissie stelt drie subcommissies aan die de aanspraken en verdiensten van 21 kandidaten, waaronder verzoekster, onderzoeken met betrekking tot de deelcomponenten onderwijs, onderzoek en dienstverlening. De commissie schrijft de kandidaten ook aan dat zij “heeft vastgesteld dat vaak gegevens ontbreken over de weerklank van het werk van de kandidaten” en zij biedt elke kandidaat de kans om “uiterlijk 10 maart 2006 een nota desbetreffend in [te] dienen”; de weerklank “kan blijken uit citatiefrequenties, boekbesprekingen, invitaties als gastspreker, etc. - ad libitum: de XII-4942-2/7 bedoeling is dat de commissie een beeld krijgt van de weerklank die uw werk geniet in de wetenschappelijke gemeenschap”. Op 15 mei 2006 maakt de beoordelingscommissie een rangschikking van de kandidaten. De commissie onderstreept in haar verslag “dat op basis van de voorliggende resultaten 17 kandidaten goed tot zeer goed scoren en een bevordering verdienen” maar dat zij “slechts 3 kandidaten [kan] voordragen voor bevordering”. Verzoekster prijkt niet bij de drie best geplaatsten en zij dient een bezwaarschrift in tegen de voordracht. Na verzoekster te hebben gehoord repliceert de commissie schriftelijk op het bezwaar. De eindrangschikking blijft ongewijzigd wat de drie eerst gerangschikte kandidaten betreft. De overige kandidaten -en dus ook verzoekster- worden in alfabetische volgorde vermeld. De faculteitsraad neemt het advies van de commissie over en draagt de drie eerst gerangschikte kandidaten voor bevordering voor aan de raad van bestuur, die op 22 september 2006 de thans bestreden beslissing neemt. De schorsingsvoorwaarden
  4. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde
  5. Verzoekster betoogt dat het nadeel dat zij door de bestreden beslissing ondergaat “allereerst” voortvloeit “uit het manifeste onderscheid tussen de invulling van het ambt van hoofddocent (thans bekleed door verzoekster) en het ambt van gewoon hoogleraar”, dat “niet enkel een aantal evidente nadelen veroorzaakt op het vlak van verloning, maar zeker ook op het vlak van erkenning en onderzoeksmogelijkheden”. Volgens verzoekster zal de (internationale) onderzoeks-wereld geneigd zijn op congressen de voorkeur te geven aan hoogleraren-sprekers dan aan (hoofd)docenten-sprekers of om het leiderschap van XII-4942-3/7 relevante projecten toe te wijzen aan hoogleraren in plaats van aan (hoofd)docenten. Haar wetenschappelijke kansen op het vlak van publicaties, onderzoeksprojecten en dergelijke meer komen in het gedrang en deze “onmiskenbaar aanwezige gevolgen doen zich onmiddellijk voor en kunnen niet of niet geheel worden rechtgezet middels een annulatiearrest”. Verzoekster wijst nog op “de complexiteit en het continu fluctuerend karakter van het wetenschappelijk onderzoek, in casu op het vlak van de wetenschapsfilosofie”: de periode waarin zij aldus niet wordt bevorderd tot gewoon hoogleraar, “houdt een verlies in aan onderzoekskansen op een stelselmatig evoluerend terrein, waarbinnen een jaar waarin men niet ‘mee’ is, reële schade betekent voor de verdere carrièreontwikkeling, zeker gelet op het beperkte aantal actieve wetenschapsfilosofen”. Verzoekster doet vervolgens gelden dat de kennelijke schending van “het verdedigingsbeginsel” mede de ernst en de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel bepaalt. Zij werd “flagrant in haar rechten van verdediging [...] geschonden”. De niet-bevordering is ten slotte een ernstige aantasting van haar reputatie die “noch min noch meer inhoudt dat verzoekster qua onderwijs- en onderzoeksopdracht niet actief is op ‘het hoogste wetenschappelijke niveau’”. Verzoekster refereert terzake aan ’s Raads rechtspraak in verband met de erkenning van de “ruime artistieke faam” voor de concordanties in het artistiek hoger onderwijs.
  6. Een later uit te spreken nietigverklaring verwijdert de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer en plaatst de partijen terug in de status quo ante, de toestand zoals die bestond op het ogenblik waarop het bestuur de in het annulatie- arrest vastgestelde onregelmatigheid heeft begaan. Een benoemingsbeslissing berokkent daarom in de regel aan de niet benoemde kandidaat geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel, aangezien zij na de nietigverklaring van die benoeming opnieuw de kans verwerft om zelf benoemd te worden. Wie kandidaat is voor een benoeming of een bevordering, moet er daarenboven inherent rekening mee houden dat niet zij wordt uitgekozen. In de voorliggende zaak is zulks zeker duidelijk, nu vooraf vaststond dat er slechts een beperkt aantal plaatsen te begeven was. De demotiverende impact die dan gepaard XII-4942-4/7 gaat met de gemiste benoeming of bevordering volstaat in de regel niet om de schorsing van de beslissing te verantwoorden. Verzoekster toont ook niet aan dat haar afwijzing is gebeurd in concrete omstandigheden die van aard zijn om het ernstig karakter of de moeilijk te herstellen aard van het morele nadeel uitzonderlijk toch te doen aanvaarden. Het voorbeeld van de beoordeling van de “artistieke faam” in het artistiek hoger onderwijs gaat alleszins niet op: te dezen wordt immers geen absolute en individuele beoordeling uitgesproken van verzoeksters wetenschappelijke kwaliteiten, maar wordt haar dossier vergeleken met twintig andere dossiers. Dat anderen uit die vergelijking als de besten verschijnen, plaatst op zich niet een stempel van onkunde op de kandidaten die het moeten afleggen tegen die betere kandidaten. In de concreet gemaakte vergelijking bewijst verzoekster ook geen ongehoorde verdachtmakingen, afkeuring of minachting. De subcommissie noteert over haar integendeel dat zij “een mooi publicatiedossier” kan voorleggen en dat zij “heel actief [is] op het vlak van leiding in onderzoek, met een doctoraatsscore die ruim boven het gemiddelde ligt”, en dat zij “een heel goede internationale inschakeling in diverse netwerken” heeft. De meer negatief uitvallende punten zijn op het eerste gezicht niet in beledigende termen genoteerd : “ontbreken van rechtstreekse indicatoren van de weerklank van het onderzoek vormt een zwak punt”, “eerder perifeer in het vakgebied”. De beoordelingscommissie rangschikt verzoekster uiteindelijk bij de kandidaten die “een bevordering verdienen”. Enig misprijzen vanwege de eigen onderwijsoverheid valt dan ook niet te bespeuren. Bovendien is de eindrangschikking alfabetisch, zodat ook de buitenwereld enkel zal kunnen vaststellen dat verzoekster ditmaal niet behoort tot de drie beschikbare bevorderingen. Bevorderingen, overigens, tot hoogleraar en niet, zoals verzoekster steevast betoogt, tot gewoon hoogleraar. Hoogleraren en hoofddocenten vormen beide graden van het zelfstandig academisch personeel van een universiteit, met een luidens de artikelen 64 en 65 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap identieke opdracht. Zoals reeds eerder is opgemerkt in het arrest nr. 145.184, De Wagter, van 31 mei 2005, is het voor de Raad van State dan ook helemaal niet evident dat voor een wetenschapper die verbonden is aan de universiteit, naast de formele loopbaanopbouw in de universiteit, op vlak van wetenschappelijk onderzoek merkbaar andere mogelijkheden en kansen bestaan al XII-4942-5/7 naargelang hij binnen het zelfstandig academisch personeel de graad bekleedt van voltijds hoofddocent of van (gewoon) hoogleraar, laat staan dat het missen van deze promotiekansen vervolgens ook als een ernstig nadeel kan worden gekwalificeerd. Reeds thans wordt aan verzoekster een “heel goede internationale inschakeling in diverse netwerken” toegeschreven. Dat de “(internationale) onderzoekswereld” voortaan “geneigd” zal zijn om de voorkeur te geven aan anderen voor congressen of projecten, staat daar tegenover als een door verzoekster niet eens concreet onderbouwde, vage hypothese. Hoewel volgens verzoekster de nadelige gevolgen “onmiskenbaar aanwezig” zijn en zich “onmiddellijk voor[doen]”, staaft zij in de inleidende akte die beweringen niet. Verzoekster maakt niet aannemelijk dat zij een moreel nadeel ondergaat dat de voor een schorsing vereiste graad van ernst heeft. Daargelaten of en onder welke voorwaarden ook een kennelijke onwettigheid de ernst en moeilijke herstelbaarheid van het nadeel mede bepaalt, stelt de Raad te dezen vast dat verzoekster in dat verband van een grove schending van haar rechten van verdediging gewaagt. Het respect voor de rechten van de verdediging is een prominent beginsel in tuchtzaken, dat als een algemeen rechtsbeginsel in zulke zaken zelfs zonder geschreven regel van toepassing is. Op het eerste gezicht is het de Raad evenwel niet duidelijk op grond van welke regel verzoekster het recht van verdediging van toepassing ziet in een ambtelijke bevorderingsprocedure. Daaren- boven stelt de Raad vast dat verzoekster op 19 juni 2006 is gehoord door de beoordelingscommissie en dat die commissie op haar bezwaarschrift ook schriftelijk en uitvoerig heeft geantwoord. Voor zover verzoekster meent dat zij niet de gelegenheid heeft gekregen om haar standpunt kenbaar te maken, stelt de Raad dienvolgens vast dat zij toch is uitgenodigd om een sollicitatieformulier in te dienen, om dit met een weerklankdossier aan te vullen en om haar bezwaar tegen het voorstel schriftelijk en mondeling bij de commissie kenbaar te maken. Indien hierbij een onregelmatigheid is begaan, is die volgens de Raad van State alleszins niet dermate flagrant dat ze mede bij de beoordeling van de thans besproken schorsingsvoorwaarde moet worden betrokken. Hetgeen verzoekster -overigens zonder nadere precisering of becijfering- over haar verloning aanbrengt is een financieel, en dus herstelbaar nadeel. XII-4942-6/7
  7. Er is blijkens wat voorafgaat niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  8. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  9. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien mei 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4942-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.294 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.396 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.