id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.296 Rolnummer: A. 179712/XII-4981 Zaak: Arrest 171296 - Varia (onderwijs en cultuur) - 16/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-01 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 19:59 Fiche Arrest nr 171.296 van 16 mei 2007 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.296 van 16 mei 2007 in de zaak A. 179.712/XII-
- In zake : Peter AARNOUTS, die woonplaats kiest bij advocaat L. Leenaerts, kantoor houdende te Antwerpen, Nachtegaalstraat 47 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door Scholengroep 25 Brugge-Oostkust, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Peter Aarnouts op 22 december 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de evaluatie ‘onvoldoende’, die hem op 27 oktober 2006 gegeven werd en op 15 november 2006 bevestigd werd door de heer P. Debruyne, directeur van het Instituut voor Volwassenonderwijs, Manitobalaan 48 te 8200 Sint-Andries”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht op grond van artikel 93 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; XII-4981-1\6 Gelet op de beschikkingen van 22 februari 2007 houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 maart 2007; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. Lenaerts, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De gegevens van de zaak
- Verzoeker is leraar aan het Instituut voor Volwassenenonderwijs (IVO) te Sint-Andries Brugge. Op 27 oktober 2006 geeft de directeur van het IVO Sint-Andries Brugge verzoeker de evaluatie “onvoldoende”. Verzoeker deelt op 7 november 2006 zijn opmerkingen bij het evaluatieverslag mee. Met een brief van 15 november 2006 geeft de directeur aan verzoeker te kennen zijn evaluatie niet te zullen wijzigen, wat tot gevolg heeft dat het college van directeurs een begeleider zal aanduiden die binnen acht maanden een evaluatieoordeel moet neerschrijven en dat ook hijzelf binnen diezelfde termijn een nieuwe evaluatie zal uitbrengen. XII-4981-2\6 De ontvankelijkheid van het beroep
- De verwerende partij werpt op dat het beroep niet ontvankelijk is omdat het gericht is tegen een voorlopige en niet-definitieve beslissing, die geen gevolgen heeft voor de rechtstoestand van verzoeker. Zij wijst terzake op de regeling, uitgewerkt in artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 omtrent de evaluatie van vastbenoemde personeelsleden, maatregelen van orde en tucht in het gemeenschapsonderwijs (hierna het evaluatiebesluit).
- Uit de stukken van het administratief dossier blijkt, en tussen partijen wordt ook niet betwist, dat de directeur van het IVO verzoeker aan de evaluatie heeft onderworpen bedoeld in artikel 41 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (hierna het rechtspositiedecreet) en het evaluatiebesluit dat er uitvoering aan geeft. Zo heeft hij voor de evaluatieprocedure meer bepaald toepassing gemaakt van het artikel 8 van het evaluatiebesluit, dat luidt : “§
- Het evaluatieverslag wordt voorgelegd aan het betrokken personeelslid dat een afschrift ervan bekomt. Het personeelslid viseert en dateert het origineel verslag en bezorgt het onmiddellijk terug. §
- Het evaluatieverslag wordt desgevallend besloten met de vermelding ‘onvoldoende’. §
- Vindt het personeelslid dat de hem toegekende vermelding ‘onvoldoende’ niet gerechtvaardigd is, dan viseert hij het evaluatieverslag onder voorbehoud en vermeldt hij of een bezwaar volgt. Na visering van het evaluatieverslag bezorgt hij binnen zeven kalenderdagen een gemotiveerd antwoord aan zijn evaluator. Deze viseert een kopie ervan voor ontvangst. Dit antwoord wordt bij het evaluatieverslag gevoegd. §
- Binnen zeven kalenderdagen na ontvangst van het antwoord, deelt de evaluator aan het betrokken personeelslid zijn beslissing mee. §
- In afwijking van artikel 2 evalueert de evaluator het personeelslid aan wie de evaluatie ‘onvoldoende’ is toegekend, vanaf het daarop volgende schooljaar en ten vroegste acht maanden nadat de in artikel 3 bedoelde evaluatie werd gegeven, opnieuw. Bovendien moet in dit geval het personeelslid afzonderlijk geëvalueerd worden door een door het college van directeurs aangesteld persoon. Voor het vormingscentrum wordt hij aangewezen door de afgevaardigd bestuurder, indien een van beide evaluaties opnieuw ‘onvoldoende’ is, wordt aan het personeelslid de evaluatie ‘onvoldoende’ gegeven. §
- Indien aan het personeelslid na toepassing van § 5 een evaluatie ‘onvoldoende’ wordt gegeven, kan het langs hiërarchische weg beroep instellen, zoals bepaald in dit besluit. Wordt geoordeeld dat het beroep gegrond is, dan wordt de evaluatie ‘onvoldoende’ vernietigd en wordt ze uit het evaluatiedossier verwijderd”. XII-4981-3\6
- Verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep naar het voorwerp, argumenterende dat de bestreden beslissingen zonder rechtsgevolgen blijven. Zij stelt aldus het aanvechtbaar karakter van de evaluatiebeslissing in vraag. Opdat een bestuurshandeling voor vernietiging door de Raad van State in aanmerking zou komen, moet het in beginsel een handeling zijn die wijzigingen brengt in een bestaande rechtstoestand of die belet dat dergelijke wijziging tot stand komt. Zulks vereist dat het moet gaan om een eindbeslissing of minstens om een zogenaamde vóór-beslissing, terwijl handelingen die geen zulk definitief karakter hebben, van het annulatiecontentieux zijn uitgesloten. Overigens sluit dit niet uit dat een onwettigheid die het bestuur begaat bij het stellen van een voorafgaande handeling in voorkomend geval tot de onwettigheid van de eindbeslissing kan leiden.
- De Raad van State herhaalt ook voor deze zaak, zoals hij reeds eerder overwoog in het arrest nr. 159.784, Feys, van 8 juni 2006, “dat de decreetgever heeft gewild dat een personeelslid beschikt over een beroepsmogelijkheid tegen een evaluatie ‘onvoldoende’ en daartoe in artikel [41], § 3, van het rechtspositiedecreet aan de Vlaamse regering de opdracht heeft gegeven een procedure uit te werken die ‘overeenkomt met de procedure inzake beroep tegen tuchtmaatregelen’; dat die procedure is, zo leren de artikelen 61 en volgende van het rechtspositiedecreet, een beroepsmogelijkheid bij de raad van beroep; dat dan meer bepaald luidens artikel [41], § 3, in samenhang met artikel 61, § 2, van het rechtspositiedecreet de evaluatie net zoals de tuchtmaatregel definitief is na het verstrijken van de beroepstermijn ‘ofwel nadat de raad van beroep, na uitputting van de procedure waarin is voorzien in afdeling 3 een definitieve beslissing heeft genomen’; dat die beslissing in artikel 88, 5/ ‘de eindbeslissing van de raad van beroep’ wordt genoemd” en voorts dat die eindbeslissing van de raad van beroep “past in het verloop van de statutair verplichte evaluatie van het personeel; dat zij meer bepaald die evaluatieprocedure van het personeelslid op administratief vlak beëindigt en de gegeven evaluatie definitief maakt, hetzij door het beroep te verwerpen en de ‘onvoldoende’ te bevestigen, in welk geval die ‘onvoldoende’ de definitieve evaluatie is, hetzij door het beroep gegrond te verklaren, in welk geval de ‘onvoldoende’ luidens het toentertijd geldende artikel 8, § 6, van het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 wordt vernietigd en ze uit het evaluatiedossier wordt verwijderd; dat de beslissing van de raad van beroep dan ook terecht in artikel 88, 5/, van het rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 een ‘eindbeslissing’ wordt genoemd”. XII-4981-4\6 Zoals de Raad van State voorts reeds uitvoerig heeft uiteengezet in het arrest nr. 83.759, Borms, van 30 november 1999, kan een onwettigheid die kleeft aan de eerste evaluatieronde wel aangevoerd worden om de onwettigheid aan te tonen van de evaluatie “onvoldoende” die, na de tweede evaluatieronde, door de uitspraak van de raad van beroep de definitieve eindbeslissing wordt. Ook voor de voorliggende zaak valt de Raad de overwegingen van genoemd arrest bij. Het resultaat van de eerste evaluatieronde heeft evenwel geen dadelijke weerslag op de ambtelijke loopbaan van het betrokken personeelslid. Een weerslag is er maar van zodra een onvoldoende na de tweede evaluatieronde na het beroep daartegen bij de raad van beroep bevestigd blijft. Al is het onder dit systeem zo dat dan, op grond van artikel 88, 5/, van het rechtspositiedecreet, de definitieve ambtsneerlegging voortvloeit uit die gedurende twee opeenvolgende schooljaren toegekende “onvoldoende”, het blijft niettemin zo dat ten aanzien van de aanvechtbaarheid ervan, slechts na de tweede evaluatieronde en na de uitspraak door de raad van beroep een definitieve, voor vernietiging aanvechtbare handeling wordt gesteld door verwerende partij. Ter terechtzitting refereert verzoeker vergeefs aan de regeling in het hogescholendecreet van 13 juli 1994, zoals toegepast door het Arbeidshof te Antwerpen in het arrest A.R. 2040002 van 13 december
- Zoals blijkt uit artikel 77 van het hogescholendecreet en uit het feitenrelaas in voornoemd arrest, gaat de analogie kennelijk niet op, al minstens om de reden dat het evaluatiesysteem in de hogescholen -overigens, zoals ook de nieuwe te dezen nog niet toegepaste regeling in de artikelen 73quater en volgende van het rechtspositiedecreet- tegen elke evaluatie onmiddellijk het administratief beroep organiseert bij een college van beroep. De exceptie is kennelijk gegrond.
- Het beroep is kennelijk onontvankelijk.
- De vordering tot schorsing is een accessorium van het annulatieberoep, en dient hetzelfde lot te ondergaan. XII-4981-5\6 OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien mei 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4981-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.296 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.