← België

Arrest 171297 - Examens (onderwijs) - 16/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.297 Rolnummer: A. 180451/XII-4996 Zaak: Arrest 171297 - Examens (onderwijs) - 16/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-06 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 19:59 Fiche Arrest nr 171.297 van 16 mei 2007 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.297 van 16 mei 2007 in de zaak A. 180.451/XII-

  1. In zake : Dominique PIPERS, die woonplaats kiest bij advocaat G. Coenen, kantoor houdende te Diepenbeek, Kapelstraat 28 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 16 Midden-Limburg, die woonplaats kiest bij advocaten Devos en Van den Eynde, kantoor houdende te Geel, Diestseweg
  2. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Dominique Pipers op 22 januari 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 15 januari 2007 waarbij de over hem delibererende klassenraad hem een oriënteringsattest C toekent; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 12 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 april 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4996-1\8 Gehoord de opmerkingen van advocaat G. Coenen, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. Wijnants, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De feitelijke gegevens van de zaak
  3. Verzoeker is gedurende het schooljaar 2005-2006 leerling in klas 6D -tweede jaar van de derde graad ASO latijn-wiskunde- van het koninklijk atheneum te Hasselt. Na verzoeker voor het vak Nederlands een uitgestelde proef te hebben opgelegd beslist de delibererende klassenraad op 30 augustus 2006 tot een C-attest. Deze beslissing wordt vervangen door een in beroep genomen beslissing van 19 september 2006 waartoe de delibererende klassenraad was samengeroepen door het bevoegd gezag van de verwerende partij. Opnieuw wordt tot een C-attest besloten. Tegen deze beslissing komt verzoeker in beroep bij de Raad van State. Hij vordert ook de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing, volgens de gewone schorsingsprocedure. Het met het onderzoek van de zaak belast lid van het auditoraat legt een verslag neer waarin volgens de verkorte procedure (“verslag artikel 94 APR”) wordt besloten tot de kennelijke gegrondheid van het annulatieberoep. De partijen worden dienvolgens opgeroepen voor de terechtzitting over het annulatieberoep, op 16 januari
  4. XII-4996-2\8 Nadat zij kennis krijgt van het bedoelde auditoraatsverslag neemt de delibererende klassenraad een nieuwe beslissing, daags voor de terechtzitting. In het arrest nr. 167.000 van 23 januari 2007 stelt de Raad vast dat de nieuwe beslissing van 15 januari 2007 in de plaats komt van de beslissing van 19 september 2006 zodat het beroep kennelijk zonder voorwerp is en “doelloos” geworden”. Het annulatieberoep en de schorsingsvordering worden daarom verworpen. Ingevolge deze intrekkingsbeslissing komt de Raad van State er bijgevolg niet meer toe om zich over de zaak ten gronde uit te spreken, laat staan over het vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarden. Met zijn nieuwe beslissing van 15 januari 2007, die het voorwerp is van het thans voorliggende beroep, kent de delibererende klassenraad andermaal aan verzoeker een C-attest toe. De schorsingsvoorwaarden
  5. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde
  6. Verzoeker doet als nadeel in het inleidend verzoekschrift gelden dat “een gans jaar voor verzoeker als student op het spel staat, zeker nu vaststaat dat verzoeker de voorgenomen hogere studies aan de Xios Hogeschool Hasselt ter campus Diepenbeek voor informatica niet kan aanvatten ingevolge het bekomen C- attest” en dat, “indien [hij] niet spoedig kan beginnen met de voorgenomen studie het actuele jaar compleet verloren dreigt te gaan”. Ter adstructie voegt hij een stuk bij om aan te tonen dat de Xios hogeschool effectief weigert om hem in te schrijven.
  7. Het dreigend verlies van een schooljaar wordt in beginsel erkend als het moeilijk te herstellen ernstig moreel nadeel dat, inderdaad, bij aanvoeren van ernstige middelen, een schorsing van de tenuitvoerlegging van een examenbeslissing kan verantwoorden, zelfs bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De vordering tot XII-4996-3\8 schorsing is in het onderwijscontentieux dan ook de meest geëigende weg om bij de Raad van State adequate rechtsbescherming te zoeken tegen een vermeend onwettige examenbeslissing. Immers, een schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing, hoewel precair van aard, moet als een aansporing worden opgevat aan het schoolbestuur om zijn onwettig lijkende beslissing reeds onmiddellijk, zonder verdere afwikkeling van de annulatieprocedure, te heroverwegen, en, mede ook gelet op het dreigende verlies van een schooljaar als moeilijk te herstellen ernstig nadeel en op het recht van een leerling op een vaststaande uitslag, om ze desgevallend in te trekken en door een nieuwe te vervangen. Vereist is dan wel, nu een schorsing enkel voor de toekomst uitwerking heeft, dat op het ogenblik van de uit te spreken schorsing dit nadeel nog nuttig kan worden geweerd. Daarenboven moet een verzoeker die de Raad van State bij deze uitzonderingsprocedure er wil toe brengen een schorsing te bevelen omwille van de ernstige en moeilijk herstelbare benadeling die uitgaat van een onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan, zelf ook de nodige zorgvuldigheid en ijver aan de dag leggen om dit nadeel te minimaliseren. Het een en het ander impliceert dat, opdat het schoolbestuur nog nuttig tot een heroverweging zou worden aangespoord en het verlies van een schooljaar wordt vermeden, de schorsing van de tenuitvoerlegging in beginsel bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet worden gevorderd. Dit betekent dat een verzoekende partij niet zonder verantwoording, op aanvaardbare gronden, mag afzien van de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid. De Raad van State, en vervolgens het schoolbestuur, zullen dan immers noodzakelijk slechts uitspraak kunnen doen op een ogenblik dat het schooljaar reeds verschillende maanden gevorderd is en het verlies van een schooljaar niét meer zo evident kan worden geweerd.
  8. Te dezen heeft verzoeker na de kennisgeving van de in het kader van de administratieve beroepsprocedure genomen beslissing van de delibererende klassenraad van 19 september 2006 tot 2 november 2006 gewacht om bij de Raad van State een gewone schorsingsvordering in te stellen. Die handelwijze is al niet van aard om de dreiging van het verlies van een schooljaar in enige mate te helpen voorkomen. XII-4996-4\8 Wanneer dan het schoolbestuur, na kennisname van het voor hem negatief uitvallend auditoraatsverslag, de beslissing van 19 september 2006 intrekt en vervangt door een nieuwe, de thans bestreden beslissing van 15 januari 2007, stelt verzoeker andermaal, op 22 januari 2007, een gewone schorsingsvordering in. Hoewel verzoeker aldus niet al te lang wacht met het instellen van de nieuwe vordering, is in het verzoekschrift geen verantwoording te vinden waarom de vordering niet bij uiterst dringende noodzakelijkheid is ingesteld. Ook ter terechtzitting kan verzoeker voor dit nalaten geen overtuigende reden geven. Verzoeker heeft ondertussen enkel aan de Xios hogeschool gevraagd om als vrij student toch al de lessen te volgen, maar is op een weigering gestuit. Niettegenstaande de recente flexibilisering van het hoger onderwijs, die aan de individuele onderwijsinstellingen een zekere beslissingsmarge geeft over het inschrijven van hun studenten, heeft verzoeker nagelaten zich zelfs maar te informeren over de mogelijkheden bij andere instellingen van hoger onderwijs die de studierichting informatica aanbieden. Uit de stukken die verzoeker van de Xios hogeschool ontving blijkt overigens dat ook die hogeschool een inschrijving niet uitsluit mits de betrokkene een bekwaamheidsproef aflegt. Verzoeker heeft ook die piste blijkbaar niet onderzocht. Hij heeft zich integendeel opnieuw ingeschreven, in een andere school, voor een laatste jaar secundair onderwijs. Ondertussen is, door de keuze van verzoeker om bij herhaling geen beroep te doen op de procedure der uiterst dringende noodzakelijkheid, het academiejaar echter al zo ver gevorderd dat twee van de drie examenmomenten van de eerste examenperiode al voorbij zijn. Naast de vraag of verzoeker nog wel vakken zal kunnen volgen en er examen over afleggen waarvan hij de lessen niet heeft bijgewoond, rijst de vraag hoe en onder welke voorwaarden de hogeschool bereid is om verzoeker na een schorsing van de bestreden beslissing op dit ogenblik van het jaar nog in te schrijven derwijze dat het “actuele jaar” niet verloren gaat. Verzoeker legt van de hogeschool immers enkel een document voor dat volgens hem de weigering aantoont om hem in te schrijven. Ook deze elementen vermogen derhalve niet het beroep tot tweemaal toe op de gewone schorsingsprocedure te verontschuldigen.
  9. Met de voorgaande gegevens voor ogen, kan het moeilijk te herstellen en ernstig karakter van het aangevoerde nadeel door de Raad van State te dezen niet worden aangenomen. XII-4996-5\8 Er is bijgevolg niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Ten aanzien van de eerste schorsingsvoorwaarde
  10. Al volstaat wat voorafgaat om tot de verwerping van de vordering te besluiten, wenst de Raad met betrekking tot de eerste schorsingsvoorwaarde toch het volgende op te merken. Verzoeker stelt op bladzijde 14 van het verzoekschrift zes middelen tot nietigverklaring voor. Dan volgt een toelichting van vijftien bladzijden waarin hij, zonder duidelijk terug te koppelen naar het ene of het andere van die zes middelen, grieven ontwikkelt die ingedeeld en verder genummerd zijn als A (1 - 2), B (1 - 2 - 3, a...), C, D, E, F (a -b, 1, 2,...6, a, b,...). De Raad stelt vast dat verzoeker als een rode draad in deze uiteenzetting er van uitgaat dat de klassenraad ernstig in de fout gaat door hem als laatstejaars niet geslaagd te verklaren op basis van slechts één tekort voor Nederlands. Hij parafraseert uitvoerig de rechtspraak van de Raad van State die strenge eisen van motivering stelt in een dergelijke situatie. Op het eerste gezicht is evenwel dit uitgangspunt van verzoeker fundamenteel verkeerd. Verzoeker heeft immers niet één, maar twee tekorten: voor wiskunde en voor Nederlands. Enkel voor het vak Nederlands is hem door de klassenraad een uitgestelde proef opgelegd, maar dat maakt van verzoeker nog geen geslaagde voor het vak wiskunde. Integendeel motiveert de klassenraad in moeilijk mis te verstane bewoordingen over het vak wiskunde : “Na de uiteenzetting van de leerkracht wiskunde, oordeelde de delibererende klassenraad over voldoende evaluatiegegevens te beschikken waardoor een verlenging van de evaluatie voor wiskunde niet opportuun was. Het cijfer 44,2% werd door de klassenraad als representatief geacht voor de prestaties wiskunde”. Over het vak Nederlands oordeelde de klassenraad integendeel dat hij niet zeker was reeds over alle gegevens te beschikken om tot een gefundeerd oordeel te komen, reden waarom de bijkomende proef werd opgelegd die andermaal in een tekort resulteerde. Waarna het C-attest vooral verantwoord wordt door deze XII-4996-6\8 twee tekorten waarvan de delibererende klassenraad vaststelt dat het zware onvoldoendes zijn voor vakken die samen genomen 11/32 van het studiejaar omvatten en “profielvakken” zijn in de richting Latijn-Wiskunde. In de beslissing is onder meer nog te lezen dat verzoeker voor vijf andere vakken maar met 50 of 55% slaagde en dat de cijfers “in een overwegend dalende lijn” evolueerden. Nu hoeft verzoeker het met deze argumenten niet eens te zijn en kan hij ze in rechte betwisten, maar dat kan hij niet op een ernstige wijze door reeds van meet af aan te argumenteren vanuit een feitelijk verkeerd uitgangspunt, waardoor hij zijn situatie wezenlijk verschillend lijkt voor te stellen dan hoe ze zich in werkelijkheid voordoet. Verzoeker geeft ook ampel kritiek op de beslissingen van de klassenraad van 30 augustus 2006 en van 19 september
  11. Zoals de Raad reeds heeft vastgesteld in zijn arrest nr. 167.000 van 23 januari 2007 is de beslissing van 30 augustus 2006 vervangen door de in beroep genomen beslissing van 19 september 2006 en is die laatste dan weer ingetrokken door de thans bestreden beslissing van 15 januari
  12. Verzoeker lijkt hiermee geen rekening te houden. De vordering tot het horen opleggen van een dwangsom
  13. In fine van het verzoekschrift vraagt verzoeker nog dat de Raad van State een dwangsom zou opleggen “op het niet uitvoeren van het geoordeelde in de arresten van de Raad van State”. Het afwijzen van de vordering tot schorsing alleen reeds verantwoordt dat op de vraag tot het horen opleggen van een dwangsom, die een accessorium van die vordering is, niet wordt ingegaan. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. De vordering tot schorsing en tot het opleggen van een dwangsom wordt verworpen. XII-4996-7\8 Artikel
  15. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien mei 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4996-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.297 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.747 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.