← België

Arrest 171298 - Penitentiair recht - 16/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.298 Rolnummer: A. 183142/IX-5643 Zaak: Arrest 171298 - Penitentiair recht - 16/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-23 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:43 Fiche Arrest nr 171.298 van 16 mei 2007 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.298 van 16 mei 2007 in de zaak A. 183.142/IX-

  1. In zake : Jaoide ZARIOUH, die woonplaats kiest bij advocaat N. LORENZETTI, kantoor houdende te BRUGGE, Walakker 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jaoide ZARIOUH op 10 mei 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Directeur van de Strafinrichting te Brugge - Mannenafdeling 1 van 04.05.2007 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd: - Drie dagen strafcel vanaf 04.05.2007 om 01.00 u. tot en met 06.05.2007; - Zeven maanden strikt regime en dit vanaf 03.07.2007 tot en met 31.12.2007 en dit in aansluiting op zijn huidige nog lopende straf. Strikt regime dit wil zeggen: uitsluiting gemeenschappelijke activiteiten: geen polyvalente zaal, geen werk buiten de cel, geen gemeenschappelijke vormingsactiviteit, geen gemeenschappe- lijke wandeling, verplicht verblijf op cel, verblijf op gesloten sectie, telefoon enkel naar advocaat en ombudsman, bezoek achter glas, geen gemeenschappelijke eredienst; - mutatie naar sectie 31B tot en met 31.12.2007, nadien is mutatie slechts mogelijk na gunstige evaluatie door de kwartieroverste; - schade te betalen”; Gelet op de beschikking van 10 mei 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; IX-5643-1/7 Gelet op de beschikking van 10 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 mei 2007, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HERMIE die loco advocaat N. LORENZETTI verschijnt voor de verzoeker, en van attaché P. VAN CAENEGHEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De verzoeker verblijft sinds 27 maart 2007 in het penitentiair complex te Brugge. Bij beslissing van de Directeur-generaal van het Directoraat- generaal penitentiaire inrichtingen van 16 april 2007 is hij er onderworpen aan een individueel bijzonder veiligheidsregime. Op 29 april 2007 is in de cel van de verzoeker een lader gevonden. Volgens de verwerende partij ging het om een lader dienstig voor een gsm, volgens de verzoeker om een lader voor een scheerapparaat. Op grond dat het, hoe dan ook, om een verboden voorwerp ging, heeft de directeur van de gevangenis hem op 3 mei 2007 een tuchtstraf opgelegd van uitsluiting van een aantal gemeenschappelijke activiteiten, beperkt telefoongebruik en bezoek achter glas, voor de periode van 3 mei tot 2 juli
  3. Ondertussen was tegen de verzoeker op 2 mei 2007 een rapport opgesteld in verband met een incident waarbij hij een chef had uitgescholden en bevelen genegeerd had. Aan de verzoeker werd meegedeeld dat dit feit het voorwerp zou uitmaken van een afzonderlijke tuchtprocedure. De avond nadat hem voor de op 29 april vastgestelde feiten een tuchtstraf is opgelegd, dit wil zeggen de avond van 3 op 4 mei 2007, is voorts vastgesteld dat de verzoeker door middel van een touw een voorwerp probeerde door te geven naar de cel van zijn buurman. Tijdens het daarop volgend onderzoek zou volgens de verwerende partij gebleken zijn dat het ging om een lader voor een gsm en om drugs. Deze feiten hebben het voorwerp IX-5643-2/7 uitgemaakt van een eerste rapport van 4 mei
  4. Dezelfde nacht nog is een “grondige celcontrole” uitgevoerd bij de verzoeker. In de lichtarmatuur van het toilet is dan een gsm gevonden, “volledig (verstopt) in de binnenbewerking, tussen de elektrische kabels”. De lichtschakelaars waren ook beschadigd, zodat geen licht gemaakt kon worden. Deze feiten hebben het voorwerp uitgemaakt van een tweede rapport van 4 mei
  5. Voor de feiten beschreven in de rapporten van 2 en 4 mei 2007 is er op 4 mei 2007 een tuchtrechtelijke hoorzitting geweest. Na afloop daarvan is door de directeur van de gevangenis bij beslissing van 4 mei 2007 een tuchtstraf uitgesproken, waarbij de verzoeker van 4 mei tot 6 mei 2007 in de strafcel is geplaatst, van 3 juli tot 31 december 2007 aan een strikt regime wordt onderworpen -inhoudende uitsluiting van gemeenschappelijke activiteiten, beperkt telefoon- gebruik en bezoek achter glas-, en tot 31 december 2007 is gemuteerd naar sectie 31B. Deze beslissing vormt het voorwerp van de voorliggende vordering. Volledigheidshalve kan nog vermeld worden dat zich tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting een incident heeft voorgedaan met de directeur van de gevangenis, welke aanleiding gegeven heeft tot een rapport van dezelfde dag en tot een tuchtrechtelijke beslissing van 6 mei
  6. Deze beslissing vormt evenwel niet het voorwerp van de voorliggende vordering. 2.
  7. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang. Volgens de verwerende partij heeft de opsluiting in een strafcel reeds een einde genomen, zodat de verzoeker in verband daarmee niet langer een belang kan doen gelden. Wat betreft het opgelegde strikte regime voert de verwerende partij in essentie aan dat dit regime het gevolg is van de eigen handelingen van de verzoeker, dat zijn sociale contacten met de buitenwereld weliswaar beperkt worden, maar niet volledig aan banden gelegd worden, en dat hij nog de mogelijkheid behoudt om bepaalde individuele activiteiten te verrichten; de verwerende partij leidt uit een en ander af dat de verzoeker geen “wezenlijk belang” heeft. 2.
  8. In zoverre de vordering gericht is tegen de beslissing waarbij een straf van drie dagen strafcel wordt opgelegd, moet vastgesteld worden dat die straf reeds op het ogenblik van het indienen van de vordering ondergaan was. De verzoeker kan dan ook niet meer de schorsing van de tenuitvoerlegging van die straf IX-5643-3/7 verkrijgen. In zoverre is zijn vordering onontvankelijk bij gebrek aan belang, en is de exceptie gegrond. In zoverre de vordering gericht is tegen de andere onderdelen van de bestreden tuchtrechtelijke beslissing, in het bijzonder tegen de beslissing waarbij hem gedurende een periode van bijna zes maanden een strikt regime wordt opgelegd, kan aangenomen worden dat de opgelegde maatregelen verregaande gevolgen op het leven van de verzoeker in de gevangenis hebben. De verzoeker heeft belang bij het bestrijden van die maatregelen. In zoverre is de exceptie ongegrond.
  9. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.
  10. De verzoeker voert een eerste middel aan, afgeleid uit de schending van het proportionaliteitsbeginsel. Hij erkent een gsm met lader op cel te hebben gehad, maar ontkent dat hij drugs heeft doorgegeven en dat hij het licht kapot heeft gemaakt. Volgens hem is de sanctie, gelet op de motivering van de bestreden beslissing, voornamelijk ingegeven door het aantreffen van de gsm en een lader op zijn cel. De sanctie staat echter niet in verhouding tot de inbreuk. In dit verband voert de verzoeker nog aan dat hij reeds op 3 mei 2007 gestraft is voor dezelfde inbreuk, zijnde het bezit van de lader, dat het niet de bedoeling kan zijn om hem tweemaal voor dezelfde inbreuk te straffen, en dat in elk geval bij het bepalen van de strafmaat geen rekening is gehouden met de reeds opgelegde straf. Voorts voert de verzoeker aan dat geen rekening is gehouden met zijn specifieke situatie, met name met het feit dat hij reeds onderworpen is aan een individueel bijzonder veiligheidsregime. Een en ander heeft immers tot gevolg dat de opgelegde sanctie door hem “nog veel zwaarder (wordt) aangevoeld”. 4.
  11. In de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht staat het niet aan de Raad van State om zijn oordeel over de gepastheid van een bepaalde tuchtstraf in de plaats te stellen van het oordeel van de bevoegde tuchtoverheid. De Raad van IX-5643-4/7 State kan enkel nagaan of die overheid de grenzen van de wettigheid niet te buiten gegaan is. Te dezen blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing dat de opgelegde tuchtstraf voornamelijk het gevolg is van het feit dat de verzoeker in zijn cel een gsm heeft verborgen en dat hij geprobeerd heeft een lader door te geven aan een medegevangene. In een gevangenisomgeving kan het op ongeoorloofde wijze communiceren met de buitenwereld beschouwd worden als een ernstig feit. Dit geldt des te meer voor de verzoeker, die omwille van bepaalde feiten sinds 16 april 2007 onder een individueel bijzonder veiligheidsregime is geplaatst. Bovendien zijn de thans bestrafte feiten vastgesteld nauwelijks enkele uren nadat de verzoeker voor gelijkaardige feiten is bestraft. Anders dan de verzoeker het voorstelt, gaat het overigens niet om een tweede sanctie voor een eerder reeds bestrafte inbreuk: de verzoeker is weliswaar op 3 mei 2007 bestraft voor het bezit van een lader, maar de thans bestreden beslissing steunt niet op dat feit, wel op het feit dat de verzoeker in het bezit was van een gsm en van een andere lader. Zelfs afgezien van het feit dat de verzoeker ook nog voor onbetamelijk gedrag, voor het doorgeven van drugs en voor het beschadigen van lichtschakelaars is gestraft, blijkt uit het dossier dat ernstige feiten ten grondslag liggen aan de opgelegde sanctie. In de bestreden beslissing wordt bovendien verwezen naar de tuchtrechtelijke antecedenten van de verzoeker. De opgelegde sanctie, in het bijzonder het strikt regime van 3 juli 2007 tot 31 december 2007, onmiddellijk aansluitend op het eerder opgelegde strikte regime, kan beschouwd worden als een zware sanctie. De verwerende partij wijst er evenwel op dat de sociale contacten van de verzoeker met de buitenwereld niet volledig aan banden worden gelegd, dat de verzoeker de mogelijkheid blijft behouden om brieven te versturen en te ontvangen en om bezoek te ontvangen, weliswaar achter glas, en dat individuele activiteiten, een individuele wandeling en individueel bezoek van een vertegenwoordiger van zijn godsdienst toegestaan blijven. Bovendien wordt de tenuitvoerlegging van het individueel bijzonder veiligheidsregime volgens de verwerende partij opgeschort tijdens het ondergaan van de tuchtsanctie. Gelet op de ernst van de feiten die verband houden met het bezit van een gsm en een lader en op de tuchtrechtelijke antecedenten, enerzijds, en op de kenmerken van de opgelegde straf, anderzijds, maakt de verzoeker niet IX-5643-5/7 aannemelijk dat de straf buiten verhouding staat tot de gepleegde inbreuken. Het middel is dan ook niet ernstig. 5.
  12. De verzoeker voert een tweede middel aan, afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Volgens de verzoeker steunt de bestreden beslissing op een ontoelaatbare motivering, aangezien geen rekening wordt gehouden met de op 3 mei 2007 opgelopen tuchtsanctie, “met betrekking tot dezelfde inbreuk”. Volgens de verzoeker kan de motivering niet passend zijn, omdat de verzoeker “tweemaal wordt gestraft omwille van dezelfde inbreuk”. 5.
  13. Het middel gaat ervan uit dat de verzoeker tweemaal voor “dezelfde inbreuk” is bestraft. Zoals reeds bij het onderzoek van het eerste middel is vastgesteld, gaat het echter niet om een tweede sanctie voor een eerder reeds bestrafte inbreuk, maar om een sanctie wegens nieuwe feiten, ook al zijn die feiten gedeeltelijk van dezelfde aard als het feit waarvoor de verzoeker op 3 mei 2007 is bestraft. Het middel, dat aldus uitgaat van een verkeerde interpretatie van de bestreden beslissing, lijkt dan ook in de huidige stand van het geding niet aangenomen te kunnen worden. Het is bijgevolg niet ernstig.
  14. Nu geen ernstige middelen worden aangevoerd, is niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLUIT: Artikel
  15. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. IX-5643-6/7 Artikel
  16. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 16 mei 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5643-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.298 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.