id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.448 Rolnummer: A. 183253/VII-37663 Zaak: Arrest 171448 - Sport - 22/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-31 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 06:43 Fiche Arrest nr 171.448 van 22 mei 2007 Onderwijs en cultuur - Sport Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.448 van 22 mei 2007 in de zaak A. 183.253/XII-
- In zake : Ludo CHERLET, die woonplaats kiest bij advocaat A. Sachem, kantoor houdende te Geraardsbergen, Brugstraat 20, b 3 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering en de disciplinaire raad voor medisch verantwoorde sportbeoefening, die woonplaats kiest bij advocaat K. Lardenoit, kantoor houdende te 1000 Brussel, A. Dansaertstraat
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ludo Cherlet op 12 mei 2007 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 13 maart 2007 waarbij de disciplinaire raad voor medisch verantwoorde sportbeoefening hem verbod oplegt om deel te nemen aan enige sportmanifestatie gedurende een termijn van achttien maanden en hem veroordeelt tot, eensdeels, een administratieve boete van 1000 euro met gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging en, anderdeels een gedeelte van de kosten van de procedure; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 mei 2007, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-5104-1\4 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Sachem, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat K. Lardenoit, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. Weymeersch; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de eerste schorsingsvoorwaarde
- De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid verstoort het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State op ernstige wijze, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende en eventueel tussenkomende partij aanzienlijk in het gedrang. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin XII-5104-2\4 dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door verzoeker op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Dit laatste impliceert dat verzoeker aan de hand van precieze en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing wordt daarenboven mede afgemeten naar de haast die de verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure. Van de eisende partij wordt gevergd dat zij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.
- De bestreden beslissing is, zoals verzoeker het zelf verklaart, hem ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven op 15 maart
- Die beslissing is overigens niet zomaar een beslissing die plots of onverwachts over hem is genomen, maar is het resultaat van een beroepsprocedure die hij zelf heeft ingesteld tegen een beslissing van de disciplinaire commissie en waarvan hij in de ene of andere zin het antwoord mocht verwachten. De voorliggende vordering is niettemin pas op 12 mei 2007 -dus bijna zestig dagen later- ingesteld. Dit is voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, schromelijk laat. In zijn verzoekschrift geeft verzoeker voor de opgelopen vertraging geen enkele verantwoording. Het tijdsverloop tussen de kennisgeving van het bestreden besluit en het instellen van de vordering houdt te dezen de negatie van de uiterst dringende noodzakelijkheid in. Ten overvloede stelt de Raad van State ook vast dat verzoeker allesbehalve de vereiste precieze en concrete gegevens poogt te verstrekken die de noodzaak van een uiterst dringend optreden van de rechter aantonen, nu hij in het inleidend verzoekschrift daaromtrent enkel argumenteert “aangezien de beslissing van kracht is gegaan op 1 april 2007 en rechtstreekse implicaties dreigt te hebben op het vermogen, het privéleven en de gezondheid van de verzoeker”. XII-5104-3\4
- Er is bijgevolg niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig mei 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5104-4\4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.448 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.608 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.