← België

Arrest 171514 - Milieuvergunningen - 24/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.514 Rolnummer: A. 180885/VII-36903 Zaak: Arrest 171514 - Milieuvergunningen - 24/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-01 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 06:44 Fiche Arrest nr 171.514 van 24 mei 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.514 van 24 mei 2007 in de zaak A. 180.885/VII-36.

  1. In zake :
  2. Henri CLOET,
  3. Irma VAN ACHTER, die woonplaats kiezen bij advocaat L. DUBOIS, kantoor houdende te AALST, Wellekensstraat 8, bus 1 tegen : de deputatie van de provincie OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Honoré VAN BOXSTAEL, die woonplaats kiest bij advocaat H. LIEVENS, kantoor houdende te GENT, Paul Fredericqstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Henri CLOET en Irma VAN ACHTER op 8 februari 2007 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 7 december 2006 waarbij hun beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Erpe-Mere van 6 juni 2006, waarmee aan Honoré VAN BOXSTAEL een milieuvergunning bij wege van aktename wordt verleend voor het exploiteren van een inrichting aan de Langemunt te Erpe-Mere, niet wordt ingewilligd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; VII-36.903-1/6 Gelet op de beschikking van 22 maart 2007 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 26 april 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. PARDON die, loco advocaat L. DUBOIS verschijnt voor de verzoekende partijen, van bestuurssecretaris-jurist C. WILLE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat H. LIEVENS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat met een verzoekschrift van 28 februari 2007 Honoré VAN BOXSTAEL, houder van de bestreden vergunning, vraagt om in de debatten te mogen tussenkomen; dat zijn verzoek kan worden ingewilligd;
  6. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : De verzoekende partijen en de tussenkomende partij wonen en werken op naast elkaar gelegen landbouwbedrijven aan de Langemunt in Erpe- Mere. Beide bedrijven liggen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Jaren geleden heeft de tussenkomende partij, zonder stedenbouwkundige vergunning, een stal gebouwd, aansluitend op de bestaande bedrijfsgebouwen. Deze nieuwe stal komt tot op een deel van de grens van een perceel van de verzoekende partijen, waarbij wel moet worden opgemerkt dat de stal grenst aan een wei, en dat de afstand van de stal tot de dichtstbijzijnde hoek van een gebouw van de verzoekende partijen ongeveer 50 meter bedraagt. Dat gebouw is een oude vierkantshoeve, waarvan het woongedeelte geen uitzicht heeft op de kwestieuze stal. In de muur die op de perceelgrens staat is een ventilator aangebracht die de stallucht op het perceel van de verzoekende partijen blaast. De tussenkomende partij beschikt over een vergunning door aktename voor tachtig runderen, geldend tot 1 september
  7. VII-36.903-2/6 De eerste verzoekende partij dient een strafklacht in. Op 20 december 2005 meldt de tussenkomende partij een verandering van zijn inrichting (bij toepassing van de procedure voorzien in artikel 27, §2, van het milieuvergunningsdecreet), die inhoudt dat alle tachtig runderen worden geplaatst in de kwestieuze stal (d.i. een regularisatie van een reeds gerealiseerde verandering). Zowat gelijktijdig wordt ook een stedenbouwkundige regularisatievergunning gevraagd. Op 30 mei 2006 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Erpe-Mere de stedenbouwkundige vergunning. Op 6 juni 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen wel de milieuvergunning, bij wege van aktename. Als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat de ventilator in de muur tegen het perceel van de verzoekende partijen moet worden verwijderd en de opening moet worden dichtgemaakt. De tussenkomende partij tekent beroep aan tegen de weigering van de stedenbouwkundige vergunning. De verzoekende partijen tekenen beroep aan tegen het verlenen van de milieuvergunning. Volgende adviezen worden verleend betreffende het beroep tegen de milieuvergunning: - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; - het agentschap Ruimtelijke Ordening adviseert ongunstig; - de Vlaamse Landmaatschappij adviseert gunstig; - de provinciale milieudeskundige adviseert ongunstig; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert ongunstig. Op 7 december 2006 wordt de bestreden beslissing genomen : het beroep wordt verworpen;
  8. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  9. Overwegende dat de verzoekende partijen, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, in hun verzoekschrift hun uiteenzetting beginnen met een verwijzing naar de uiteenzetting van hun belang. Het gaat blijkbaar om volgende passages : VII-36.903-3/6 "(...) Verzoekers ondervinden van de exploitatie van deze illegale veestal hinder. Kwestieuze veestal betreft een aaneenschakeling van 'koterij' opgetrokken uit goedkope (en lelijke) materialen, zodat het uitzicht verstoord wordt (stuk 3 : foto’s van op het perceel van verzoekers). Verzoekers hebben van op hun perceel uitzicht op een 4 meter hoge blinde muur (zie foto’s stuk 3 en zie het advies gemachtigd ambtenaar Vlaams Agentschap R-O stuk 9). Doordat de buur zijn perceel over de gehele breedte tot op de perceelsgrens volbouwde, is het zelfs niet mogelijk om groenschermen of dergelijke te voorzien. De visuele hinder klemt des te meer nu het getroffen perceel ligt in agrarisch gebied met bijzondere landschappelijke waarde en verzoekers dus principieel mogen verwachten dat zij uitzicht hebben op een landschap met een zekere schoonheidswaarde. (...) Bovendien blijkt dat de buur het niet te nauw neemt met hygiëne m.b.t. zijn vee, en zijn dieren veelal ziektedragers zijn. Door de veestal tot pal tegen de perceelsgrens te bouwen en te exploiteren is het gevaar voor besmetting van het vee van verzoekers door de runderen van de heer VAN BOXSTAEL veel groter dan mocht de opgelegde afstand van 3 meter tot de perceelsgrens gerespecteerd worden"; dat in de eigenlijke uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel ze daaraan nog toevoegen wat volgt : "a) De bestreden beslissing tot toekenning van een exploitatievergunning brengt de heer VAN BOXSTAEL in een gunstigere positie om vooralsnog een stedenbouwvergunning te bekomen voor het stallencomplex, nu kwestieuze beslissing (weliswaar volkomen onterecht) uitdrukkelijk stelt dat de veestal zou overeenstemmen met de bepalingen van het gewestplan. De heer VAN BOXSTAEL zal de motivatie en de argumenten van de bestreden beslissing ongetwijfeld gebruiken om alsnog een stedenbouwkundige beslissing te bekomen. Om die reden is het noodzakelijk dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geschorst wordt. b) Bovendien legaliseert de bestreden beslissing de exploitatie van de illegale veestal. Het feit dat de milieuvergunning geschorst is zolang er geen stedenbouwkundige vergunning wordt verleend doet geen afbreuk aan het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Eens er een stedenbouwkundige vergunning verleend zou worden, houdt immers bovengenoemde schorsing op. De rechtsgevolgen kunnen zich ten volle manifesteren wanneer de tijdelijke opschorting van de rechtseffecten een einde neemt. Voor zoveel als nodig bemerken verzoekers dat de Bestendige Deputatie de zitting voor beraadslaging over de stedenbouwkundige vergunning gefixeerd heeft op 15/2/
  10. Het staat dus vast dat er voor verzoekers een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ontstaat door de toekenning van de milieuvergunning. c) Verzoekers halen voldoende concrete argumenten aan waaruit blijkt dat de aard van de inrichting en de hinderlijkheid ervan, in acht genomen de zeer korte afstand tussen het perceel waar zij wonen en de plaats waar de inrichting is gelegen, aannemelijk maken dat zij ten gevolge van de verleende vergunning dermate in hun woonkwaliteit aangetast worden dat aan de voorwaarde van 'moeilijk te herstellen ernstig nadeel' is voldaan"; VII-36.903-4/6 3.
  11. Overwegende dat de door de verzoekende partijen aangevoerde visuele hinder is gesteund op de technische uitvoering ("koterij") en op de gebruikte materialen ("goedkope [en lelijke]"); dat de bouwstijl en de materialen waarmee de veestal is opgetrokken geen zaak zijn van de milieuvergunning, maar wel van de vooralsnog niet verleende stedenbouwkundige vergunning; dat de verzoekende partijen zich in hun uiteenzetting nergens beroepen op een schending van de open ruimte, zodat de verwijzing ter terechtzitting naar het arrest nr. 81.401, LALLEMANT, van 28 juni 1999 niet relevant is; dat bovendien de kwestieuze stal aansluit op de bestaande gebouwen van het bedrijf en dat de verzoekende partijen vanuit hun woning er geen zicht op hebben, maar enkel vanop een weide; dat de aangevoerde visuele hinder niet voortvloeit uit de bestreden milieuvergunning; Overwegende dat de verzoekende partijen hun bewering dat hun vee dreigt besmet te worden met ziektes afkomstig van het vee van de tussenkomende partij op generlei wijze staven; dat, aangezien de bestreden vergunning uitdrukkelijk het verwijderen van de ventilator heeft opgelegd en het dichten van de opening in de muur -hetgeen inmiddels reeds blijkt te zijn gebeurd- het aangevoerde nadeel louter als hypothetisch kan worden aangemerkt; Overwegende dat een milieuvergunning en een bouwvergunning elk een eigen finaliteit hebben en elk specifieke, verschillende criteria hanteren; dat niet valt in te zien hoe door het verlenen van de milieuvergunning de tussenkomende partij een grotere kans zou behalen op het verkrijgen van de bouwvergunning; Overwegende dat met het door de raadsvrouw van de verzoekende partijen aangevoerd moreel nadeel geen rekening kan worden gehouden omdat vooreerst in het verzoekschrift dergelijk nadeel niet werd aangevoerd en bovendien een moreel nadeel in principe wordt hersteld door de vernietiging van de bestreden beslissing; Overwegende dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, VII-36.903-5/6 BESLUIT: Artikel
  12. Het verzoek tot tussenkomst van Honoré VAN BOXSTAEL in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  13. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  14. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig mei tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-36.903-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.514 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.905 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.