← België

Arrest 171515 - Bijdragen sociale zekerheid - 24/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.515 Rolnummer: A. 70880/VII-14634 Zaak: Arrest 171515 - Bijdragen sociale zekerheid - 24/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-01 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 06:44 Fiche Arrest nr 171.515 van 24 mei 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Bijdragen sociale zekerheid Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.515 van 24 mei 2007 in de zaak A. 70.880/VII-14.634. In zake : de b.v.b.a. AUTORIJSCHOOL WILLEMYNS, die woonplaats kiest bij advocaat R. DEPLA, kantoor houdende te BRUGGE, Karel Van Manderstraat 123 tegen : de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, die woonplaats kiest bij advocaten B. CAMBIER en L. CAMBIER, kantoor houdende te UKKEL, Winston Churchilllaan 253. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. AUTORIJSCHOOL WILLEMYNS op 6 september 1996 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing, medegedeeld door Administrateur-Generaal P. VANDERVORST per schrijven dd. 10.07.96 en gekend onder referte B147/869.855-25/AVA/3, van het Beheerscomité van de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID bij dewelke de aanvraag tot volledige, minstens gedeeltelijke, kwijtschelding van de te betalen opslagen en intresten werd geweigerd"; Gelet op het arrest nr. 101.529 van 6 december 2001 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 28 september 2006 die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-14.634-1/7 Gelet op de beschikking van 13 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 april 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. ENEMAN, die loco advocaat R. DEPLA verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat M. SMOUT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten 1.1. De verzoekende partij zet uiteen dat zij actief is in de sector van de autorijscholen en uit dien hoofde beroep deed op meerdere instructeurs om de leerlingen die een rijbewijs wensen te behalen, te begeleiden. 1.2. Op respectievelijk 18 april 1989 en 12 juni 1989 wordt de verzoekende partij gedagvaard voor de bevoegde arbeidsrechtbank in betaling van achterstallige RSZ-bijdragen. De verwerende partij beschouwde de activiteiten van de genoemde lesgevers-begeleiders als gewone werknemersprestaties, die op basis van een arbeidsovereenkomst werden uitgeoefend en waarop dus de verschuldigde werkgeversbijdragen betaald dienden te worden. 1.3. Het geschil werd in eerste aanleg beslecht door de Arbeidsrechtbank van Brugge, die in een vonnis van 6 maart 1991 oordeelde dat de vorderingen van de huidige verwerende partij niet gegrond waren. De arbeidsrechtbank oordeelde dat er geen arbeidsovereenkomst was tussen de lesgevers en de verzoekende partij. 1.4. Na beroep van de verwerende partij velde het Arbeidshof te Gent, Afdeling Brugge, op 21 mei 1992 arrest. Het hof oordeelde dat de gegevens van de zaak op een "ondergeschikt verband" wezen zodat de inleidende vordering tot het innen van de sociale bijdragen wel gegrond werd verklaard. VII-14.634-2/7 1.5. Bij arrest van 3 mei 1993 verwierp het Hof van Cassatie de voorziening. 1.6. De verzoekende partij betaalde de hoofdsom van de gevorderde socialezekerheidsbijdragen. 1.7. Op 5 juli 1995 dient zij overeenkomstig artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders een aanvraag tot volledige of minstens gedeeltelijke vrijstelling van de bijdrageopslagen en de verwijlintresten in. De motivering van dit verzoek wordt als volgt toegelicht: "(...) Verzoekster meent hiervoor in aanmerking te komen daar zij steeds ter goeder trouw heeft gehandeld. De opslagen en intresten zijn heel hoog opgelopen gezien de lange gerechtelijke weg die werd afgelegd. De zaak werd ingeleid voor de Arbeidsrechtbank in mei 1989, om uiteindelijk, na uitspraak door het Arbeidshof te Gent en het Hof van Cassatie, te worden beslecht in mei 1993. Door het verloop van verschillende jaren vooraleer uiteindelijk een definitief oordeel werd geveld, konden de opslagen en intresten oplopen tot een immens bedrag. Gezien de instructeurs vrij hun uurrooster en het aantal leerlingen bepaalden, gezien in de praktijk elke vorm van gezagsuitoefening ontbrak, en niet in het minst gezien de seponering door het Arbeidsauditoraat en het voor haar in eerste aanleg gunstige vonnis, is verzoekster steeds in de overtuiging geweest dat zij uiteindelijk geen bijdragen zou dienen te betalen en dat de vier personen in kwestie inderdaad zouden erkend worden als zijnde zelfstandigen. Thans wordt verzoekster geconfronteerd met de te betalen achterstallige bijdragen (op heden reeds voldaan), opslagen en intresten, die voor haar een zeer zware last zijn. (...)". 1.8. Met een brief van 10 juli 1996 bericht de verwerende partij dat zij een aanvraag tot volledige vrijstelling niet wenst in te willigen. Dat is de bestreden beslissing, die als volgt luidt: "(...) Het Beheerscomité stelde vast dat de aangehaalde redenen de grond van de zaak, nl. de onderwerping aan de sociale zekerheid van de betrokken lesgevers betreffen. De gegrondheid van de vordering van de Rijksdienst staat inmiddels reeds vast en deze redenen houden geen verband met de laattijdige betaling van de bijdragen. Derhalve oordeelde het Beheerscomité dat zij geen dwingende billijkheidsredenen uitmaken. VII-14.634-3/7 De afwijkende beslissing in eerste aanleg wordt om dezelfde redenen door het Beheerscomité evenmin aanzien als dwingende billijkheidsredenen die de volledige ontheffing van de aangerekende bijdrageopslagen verantwoorden. Evenmin worden de aangehaalde feiten door het Beheerscomité aanzien als zijnde uitzonderlijk, zodat ook geen toepassing kan worden gemaakt van de beschikkingen van artikel 55, § 2 van het koninklijk besluit van 28 november 1969. (...)". 2. Ten gronde 2.1. In een eerste middel wordt de schending ingeroepen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoekende partij zet in een eerste onderdeel het volgende uiteen : "Aangezien, eerste onderdeel, verzoekster in haar aanvraag tot volledige, minstens gedeeltelijke, kwijtschelding van de (

  1. te)betalen opslagen en interesten een ganse historiek gaf nopens de voorafgaanden die verklaren waarom niet betaald was geworden. Dat immers een procedure hangende was waarbij zelfs de Arbeidsrechtbank het standpunt van verzoekster bijtrad en de vordering van eerste verweerder ongegrond verklaarde. Aangezien verwerende partijen in hun bestreden beslissing dd. 10.07.96 (Kaft I, stuk 2) antwoorden dat de gegrondheid van de vordering inmiddels reeds vast staat ‘en deze redenen houden geen verband met de laattijdige betaling van de bijdragen.’ waarmede zij lijken te bedoelen dat de gronden, waarop de aanvraag van verzoekster berustte, een nieuwe behandeling ten gronde tot voorwerp hebben. Dat de bestreden beslissing dienvolgens berust op een verkeerde lezing van het verzoekschrift tot vrijstelling van betaling bijdrageopslagen en verwijlsinteresten. Aangezien lectuur van de aanvraag tot vrijstelling (Kaft I, stuk 1) leert dat verzoekster het geding voor de Arbeidsrechtbank, Arbeidshof en het Hof van Cassatie te berde brengt teneinde verwerende partijen aan te tonen waarom verscheidene jaren zijn verstreken waarbij in elk geval de periode tot en met het arrest van het Arbeidshof aan verzoekster niet ten kwade kan geduid worden vermits ook de Arbeidsrechtbank de visie van verzoekster had bijgetreden en de Arbeidsauditeur seponeerde!! Dat de te vernietigen beslissing, niet afdoende gemotiveerd is waar zij uit de schets van de preliminaire bodemprocedure volstrekt ten onrechte afleidt dat verzoekster met haar aanvraag tot (partiële) vrijstelling een nieuw oordeel ten gronde over het juridisch statuut der leraars wou afdwingen van het Beheerscomité. Dat nochtans uit de aanvraag van verzoekster ten overvloede moge blijken dat verzoekster niet meer in vraag stelde of de betrokken instructeurs onderworpen zijn aan de sociale zekerheid maar slechts een oordeel wou aangaande de bijdrageopslagen en interesten. Dat de bestreden beslissing aldus niet, minstens bijzonder gebrekkig, gemotiveerd is alwaar zij bewust niet ingaat op de werkelijke vraag van verzoekster. VII-14.634-4/7 Dat door het toekennen van een verkeerde draagwijdte aan een aanvraag tot (gedeeltelijke) vrijstelling men immers uiteraard gelijk welk verzoek op een gemakkelijke manier kan afwimpelen". Een vijfde onderdeel luidt als volgt: "Aangezien, vijfde onderdeel, verzoekster in haar aanvraag om een ‘volledige, minstens de gedeeltelijke, kwijtschelding van de te betalen opslagen en intresten’ verzocht (Kaft I, stuk 1 in fine). Dat verwerende partijen bericht hebben in hun beslissing dat het Beheerscomité in haar zitting dd. 21.06.96 de aanvraag tot volledige vrijstelling onderzocht heeft en dat ook verder uit de brief blijkt dat men zich enkel over een gebeurlijke volledige ontheffing gebogen heeft. Dat men dus in gebreke is gebleven om na te gaan of niet minstens een gedeeltelijke vrijstelling verantwoord is. Dat in het te vernietigen besluit dan ook geen (minstens niet afdoende) motivering, te bespeuren is die verduidelijkt waarom een partiële kwijtschelding niet zou kunnen verleend worden". 2.2. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord onder meer op dat het beroep tegen de inhoud van de brief van 10 juli 1996 niet ontvankelijk is omdat deze brief louter de mededeling geeft van de eerdere beslissing van 21 juni 1996. 2.3. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij nog het volgende toe aan haar argumentatie : "(...) Aangezien verzoekster wenst te herhalen dat zij, in haar verzoekschrift tot vrijstelling van betaling van bijdrageopslagen en verwijlinteresten, het arrest van het Arbeidshof en het Hof van Cassatie niet opnieuw ter discussie stelde. Dat door een verkeerde draagwijdte toe te bedelen aan het verzoek - dit blijkt althans uit het schrijven dd. 10.07.96 - de motivering evenmin afdoende is. Dat dit alles omstandig werd uiteengezet in het verzoekschrift strekkende tot nietigverklaring hetwelk hic et nunc als hernomen beschouwd wordt. Aangezien verwerende partij stelt dat verzoekster na het arrest van het Arbeidshof de verplichting had de bijdragen te delgen en dit omwille van het feit dat een voorziening in cassatie geen schorsende werking heeft. Dat primo, het essentieel op te merken is dat deze motivering niet gehanteerd werd in het schrijven dd. 10.07.96. Dat secundo, niet in de wetgeving sensu lato gestipuleerd wordt dat diegene die al zijn gewone en buitengewone rechtsmiddelen uitput, automatisch het recht op een gehele of partiële vrijstelling te ontzeggen is. Dat dergelijke motivering - in de veronderstelling dat zij zou zijn gebezigd in het schrijven dd. 10.07.96 (quod certe non) - zodoende niet eens afdoende zou zijn en zou impliceren dat aan de rechtsonderhorige het recht zou ontnomen worden zich te wenden tot de Rechtbanken, op straffe naderhand gesanctioneerd te worden met de weigering om vrij te stellen voor bijdrageopslagen en interesten". (...) 5. Aangezien, vijfde onderdeel, verwerende partij zich in de brief dd. 10.07.96 beperkte tot de melding dat geen toepassing kan gemaakt worden van de VII-14.634-5/7 'beschikkingen van artikel 55 § 2 van het koninklijk besluit van 28 november 1969' omdat de aangehaalde feiten volgens het Beheerscomité niet te bestempelen zijn als zijnde uitzonderlijk. Dat niet verklaard wordt waarom de elementen geen uitzonderlijk karakter hebben en derhalve geen, minstens niet afdoende, motivering werd gegeven. Dat uit de brief niet blijkt dat een ernstig onderzoek zou gevoerd zijn omtrent een gedeeltelijke vrijstelling. Dat de bij het vierde onderdeel van het eerste middel opgeworpen bemerkingen hic en nunc als herhaald kunnen beschouwd worden, het weze dat verwerende partij haar fouten niet kan rechttrekken door argumenten of motieven te putten uit een intern document dd. 21.06.96 (stuk 8 van verwerende partij) dat niet aan verzoekster was medegedeeld". 2.4. De verwerende partij toont niet aan dat de verzoekende partij voorafgaandelijk aan de huidige procedure kennis heeft gekregen van een eerdere beslissing, die genomen zou zijn door het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 21 juni 1996. De exceptie die de verwerende partij in dat verband opwerpt gaat niet op. 2.5. De formele motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. De bestreden beslissing is formeel met redenen omkleed. De verzoekende partij toont evenmin aan dat de motieven van de bestreden beslissing kennelijk onredelijk zijn of strijdig zijn met de objectief vaststaande gegevens van de zaak. De achterstallige bijdragen worden te dezen van rechtswege verhoogd omdat zij laattijdig werden betaald en niet omdat de verzoekende partij (vruchteloos) getracht heeft deze voor de rechter te betwisten. Die betwisting is op zich niet een "uitzonderlijke omstandigheid" of "dwingende billijkheidsreden" die een vermindering of kwijtschelding van de bijdrageopslagen rechtvaardigt. Het is bovendien ten onrechte dat de verzoekende partij stelt dat in de bestreden beslissing geen onderzoek werd verricht naar de mogelijkheid van een gedeeltelijke vrijstelling van de bijdrageopslagen. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij de mogelijke toepassing van artikel 55, § 2, van het eerder genoemde koninklijk besluit van 28 november 1969, dat het heeft over een gedeeltelijke ontheffing, heeft onderzocht. De thans bestreden beslissing zegt dit overigens met zoveel woorden. Het middel is in geen van beide onderdelen gegrond. VII-14.634-6/7 2.6. Het auditoraatsverslag werd beperkt tot de bespreking van enkele onderdelen van het eerste middel. Er is dienvolgens grond om een aanvullend onderzoek van de zaak te bevelen, BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig mei tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-14.634-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.515 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.101.529 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.337 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.683 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.