← België

Arrest 171569 - Kansspelen - 25/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.569 Rolnummer: A. 183345/XII-5110 Zaak: Arrest 171569 - Kansspelen - 25/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-01 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 06:44 Fiche Arrest nr 171.569 van 25 mei 2007 Justitie - Kansspelen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.569 van 25 mei 2007 in de zaak A. 183.345/XII-

  1. In zake : Sabine TIMMERS, die woonplaats kiest bij advocaat C. Gysen, kantoor houdende te Mechelen, Antwerpsesteenweg 16-18 tegen :
  2. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie
  3. de KANSSPELCOMMISSIE bij de Federale Overheidsdienst Justitie, die woonplaats kiezen bij advocaat B. Bronders, kantoor houdende te 8400 Oostende, E. Beernaertstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Sabine Timmers op 18 mei 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 9 mei 2007 van de kansspel- commissie tot intrekking van haar vergunning voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II te Genk, Hoevezavellaan 7; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 21 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2007, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Porters, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat P. Louage die, loco advocaat B. Bronders verschijnt voor de verwerende partijen; XII-5110-1/6 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. Van Noten ; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De voorgaanden
  5. Verzoekster bezit een vergunning klasse B voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II op het adres Hoevezavellaan 7 te Genk. Met een brief van 6 juli 2005 brengt de kansspelcommissie haar ter kennis dat, bij controle ter plaatse en naar aanleiding van verhoren, “mogelijke” tekortkomingen aan de bepalingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (hierna: de kansspelwet) en de uitvoeringsbeslui- ten ervan zijn vastgesteld, waarvoor wordt overwogen als sanctie de intrekking van de vergunning op te leggen. Op 7 december beslist de kansspelcommissie een eerste keer om verzoeksters vergunning in te trekken. De intrekking wordt geschorst bij arrest nr. 153.124 van 22 december 2005 omdat verzoekster slechts door vier van de dertien leden van de kansspelcommissie is gehoord en omdat er van de zeven leden die tot de intrekking besloten, maar drie ook bij de hoorzitting aanwezig waren, zodat “verzoekster niet lijkt gehoord ‘door de commissie’, laat staan nog door de commissie zoals zij bij het nemen van de aangevochten beslissing feitelijk was samengesteld”.
  6. Op 4 januari 2006 besluit de kansspelcommissie om haar beslissing van 7 december 2005 in te trekken en om een nieuwe sanctieprocedure tegen verzoekster te starten. De procedure resulteert in een nieuwe intrekking van verzoeksters vergunning, bij beslissing van 29 maart
  7. Ook die intrekking wordt door de Raad van State geschorst, bij arrest nr. 157.578 van 13 april
  8. Onder meer het tweede middel wordt ernstig bevonden, waarin verzoekster aanvoert dat over de intrekking mee beraadslaagd is door leden van de kansspelcommissie die niet aanwezig waren op de hoorzitting en XII-5110-2/6 dat zij niet werd gehoord door de commissie zoals die bij het nemen van de aangevochten beslissing feitelijk was samengesteld.
  9. Op 5 juli 2005 trekt de kansspelcommissie de beslissing van 29 maart 2006 in en besluit zij eens te meer tot het instellen van een sanctieprocedu- re tegen verzoekster. Op 13 november 2006 trekt de kansspelcommissie verzoek- sters vergunning voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II een derde keer in. De intrekking wordt bij arrest van de Raad van State, nr. 165.239 van 28 november 2006, in haar tenuitvoerlegging geschorst om reden dat de kansspelcommissie bij het nemen van de intrekkingsbeslissing niet regelmatig was samengesteld en, meer bepaald, de benoemingstermijn van zes van de zeven leden die de beslissing namen, verstreken was.
  10. Weer volgen, op 10 januari 2007, een intrekking van het geschorste besluit en een nieuwe beslissing tot het starten van een sanctieprocedure tegen verzoekster. Op 9 mei 2007 trekt de kansspelcommissie een vierde keer verzoeksters vergunning klasse B in. De schorsingsvoorwaarden
  11. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid besloten worden onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is.
  12. De voorwaarde van een ernstig middel. Verzoekster leidt een tweede middel af “uit schending artikel 21 van de wet van 7 mei 1999[,] uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, de rechten van de verdediging, de hoorplicht, het onpartijdigheidsbeginsel en uit machtsoverschrijding”. In een tweede onderdeel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing werd genomen door dertien leden waarvan er slechts zeven aanwezig waren op de hoorzitting, dat, indien de XII-5110-3/6 kansspelcommissie een sanctie oplegt, de leden van dit orgaan die niet permanent aanwezig waren tijdens het geheel van de hoorzittingen niet mogen deelnemen aan de beraadslaging en de stemming over de op te leggen sanctie, en dat anders oordelen tot gevolg zou hebben dat de rechten van verdediging en het recht om gehoord te worden elke betekenis verliezen.
  13. Verwerende partijen werpen in de nota op dat verzoekster zonder belang is bij het onderdeel: “Zij [werd] in deze immers alleszins gehoord door zeven leden van de Kansspelcommissie, hetzij een wettelijk vereiste meerderheid van deze commissie, terwijl diezelfde meerderheid naderhand eveneens beraadslaagde omtrent de sanctiebeslissing, waarbij de sanctie werd uitgesproken met volstrekte meerderheid van de stemmen, zoals voorzien in artikel 22 van de Kansspelwet. Verzoekende partij werd aldus letterlijk aanhoord door zeven van de dertien leden van de Kansspelcommissie, hetzij de meerderheid van de leden, die naderhand persoonlijk aanwezig waren op de zitting waarop de sanctiebeslissing werd genomen, zodat werd voldaan aan de normatieve verplichting tot het horen van verzoekende partij in het kader van een sanctieprocedure, zoals bepaald in artikel 21, laatste lid van de Kansspelwet, en nader uitgewerkt in de artikelen 1 tot en met 4 van het Koninklijk besluit van 20 juni 2002 betreffende de sancties die de kansspelcommissie kan opleggen”.
  14. Naar artikel 21 van de kansspelwet bepaalt, kan de kansspelcommissie onder andere de vergunning intrekken; wel moet de betrokkene “vooraf door de commissie worden gehoord”. De Raad van State blijft vooralsnog van oordeel dat -zoals hij ook al in de voormelde arresten nr. 153.124 en nr. 157.578 aannam- hieruit volgt dat de kansspelcommissie, wanneer zij gebruik wenst te maken van haar bevoegdheid om een vergunning in te trekken, de betrokkene in principe létterlijk moet aanhoren. Voorts blijkt niet dat de kansspelwet in de mogelijkheid voorziet om dit horen aan een paar van haar leden over te laten, die dan bij de commissie over het horen verslag uitbrengen. Te dezen is de kansspelcommissie tot het horen van verzoekster overgegaan op 18 april 2007, in aanwezigheid van elf (plaatsvervangende) leden. Van die elf hebben er op 9 mei 2007 zeven over de bestreden intrekking meebeslist, tezamen met nog zes andere (plaatsvervangende) leden. Deze laatsten hebben alzo op de besluitvorming kunnen wegen zónder dat ze verzoekster hebben gehoord en dus van haar mondeling verweer kennis hebben genomen. XII-5110-4/6 Vooralsnog lijkt daaruit geconcludeerd te moeten worden dat de kansspelcommissie, in strijd met het artikel 21 van de kansspelwet, tot de intrekking heeft beslist zonder dat zij, zoals ze op 9 mei 2007 feitelijk was samengesteld, verzoekster vooraf heeft gehoord. Daar doet niets aan af het feit dat -zoals in fine van de bestreden beslissing wordt vermeld- bij het nemen van de beslissing “de meerderheid van de leden die hebben deelgenomen aan de hoorzitting” aanwezig was. Het middel lijkt op het eerste gezicht ontvankelijk en gegrond. Het is met andere woorden ernstig.
  15. De voorwaarde van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel en van een uiterst dringende noodzakelijkheid. Verzoekster zet uiteen dat zij op uiterst korte termijn in haar voortbestaan bedreigd wordt, dat een faillissement, met onder meer het verlies van aanzienlijke investeringen, onvermijdelijk is, dat zij dan ook een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt, en dat een schorsing volgens de gewone procedure “ontegensprekelijk te laat” zal komen.
  16. Verwerende partijen verklaren zich terzake naar de wijsheid van de Raad te gedragen.
  17. De Raad van State ziet geen reden om thans anders te oordelen dat hij deed in zijn eerder vermelde arresten met nrs. 153.124, 157.578 en 165.
  18. Mede gelet op verzoeksters stavingsstukken worden ook de tweede en derde voorwaarde voor een schorsing vervuld geacht. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  19. De tenuitvoerlegging van de beslissing van 9 mei 2007 van de kansspelcommissie tot intrekking van de aan Sabine Timmers verleende vergunning voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II te Genk, Hoevezavellaan 7, wordt geschorst. XII-5110-5/6 Artikel
  20. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig mei 2007, door : de H. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. LUST. XII-5110-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.569 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.304 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.