← België

Arrest 171601 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 29/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.601 Rolnummer: A. 70914/IX-1127 Zaak: Arrest 171601 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 29/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-14 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-29 06:44 Fiche Arrest nr 171.601 van 29 mei 2007 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.601 van 29 mei 2007 in de zaak A. 70.914/IX-1127 In zake : Marc VERHOFSTADT, die woonplaats kiest bij advocaat W. HENDRICKX, kantoor houdende te ANTWERPEN, Lange Lozanastraat 24 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-

  1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc VERHOFSTADT op 10 september 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 25 juni 1996 van de directieraad van het departement Leefmilieu en infrastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, houdende beslissing tot vertraging van zijn functionele loopbaan; Gezien de “memorie van antwoord” en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 12 mei 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; IX-1127-1/5 Gelet op de beschikking van 29 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VANGEEL die, loco advocaat J. HENDRICKX verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat L. VANFRAECHEM die, loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. Verzoeker is loods bij de administratie waterwegen en zeewezen, afdeling zeewezen Schelde, bij het departement Leefmilieu en Infrastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
  4. Tijdens de maand oktober 1995 wordt met betrekking tot de functie van verzoeker een functiebeschrijving opgesteld. 1.
  5. Op 24 januari 1996 wordt met verzoeker een evaluatiegesprek gevoerd waarvan de resultaten in een evaluatieverslag worden vastgelegd. 1.
  6. Op 20 mei 1996 doet het college van afdelingshoofden van de administratie waterwegen en zeewezen een voorstel om de functionele loopbaan van verzoeker te vertragen. 1.
  7. Op 19 juni 1996 wordt verzoeker door de directieraad van het departement Leefmilieu en Infrastructuur gehoord. IX-1127-2/5 1.
  8. Op 25 juni 1996 beslist de directieraad de functionele loopbaan van verzoeker te vertragen. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing wordt bij aangetekende brief van 15 juli 1996 aan verzoeker ter kennis gebracht;
  9. Over de rechtspleging. Overwegende dat de memorie van antwoord van de verwerende partij werd toegezonden op 12 december 1996; dat dit na het verstrijken van de termijn van 60 dagen is waarover de verwerende partij beschikte voor het indienen van die memorie; dat de memorie van antwoord, luidens artikel 21, vijfde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, derhalve ambtshalve uit de debatten dient te worden geweerd; Overwegende dat de verwerende partij de inhoud van haar memorie van antwoord overneemt in haar laatste memorie; dat, in zoverre zij daarbij de onontvankelijkheid van bepaalde middelen opwerpt, de desbetreffende excepties onontvankelijk zijn, nu zij reeds eerder opgeworpen hadden kunnen worden en zij de openbare orde niet raken;
  10. Over de gegrondheid van het beroep. 3.
  11. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert dat er een totale tegenstrijdigheid bestaat met de evaluatie die hem eerder werd toegekend en men “doelbewust en te kwader trouw het enige min of meer negatief punt uit het verslag (heeft) gehaald en op die basis een maatregel van vertraging van functionele loopbaan (heeft) uitgesproken”; 3.
  12. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie, met betrekking tot het derde middel, stelt dat zij niet kan “ontwaren welke rechtsregel of welk algemeen rechtsbeginsel verzoeker geschonden acht te zijn”; 3.
  13. Overwegende dat uit artikel VIII 77, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel, IX-1127-3/5 in de versie ten tijde van de bestreden beslissing, blijkt dat de beslissing over de loopbaansnelheid genomen wordt op basis van de functioneringsevaluatie; dat in de functioneringsevaluatie die tijdens de maand februari 1996 over verzoeker werd opgemaakt als zwakste functioneringscriterium vermeldt: “Diplomatie is voor verbetering vatbaar. Betrokkene is alert en opmerkzaam. Dit brengt mee dat hij soms wat te snel zijn mening uit wat op zijn eigen niet verkeerd is, maar bij derden kwetsend overkomt”; dat onder de rubriek “afspraken” voorts wordt vermeld: “Ietwat kalmer de gebeurtenissen behandelen, t.t.z. eerst alle informatie verzamelen, liefst van meerdere bronnen alvorens standpunten in te nemen”; dat voor het overige de functioneringsevaluatie van verzoeker geen enkele negatieve vermelding bevat; dat de beslissing om verzoekers loopbaan te vertragen door de directieraad, in navolging van het advies van het college van afdelingshoofden, als volgt wordt gemotiveerd: “Wanneer geknoeid wordt met de beurtregeling komt de naam van loods Marc Verhofstadt steeds voor en steeds kan hij het zo aan boord leggen dat hij er zogezegd voor niets tussen zit. Nochtans wijzen de feiten in zijn richting. Gedurende de evaluatieperiode heeft hij werkelijk de grens overschreden van het toelaatbare om de beurtrol aan te passen naar zijn wensen. Hierbij moeten schepen soms wachten of in het minder erge geval moeten collega's voor hem inspringen. Verschillende keren moest de dienstleiding, zowel te Antwerpen als te Gent, betrokkene erop wijzen dat hij fout was. Steeds blijft hij volharden. Deze vertraging is voor betrokkene dan ook bedoeld als een waarschuwing. Hij maakt het de dienst uiterst moeilijk. Iedereen is steeds op zijn hoede. In die zin heeft betrokkene dan ook ondermaats gepresteerd en getracht een zo gemakke- lijk mogelijke dienstindeling te hebben ten koste van zijn collega's"; dat de bewering dat verzoeker herhaaldelijk geknoeid heeft met de beurtregeling en getracht heeft een zo gemakkelijk mogelijke dienstindeling te hebben ten koste van zijn collega's, geen enkele steun vindt in het evaluatieverslag; dat het evaluatiedossier zelfs geen persoonlijke nota's bevat waarin aan verzoeker geknoei met de beurtregelingen ten laste wordt gelegd; dat bijgevolg niet ingezien wordt hoe de directieraad, daarin geadviseerd door het college van afdelingshoofden, op basis van verzoekers evaluatiedossier tot de bestreden beslissing is kunnen komen; dat het derde middel gegrond is, IX-1127-4/5 BESLUIT: Artikel
  14. Vernietigd wordt de beslissing van 25 juni 1996 van de directieraad van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap waarbij de functionele loopbaan van Marc VERHOFSTADT vertraagd wordt. Artikel
  15. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 mei 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1127-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.601 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.