← België

Arrest 171615 - Plannen van aanleg - 29/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.615 Rolnummer: A. 174056/X-12896 Zaak: Arrest 171615 - Plannen van aanleg - 29/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-11 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:44 Fiche Arrest nr 171.615 van 29 mei 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.615 van 29 mei 2007 in de zaak A. 174.056/X-12.896. In zake : Frank DE WITTE, die woonplaats kiest bij advocaat H. VAN DOOREN, kantoor houdende te 9220 HAMME, Stationsstraat 50 tegen : 1. de stad SINT-NIKLAAS, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partij : Chris DERYCKERE, die woonplaats kiest bij advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frank DE WITTE op 16 juni 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 6 april 2006 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Sectoraal BPA zonevreemde recreatie I” genaamd, van de stad Sint-Niklaas, bestaande uit vijf plannen van de bestaande toestand, vijf bestemmingsplannen en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften; Gezien de nota van de tweede verwerende partij; Gezien het administratief dossier van de eerste verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; X-12.896-1/14 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 19 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. DE MEERSMAN, die loco advocaat H. VAN DOOREN verschijnt voor de verzoeker, van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VAN DE SYPE, die loco advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Overwegende dat Chris DERYCKERE met een verzoekschrift van 7 juli 2006 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de verzoeker, samen met zijn gezin een woning betrekt, gelegen te Sinaai, Leestraat 7, palende aan de manege “Galoppade”, gelegen aan de Leestraat 9 en uitgebaat door de tussenkomende partij; dat deze manege volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren is gelegen in agrarisch gebied; dat zij grotendeels onvergund blijkt te zijn opgericht en dat hieromtrent een procedure voor de strafrechter hangende blijkt te zijn; dat in opdracht van de stad Sint-Niklaas op 16 december 2003 een nota “sectorale visie zonevreemde terreinen en gebouwen voor sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten” werd opgemaakt door het studiebureau Grontmij; dat de gemeenteraad van Sint-Niklaas in zitting van 24 juni 2005 het sectoraal bijzonder plan van aanleg Zonevreemde recreatie I voorlopig heeft vastgesteld; dat tijdens het openbaar onderzoek een aantal bezwaarschriften X-12.896-2/14 werden ingediend, o.m. door de verzoeker op 24 augustus 2005; dat de bevoegde Vlaamse minister bij besluit van 31 augustus 2005 een door de tussenkomende partij aangevraagde regularisatievergunning voor meerdere constructies heeft geweigerd; dat de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de stad Sint-Niklaas in zitting van 1 december 2005 gunstig advies heeft uitgebracht over het ontwerpplan; dat de gemeenteraad van de stad Sint-Niklaas in zitting van 16 december 2005 de ingediende bezwaarschriften heeft onderzocht en weerlegd, en het bijzonder plan van aanleg “Sectoraal BPA zonevreemde recreatie I” genaamd, definitief heeft vastgesteld; dat de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 19 januari 2006 een gunstig advies heeft uitgebracht voor de vijf deelplannen; dat ook de afdeling Ruimtelijke Planning op 30 maart 2006 een gunstig advies heeft uitgebracht; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bij het bestreden besluit van 6 april 2006 het bijzonder plan van aanleg “Sectoraal BPA zonevreemde recreatie I” genaamd, van de stad Sint-Niklaas, bestaande uit vijf plannen van de bestaande toestand, vijf bestemmingsplannen en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, heeft goedgekeurd; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat de verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de formele motiveringsverplichting, zoals ondermeer uitdrukkelijk opgelegd bij de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, “doordat - eerste onderdeel - de verwerende partij zich in hoofdorde beperkt tot een loutere verwijzing naar het onderliggende gemeenteraadsbesluit van 16 november 2005 waarbij het betrokken Sectoraal BPA definitief werd aangenomen en de daarin opgenomen motieven, zonder verder onderzoek van de motivering van het onderliggende gemeenteraadsbesluit; de enige controle die nog gebeurt is de louter formele toets of werd voldaan aan de dubbele voorwaarde gesteld in art. 14 van het Coördinatiedecreet van 22.10.1996 zoals gewijzigd bij het D.R.O. van 18.05.1999 dat stelt dat een BPA kan afwijken van de voorschriften van een gewestplan wanneer voorafgaandelijk werd beslist tot opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en op voorwaarde dat X-12.896-3/14 een ruimtelijke afweging gebeurt op basis van de principes van het structuurplan Vlaanderen. en doordat - tweede onderdeel- het bestreden besluit niet meer antwoordt op de door verzoeker voor de Minister hernomen bezwaren daar waar de verwerende partij nochtans het engagement op zich had genomen tot een verhoogde/verstrengde motiveringsverplichting door de uitdrukkelijke toezegging om die bezwaren zelf te zullen overwegen. en doordat -derde onderdeel - niet de motieven kenbaar worden gemaakt die (leiden) tot de stelling in het bestreden besluit dat de deelplannen enerzijds voldoen aan de formele en inhoudelijke eisen van de Circulaire RO 98/05 en anderzijds dat de invulling van de deelplannen conform is met de basisdoelstelling en ruimtelijke principes van het RSV. terwijl, de op de overheid wegende motiveringsverplichting er precies toe strekt om de rechtsonderhorige toe te laten in de beslissing die motieven terug te vinden die hem moeten toelaten met kennis van zaken een oordeel te vormen over de mogelijkheid om de betrokken beslissing nog verder aan te vechten. Toelichting : eerste onderdeel - bestuurshandelingen moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd wat impliceert dat in de beslissing zelf de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze. De motieven moeten er niet alleen zijn, ze moeten ook terug te vinden zijn in de beslissing. De formele motivering heeft dus betrekking op de kenbaarheid van de motieven. De bestuurden moeten terzelfder tijd kennis kunnen nemen van de beslissing en van de motieven waarop zij is gesteund. De algemene (formele) motiveringsplicht, zoals die volgt uit de Wet van 29.07.1991, komt er in wezen op neer dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen. Hierdoor weet de betrokkene waarom een voor hem ongunstige beslissing is getroffen, derwijze dat hij zich met de ter beschikking staande rechtsmiddelen kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de erin tot uitdrukking gebrachte motieven niet gegrond zijn. Dit houdt in dat in het besluit zelf de juridische en feitelijke (aanduiding van de precieze, concrete feitelijke gegevens waarom in het licht van de aangehaalde bepalingen de beslissing is genomen) overwegingen moeten worden opgenomen en wel op ‘afdoende wijze’. Die formeel vermelde motiveringen moeten het mogelijk maken na te gaan, voor de bestuurde in eerste instantie en voor Uw Raad in laatste instantie, (...) of de overheid op grond van in rechte en in feite aanvaardbare motieven heeft kunnen oordelen dat er in casu voldoende redenen waren om af te wijken van de planologische bestemming van het hoofdgebied. Wanneer de overheid afwijkt van een niet-bindend advies of van een normaal aangehouden beleidslijn, of nog en algemeen telkens wanneer de overheid ‘een niet voor de hand liggende beslissing neemt’ (...) geldt de motiverings-verplichting nog strikter en leidt dit tot een strengere motiveringsplicht. In casu was door dezelfde Minister in het MB van 31.08.2005 (...) het ganse gebied (dus ruimer dan een louter beoordeling van de perceelsordening) nog omschreven als een zeer gaaf agrarisch gebied. In hetzelfde MB was verwezen naar een eensluidend advies van de Afdeling Land die wees op de noodzaak tot ‘een maximaal behoud van kwaliteitsvolle open ruimten in het algemeen en goede landbouwstructuren in het bijzonder’, waarbij ‘dergelijke bedrijven (activiteiten) verwezen worden naar recreatiezones of reeds bestaande erven in structureel sterk aangetaste agrarische gebieden aansluitend bij belangrijke wooncentra wat hier niet het geval is, wel integendeel’. X-12.896-4/14 De bestreden beslissing week dus af van het eerder ingenomen standpunt (cfr. derde middel) en een bijzondere motivering drong zich op. Aan die formele motiveringsverplichting wordt geen afbreuk gedaan door verwijzing naar andere beslissingen, in casu naar het besluit van de Gemeenteraad van de Stad Sint-Niklaas van 16 november 2005. De Wet Motivering Bestuurshandelingen impliceert dat in beginsel geen rekening mag gehouden worden met motieven die niet in de beslissing zelf worden opgenomen. De rechtspraak aanvaardt echter ook een indirecte vorm van motivering, namelijk een motivering door een verwijzing naar andere stukken, meestal voorbereidende handelingen (...). De definitieve vaststelling van een BPA door de gemeenteraad mag dan wel aanzien worden als een dergelijke voorbereidende rechtshandeling, de goedkeuring van een BPA is een eigen volle bevoegdheid van de Minister die deze bevoegdheid niet onrechtstreeks kan delegeren aan de Gemeente. De Minister moet zijn beslissing om al dan niet goed te keuren zelfstandig motiveren. Bovendien kan de verwijzing in de motivering naar een voorbereidende handeling slechts worden aanzien als een afdoende motivering, indien cumulatief aan de volgende voorwaarden voldaan is : l/ - de inhoud van het stuk waarnaar wordt verwezen moet aan de bestuurde ter kennis zijn gebracht; 2/ - het stuk waarnaar wordt verwezen moet zelf afdoende gemotiveerd zijn; 3/ - de voorstellen of adviezen moeten worden bijgevallen in de uiteindelijke beslissing; 4/ - er mogen geen tegenstrijdige adviezen zijn. (...). Aan de eerste en vierde voorwaarde is kennelijk niet voldaan. Er mag enkel verwezen worden naar stukken die aan de betrokken(

  1. en)werden ter kennis gebracht. In het andere geval kan enkel rekening worden gehouden met de in het besluit zelf opgenomen motieven. Indien het besluit zelf geen motivering bevat of een motivering die niet afdoende is, is de Wet Motivering Bestuurshandelingen geschonden. In casu werd verzoeker op zijn vraag wel een afschrift bezorgd van het onderliggende gemeenteraadsbesluit (...), maar de verwijzingen in het litigieuze MB gaan niet terug op het gemeenteraadsbesluit zelf maar naar de toelichting van het plan die nooit aan verzoeker werd overgemaakt. Bovendien is reeds gewezen op de tegenstrijdigheid van de adviezen van de Afdeling Land en van AROHM, beide opgenomen in het M.B. van 31.08.2005, zodat ook niet voldaan is aan de vierde (...) aangehaalde voorwaarde. tweede onderdeel - De Minister had ook zeer duidelijk aangegeven dat hij de bezwaren van verzoeker opnieuw stuk voor stuk zou onderzoeken. Thans blijkt uit de bestreden beslissing dat hij zich beperkt tot de boutade dat de beide bezwaarschriften door de gemeenteraad in zijn besluiten werden behandeld en weerlegd, wat zeer duidelijk aangeeft dat de Minister geen eigen motivering heeft om deze bezwaren te weerleggen. Door nochtans uitdrukkelijk te vermelden dat hij die bezwaren zou onderzoeken en evalueren heeft de verwerende partij een verhoogde motiveringsverplichting op zich genomen, nog daargelaten de vaststelling dat dit ook evident leidt tot de vaststelling dat er minstens in dit verband ook geen inhoudelijke motivering kan bestaan, welke vaststelling het tweede middel gedeeltelijk schraagt. derde onderdeel - het is volstrekt onmogelijk om na te gaan of de verwerende partij op grond van in rechte en in feite aanvaardbare motieven heeft kunnen nagaan dat inderdaad werd voldaan zowel aan de voorwaarden van genoemde Circulaire enerzijds en de bepalingen en doelstellingen van het X-12.896-5/14 RSV anderzijds (...). Elke opbouw van motivering ontbreekt : enkel de zogenaamde conclusie wordt geponeerd”; en een tweede middel, genomen uit de schending van de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur, “Doordat iedere bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar moeten zijn en die daarom, naar aanleiding van het wettigheidstoezicht, moeten kunnen worden gecontroleerd. Terwijl blijkt dat de verwerende partij bij het nemen van het litigieuze besluit zich heeft beperkt tot enerzijds een formele controle van het onderliggende gemeenteraadsbesluit en anderzijds tot de vaststelling dat deze beslissing gedragen was door (een) bepaalde motivering, zonder die motieven zelf te onderzoeken en mee te nemen in haar besluitvorming. Toelichting De materiële motiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar moeten zijn, en die daarom, naar aanleiding van het wettigheidstoezicht moeten kunnen worden gecontroleerd. Deze motieven moeten blijken hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit het administratief dossier. De materiële motiveringsplicht is een algemeen beginsel, meer specifiek een beginsel van behoorlijk bestuur. Algemeen wordt aangenomen dat de materiële motiveringsplicht uit ten minste drie onderdelen bestaat : de motieven moeten kenbaar zijn, feitelijk juist zijn en ten slotte draagkrachtig zijn, d.i. de beslissing effectief rechtens kunnen dragen en verantwoorden (...). In casu bevat het bestreden besluit benevens een controle van de verenigbaarheid met de vormvoorwaarden van art. 14 van het Coördinatiedecreet geen eigen overwegingen. De verwerende partij beperkt zich in eerste instantie tot de vaststelling dat de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren door de gemeenteraad in zijn besluit werden behandeld en weerlegd en geeft aldus met zekerheid aan dat deze bezwaarschriften door verweerster als vergunnende overheid niet werden onderzocht. Aldus wordt wel heel duidelijk dat aan de materiële motiveringsplicht niet is voldaan, hetgeen des te meer klemt omdat de verwerende partij voor het litigieuze besluit nochtans uitdrukkelijk had toegezegd om die bezwaren wel te ontmoeten in zijn besluitvorming. Verder wordt in het bestreden besluit nog gewezen op het feit dat de zogenaamde watertoets nog niet kan worden uitgevoerd omdat het adviserend orgaan nog niet is aangewezen door de Decreetgever. Ten slotte, en dat is hetgeen de beslissing kennelijk volledig draagt, is er de overweging dat ‘voor deze deelplannen wordt voldaan aan de formele en inhoudelijke eisen van de omzendbrief RO 98/05 over het sectoraal BPA zonevreemde terreinen en gebouwen voor sport-, recreatie-, en jeugd- activiteiten; dat de invulling van deze deelplannen conform is met de basisdoelstelling en ruimtelijke principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; dat deze deelplannen derhalve kunnen worden goedgekeurd’. De Omzendbrief RO 98/05 van 22.09.1998 [B.S., 04.11.1998] omschrijft zeer duidelijk de doelstelling van Sectorale BPA's die ertoe strekken om de toekomstige, ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden van de bestaande terreinen en gebouwen te garanderen die vanuit de ruimtelijke draagkracht van het gebied in kwestie te verantwoorden zijn. X-12.896-6/14 De Circulaire schrijft daarvoor een gans denkproces voor, in verschillende fazen. Het is volstrekt onduidelijk of deze afwegingen werden gemaakt. Nergens wordt ondermeer de toets van de ruimtelijke draagkracht van het gebied gemaakt. De standaardmotivering dat voldaan is aan de formele en inhoudelijke eisen volstaat niet. Aan de hand van dergelijke stereotype motivering is het Uw Raad onmogelijk om bij de uitoefening van het wettigheidstoezicht na te gaan of de overheid bij de uitoefening van haar bevoegdheid en het nemen van haar vergunningsbeslissing, is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen”; Overwegende dat de verzoeker samengevat, in het eerste middel, aanvoert dat de verwerende partij zich in hoofdorde beperkt tot een loutere verwijzing naar het onderliggende gemeenteraadsbesluit van 16 november 2005 en de daarin opgenomen motieven, zonder verder onderzoek van die motieven, en dat het bestreden besluit niet meer antwoordt op zijn bezwaren; dat hij in het tweede middel opnieuw aanvoert dat “de verwerende partij bij het nemen van het litigieuze besluit zich heeft beperkt tot enerzijds een formele controle van het onderliggende gemeenteraadsbesluit en anderzijds (tot) de vaststelling dat deze beslissing gedragen was door bepaalde motivering, zonder die motieven zelf te onderzoeken en mee te nemen in haar besluitvorming”; Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechts gevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn; Overwegende dat een plan van aanleg geen akte is met een individuele strekking maar dat het een verordenend karakter heeft; dat een plan van aanleg derhalve niet valt onder de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat krachtens artikel 21, vierde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de formele motiveringsverplichting enkel wordt opgelegd aan de Vlaamse regering indien aan het plan de goedkeuring wordt onthouden; X-12.896-7/14 Overwegende evenwel dat een plan van aanleg, zoals elke bestuurshandeling, is onderworpen aan de materiële motiveringsverplichting, hetgeen inhoudt dat het moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit het aannemingsbesluit zelf, hetzij uit de stukken van het dossier; Overwegende dat het bestreden besluit verwijst naar het besluit van 16 november 2005 van de gemeenteraad van Sint-Niklaas waarbij het betrokken bijzonder plan van aanleg definitief wordt aangenomen, en het daarbij horende administratief dossier; dat in voornoemd besluit van 16 november 2005 de bezwaren van de verzoeker worden uiteengezet en weerlegd, en tevens een verantwoording wordt gegeven waarom de deelplannen, en dus ook het deelplan betreffende de Gallopade, voldoen aan de eisen van de omzendbrief RO/98/05 en de toets aan de ruimtelijke draagkracht van de omgeving kunnen doorstaan; dat het bestreden besluit op het eerste gezicht op afdoende motieven is gesteund; Overwegende dat het eerste en het tweede middel niet ernstig zijn; Overwegende dat de verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de omzendbrief nr. RO/98/05 van 22 september 1998 betreffende het bijzonder plan aanleg voor zonevreemde terreinen en gebouwen voor sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 november 1998, “Doordat het bestreden besluit enkel strekt tot een feitelijke regularisatie van een op perceelsniveau begane lijst van stedenbouwkundige overtredingen zonder enige afweging naar ruimtelijke draagkracht van het ganse terrein. Terwijl de doelstelling van een Sectoraal BPA het opmaken is van een volwaardige ruimtelijke afweging en niet het regulariseren van een bouwmisdrijf. Toelichting : Het sectoraal BPA is vooral bedoeld als een voorafname op het gemeentelijk structuurplanningsproces ten behoeve van dringende, ruimtelijke problematieken, welke niet kunnen wachten op de afronding van het gemeentelijk structuurplanningsproces [omzendbrief RO 2000/01 over het planologisch attest, het bedrijfs-BPA en het sectoraal BPA zonevreemde bedrijven]. Het valt daarbij op dat bij de opmaak van het Sectoraal BPA enkel is uitgegaan van een perceelsgebonden benadering, zonder dat de impact van de exploitatie op de ruimtelijke draagkracht van het gebied zelf is onderzocht. Verzoeker wijst in dit verband opnieuw naar het eerder aangehaalde advies van de Gemachtigde Ambtenaar die in het kader van de behandeling van de regularisatievergunning gewezen had op de overschrijding van die ruimtelijke draagkracht. X-12.896-8/14 Het ganse Sectoraal BPA is op maat gemaakt van een exploitant die zich in het verleden allerminst bekommerd heeft omtrent de naleving van de regels inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening. De opname van het betrokken perceel in het Sectoraal BPA is een vrijbrief voor regularisatie en de facto straffeloosheid. Een plan mag niet zijn opgemaakt onder de druk van ‘voldongen feiten’. Indien gebouwen zonder vergunning opgericht, uitgebreid of in gebruik gewijzigd werden, dan betekent (dit dat) de opname van dit gebouw in een BPA of een RUP een gevolg is van een welbepaalde ruimtelijke afweging. De regularisatie is derhalve een mogelijk gevolg, maar niet het opzet van het planningsproces. Het bestreden besluit vermeldt zelfs letterlijk dat het betrokken BPA voorziet in een bestemmingswijziging ‘hoofdzakelijk ter bestendiging van de bestaande toestand’. Duidelijker kan niet : de opmaak van het BPA is enkel ingegeven door de particuliere belangen van de exploitant. Het is niet omdat een bepaald perceel punctueel anders wordt gekleurd en alsdusdanig planologisch in overeenstemming wordt gebracht met zijn werkelijke bestemming, dat dan ook daadwerkelijk wordt verholpen aan de vaststelling dat de kwestieuze exploitatie niet kan gedragen worden door het gebied”; Overwegende dat ministeriële omzendbrieven gericht aan administratieve overheden, die richtsnoeren bevatten nopens de interpretatie en toepassing van de bestaande wetten en verordeningen, geen enkel bindend karakter hebben, ongeacht of zij zijn bekendgemaakt of niet; dat een eventuele niet-naleving van de onderrichtingen vervat in voormelde omzendbrief RO/98/05 van 22 september 1998 niet tot de onwettigheid van het bestreden besluit kan leiden; Overwegende dat het derde middel niet ernstig is; Overwegende dat de verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals geconcretiseerd in het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel (het ‘patere legem’- beginsel)”, “Doordat het rechtszekerheidsbeginsel wordt aanzien als één van de basiskenmerken van het rechtsstaatprincipe : zowel de regelgeving, het bestuursoptreden en de rechtspraak moeten eraan beantwoorden (...); de overheid is daarbij alleszins gehouden door haar eigen regelgeving en beslissingen; Terwijl verwerende partij, door haar goedkeuring te verlenen aan het voormelde Sectoraal BPA impliciet oordeelt dat de kwestieuze exploitatie de ruimtelijke draagkracht van het betrokken gebied niet overschrijdt, terwijl ter gelegenheid van de inwilliging van het bouwberoep (M.B. 31.08.2005) van de Gemachtigde Ambtenaar AROHM precies had geoordeeld dat dergelijke inrichting ruimtelijk niet was in te passen. Toelichting Er is reeds gewezen op het besluit van de verwerende partij d.d. 31.08.2005 houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar. X-12.896-9/14 Het is bij lezing van dit volledige besluit (...) zeer duidelijk dat dit besluit is gedragen door motieven die niet beperkt zijn tot een perceelsgebonden visie, maar integendeel door een geïntegreerde visie die vertrekt vanuit de ruimtelijke draagkracht van het gehele gebied en de inpassing van de litigieuze exploitatie in dit gebied. Er is hoger reeds gewezen op het advies van de Afdeling Land waarnaar het M.B. van 31.08.05 uitdrukkelijk verwijst, en welker overwegingen het zich eigen maakt: ‘Rekening houdend met een goede landinrichting die gericht is op een maximaal behoud van kwaliteitsvolle open ruimten in het algemeen en goede landbouwstructuren in het bijzonder worden dergelijke bedrijven (activiteiten) verwezen naar recreatiezones of reeds bestaande erven in structureel sterk aangetaste agrarische gebieden aansluitend bij belangrijke wooncentra wat hier niet het geval is, integendeel’. En verder (eigen motivering van de verwerende partij): ‘.... dat dergelijke inrichting in se door het specifiek recreatief karakter als zodanig niet past in dit ruim agrarisch gebied met verspreide bebouwing’. ‘Overwegende dat langs de wegzijde waar de inrichting gelegen is over een afstand van circa 300 meter afwisselend agrarische en para-agrarische bedrijven evenals enkele residentiële woningen voorkomen; dat langs de overzijde van de weg slechts uitzonderlijk bebouwing bestaat; dat langs de betrokken wegzijde geen enkel agrarisch of para-agrarisch bedrijf de te regulariseren bouwdiepte ook maar benadert; dat de omgeving zich verder over grote afstand laat beschrijven als een nog zeer gaaf agrarisch gebied’. ‘... dat het ter regularisatie voorliggend complex dan ook geen verwezen- lijking is van de agrarische gebiedsbestemming en duidelijk schadelijk is voor de bestaande landbouwstructuren in het bijzonder en voor de kwaliteit van het agrarisch gebied en de open ruimte in het algemeen; dat de inrichting om hoger genoemde redenen dan ook onverenigbaar is met de eisen van een degelijke perceelsordening en de principes van een goede ruimtelijke ordening; dat de beslissing van de bestendige deputatie het algemeen belang schaadt en in strijd is met een degelijk bestuur inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw’. In het thans bestreden besluit (...) blijven die zelfde overwegingen kennelijk niet meer overeind. Zoals reeds aangetoond bij de bespreking van het eerste en het tweede middel zijn de overwegingen hieromtrent niet in het bestreden besluit terug te vinden en ook niet gemaakt. In het gemeenteraadsbesluit van 16.12.2005 (...), voorbereidende handeling voor het litigieuze M.B., wordt verwezen naar een advies van AROHM Gent waar het nu plots heet dat ‘de manege ruimtelijk aanvaardbaar is gezien de manege gelegen is binnen een bebouwingslint, dat deze dus geen agrarische structuren aantast en gezien dat een herstel in oorspronkelijke staat enkel een snipperperceel aan open ruimte zou vrijwaren’ (sic). Verder wordt in het gemeenteraadsbesluit (...) uitdrukkelijk gesteld dat het ‘sectoraal BPA bedoeld is om de toekomstige ruimtelijke ontwikkelings- mogelijkheden te garanderen van de bestaande terreinen en gebouwen die vanuit de ruimtelijke draagkracht van het gebied te verantwoorden zijn.’ Het valt niet in te zien hoe de verwerende partij met een interval van minder dan een jaar twee dergelijke diametraal tegenstelde posities kan innemen. Duidelijk werd de regularisatievraag negatief beoordeeld, niet alleen omwille van de planologische onverenigbaarheid van dergelijke exploitatie, maar ook en vooral omwille van de ruimtelijke onverenigbaarheid in de ruime zin : een exploitatie van een manege met allerhande bijhorigheden past niet in een agrarisch gebied en het feit dat perceelsgewijs de bestemming zou worden veranderd, verandert aan die ruimtelijke bezwaren niets”; X-12.896-10/14 Overwegende dat het middel ervan uit lijkt te gaan dat de weigering van de regularisatieaanvraag zoals omschreven door de aanvrager om redenen van ruimtelijke onverenigbaarheid (benevens planologische onverenigbaarheid) het vertrouwen rechtvaardigt dat geen sectoraal bijzonder plan van aanleg voor eenzelfde inrichting kan worden verantwoord; Overwegende dat de aard en de finaliteit van een aanvraag om stedenbouwkundige vergunning en de beoordeling ervan, en een beslissing om een sectoraal bijzonder plan van aanleg op te maken, niet gelijk zijn; dat in het eerste geval een aanvraag voorligt, zoals door de aanvrager zelf geformuleerd, die door de vergunningverlenende overheid moet worden beoordeeld op grond van de bestaande regelgeving en de bestaande juridische en feitelijke toestand; dat het in het tweede geval gaat om een initiatief van de overheid om in het algemeen belang, rekening houdend met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen, waarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen, de voorschriften vast te leggen met het oog op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling; dat planvoorschriften toekomstgericht zijn en de overheid bij de vaststelling ervan er niet toe gehouden is bestaande toestanden te bevestigen; Overwegende dat het in die optiek niet met elkaar in tegenspraak lijkt, enerzijds, naar aanleiding van een regularisatieaanvraag zoals geformuleerd door de aanvrager, op grond van de geldende bestemmingsvoorschriften te oordelen dat het voorwerp van die aanvraag onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening, en anderzijds, naar aanleiding van de opmaak van een sectoraal bijzonder plan van aanleg, waarvan de bestemmingsvoorschriften eenzelfde soort van inrichting mogelijk maken, te oordelen dat zodanige bestemming ruimtelijk aanvaardbaar is; Overwegende dat het vierde middel niet ernstig is; Overwegende dat de verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, en van artikel 19 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, X-12.896-11/14 “Doordat in de procedure van de opmaak en goedkeuring van plannen van aanleg uitdrukkelijk wordt voorzien in een procedure van openbaar onderzoek, waarbij wordt voorzien in een voorafgaande aanplakking van de voorlopige aanneming van het ontwerp-plan door de gemeenteraad teneinde de belanghebbende te verwittigen van zijn mogelijkheid om zijn bezwaren bij dit ontwerp te laten kennen Terwijl uit de feiten zeer duidelijk blijkt dat er nooit voorafgaand is aangeplakt, en dat enkel nadat verzoeker zeer toevallig had vernomen van de voorlopige aanneming van het ontwerp en de aanplakking controleerde, men toch nog een aanplakking heeft georganiseerd. Toelichting : De definitieve vaststelling van een bijzonder plan van aanleg door de gemeenteraad is een voorbereidende rechtshandeling die niet vatbaar is voor vernietiging. De goedkeuring van het BPA is een uitvoerbare rechtshandeling die wel kan worden vernietigd. Bij het bestrijden van de goedkeuring kunnen alle onregelmatigheden worden ingeroepen die de voorbereidende procedure zouden aantasten. Dat geldt ook voor de definitieve vaststelling van het plan, zonder dat deze daartoe als dusdanig moet worden bestreden (...). Nu volgt uit het besluit van de Gemeenteraad van 16.12.2005 zeer duidelijk (...) dat de Stad Sint-Niklaas slechts tot aanplakking is overgegaan om post factum de niet-vervulling van substantiële vormvereisten te dekken en er daarbij niet voor terug deinst om nog snel, vooraleer de bijgeroepen deurwaarder ter plaatse was, de aanplakking wel te doen, gegeven dat men naderhand verhult aan de instrumenterende deurwaarder en nu blijkt uit de bespreking van de eerste grief uit het bezwaarschrift van verzoeker. Thans blijkt uit het besluit zeer duidelijk dat er op 9 augustus 2005 een aanplakking is gebeurd, waar deze bekendmaking nochtans gedateerd werd op datum van 5 augustus 2005. Deze substantiële nietigheid wordt niet gedekt door een nieuw openbaar onderzoek dat achteraf nog snel wordt georganiseerd”; Overwegende dat uit niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat een nieuw openbaar onderzoek over het voorlopig aangenomen sectoraal bijzonder plan van aanleg werd gehouden van 19 augustus 2005 tot 19 september 2005; dat de verzoeker tijdens dit openbaar onderzoek op 24 augustus 2005 een bezwaarschrift heeft ingediend; dat de verzoeker op het eerste gezicht geen belang heeft bij het middel waarin een onregelmatigheid in de bekendmaking van een eerder openbaar onderzoek over het voorlopig aangenomen sectoraal bijzonder plan van aanleg wordt aangevoerd; Overwegende dat het vijfde middel niet ernstig is; Overwegende dat niet is voldaan aan één van de door artikel17,§ 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, X-12.896-12/14 BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Chris DERYCKERE in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig mei 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.896-13/14 X-12.896-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.615 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.272 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.