id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.616 Rolnummer: A. 96906/X-9803 Zaak: Arrest 171616 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 29/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-07 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 06:44 Fiche Arrest nr 171.616 van 29 mei 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping heropening debatten Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.616 van 29 mei 2007 in de zaak A. 96.906/X-
- In zake :
- Ivan TEMMERMAN,
- Hubert HUYGHE,
- de nv INTERNATIONAL MANAGEMENT COMPANY (IMC),
- Gaston WEYMIENS,
- Ludo VAN DEN BROEK (in de vordering tot schorsing),
- Jean WINDELEN,
- Harry PEETERS (in de vordering tot schorsing), die woonplaats kiezen bij advocaat C. SERVAIS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Generaal Lemanstraat 55 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- tussenkomende partij : de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening (TMVW), die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kouter 71-
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ivan TEMMERMAN, Hubert HUYGHE, de nv IMC, Gaston WEYMIENS en Jean WINDELEN op 27 oktober 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 26 mei 2000 houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Mechelen op het grondgebied van de gemeenten Duffel, Lier, Mechelen en Willebroek; X-9803-1/18 Gelet op het arrest nr. 98.167 van 6 augustus 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 14 september 2001 ingediend door de eerste, tweede, derde, vierde en zesde verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 22 oktober 2001 ingediend door de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening; Gelet op de beschikking van 5 november 2001 die de tussenkomst van de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gezien de laatste memorie van de eerste, tweede, derde en vierde verzoekende partij; Gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 29 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; X-9803-2/18 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. NEUTS, die loco advocaat C. SERVAIS verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VANBINST, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten. Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: Tussen de drinkwaterproducent Intercommunale Antwerpse Waterwerken (AWW) en het watertransport- en distributiebedrijf Tussen- gemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening (TMVW) wordt een zgn. alliantie gesloten, Aqualink genaamd, met het oog op de verzekering van de drinkwaterlevering voor de komende decennia in Vlaanderen, de positionering van de TMVW als drinkwaterproducent, de vergroting van het afzetgebied van AWW en de bevordering van de Vlaamse waterautonomie. Ter uitvoering hiervan wordt voorzien in het zgn. project Oelegem-Brugge, dit is de aanleg van hoofdtransportleidingen voor drinkwater tussen Oelegem en Brugge, en van bijkomende infrastructuur, namelijk een pompstation en reservoir te Gent. Het voorgestelde tracé doorkruist het gebied van verscheidene gewestplannen, namelijk die van Antwerpen, Mechelen, Halle-Vilvoorde-Asse, Dendermonde, Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem, en Gentse- en Kanaalzone. Met het oog op de aanleg van de bedoelde leidingen werden een aantal gewestplannen gewijzigd. Het voorliggende beroep heeft betrekking op de wijziging van het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus
- X-9803-3/18 Bij besluit van 8 juni 1999 stelt de Vlaamse regering een ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Mechelen vast. Die wijziging heeft betrekking op het grondgebied van de gemeenten Duffel, Lier, Mechelen en Willebroek (delen van de kaartbladen 15/8 en 16/5, 23/3 en 23/4, vervat in de bijlage 1 tot en met 3 bij dit besluit), zijnde het zgn. “Heindonktracé”. Dit besluit overweegt wat volgt : “Overwegende dat de aanleg van een hoofdwaterleiding tussen Oelegem en Gent noodzakelijk is voor het verzekeren van de drinkwaterbevoorrading van Oost- en West-Vlaanderen en omwille van de toegenomen vraag naar drinkwater in beide provincies; dat de aan te leggen leiding het waterproductie- centrum in Oelegem met het waterproductiecentrum in Walem en het bestaande leidingnet van TMVW in Gent verbindt; dat de capaciteit van het water- productiecentrum in Oelegem, voor de winning van drinwater uit het Albert- kanaal wordt verdubbeld; dat door deze productiewijze de grondwater-reserves niet bijkomend worden aangesproken; Overwegende dat de aan te leggen hoofdwaterleiding tot de vaste en verplichte inhoud van het gewestplan behoort; Overwegende dat voor de voorziene verbinding voor de te realiseren hoofdwaterleiding op het gewestplan Antwerpen geen infrastructuur van Vlaams niveau voorhanden is waarmee over de gehele lengte van het tracé kan gebundeld worden; dat het tracé, voor zover technisch en ruimtelijk mogelijk is, derhalve voorzien wordt in parallellisme met verschillende bestaande lijninfrastructuren van Vlaams belang, met name met de N16, met de bestaande PIDPA-waterleiding van Walem naar Willebroek en met de 380kV- hoog- spanningslijn Lint-Lier-Massenhove; dat het tracé op Vlaams niveau een toepassing is van het bundelingsprincipe, overeenkomstig de optie van het Ruimtelijk structuurplan Vlaanderen terzake; dat voor die gedeelten van het tracé waar bundeling met lijninfrastructuur van Vlaams niveau niet kan gerealiseerd worden een nieuw tracé is bepaald waarvan de negatieve ruimtelijke impact zo beperkt mogelijk is; dat op die manier een tracé is bepaald ter hoogte van Heindonk in Willebroek rekening houdend met de percelering en met het bebouwingspatroon zodat de versnippering van het gebied beperkt wordt; dat deze lokale onvolkomen bundeling de geldigheid van het bundelings-principe voor het globale tracé van Oelegem naar Gent niet in het gedrang brengt; Overwegende dat het aangewezen is het tracé aan te duiden als een aan te leggen leidingstraat omdat door de aanleg van een bijkomende waterleiding in parallel met de bestaande waterleiding en met andere lijninfrastructuur in feite een leidingstraat tot stand gebracht zal worden om behalve de aanleg van voornoemde bijkomende hoofdwaterleiding ook de aanleg van andere leidingen op de noordzuid-relatie ten oosten van Antwerpen en op de oostwest-relatie ten zuiden van Antwerpen en Gent mogelijk te maken; Overwegende dat de geldende grafische voorschriften van het gewestplan in hun huidige vorm aldus de uitvoering van de werken, noodzakelijk voor de aanleg van de hoofdwaterleiding van Oelegem naar Gent verhinderen; Overwegende dat de werken voor de aanleg van de hoofdwaterleiding van Oelegem naar Gent dringend noodzakelijk zijn als werk van algemeen belang”. X-9803-4/18 Er wordt een “MER drinkwatertoevoerleiding Oelegem- Destelbergen” opgesteld, waarbij onder “Hoofdstuk
- Aandachtspunt Heindonk” wordt geconcludeerd dat vanuit diverse oogpunten het oostelijk tracé (bundeling met de bestaande hoogspanningsleiding) te verkiezen lijkt boven het westelijk tracé (doorsnijding van het donk). In de eindconclusie lijkt dan toch besloten te worden tot het behoud van het in het ontwerpbesluit voorgestelde westelijk tracé. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 1 oktober 1999 tot 29 november 1999 worden 131 bezwaarschriften ingediend. Alle verzoekende partijen dienen een bezwaarschrift in. De eerste verzoekende partij merkt in haar bezwaarschrift op dat de keuze voor het westelijk tracé in strijd is met het bundelingsprincipe, en dat dit tracé het aldaar gelegen recreatiegebied doorsnijdt, dat voor 3 ha haar eigendom is en waarop zij een project heeft voorzien waarvoor reeds een stedenbouwkundig attest werd afgegeven, waardoor dit project onmogelijk wordt met een ernstig economisch verlies tot gevolg. De overige verzoekende partijen merken op dat het voorgestelde tracé leidt tot versnippering van het landschap, dat percelen willekeurig worden doorkruist en dat het in strijd is met de regelgeving van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen inzake het bundelen van lijninfrastructuren of het aanleggen van leidingstraten. Als alternatief tracé wordt aangegeven het volgen van de hoogspanningslijn 150kV vanaf de Dijle tot het Heffenveld en dan langs de N16 tot Willebroek, tracé dat naar hun mening het minste schade toebrengt aan het milieu en het meest economische is. De gemeenteraad van Willebroek verleent op 21 december 1999 een ongunstig advies aangaande de voorgestelde gewestplanwijziging Mechelen, luidend als volgt: “Artikel 1: het tracé zoals door de Vlaamse Regering voorlopig is vast- gesteld bij besluit van 8 juni 1999, niet te aanvaarden; Artikel 2: een tracé voor te stellen dat de hoogspanningsleiding volgt aan de kruising met het volgens het gewestplan Mechelen vastgelegd tracé van de N16 naar de E19 en dit tracé dan te volgen tot aan de Oude Spoorbaan waar de bestaande leiding verder wordt gevolgd”. De bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen brengt op 20 januari 2000 een deels gunstig en deels ongunstig advies uit over het besluit van 8 juni 1999 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot X-9803-5/18 gedeeltelijk wijziging van het gewestplan Mechelen op het grondgebied van de gemeenten Duffel, Lier, Mechelen en Willebroek. Dit advies bevat onder meer volgende motivering: “Overwegende dat het ontworpen tracé ten zuidoosten van Heindonk niet met de 150 kV-hoogspanningslijn bundelt maar het meer noordwestelijk verloop verkiest; dat het ontworpen tracé aldus de landschappelijk waardevolle polder van Willebroek spaart; dat het ontworpen tracé echter schade aan de waardevolle stuifduinrug veroorzaakt; dat het milieu-effectenrapport betreffende de drinkwatertoevoerleiding Oelegem-Destelbergen evenwel de bundeling met de 150 kV-hoogspanningslijn, onder meer wegens verkorting van het tracé met 900m en het behouden van de meest waardevolle sloten in het gebied, weerhoudt; Overwegende dat de argumentatie van het bovenvermeld besluit van de Vlaamse regering gedeeltelijk bijgetreden wordt; Overwegende dat de geografische spreiding van de maatschappijen die de distributie van drinkwater verzekeren, over het grondgebied van het Vlaams gewest niet de meest rationele exploitatie garandeert; dat samenwerking tussen de maatschappijen vereist is om het meest optimale verloop van de hoofd- waterleidingen te kunnen bepalen; dat het Vlaamse gewest het meest geschikte niveau is om de coördinatie te verwezenlijken; BESLUIT: Gunstig advies wordt uitgebracht over het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Mechelen op het grondgebied van de gemeenten Duffel, Lier, Mechelen en Willebroek; ongunstig advies wordt echter uitgebracht voor het gedeelte van het tracé dat ten zuidoosten van Heindonk niet met de 150 kV-hoogspanningslijn bundelt maar het meer noordwestelijk verloop tussen het gebied ten zuiden van Battenbroek en Kaashoek verkiest; voorgesteld wordt om het tracé ten zuidoosten van Heindonk met de 150kV-hoogspanningslijn - zoals het bijgevoegde plan weergeeft - te bundelen. (...) De aandacht van de Vlaamse regering wordt gevestigd op de vereiste samenwerking tussen de geografische niet rationeel verspreide maatschappijen die de distributie van drinkwater verzekeren, om het meest optimale verloop van de hoofdwaterleidingen te kunnen bepalen”. Op 24 maart 2000 brengt de Regionale Commissie van Advies van de provincie Antwerpen volgend advies uit : “Gelet op het besluit van de gouverneur van de provincie van 14 februari 2000 dat het openbaar onderzoek over het ontwerpplan afsluit, en de 131 bijgevoegde bezwaren en opmerkingen; Overwegende dat de bezwaren en opmerkingen stellen dat de T.M.V.W. de eigenaars van de betrokken terreinen niet over de aanleg van de hoofdwater- leiding ingelicht heeft; dat opmetingen op private terreinen zonder voorafgaande toestemming van de betrokken eigenaars gedaan zijn; dat de gemeente Duffel het bericht van de aankondiging van het openbaar onderzoek pas op 20 oktober 1999 aangeplakt heeft; dat geen milieueffectrapport opgemaakt is; dat alternatieve tracés voor de hoofdwaterleiding zoals het bundelen met het Albertkanaal en de N19, met het Albertkanaal, het Netekanaal X-9803-6/18 en de Nete alsmede de terreinen van de Antwerpse Waterwerken, met de verlaten spoorweg tussen Antwerpen-Zuid en Mechelen, met de 150 kV-hoogspanningsleiding tot de kruising met het voorziene tracé van de N16 en vervolgens het voorziene tracé van de N16, met de N14 vanaf de Trommelhoeve over het Maaikeneveld tot de kruising met de Nete te Duffel en vervolgens de terreinen van de Antwerpse Waterwerken, met de 380 kV-hoogspanningsleiding vanaf de kruising met de gemeentegrens tussen Lier en Lint en vervolgens de 150 kV-hoogspanningsleiding tot de kruising met de N14 en verder de N14 tot de kruising met de Nete te Duffel en ten slotte de terreinen van de Antwerpse Waterwerken, met de 150 kV-hoogspanningsleiding ten zuidwesten van Heindonk conform het milieueffectrapport wegens het beperkt landschappelijk waardevol karakter van de polder van Heindonk, met de voorziene omleidings-weg van Duffel tussen de Lintsesteenweg en de Wouwendonkstraat en vervolgens de Waarloossteenweg en ten slotte de verlaten spoorweg tussen Antwerpen-Zuid en Mechelen of met de bestaande drinkwaterleiding te Willebroek mogelijk zijn; dat het voorziene tracé het principe van het bundelen van infrastructuren niet integraal toepast; dat het voorzien tracé het landschap versnippert, dat de hoofdwaterleiding de waarde van de terreinen reduceert; dat het voorziene tracé te lang en te bochtig is; dat het voorziene tracé het verwezenlijken van projecten in de weg staat; dat de hoofdwaterleiding bij gebreken schade aan de exploitaties in de serres veroorzaakt; dat het voorziene tracé agrarische gebieden in de omgeving van Sint-Katelijne-Waver doorkruist, die het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen voor tuinbouw reserveert maar niet meer voor tuinbouw te gebruiken zijn; dat het voorziene tracé negatieve effecten (heeft) op het nabijgelegen natuurgebied Babbelse Beemden-Beunt-Senthout, dat tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied of natuurgebied te bestemmen is, zodat het tracé meer naar het noorden moet verschuiven; dat het alternatief tracé van de verlaten spoorweg tussen Antwerpen-Zuid en Mechelen wegens het waardevol karakter van het gebied niet te aanvaarden is; dat het gebied aan weerszijden van de verlaten spoorweg tussen Antwerpen-Zuid en Mechelen tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied te bestemmen is; dat het voorziene tracé veeleer bos-, park- en natuurgebied dan agrarisch gebied en private tuinen spaart; dat het belasten van agrarisch gebied zware economische gevolgen heeft, dat het drinkwater op alternatieve locaties (als) Oelegem zoals Walem gewonnen kan worden, zodat de aanleg van de hoofdwaterleiding overbodig is; dat de hoofdwaterleiding de terreinen die heden met bovengrondse en ondergrondse leidingen belast zijn, verder hypothekeert; dat het voorziene tracé open ruimte te Duffel teloor doet gaan, dat meer aandacht naar agrarisch, bos- en natuurgebied moet uit gaan; dat onderzoek naar alternatieve tracés, bundelen met alternatieve infrastructuren en geologische effecten vereist is; dat informatie op het niveau van de gemeente ontbreekt : dat het voorziene tracé de historische hoeve Zevenbunder teloor doet gaan, dat de plannen te vaag zijn; dat de gemeente Duffel de verlaten spoorweg tussen Antwerpen-Zuid en Mechelen ten behoeve van ecologisch en natuur-vriendelijk beheer verhuurt; dat de drainage van de betrokken terreinen ten behoeve van het uitvoeren van de werken niet te herstellen schade veroorzaakt, dat het voorziene tracé het zeer waardevol natuurgebied Kleine Bergen te Heindonk in gevaar brengt; dat het voorziene tracé met de omleidingsweg van Willebroek bundelt, die in afwijking van het gewestplan verwezenlijkt is; dat het alternatief voorstel van de gemeente Duffel groen gebied teloor doet gaan, het verwezenlijken van de voorziene omleidingsweg van Duffel bevordert, met het volgen van de Waarloossteenweg meer hinder geeft dan het voorziene tracé over agrarisch gebied, negatief effect op het grondwater heeft, schade aan de woningen in de nabijheid veroorzaakt, het verder uitrusten van de straat verhindert, meer kosten vergt en ernstige hinder bij het uitvoeren van de werken X-9803-7/18 in de nabijheid van woningen teweeg brengt; dat de hoofdwaterleiding het recht van eigendom van de betrokken terreinen op permanente wijze beperkt en onder meer het planten van bomen verhindert; Gelet op het gedeeltelijk ongunstig advies van de bestendige deputatie van de provincieraad van 20 januari 2000, dat stelt dat het landschappelijk waardevol karakter van de polder van Heindonk beperkt is; dat het voorziene tracé schade aan de waardevolle stuifduinrug veroorzaakt; dat het milieu- effectrapport wegens het verkorten van het tracé met 900 m en het behouden van de meest waardevolle sloten in het gebied het bundelen met de 150 kV-hoogspanningsleiding weerhoudt; Gelet op het ongunstig advies van de gemeenteraad van Duffel van 25 oktober 1999, dat stelt dat alternatieve tracés voor de hoofdwaterleiding zoals het bundelen met de terreinen van de Antwerpse Waterwerken mogelijk zijn; dat overigens het alternatief tracé dat tussen de Lintsesteenweg en de Wouwendonkstraat de voorziene omleidingsweg van Duffel, tussen de Wouwendonkstraat en de gemeentegrens met Kontich de Waarloossteenweg en tussen de gemeentegrens met Kontich en de Notmeir de verlaten spoorweg tussen Antwerpen-Zuid en Mechelen volgt, te weerhouden is; dat het alternatief tracé geen onteigening vereist; dat de Antwerpse Waterwerken ondergrondse leidingen langs de verlaten spoorweg hebben; dat het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen het bundelen van infrastructuren vooropstelt; dat geen infrastructuur van Vlaams niveau voorhanden is, zodat met infrastructuur van lager niveau te bundelen is; dat de verlaten spoorweg wel waardevol natuurgebied is maar dat de aanleg van de hoofdwaterleiding geen afbreuk aan het gebied doet; Gelet op het ongunstig advies van de gemeenteraad van Willebroek van 21 december 1999, dat stelt dat het alternatief tracé dat met de 150 kV-hoogspanningsleiding tot de kruising met het voorziene tracé van de N16 en vervolgens het voorziene tracé van de N16 bundelt, te weerhouden is; Gelet op het gunstig advies van de gemeenteraad van Berlaar van 18 januari 2000; Gelet op het gunstig advies van de gemeenteraad van Bornem van 18 januari 2000; Gelet op het ongunstig advies van de gemeenteraad van Lier van 24 januari 2000, dat stelt dat de hoofdwaterleiding de terreinen die heden met boven- grondse en ondergrondse leidingen belast zijn, verder hypothekeert; dat alternatieve tracés zoals het bundelen met het Albertkanaal en de N19 of met het Albertkanaal, het Netekanaal en de Nete alsmede de terreinen van de Antwerpse Waterwerken mogelijk zijn; dat het voorziene tracé veeleer bos-, park- en natuurgebied dan agrarisch gebied en private tuinen spaart; dat het drinkwater op alternatieve locaties dan Oelegem zoals Walem gewonnen kan worden, zodat de aanleg van de hoofdwaterleiding overbodig is; Gelet op de impliciet gunstige adviezen van de overige gemeenteraden van het gewest; Overwegende dat de T.M.V.W. geenszins verplicht is om de eigenaars van de betrokken terreinen over de aanleg van de hoofdwaterleiding in te lichten, zodat de aankondiging van het ontwerpplan volstaat; dat opmetingen op private terreinen enkel het uitvoeren van de werken betreffen en bijgevolg buiten het bestek van het ontwerpplan vallen; dat het college van burgemeester en schepenen van Duffel attesteert dat de aankondiging van het openbaar onderzoek van 30 september tot 29 november 1999 aangeplakt is; dat de T.M.V.W. het vereiste milieueffectrapport heeft opgemaakt, dat de eensluidend- verklaring op 9 oktober 1999 bekomen heeft; dat de reductie van de waarde van de terreinen geen ruimtelijke gegevens maar de consequenties van ruimtelijke gegevens vormt; dat de distributie van drinkwater tot de erfdienstbaarheden van openbaar nut behoort en bijgevolg het recht van eigendom kan beperken, zodat X-9803-8/18 het uitvoeren van projecten in het gedrang komt; dat de aanleg en het onderhoud van de drinkwaterleiding het risico van incidenten op maximale wijze beperken, zodat schade aan de omgeving niet te verwachten valt; dat de hoofdwaterleiding de tuinbouw niet verhindert maar in beperkte mate compliceert; dat het bestemmen van het gebied Babbelse Beemden-Beunt-Senthout tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied of natuurgebied buiten het bestek van het ontwerpplan valt; dat het effect van de hoofdwaterleiding meer beperkt in agrarisch gebied dan in bos-, park- en natuurgebied is; dat het voorziene tracé enkel bij strikte noodzaak private tuinen belast; dat het voorziene tracé het agrarisch gebied op maximale wijze van de economische gevolgen vrijwaart; dat technische redenen zoals het ter beschikking staan van de vereiste ruimte het winnen van drinkwater op alternatieve locaties dan Oelegem in de weg staan; dat het ontwerpplan de hoofdwaterleiding in de voorziene leidingstraat incorporeert, zodat bestaande of aan te leggen leidingen samen met de hoofdwaterleiding zullen verlopen; dat het bijkomend bestemmen tot agrarisch, bos- en natuurgebied buiten het bestek van het ontwerpplan valt; dat het milieueffectrapport alternatieve tracés met eveneens alternatieve infrastructuren en het effect op de bodem onderzocht heeft; dat de informatie die de T.M.V.W. aan de betrokken gemeenten verstrekt heeft volstaat om het ontwerpplan te situeren; dat het voorziene tracé de historische hoeve Zevenbunder uit de weg gaat; dat de inhoud van het ontwerpplan voldoet aan het decretaal vereiste; dat het eventueel draineren van de betrokken terreinen enkel in de loop van het uitvoeren van de werken effect heeft, zodat de gevolgen ervan beperkt zijn; dat het eventueel verwezenlijken van de omleidingsweg van Willebroek in afwijking van het gewestplan geen afbreuk doet aan het terecht bundelen van de hoofdwaterleiding met de omleidingsweg; dat het bundelen met de 150kV-hoogspanningsleiding tot de kruising met het voorziene tracé van de N16 en vervolgens het voorzien tracé van de N16 een rechte hoek vormt, die de exploitatie van de hoofdwaterleiding compliceert; Overwegende dat het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen het bundelen van infrastructuren voorop stelt; dat het bundelen van de hoofdwaterleiding met het Albertkanaal en de N19 wegens de voorziene verbreking van het Albertkanaal tussen Antwerpen en Oelegem, de doorgang van de Antwerpse agglomeratie en de kruising van de Schelde grote technische problemen stelt, die de uitvoering verhinderen; dat de ruimtelijke effecten van de aanleg van de leidingstraat het meest te beperken zijn in de hypothese dat het tracé met het Albertkanaal, het Netekanaal en de Nete alsmede de terreinen van de Antwerpse Waterwerken tot de kruising van het voorziene tracé met de Nete en vervolgens de 150 kV-hoogspanningsleiding tot de verdere kruising van het voorziene tracé met de 150 kV-hoogspanningsleiding bundelt; dat de bezwaren en opmerkingen en de adviezen van de bestendige deputatie van de provincieraad en de gemeenteraden van Duffel, Willebroek en Lier in dit opzicht bij te treden zijn; Gelet op het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, in het bijzonder artikel 11, § 4, Besluit : Gedeeltelijk ongunstig advies wordt uitgebracht over het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Mechelen op het grondgebied van de gemeenten Duffel, Lier, Mechelen en Willebroek. Voorgesteld wordt om het tracé van de leidingstraat met het Albertkanaal, het Netekanaal en de Nete alsmede de terreinen van de Antwerpse Waterwerken tot de kruising van het voorziene tracé met de Nete en vervolgens de 150kV-hoogspanningsleiding tot de verdere kruising van het voorziene tracé met de 150 kV-hoogspanningsleiding te bundelen. Gunstig advies wordt uitgebracht voor het overige tracé”. X-9803-9/18 Bij het bestreden besluit van 26 mei 2000 van de Vlaamse regering wordt het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Mechelen op het grondgebied van de gemeenten Duffel, Lier, Mechelen en Willebroek definitief vastgesteld (delen van de kaartbladen 15/8 en 16/5, 23/3 en 23/4). Aangaande het tracé Heindonk overweegt dit besluit wat volgt : “Overwegende dat de regionale commissie van advies een alternatief voorstelt ter hoogte van de polder in Heindonk; dat dit alternatief omwille van het open en landschappelijk waardevol karakter van de polder vanuit ruimtelijk oogpunt minder aangewezen is; dat een eventueel alternatief tracé bij de definitieve vaststelling niet kan worden aangeduid omdat het gelegen is buiten de perimeter van het voorlopig vastgestelde gewestplan; dat op dit punt niet ingegaan kan worden op het voorstel van de regionale commissie”;
- Ten aanzien van de vijfde en de zevende verzoekende partij - ontstentenis van verzoek tot voortzetting van de rechtspleging Overwegende dat de hoofdgriffier bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit aan de verzoekende partijen melding heeft gemaakt van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Overwegende dat naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; Overwegende dat Ludo VAN DEN BROEK, vijfde verzoekende partij, en Harry PEETERS, zevende verzoekende partij, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging hebben ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen; dat te hunnen aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt; X-9803-10/18
- Ten aanzien van de zesde verzoekende partij - afstand van het geding Overwegende dat Jean WINDELEN, zesde verzoekende partij, bij brief van zijn raadsman van 27 december 2001 aan de Raad van State heeft medegedeeld dat hij zich terugtrekt uit de procedure; dat dit schrijven niet anders dan als een afstand van het geding kan worden aanzien;
- Ten aanzien van de eerste, de tweede en de vierde verzoekende partij - belang bij het beroep Overwegende dat de Vlaamse regering bij besluit van 30 september 2005 het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “leidingstraat voor hoofdtransportleidingen ter hoogte van Heindonk” definitief heeft vastgesteld; dat dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een gedeelte van de leidingstraat, vastgesteld bij het bestreden besluit, heeft opgeheven; dat dit besluit bij uittreksel is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 november 2005; dat tegen dit besluit geen beroep is ingesteld; dat het definitief is geworden; dat de eigendommen van Ivan TEMMERMAN, eerste verzoekende partij, van Hubert HUYGHE, tweede verzoekende partij, en van Gaston WEYMIENS, vierde verzoekende partij, ingevolge voormelde opheffing niet meer worden doorkruist door de betrokken leidingstraat voor hoofdtransportleidingen; dat die verzoekers niet meer doen blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging; dat ambtshalve vastgesteld moet worden dat het beroep van de genoemde verzoekers onontvankelijk is; Overwegende dat het past de kosten van het beroep, wat de genoemde verzoekers betreft, ten laste te leggen van de verwerende partij;
- Ten aanzien van de derde verzoekende partij 5.
- Exceptie van belang bij het beroep Overwegende dat uit de voorgelegde stukken blijkt dat er percelen, eigendom van de nv IMC, derde verzoekende partij, zijn opgenomen op de tabel der innemingen, lot 2, Walem-Tisselt; dat het bestreden besluit onder meer deze percelen aanduidt voor de aanleg van de leidingstraat; dat deze aanduiding de X-9803-11/18 rechtsgrond vormt voor later af te geven vergunningen voor de aanleg van deze leidingstraat op haar eigendom; dat de derde verzoekende partij als eigenaar van door het vastgestelde bestemmingsvoorschrift getroffen percelen doet blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging; dat de argumenten van de verwerende partij dat de leiding ondergronds zal worden aangelegd, dat er enkel tijdelijke hinder zal zijn gedurende de uitvoering van de werken en dat de betrokken eigenaars zullen worden vergoed, aan voormelde vaststelling geen afbreuk doen; dat de ter zake door de verwerende partij opgeworpen exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de tussenkomende partij voorts opwerpt dat de derde verzoekende partij niet doet blijken van het vereiste belang aangezien alle middelen verband houden met het niet volgen van het alternatieve tracé bij het doorkruisen van de Heindonkpolder, en haar eigendommen zijn gelegen buiten het gebied waarvoor het alternatieve tracé werd voorgesteld, en dus nog steeds zouden worden doorkruist door de betrokken leidingstraat; Overwegende dat de exceptie verband houdt met het onderzoek van de grond van de zaak; dat zij bij het onderzoek van het belang bij de middelen dient te worden betrokken; 5.
- Ten gronde Overwegende dat in het tweede middel de schending wordt aangevoerd van artikel 11 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het vertrouwensbeginsel; dat dit middel is gesteld als volgt: “Artikel 11 van het Decreet op de ruimtelijke ordening van 1996 bepaalt dat een ontwerpgewestplan wordt opgesteld en ontworpen door de Administratie voor Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Monumenten en Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Het ontwerpgewestplan wordt voorlopig vastgesteld door de minister die de gouverneur van de provincie belast met de zorg van een openbaar onderzoek. ‘Dit openbaar onderzoek wordt aangekondigd door aanplakking in elke bij het gewestplan betrokken gemeente, door een bericht dat driemaal in het Belgisch Staatsblad, in drie bladen van de hoofdstad en zo mogelijk in drie bladen van de streek wordt geplaatst, alsmede door een bericht dat driemaal door de BRTN-radio wordt uitgezonden.’ De ratio legis van dit artikel viseert duidelijk een betrokkenheid van de burger in de procedure tot vaststelling van een wijziging van het gewestplan. X-9803-12/18 Aan de burger zijn mening dient dan ook voldoende aandacht te worden besteed. Een andere mening erop nahouden, impliceert een schending van artikel 11 van het Decreet. Verzoekers beogen met dit middel niet zozeer de procedure van het openbaar onderzoek op zich aan te vallen, doch wel de houding van het Vlaams Gewest dat er op een gemakkelijke, eenvoudige manier voor heeft gezorgd dat de burgers monddood werden gemaakt. Tijdens het openbaar onderzoek werden er maar liefst 131 schriftelijke bezwaren ingediend. Als belangrijkste bezwaren kunnen volgende elementen worden weerhouden: - de versnippering van het landschap; - een willekeurige doorkruising van percelen; - een schending van het bundelingsprincipe zoals vooropgesteld in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; - het veroorzaken van schade aan de percelen van de eigenaars wat waardeverlies met zich brengt; - het tracé bevat veel bochten waardoor er veel druk zal worden verloren bij de aanleg van het watertransport; - de enorme milieubelasting; - ... Naast deze opsomming van argumenten, hebben verzoekers aan het Vlaamse Gewest duidelijk laten verstaan dat er ook alternatieve tracés voorhanden waren, die minder belastend waren voor het milieu en minder belastend zouden zijn voor de percelen van verzoekers. Verzoekers werpen hier ook op dat de Regionale Commissie van Advies van de Provincie Antwerpen deze alternatieve voorstellen van verzoekers gunstig genegen was. De Regionale Commissie van Advies stelde dan ook het volgende voor: ‘de bundeling van het tracé van de Leidingstraat met het Albertkanaal, het Netekanaal en de Nete alsmede de terreinen van de Antwerpse Waterwerken tot de kruising van het voorziene tracé met de Nete en vervolgens de 150 kilovolt hoogspanningsleiding tot de verdere kruising van het voorzien tracé met de 150 kilovolt hoogspanningsleiding.’ Verzoekers werpen op dat de Vlaamse regering in haar beslissing van 26 mei 2000, dit alternatief te Heindonk eenvoudigweg van tafel veegt, door te stellen : ‘Dat dit alternatief omwille van het open en landschappelijk karakter van de polder vanuit ruimtelijk oogpunt minder aangewezen is. Dat een eventueel alternatief tracé bij de definitieve vaststelling niet kan worden aangeduid omdat het gelegen is buiten de perimeter van het voorlopig vastgestelde Gewestplan; Dat op dit punt niet ingegaan kan worden op het voorstel van de Regionale Commissie.’ Vooreerst zijn verzoekers de mening toegedaan dat de redenering van de Vlaamse Regering aangaande het open en landschappelijk karakter van de polder, strijdig is met het opgestelde milieueffectenrapport dat duidelijk opteert voor het alternatief langs de hoogspanningslijn. Voor de bespreking van dit argument verwijzen verzoekers naar hun vijfde middel. Voorts kunnen verzoekers de argumentatie van het Vlaamse Gewest, aangaande de vooropgestelde perimeter van het ontwerpgewestplan, niet aanvaarden. Door te antwoorden dat het voorgestelde alternatief tracé buiten de perimeter ligt van het ontwerpplan, maakt het Vlaams Gewest het immers verzoekers onmogelijk om hun stem kenbaar te maken, laat staan dat er enig gevolg zal worden gegeven. Alternatieven worden gewoonweg onmogelijk gemaakt doordat de perimeter van de wijziging van het oude gewestplan heel beperkt werd gehouden. X-9803-13/18 Verzoekers zijn dan ook de mening toegedaan dat de Vlaamse regering, door de perimeter van het voorlopig vastgestelde gewestplan zo klein en zo nauw te bepalen, het de burger onmogelijk maakte om een waardig alternatief voor te stellen. Immers door de perimeter in omvang te beperken, sluit de Vlaamse regering impliciet en expliciet zelfs de mogelijkheid uit om alternatieve tracés voor te stellen. De Vlaamse regering schendt hierdoor dan ook artikel 11 van het Gecoördineerd Decreet op de Ruimtelijke Ordening van 22 oktober 1996 alsook het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De Vlaamse regering heeft weliswaar het openbaar onderzoek laten organiseren door de gouverneur, doch is bij de uitvoering ervan ingegaan tegen de ratio legis van het artikel 11 van het Decreet. Bij de uitvoering van het openbaar onderzoek heeft de Vlaamse regering niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag gelegd, daar zij heeft nagelaten om de stem van de burger in overweging te nemen. Bovendien heeft de Vlaamse regering in haar verantwoording van deze afwijzing van argumentatie van de bewoners, het motiveringsbeginsel geschonden daar zij niet op afdoende en gefundeerde wijze haar stelling heeft verdedigd. Het vertrouwensbeginsel heeft de Vlaamse regering eveneens geschonden doordat zij het vertrouwen van de burgers in de Vlaamse administratie, wegens het onmogelijk maken om alternatieven voor te stellen, heeft geschaad”; Overwegende dat in het derde middel de schending wordt aangevoerd van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel; dat dit middel is gesteld als volgt: “Zoals reeds vermeld bij de bespreking van het tweede middel, werden er in het openbaar onderzoek maar liefst 131 schriftelijke bezwaren ingediend. Hieruit blijkt dat tal van buurtbewoners zich gekant hebben tegen de wijziging van het gewestplan, en meer in het bijzonder tegen de aanleg van de watertransportleiding dwars doorheen de groene zone op het gewestplan van Mechelen. Verzoekers werpen hier eveneens op dat ook de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen, alsook de gemeenteraad van de Gemeente Willebroek, alsook de gemeenteraad van Duffel, zich gekant hebben tegen de aanleg van de watertransportleiding. Verzoekers werpen in dit derde middel op dat de Vlaamse regering in haar besluit van 26 mei 2000 niet heeft gereageerd op de ingediende bezwaar- schriften van verzoekers en de buurtbewoners te Heindonk en Blaasveld. Het besluit van 26 mei 2000 bevat, buiten het eerder besproken magere antwoord op het voorgestelde alternatief van verzoekers, géén enkele verwijzing naar een ingediend en opgeworpen bezwaar van verzoekers. Zo legt de Vlaamse regering de bezwaren zoals reeds opgeworpen bij de bespreking van het tweede middel manifest naast zich neer. De Vlaamse regering is niet verplicht om elk opgeworpen bezwaar te beantwoorden, maar zij draagt wel de verplichting die antwoorden te verstrekken aan de burgers waardoor de opgeworpen bezwaren kunnen worden weerlegd. In onderhavig dossier heeft de Vlaamse regering gewoonweg niet geantwoord op de bezwaren van verzoekers. Hierdoor wordt niet alleen het X-9803-14/18 vertrouwensbeginsel geschonden, doch ook het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Uit de rechtspraak van de Raad van State kan immers worden afgeleid dat: ‘De Gewestregering is verplicht de voorschriften van het voorlopig vastgesteld ontwerpgewestplan aan te passen aan de resultaten van het openbaar onderzoek en van de raadpleging van de gemeenteraden en van de bestendige deputatie, wanneer zij uit oogpunt van de stedenbouw en ruimtelijke ordening gegrond blijken te zijn, en aan die van de raadpleging van de Regionale Commissie van Advies, wanneer er geen met de stedenbouw en de ruimtelijke ordening verbandhoudende reden bestaat om ze af te wijzen. (...)’ Uit bovenstaande rechtspraak halen verzoekers de argumentatie dat de Vlaamse regering verplicht is om tot aanpassing van het definitief vastgestelde gewestplan over te gaan indien de resultaten van het openbaar onderzoek dit wensen en indien de ruimtelijke ordening en de stedenbouw dit toelaten. In casu is er op het vlak van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw en zelfs op het vlak van het milieurecht géén enkel doorslaggevend argument om te besluiten dat het vastgestelde tracé van de waterleiding, het tracé van de hoogspanningsleiding te Heindonk niet kan volgen. Door haar keuze van het definitief vastgestelde tracé niet voldoende te motiveren, begaat de Vlaamse regering dan ook een schending van het motiveringsbeginsel. Het redelijkheidsbeginsel treedt de Vlaamse regering met de voeten, doordat de vaststelling van het tracé van de watertransportleiding niet op een redelijke manier kan worden verantwoord. De gebrekkige motivatie van het besluit kan deze redenering enkel maar ondersteunen. ‘Wanneer de overheid een automatische beslissing neemt, dat wil zeggen beslist zonder bewust de verschillende mogelijkheden te onderzoeken, dan is dit kennelijk onredelijk.’ (BOES, ‘Het redelijkheidsbeginsel’ in OPDEBEEK, I., ‘Algemene beginselen van behoorlijk bestuur’, KLUWER, Antwerpen, 1993, P. 10 1, nr. 18) Door niet in te gaan op de ingediende bezwaren, meer nog door het openbaar onderzoek vlakaf te negeren én zelfs niet te motiveren waarom hier niet op ingegaan wordt, schendt de bestreden beslissing eveneens het zorgvuldigheidsbeginsel: ‘De overheid die over de beoordelingsvrijheid beschikt om een besluit te nemen moet er in de eerste plaats voor zorgen dat haar alle mogelijke nuttige gegevens worden bezorgd opdat zij zou geïnformeerd zijn. ( ... ) De bevoegde overheid, wil zij op regelmatige wijze een beslissing nemen, moet volledig ingelicht zijn over de belangrijke gegevens welke die beslissing kunnen beïnvloeden.’ LAMBRECHTS, W., ‘Het zorgvuldigheidsbeginsel’, in OPDEBEEK, I. (ed.), Algemene beginselen van behoorlijk bestuur , Kluwer, Antwerpen, 1993, 34-
- De schending van het vertrouwensbeginsel kan als volgt worden ondersteund: ‘Het vertrouwensbeginsel is een beginsel van behoorlijk bestuur dat inhoudt dat gerechtvaardigde verwachtingen welke door het bestuur bij de rechtsonderhorigen zijn gewekt, zo enigszins mogelijk moeten worden gehonoreerd, op gevaar af anders het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in het bestuur stellen, te misleiden.’ VAN DAMME, M., ‘Het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel’, in OPDEBEEK,
- (ed.), Algemene beginselen van behoorlijk bestuur , Kluwer, Antwerpen, 1993, 161 e.v. In casu is de wettelijke plicht van het organiseren van een openbaar onderzoek weliswaar nagekomen, maar de resultaten ervan zijn genegeerd alsof ze onbestaande zijn. Deze houding is misleidend en maakt een schending uit X-9803-15/18 van de gerechtvaardigde verwachtingen van verzoekers dat rekening zou worden gehouden met hun ingediende bezwaren of dat minstens het bestaan van hun bezwaren zou worden erkend”; Overwegende dat de beide middelen zoals uiteengezet en toegelicht in het verzoekschrift tot nietigverklaring er in wezen op neerkomen dat de verwerende partij niet op een afdoende wijze heeft geantwoord op het voorstel van een alternatief tracé dat de 150 kV hoogspanningsleiding zou volgen, en aldus in gebreke is gebleven de ingediende bezwaren afdoende te beantwoorden; Overwegende dat dient te worden vastgesteld dat de percelen, eigendom van de derde verzoekende partij, zijn gelegen buiten het gebied waarvoor o.m. de bezwaarindieners een alternatief tracé hebben voorgesteld; dat, zelfs in geval de overheid tegemoet zou zijn gekomen aan de desbetreffende bezwaren en gekozen zou hebben voor het alternatieve tracé, de eigendommen van de derde verzoekende partij nog steeds doorkruist zouden zijn geworden door de betrokken leidingstraat; dat overigens uit hetgeen hiervóór is uiteengezet blijkt dat de verwerende partij het bestreden besluit heeft opgeheven wat betreft het gedeelte van de leidingstraat te Heindonk waarvoor het alternatieve tracé was voorgesteld; dat de derde verzoekende partij geen belang heeft bij het tweede en het derde middel; dat die middelen niet ontvankelijk zijn; Overwegende dat het verslag, opgemaakt door het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het auditoraat op grond van artikel 12 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State is beperkt tot het onderzoek van voormeld tweede en derde middel; dat het noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil dat ook de overige middelen door een lid van het auditoraat worden onderzocht en dat daarover verslag wordt uitgebracht, BESLUIT: Artikel
- De afstand van het geding wordt vastgesteld in hoofde van de vijfde, de zesde en de zevende verzoekende partij. Artikel
- X-9803-16/18 Het beroep wordt verworpen, in zoverre het is ingesteld door de eerste, de tweede en de vierde verzoekende partij. Artikel
- De debatten worden heropend in hoofde van de derde verzoekende partij. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Artikel
- De uitspraak over de bijdragen in de betaling van de kosten van het geding wordt uitgesteld ten aanzien van de derde verzoekende partij en van de tussenkomende partij. De kosten van de vordering tot schorsing in hoofde van de vijfde en de zevende verzoekende partij, bepaald op 347,06 euro, komen te hunnen laste, ieder voor de helft. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietig- verklaring in hoofde van de zesde verzoekende partij, bepaald op 347,06 euro, komen te haren laste. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietig- verklaring in hoofde van de eerste, tweede en vierde verzoekende partij, bepaald op 1041,18 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig mei 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, X-9803-17/18 A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-9803-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.616 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.98.167 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.475 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div