← België

Arrest 171656 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 31/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.656 Rolnummer: A. 80977/X-8506 Zaak: Arrest 171656 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 31/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-20 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 06:44 Fiche Arrest nr 171.656 van 31 mei 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.656 van 31 mei 2007 in de zaak A. 80.977/X-8506. In zake : Herman WOUTERS, die woonplaats kiest bij advocaat L. WOUTERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 1-3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij, advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Herman Wouters op 3 november 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 26 augustus 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep tegen de beslissing van 11 december 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij hem de vergunning is geweigerd voor het bouwen van twee mestkuikenstallen en een magazijn aan het Groot Veerle te Brecht, kadastraal bekend sectie E, nr. 223-229/delen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 10 juni 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-8506-1/17 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 januari 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 26 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. BOES, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat F. SEBREGHTS, die loco advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden bij besluit van 15 februari 1993, verzoekers beroep tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, waarbij hem de vergunning is geweigerd voor het bouwen van twee mestkuikenstallen en magazijn aan het Groot Veerle te Brecht, op de percelen kadastraal bekend sectie E, nrs. 223-229, heeft verworpen; dat de verzoeker op 10 maart 1995 bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht een nieuwe aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van de vergunning voor het bouwen van twee mestkuikenstallen en een magazijn op de voormelde percelen; dat deze percelen volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 28 december 1972 vastgestelde gewestplan Turnhout gelegen zijn in agrarisch gebied; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht, bij besluit van 10 februari 1997 de bouwvergunning heeft geweigerd op grond van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar van 28 augustus 1995; dat de verzoeker beroep heeft ingesteld tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen; dat de bestendige deputatie bij besluit van 11 december 1997 verzoekers beroep heeft verworpen; dat verzoeker vervolgens beroep heeft ingesteld tegen het verwerpingsbesluit van de bestendige deputatie bij de Vlaamse minister bevoegd X-8506-2/17 voor de ruimtelijke ordening; dat de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening bij het bestreden besluit van 26 augustus 1998 het beroep van verzoeker heeft verworpen; Overwegende dat verzoeker in een enig middel aanvoert wat volgt : “In een enig middel laat verzoekende partij gelden dat het bestreden besluit tot stand is gekomen met schending van artikel 53 van het stedenbouwdecreet, gecoördineerd op 22.10.96, de artikels 2 en 3 van de wet van 29.06.91 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 13 van het decreet van 23.10.91 betreffende de openbaarheid van bestuur, het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat wil dat elke bestuurshandeling steunt op juiste en volledige feiten en in rechte afdoende motieven, artikel 11 van het K.B. van 28.12.72 betreffende de inrichting en de toepassing van (

  1. de)ontwerpgewestplannen en de gewestplannen en het K.B. van 30.12.97 tot vaststelling van het gewestplan Turnhout, de artikels 10 en 11 van de Grondwet, het gelijkheidsbeginsel en het continuïteitsbeginsel, alsook de artikels 2 en 53 van het decreet betref(fende) de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22.10.96, en het K.B. van 30.09.97 tot vaststelling van het gewestplan Turnhout. Verzoekende partij is van oordeel dat geen van de in het besluit ingeroepen motieven van aard is om het bestreden besluit in feite noch in rechte te dragen. Vooreerst is de verwerende partij van oordeel dat het bedrijf van verzoekende partij geen volwaardig landbouwbedrijf is. Zij omschrijft het als volgt : ‘Dat betrokkene het bedrijf aldus in feite omschrijft als een nog niet volwaardig economisch rendeerbaar landbouwbedrijf, wanneer het in zijn geheel wordt beschouwd. Dat dit derhalve des te minder het geval is wanneer het wordt beschouwd als een afzonderlijk deel, zoals deze momenteel geplande, tweede exploitatiezetel betreft.’ (...) Dit motief is klaarblijkelijk in strijd met de feiten. Voorafgaand kan worden opgemerkt dat de door verzoeker voorgenomen vestiging dezelfde dimensie heeft (2 stallen van elk 20.000 kippen) als het naastgelegen bedrijf van de Heer ROMBOUTS dat wel vergund werd, na een gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar van Stedenbouw. Het is dan ook duidelijk dat de omvang van de voorgenomen inplanting volledig beantwoord(
  2. t)aan de definitie als voorzien in het Stedenbouwdecreet, en zoals deze definitie gehanteerd wordt door de betreffende administratie. Verzoeker heeft nooit beweerd dat zijn bedrijf geen volwaardig bedrijf zou zijn, maar heeft er wel steeds op gewezen dat omwille van een verantwoorde exploitatie een tweede afzonderlijke exploitatiezetel noodzakelijk is, meer bepaald om te voorkomen dat door het bijeenbrengen van de braadkuikens van verschillende leeftijden op één vestigingsplaats het risico op besmetting en ziekte onaanvaardbaar groot zou worden. Dit element is inherent aan het specifieke karakter van het bedrijf van verzoeker, meer bepaald aan het feit dat het een volledig zelfstandig bedrijf is, waarbij de bedrijfsleiders zelf de volledige verantwoordelijkheid dragen voor de ganse exploitatie, terwijl meer dan 90 % van de bedrijven in de sector werken in loonweek voor de grote integratiebedrijven (voornamelijk de veevoederbedrijven). Verzoeker heeft steeds gewezen op dit specifieke karakter van zijn bedrijf. De administratie heeft hier nooit oog voor willen hebben, is bij X-8506-3/17 de adviezen zelfs nooit op deze opmerkingen ingegaan. Dit is des te merkwaardiger daar de Vlaamse Executieve bij herhaling heeft verkondigd het zelfstandige en familiale veeteeltbedrijf positief te willen discrimineren. Dat het specifiek karakter van het bedrijf van concluant deze behoefte aan een extra vestigingsplaats meebrengt werd bevestigd door Ir. ZOONS, directeur van de Provinciale Dienst voor Land en Tuinbouw van de Provincie Antwerpen, en Ir. NAGELS, adviserend ingenieur bij de Provinciale administratie. Op die factor werd in het beroepschrift uitdrukkelijk gewezen (...). Aan de juistheid van dit motief kan geenszins getwijfeld worden gelet op het standpunt dat door diverse landbouwkundige en diergeneeskundige overheden werd ingenomen (...). Deze overweging is belangrijk omdat één van de andere motieven die het bestreden besluit ertoe gebracht hebben het beroep te weigeren is dat bij de andere bedrijfszetel van de exploitant nog ruimte voor uitbreiding zou zijn. Daarmee wordt het probleem dat hier aan de orde is niet opgelost en blijft het risico voor ziekte en besmetting bestaan. Het is enkel door een voldoende ruimtelijke spreiding van de stallen dat men ertoe kan komen tot aanvaardbare risico’s te komen op het vlak van de bedrijfsvoering, de gezondheid van de dieren en uiteindelijk dus ook van de consument. Het is dus een onvoldoende motief om te zeggen dat er bij de bestaande exploitatiezetel van de verzoeker (of zelfs als men het bedrijf van de vader van de exploitant erbij neemt ook bij dat bedrijf) nog kan worden uitgebreid om aan het aldus geschetste bezwaar tegemoet te komen. Vervolgens wordt in het bestreden besluit uitvoerig stilgestaan bij de vraag of in dit geval de continuïteit van het beleid wel voldoende aan de orde is gekomen en of de weigering van de aanvraag van de verzoekende partij wel consistent is met de behandeling van eerdere aanvragen voor soortgelijke bedrijven in dezelfde omgeving. Na een theoretische uiteenzetting over de principes terzake gaat het besluit dan in op de vergunning die op 30.11.92 door de gemeente Brecht op eensluidend advies van de gemachtigd(
  3. e)ambtenaar werd verleend aan de heer Johan ROMBOUTS en strekkende tot het oprichten van twee stallingen op het perceel gelegen aan het Groot Veerle, kadastraal bekend 4/ afdeling, sectie E, nrs. 280a, b en c, en 280-4. In het besluit wordt erkend dat op het ogenblik dat het vorig M.B. van 15.02.92 werd genomen nopens de eerste aanvraag van de verzoekende partij, noch de Minister, noch appellant kennis hadden van deze bouwvergunning. Bij het beoordelen van dit element gaat het bestreden besluit er eerst van uit dat de bouwvergunning niet werd verleend door de Minister en dat eventuele vergissingen van andere overheden aan de Minister niet kunnen worden aangerekend. Dit zou op zich een juiste argumentatie zijn ware het niet dat in voorliggend geval de aanvraag van de heer ROMBOUTS maar kon vergund worden op eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar van stedenbouw, dat wil zeggen de rechtstreeks ondergeschikte van de Minister bevoegd voor deze materie. De gemachtigde ambtenaar vertegenwoordig(
  4. t)het Vlaams Gewest in deze aangelegenheden even goed als de Minister dat doet, zodat bij het beoordelen van de gelijkheid van de aanvragen het standpunt van de gemachtigde ambtenaar aangerekend moet worden aan het Vlaams Gewest, even goed als het standpunt dat door de Minister wordt ingenomen. De gemachtigde ambtenaar tekent overigens uitdrukkelijk namens de Minister. Voor zoveel als nodig mag er trouwens aan herinnerd worden dat de Minister zich de bevoegdheid aanmatigt om besluiten van de gemachtigde ambtenaar, die hij in strijd acht met de wetgeving of met het algemeen belang, X-8506-4/17 in te trekken, wat er ook op wijst dat de Minister er zich niet van af kan maken door te zeggen dat de bouwvergunning aan de heer ROMBOUTS (en diegenen die daarvoor nog werden verleend aan VAN GESTEL en HENS) niet iets is dat in het kader van een gelijke behandeling ook door hem moet worden beoordeeld. Het zou alleen anders liggen wanneer een weigeringsbesluit van de gemeente zou voorliggen aangezien daar de gemeente wel een vrije appreciatie heeft (terzake dient benadrukt te worden dat de gemeente integendeel gunstig adviseerde en bij het aanvankelijke ongunstige advies van de gemachtigde ambtenaar zelf om een herziening van dit advies vroeg daar de gemeente oordeelde dat dit advies in strijd was met eerdere gunstige adviezen welke ter plaatse door de gemachtigde ambtenaar voor soortgelijke bedrijven werden verleend), maar het hoeft geen verder betoog dat het verlenen van een bouwvergunning op dit niveau in essentie bepaald wordt door het gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, gunstig advies dat, zoals hiervoor werd gezegd, evenzeer in rekening gebracht moet worden bij het Vlaams Gewest als het uiteindelijke besluit van de Minister. Vastgesteld moet worden dat dit essentieel motief van het bestreden besluit derhalve in rechte ondeugdelijk is, zodat op deze grondslag alleen reeds het M.B. dat hierbij bestreden wordt dient te worden vernietigd. In bijkomende orde (‘daarenboven’) stelt het bestreden besluit dat de bouwvergunning verleend aan Johan ROMBOUTS wel zou passen in de toen bestaande beleidsvisie daar waar dat niet het geval zou zijn met de aanvraag van de verzoekende partij. Meer bepaald wordt gesteld dat de bouwaanvraag van ROMBOUTS zou aansluiten bij een reeds bestaand bedrijf en dus de open ruimten niet, althans minder, zou aantasten daar waar dat niet het geval zou zijn voor de aanvraag van de verzoekende partij. Er dient echter te worden opgemerkt dat ook in het geval van ROMBOUTS het gaat om een bijkomende inplanting voor een nieuwe vestiging, onafhankelijk van reeds voorheen bestaande vestigingen (bepleit de administratie een nieuwe vorm van lintbebouwing ?) met daaraan verbonden inname van onbebouwde gronden. Verder meent verzoeker dat de overweging welke de administratie terzake ROMBOUTS thans naar voor brengt geen element van het dossier was op het moment dat de vergunning aan ROMBOUTS werd verleend, en ook niet op het moment dat de aanvraag van verzoeker werd beoordeeld door de gemachtigde ambtenaar. Bovendien dient te worden opgemerkt dat dit bedrijf van ROMBOUTS aldus aansluit bij het bedrijf van VAN GESTEL (eveneens gelegen te Groot Veerle, kadastraal gekend sectie E 281 L, m). Dit bedrijf werd vergund in 1989, ingevolge een gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. Op het moment dat dit bedrijf van VAN GESTEL wordt vergund is er langs de kwestieuze landbouwweg over een afstand van ongeveer 1 km. geen enkele inplanting en wordt dit bedrijf vergund ongeveer in het midde(
  5. n)van deze strook van 1 km. Waarom zou dit bedrijf van VAN GESTEL dan wel vergund geweest zijn ? In 1990 geeft de gemachtigde ambtenaar dan het eerste ongunstige advies voor de inplanting van verzoeker, waarna de gemachtigde ambtenaar in 1992 opnieuw een gunstig advies geeft voor ROMBOUTS, en daarna opnieuw een ongunstig advies aan verzoeker. Het is duidelijk dat de aanvraag van verzoeker willekeurig is behandeld en dat het continuïteits- en het gelijkheidsbeginsel werd geschonden. Er is geen enkele verklaring waarom in 1989 de vergunning aan VAN GESTEL wel kon verleend worden. Integendeel blijkt uit de vergunningen opeenvolgend verleend aan de echtgenoten HENS-KEYSERS, VAN GESTEL-FOCKAERT en ROMBOUTS dat de gemachtigde ambtenaar X-8506-5/17 deze landbouwweg een bestemming heeft gegeven voor de vestiging van bedrijven voor intensieve veeteelt. De motivering van de weigering dat het gebied voor de inplanting van bedrijven voor niet-grondgebonden intensieve veeteelt niet in aanmerking zou komen is onbegrijpelijk waar dezelfde administratie in het recente verleden zelf de inplanting aldaar heeft toegelaten van 3 verschillende bedrijven (HENS-KEYSERS, VAN GESTEL-FOCKAERT en ROMBOUTS), alle volledig gericht op de intensieve veeteelt (zonder enige grondgebondenheid). Terzake de overwegingen van het bestreden besluit om de vergunning te weigeren, voor zover deze overwegingen betrekking hebben op elementen verbonden aan de persoon van verzoeker, stelt zich bovendien de vraag of deze overwegingen de beslissing wel kunnen dragen daar de bouwvergunning verbonden is aan de grond en niet aan de persoon van de aanvrager zodat elementen welke betrekking hebben op de persoon zelf van de aanvrager niet dienstig kunnen zijn bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag”; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert wat volgt: “1. Het aangevochten besluit klaart inter alia op zeer uitgebreide en gefundeerde wijze uit waarom in casu van een schending van het gelijkheids- of continuïteitsbeginsel geen sprake kan zijn. Daarbij wordt algemeen geponeerd hoe opvattingen aangaande ruimtelijke ordening kunnen differentiëren van geval tot geval, in functie van de concreet voorliggende aanvragen, nieuwe inzichten, de tijd en daaraan gekoppeld de evolutie van de landschappelijke waarden. Het spreekt voor zich dat op een bepaald ogenblik de verdere aantasting of degeneratie van het landschap niet meer wenselijk geacht kan worden, waar dit enige tijd voordien, in andere omstandigheden, nog niet aan de orde geweest was. Concreet wordt die zienswijze ook toegepast op de voorliggende situatie, waarbij uitdrukkelijk de in de nabije omgeving verleende vergunningen in rekening worden gebracht. Zowel juridisch als feitelijk vormt het in die zin een sterk onderbouwd geheel. Op zich vormt die uiteenzetting (...) de inleiding tot het essentiële weigeringsmotief. Op p. 9 overweegt de bevoegde minister erg precies : ‘Overwegende dat betreffende grond behoort tot een schaars bebouwd, open gebied tussen Sint-Lenaarts en Westmalle, met in hoofdzaak weiden en verspreid ingeplante landbouwbedrijven; dat in dergelijk gebied, waar de bedrijfsinplantingen (al dan niet gegroepeerd) op meer dan 300 m van elkaar staan, nog steeds als een uit ruimtelijk oogpunt te beschermen, open en homogeen gebied dient te worden beschouwd; dat het inplanten van een nieuw bedrijf zij het hier een niet aan de grond gebonden bedrijf als een nieuwe bijkomende bedrijfszetel op die plaats, door het feit dat aldus de open ruimte verder wordt versnipperd, een te grote ruimtelijke weerslag op dit heden nog vrij homogeen agrarisch gebied teweegbrengt; dat het open karakter ervan verder degradeert; dat een verantwoord gebruik van de resterende agrarische gebieden, en zeker zoals hier in een homogeen agrarisch gebied noopt tot een efficiënt beheer op vlak van de ruimtelijke ordening; dat uit de gegevens blijkt dat appellant reeds een bedrijf bezit en zoals blijkt uit het eerder genomen ministerieel besluit het ouderlijk bedrijf tevens zal overnemen; dat op beide bedrijven nog voldoende ruimte voorhanden is om, rekening houdende met een goede aanleg, daar uit te breiden; dat vanuit ruimtelijk ordenend standpunt het dan ook niet verantwoord of aangewezen is elders een bijkomende zetel te bouwen; X-8506-6/17 Overwegende dat de aanvraag aldus strijdt met de goede plaatselijke ordening en bijgevolg niet voor vergunning vatbaar is; dat het beroep van de particulier dient te worden verworpen;’ Het bestreden besluit oordeelt dat de aanvraag de goede ruimtelijke ordening schendt. Overeenkomstig artikel 43 van het decreet zoals gecoördineerd op 22.10.1996 en artikel 19 van het K.B. van 28.12.1972 dient de beoordelende overheid vergunning inderdaad te weigeren indien strijdigheid met een goede ordening van de plaats wordt vastgesteld. Laatstgenoemd artikel stelt in haar laatste lid : ‘De vergunning wordt evenwel, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan slechts afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening.’ Artikel 43, §2 van het decreet legt in wezen dezelfde verplichting op. Uw Raad confirmeert dat het stedenbouwdecreet aan elke vergunningverlenende overheid de verplichting oplegt elke concrete bouwvergunningsaanvraag te toetsen aan de eisen van de goede plaatselijke ordening (...). De administratie kan en moet bij vastgestelde strijdigheid vergunning weigeren. De omstandigheid dat artikel 11 van het K.B. van 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van ontwerp-gewestplannen en gewestplannen op zich geen verdere beperkingen oplegt met betrekking tot de vestiging van landbouwbedrijven in agrarisch gebied (behoudens de afstandsregels), doet aan voornoemde stringente beoordelingsverplichting geen afbreuk. Ook ligging in een agrarisch gebied, waar in principe gebouwen als dat waarvoor thans vergunning wordt gevraagd kunnen worden vergund, houdt niet automatisch in dat deze gebouwen ook moeten worden vergund, op straffe van miskenning van artikel 43 van het decreet en artikel 19 van het K.B.. Het bestreden besluit was gehouden de gevraagde vergunning te weigeren, nu vastgesteld werd dat de ‘nieuwe bijkomende bedrijfszetel op die plaats, door het feit dat aldus de open ruimte verder wordt versnipperd, een te grote ruimtelijke weerslag op dit heden nog vrij homogeen agrarisch gebied teweegbrengt’ en ‘dat het open karakter ervan verder degradeert’. Het relatief open en ruimtelijk beschermenswaardig karakter van het gebied wordt tevoren feitelijk gemotiveerd. De aanwezigheid van dergelijk nog vrij homogeen agrarisch gebied genereert terecht de bekommernis om en de noodzaak tot ‘een efficiënt beheer op vlak van ruimtelijke ordening’. De juridische toetssteen van de goede ordening van de plaats is onbetwistbaar. Het concrete onderzoek dat geleid heeft tot de vaststelling van zulke strijdigheid is gebaseerd op feitelijk correcte gegevens en wordt op afdoende wijze weergegeven. Lezing van het besluit kan enkel tot het besluit leiden dat het weigeringsmotief zeer redelijk voorkomt. Het doorstaat de marginale toetsing. 2. De beslissingnemende minister kon binnen de hem toebedeelde discretionaire bevoegdheid perfect oordelen dat een bijkomende aantasting van het homogene landschap door een bedrijfszetel zoals gepland niet in te kaderen viel in een goede ruimtelijke aanleg van de plaats. Het bestuur heeft op dit punt een ruime appreciatiebevoegdheid. Het behoort niet aan Uw Raad zijn beoordeling in de plaats te stellen van die bevoegde administratieve overheid, wanneer uit het dossier niet blijkt dat het bestreden besluit de vrucht is van een duidelijk onredelijke beoordeling van de gegevens van de zaak (...). Tegenover de discretionaire bevoegdheid van de bestuursoverheid staat de marginale toetsing van het rechterlijk toezicht, waarbij het onredelijk of onbillijk gedrag van het betrokken administratief orgaan door de rechter kan gesanctioneerd worden, wanneer dit zo evident is dat het oordeel van de rechter met een algemeen gedeelde rechtsovertuiging overeenstemt (...). De juridische grenzen van de discretionaire bestuursbevoegdheid worden getrokken door het redelijkheidsbeginsel (...). Vertaald op het vlak van de ruimtelijke ordening betekent dit volgens Uw Raad (...) : X-8506-7/17 ‘De Raad van State mag zijn beoordeling van de eisen van de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening niet in de plaats stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State is bij de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht op een voor hem aangevochten bouwvergunning immers enkel bevoegd om na te gaan of de bevoegde overheid bij het verlenen van die vergunning is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de uitvoering van de te vergunnen bouwwerken overeenkomstig de bij de aanvraag gevoegde plannen (niet) onverenigbaar is met de eisen van een goede plaatselijke aanleg of een behoorlijke ruimtelijke ordening.’ Lezing van het bestreden besluit maakt duidelijk dat het zowel feitelijk als juridisch grondig is onderbouwd, en in die zin van grote ‘redelijkheid’ blijk geeft. A fortiori is het besluit niet kennelijk onredelijk. 3. Geoordeeld werd dat ruimtelijk een nieuwe, losstaande inplanting van dergelijke omvang niet wenselijk en zelfs niet verantwoord was. De aard van het gebied laat een verdere versnippering en landschappelijke degradatie niet meer toe. Zulks zijn correcte stedenbouwkundige motieven, die doorheen het bestreden besluit worden geëxpliciteerd. De voorgehouden ‘medische’ noodzaak tot geografisch afgescheiden uitbreiding kan aan deze bekommernis geen afbreuk doen. Zulke bedrijfseconomische motivatie om afzonderlijke bedrijfsinplanten te realiseren (risicovermindering van besmetting en ziekte) is een argument van andere orde, dat niet van aard is een coherent stedenbouwkundig beleid in haar rechtmatigheid aan te tasten. Het is stedenbouwkundig irrelevant en laat een overheid niet toe de aanwezige landschappelijke waarden op onaanvaardbare wijze ter zijde te schuiven. Vrijwaring van een goede ruimtelijke ordening vormt immers voor het op de aanvraag oordelende bestuur een dwingende verplichting. In casu was het haar plicht om eventuele uitbreiding tot de bestaande bedrijfskernen te beperken. Bovendien moet vastgesteld worden dat de minister slechts bijkomend overweegt dat op beide andere bedrijven waarvan verzoeker eigenaar is dan wel zal worden, nog voldoende ruimte voorhanden is om, rekening houdend met een goede aanleg, daar uit te breiden. Immers, los van die met de bestaande bedrijfsruimten gelieerde argumentatie, had de minister eerder gesteld : ‘Dat het inplanten van een nieuw bedrijf zij het hier een niet aan de grond gebonden bedrijf als een nieuwe bijkomende bedrijfszetel op die plaats, door het feit dat aldus de open ruimte verder wordt versnipperd, een te grote ruimtelijke weerslag op dit heden nog vrij homogeen agrarisch gebied teweegbrengt;’ Afgezien van het gegeven dat twee ander(
  6. e)bedrijfsruimten bestonden, werd geoordeeld dat de inplanting van nieuw, een niet aan de grond gebonden bedrijf op zich reeds een al te grote ruimtelijke weerslag op het gebied zou hebben en bijgevolg onaanvaardbaar was. Zulks is een correct en voldoende weigeringsmotief. De opwerping van verzoeker dat het argument aangaande de voorkeur tot inplanting bij de bestaande bedrijfskernen niet weerhouden kan worden gelet op de bedrijfseconomische (medisch-hygiënische) noodzaak tot gespreide inplanting, is niet enkel stedenbouwkundig niet-draagkrachtig, doch tevens niet dienend als zijnde kritiek op een bijkomstig motief. De opmerking van de minister dat op de bestaande bedrijfslokaties nog uitbreidingsmogelijkheden bestaan, is, naast feitelijk correct, juridisch subsidiair. Vaste rechtspraak van Uw Raad stelt in dat verband het volgende (...) Kritiek op een overtollig of bijkomend motief kan niet leiden tot vernietiging, zélfs al zou die kritiek terecht zijn (quod certe non) (...). Indien uit onderzoek blijkt dat andere overwegingen volstaan om de vergunning te weigeren, is zulke kritiek te beschouwen als kritiek op een overtollig motief, die niet tot vernietiging kan leiden (...). Middelen, of delen van middelen, X-8506-8/17 waarin dergelijke kritiek wordt geleverd zijn niet dienstig of zelfs niet ontvankelijk (...). Het motief aangaande de onverenigbaarheid van vergunningsaflevering voor een losstaande, niet-grondgebonden bedrijfsinplanting met het vrij homogeen en open karakter van het landschap is determinant. De dreigende versnippering en degradatie van het landschap staat op zich nieuwe solitaire bedrijfsgebouwen in de weg. 4. Het bestreden besluit overweegt, eveneens in bijkomende orde, dat het erg onwaarschijnlijk overkomt dat de geplande inrichting een volwaardig landbouwbedrijf betreft. Dit is een vaststelling die louter op basis van de door verzoeker verstrekte gegevens mag gedaan worden. In het administratieve beroepschrift had verzoeker immers uiteengezet dat overleven als zelfstandig kweker zeer moeilijk is en de vereiste van schaalvergroting nijpend was. Teneinde een voldoende groot bedrijf te kunnen uitbouwen zouden, mede in het licht van eerder vermelde ziektedruk, meerdere exploitatiezetels moeten opgericht worden. Verwerende partij mocht aldus terecht concluderen dat het bedrijf van verzoeker, en zeker de geplande exploitatiezetel afzonderlijk beschouwd, niet als volwaardig economisch rendeerbaar landbouwbedrijf kan functioneren. Zulks is een feitelijk correcte conclusie, die overigens niet decisief was om tot de weigering te besluiten, en waarop kritiek bijgevolg niet dienstig kan zijn in het kader van huidige vernietigingsprocedure, gelet op hetgeen hierboven is gesteld omtrent bijkomstige motieven. 5. Vervolgens voert verzoeker schending van het gelijkheids- en continuïteitsbeginsel aan, hoewel het bestreden besluit zelf reeds uitvoerig aantoonde dat in casu niet met gunstig gevolg op deze beginselen beroep kon gedaan worden. Gelet op de in de omgeving vergunde bedrijven zou slechts op straffe van schending van de gelijkheid en de continuïteit vergunning voor een nieuwe vestiging kunnen geweigerd worden. Dit is een al te vergaande vereenvoudiging van een noodzakelijkerwijze dynamisch en geconcretiseerd vergunbeleid. Elke vergunningsbeslissing waarbij een overheid zich dient te beramen over de eisen van de goede plaatselijke ordening, tracht zich, zoals de minister ook aangeeft, een opvatting te vormen aan de hand van de resultaten van planologische onderzoeken, van studies ter voorbereiding van stedenbouwkundige plannen, van detailkaarten, van orthofotoplans, van (voor)ontwerpen van plannen van aanleg, van reeds uitgebrachte adviezen, van de voorliggende plans enz.. Elke keer weer betreft het een, binnen het kader van het wettelijk voorgeschrevene, in concreto en aan de hand van de voorhanden zijnde gegevens te maken afwegingsbeslissing. Bovendien dient opgemerkt te worden dat een opvatting omtrent de eisen van de goede plaatselijke aanleg niet star en onveranderlijk dient te zijn. Ruimtelijke behoeften kunnen wijzigen, nieuwe studies of onderzoeken kunnen een juister of vollediger inzicht geven in die behoeften, waardoor soms ook de beleidsideeën of -inzichten ter zake veranderen (...). Elke overheid die advies- of beslissingsbevoegdheid heeft aangaande bouwvergunningen kan derhalve, mits zij daartoe gegronde redenen heeft, afwijken van de bestaande opvattingen omtrent de goede plaatselijke ordening(...). In een agrarisch gebied als voorliggend kunnen de eisen van de goede plaatselijke ordening variëren naargelang tijdstip en omstandigheden. Ter vrijwaring van het landschap kan bezwaarlijk volgehouden worden dat geen enkel landbouwbedrijf kan opgericht worden in een bepaald gebied, doch kan de goede plaatselijke aanleg eraan in de weg staan dat, voor nieuwe gebouwen, op tot dan toe onbebouwde percelen, een vergunning wordt afgeleverd. Bijkomende bebouwing kan immers een te vergaande en onherroepelijke versnippering van het landschap tot gevolg hebben, wat meteen ook de schoonheidswaarde van het gebied zwaar hypothekeert. Het hoeft weinig betoog dat het begrip goede ruimtelijke ordening zeker in zulke gevallen een X-8506-9/17 dynamisch en op de concrete feitelijkheid betrokken begrip is. Zo vergunningverlening eertijds geen ernstig gevaar voor al te vergaande versnippering van het landschap was, kan het dit thans, in gewijzigde plaatselijke omstandigheden, wel zijn. Weigering van vergunning ter vrijwaring van het nog vrij homogeen en open landschap houdt geen ongegronde afwijking van de inzichten op het vlak van ruimtelijke ordening in. Het betekent zelfs überhaupt niet dat de opvattingen inzake de eisen van een goede ruimtelijke ordening gewijzigd hoeven te zijn. Waar bijkomende bebouwing van dergelijke omvang in het betrokken gebied thans een al te vergaande versnippering van het landschap zou opleveren, deed het dat vroeger eenvoudig nog niet. De minister zet dit alles reeds uiteen in het bestreden besluit. Hij betrekt daarbij de in de omgeving afgeleverde vergunningen op zeer concrete wijze. De continuïteit die verzoeker aanhaalt (of het beweerde gebrek daaraan) hangt nauw samen met het gelijkheidsbeginsel, nu andere bedrijven eerder wel vergunningen hebben bekomen. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel vereist wel het bestaan van gelijke of gelijkaardige omstandigheden. Het bestreden besluit geeft nauwkeurig aan waarom de toepassingsvereisten van dit beginsel in casu niet vervuld zijn. Zowel naar de aard van bedrijvigheid als naar de op het moment van de beoordeling bestaande toestand dient een vergelijkbare situatie aanwezig te zijn. Er bestaat in een open agrarisch gebied een duidelijk onderscheid naargelang vergunning wordt gevraagd voor een grondgebonden dan wel voor een niet-grondgebonden bedrijvigheid. Ook de gewijzigde bestaande toestand sluit succesvol beroep op het gelijkheidsbeginsel uit. Nieuwe feitelijke gegevens, zoals voordien in het gebied afgeleverde vergunningen (...), kunnen nieuwe opvattingen en beslissingen verantwoorden. In casu zijn in het verleden geen voldoende vergelijkbare aanvragen vergund. In 1989 werd het bedrijf van de heer VAN GESTEL in hetzelfde agrarische gebied, doch op respectabele afstand, vergund. Op dat ogenblik was de landschapsdruk onvergelijkbaar met de thans aanwezige risico’s op versnippering. Bovendien betrof het deels grondgebonden landbouwactiviteit. De vergunning voor het bedrijf HENS- KEYSERS dateert nog van vóór die periode. In november 1992 werd het bedrijf van de heer ROMBOUTS, eveneens op respectabele afstand, vergund. Die vestiging sneed niet verder de open ruimte aan, aangezien het ingeplant werd onmiddellijk palend aan het voorheen vergunde bedrijf VAN GESTEL. Enkel werd een bestaande bedrijfskern uitgebreid, hetgeen het open en homogeen landschap niet bijkomend aantastte. Thans stond de minister voor een feitelijke situatie gekenmerkt door een toenemende landschapsdruk (hoewel het open gebied tot op heden relatief goed is bewaard), waarbij de bestaande vergunningen een feitelijk beoordelingselement vormden. Bovendien werden die vergunningen afgeleverd door andere administraties, op gemeentelijk niveau. Zo werd op 30.11.1992 vergunning afgeleverd aan de heer ROMBOUTS door de gemeente Brecht, weliswaar op eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar. Het positieve advies van genoemde ambtenaar is tot nader order niet bindend en bijgevolg niet decisief. Verzoeker meent ten onrechte dat de gemeente geen vrije appreciatie heeft. Ze heeft deze wel, hetgeen haar tot beslissingnemende overheid maakt. Het toetsen aan het gelijkheidsbeginsel kan nochtans enkel ten aanzien van beslissingen genomen door dezelfde overheid aangaande andere vergunningaanvragers (...). Het weigeringsbesluit conformeert overigens volkomen met de eerdere, gelijkaardige aanvraagweigering dd. 15.02.1993. Daarenboven kan, zoals eerder gesteld, zonder schending van het beginsel van gelijkheid of continuïteit, de overheid een stringenter ruimtelijk beleid gaan voeren. Terecht verwijst verwerende partij naar de beleidsverklaring van de Vlaamse regering zoals vertaald naar het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen dat nadien werd opgesteld. Daarin wordt o.m. gesproken over bouwvrije X-8506-10/17 agrarische zones en afgebakende agrarische bedrijvenzones. Het RSV is er mede op gericht de schaarse open ruimte zo veel als mogelijk te vrijwaren. Om alle genoemde redenen kan niet met goed gevolg beroep gedaan worden op het gelijkheids-of continuïteitsbeginsel teneinde vernietiging van de weigeringsbeslissing te bekomen. 6. Zoals reeds aangehaald zet het bestreden ministerieel besluit op omstandige wijze de redenen van haar beslissing uiteen. De formele motiveringsverplichting, verwoord in artikel 2 en 3 van de Formele Motiveringswet dd. 29.07.1991, is zonder meer vervuld. De belangrijkste bestaansreden van deze motiveringsplicht is gelegen in de beschouwing dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, onder meer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden(...). Specifiek inzake ruimtelijke ordening luidt dit (...) : ‘Aan de motiveringsplicht is voldaan wanneer de uitspraak over het bouwberoep duidelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, derwijze dat het de aanvrager mogelijk is met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen, en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen, dat hij m.a.w. kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen.’ Het hoeft weinig betoog dat die doelstelling bereikt is. Het besluit valt zelfs op door de uitzonderlijk omstandige weergave van zijn motivering. Ook de materiële motiveringsplicht is vervuld. Het besluit steunt op feitelijk correcte (...) en juridisch draagkrachtige motieven. De bevoegde minister oordeelt met kennis van zaken, door zelfs de in de omgeving afgeleverde vergunningen, evenals de eerder aan verzoeker afgeleverde vergunningsweigering, uitdrukkelijk in zijn overwegingen te betrekken. Het juridische motief van strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening wordt anderzijds afdoende toegelicht. De litigieuze beslissing is zowel formeel als inhoudelijk ruim afdoende gemotiveerd”; Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dupliceert wat volgt : “De verwerende partij bespreekt op uitvoerige wijze het middel dat door de verzoekende partij werd geformuleerd. Deze uitvoerige bespreking vangt aan met een hernemen van de motivering die in het middel wordt betwist en met een aantal algemene beschouwingen over de omvang van het toezicht dat de Raad van State vermag uit te oefenen op de motivering en de beleidsappreciatie van de overheid. * De verzoekende partij vraagt geenszins dat de Raad van State zijn beleidsoordeel in de plaats zou stellen van dat van de verwerende partij. Verzoekende partij stelt wel dat de motieven die de verwerende partij voor het besluit heeft gegeven niet afdoende zijn en niet in overeenstemming met de criteria die in dit geval hadden moeten worden gehanteerd. * Een eerste onderdeel van het middel had betrekking op de feitelijke onjuistheid in de motivering waar gesteld wordt dat het bedrijf van de verzoekende partij geen volwaardig landbouwbedrijf zou zijn en dat het dat maar zou kunnen worden mits de gevraagde vergunning zou worden toegestaan. X-8506-11/17 De verwerende partij ziet klaarblijkelijk het onjuiste van deze motivering in en poogt de daarop geformuleerde kritiek te voorkomen door te zeggen dat het hier om een overtollig middel zou gaan zodat, al ware het middel gegrond hetgeen zij wel in theorie betwist, het niet tot de gevraagde vernietiging zou kunnen leiden. De verzoekende partij onderstreept dat het wel degelijk om een in feite onjuiste motivering gaat, aangezien de verzoekende partij nooit heeft gesteld dat het bedrijf dat zij thans uitbaat geen volwaardig bedrijf zou zijn, maar dat mede gelet op de evolutie die zich in alle bedrijfssectoren en ook in deze sector voordoet, voor een goede bedrijfsvoering een tweede bedrijfszetel noodzakelijk is, mede gelet op de sanitaire problemen die zich anders zouden kunnen voordoen en juist een bedreiging voor het bestaande bedrijf zouden kunnen opleveren. Het is niet omdat een bedrijf thans volwaardig is dat het in de toekomst ook ongewijzigd zo zal kunnen blijven. De opgegeven motivering is des te meer onjuist omdat uit het gehele dossier overduidelijk blijkt dat de verzoekende partij samen met zijn echtgenote voltijds in de landbouw a(c)tief zijn en daar hun inkomen uithalen hetgeen onbegrijpelijk zou zijn als het door hen gerunde bedrijf niet een volwaardig bedrijf zou zijn. Het motief is ook geenszins een overbodig motief. In een agrarisch gebied behoren agrarische constructies thuis zoals deze waarvoor de vergunning door de verzoekende partij werd aangevraagd. Verder blijkt uit artikel 1 ten tweede van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 dat de ruimtelijke ordening ontworpen wordt zowel uit economisch-sociaal en esthetisch standpunt als met doel het natuurschoon van het Vlaamse Gewest ongeschonden te bewaren. Dat betekent derhalve dat, anders dan de verwerende partij voorhoudt, ook met de economische aspecten rekening dient te worden gehouden wanneer een bouwaanvraag wordt beoordeeld. Het is dus geenszins een overtollig motief zoals de verwerende partij voorhoudt. Integendeel het is een motief geweest dat mede het bestreden besluit draagt. In zoverre naar de opvatting van de verzoekende partij dit motief mede beslissend is geweest voor het betroffen besluit, dient op de deze grondslag alleen reeds het bestreden besluit te worden vernietigd. * Ook het antwoord op het tweede onderdeel van het middel vermag niet te overtuigen. De verwerende partij kan natuurlijk niet ontkennen dat de bestemming van het perceel volgens het Gewestplan agrarisch is en dat het gebouw waarvoor de vergunning werd gevraagd, een agrarische functie heeft wat op het eerste gezicht met zich meebrengt dat een dergelijke aanvraag voor haar vergunning in aanmerking behoort te komen. Zij beroept zich evenwel op haar opvatting van de goede ruimtelijke ordening om de vergunning toch te kunnen weigeren. De verzoekende partij had daartegen laten gelden dat bij een dergelijk oordeel de verwerende partij alleszins rekening moest houden met in het verleden afgeleverde vergunningen en derhalve een continuïteit diende in acht te nemen bij het beleid dat zij terzake voert. Ook hier merkt verzoekende partij op dat de verwerende partij een aantal theoretische bespiegelingen geeft over het continuïteitsbeginsel en de omstandigheden waaronder de overheid van het in het verleden gevoerde beleid mag afwijken. Met deze theoretische bespiegelingen kan de verzoekende partij het uiteraard eens zijn; alleen stelt zij vast dat in dit concrete geval het continuïteitsbeginsel wel degelijk geschonden werd. X-8506-12/17 Het belang van het continuïteitsbeginsel inzake ruimtelijke ordening kan blijken uit het volgende citaat : ‘De opvatting (dat) de Overheid verplicht is zich te vormen omtrent de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, moet op straffe van willekeur en miskenning van het gelijkheidsbeginsel een zekere continuïteit vertonen. Hieruit volgt dat de Overheid die op grond van artikel 45 Stede(n)bouwwet over een bouwaanvraag moet beslissen de voordien gegeven bouwvergunningen niet voor onbestaande mag houden, doch ze in haar beoordeling moet betrekken. Ze is evenwel niet verplicht om de voordien gedane beoordeling van de plaatselijke aanleg te handhaven. De beslissing van de Overheid om deze beoordeling niet te handhaven is echter slechts rechtmatig, wanneer blijkt dat de nieuwe opvatting die de Overheid huldigt omtrent de eisen van de plaatselijke aanleg resulteert uit een nieuw onderzoek van feitelijke gegevens en wanneer bovendien blijkt dat deze niet op een juist gegeven berust.’ (...) Betreffende het huidige geschil moet worden vastgesteld dat niet alleen de huidige aanvraag, maar ook een vorige aanvraag geklemd zitten tussen andere aanvragen in de onmiddellijke omgeving voor soortgelijke constructies waarbij wel een bouwvergunning werd verleend in overeenstemming met het gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar van stede(n)bouw, terwijl de aanvragen van de verzoekende partij, daarbij begrepen zowel de vorige als de huidige aanvraag, klaarblijkelijk het voorwerp van een weigeringsbesluit hebben uitgemaakt. Het feit alleen reeds dat de verschillende besproken bouwvergunnings- aanvragen zich zowel in de tijd als in de ruimte dicht bij elkaar situeren, versterkt de relevantie van het continuïteitsbeginsel in deze zaak. De verwerende partij maakt geenszins duidelijk welke feiten m.b.t. deze aanvraag van een zodanig gewicht zijn en zodanig verschillen van de vorige aanvragen dat zij niet verplicht zou zijn het reeds ingezette beleid ook in deze zaak verder te zetten en de vergunning te verlenen. De verzoekende partij heeft in het inleidende verzoekschrift uitvoerig aangetoond welke de gelijkenissen zijn tussen de vorige bouwaanvragen en de huidige aanvraag van de verzoekende partij, zowel qua ligging, aard van gebouw, inplanting, al dan niet aansluiting bij bestaande constructies, zodat het verweer dat de verwerende partij terzake gevoerd heeft geenszins aan deze elementen tegemoet komt. Nogmaals wordt benadrukt dat het bedrijf ‘VAN GESTEL’ op slechts 250 meter ligt van de inplantingsplaats van het voorwerp van de vergunningsaanvraag en dat het werd vergund in 1989. De eerste bouwaanvraag van verzoekende partij dateert reeds van 10 juni 1990. Het verwijt dat de verzoekende partij in haar middel heeft laten gelden dat het hier niet over een vrij open gebied zou gaan (de toevoeging van het adjectief ‘vrij’ duidt erop dat ook naar opvatting van de verwerende partij het niet echt om een homogeen en open landbouwgebied gaat), was ook al een bekend gegeven toen de vorige bouwaanvragen werden beoordeeld en heeft nochtans niet belet dat deze aanvragen voor inwilliging in aanmerking kwamen. Dit kan dus op zich geen reden zijn om de huidige aanvraag te weigeren. Kortom, de verwerende partij heeft in haar memorie van antwoord onvoldoende duidelijk kunnen maken waarom het beleid dat in het verleden werd gevoerd m.b.t. het beoordelen van bouwaanvragen aan het Groot-Veerle, nu voor een nagenoeg identiek dossier als waarvoor in het verleden vergunningen werden verleend, doorbroken werd. Derhalve heeft zij niet alleen de continuïteitsvereiste geschonden, maar evenzeer het in het middel aangehaalde gelijkheidsbeginsel. De burger heeft er recht op dat wanneer er een beslissing wordt gevraagd, die op zichzelf als wettelijk voorkomt, die beslissing genomen wordt op dezelfde wijze als in X-8506-13/17 soortgelijke gevallen. De verzoekende partij heeft hier geenszins iets gevraagd wat op zich onrechtmatig zou zijn of gesteund op gelijke gevallen die een onrechtmatig karakter zouden vertonen. Integendeel, de verzoekende partij is het ermee eens dat de in de zaak geciteerde vergunningen die aan anderen werden afgeleverd, als rechtmatig moeten worden beschouwd. Het enige wat zij heeft gevraagd en waarop zij recht heeft, is dat haar aanvraag op gelijke wijze zou worden behandeld, wat niet gebeurd is. Het college van burgemeester en schepenen heeft de vergunningsaanvraag van verzoekende partij positief geadviseerd. Het standpunt van de gemeente blijkt nogmaals uit de brief van 12.09.1995 waarin de gemachtigde ambtenaar verzocht wordt zijn ongunstig advies te herzien gelet op de gunstige adviezen welke hij had verleend voor ‘gelijkaardige bedrijven’ in de ‘onmiddellijke nabijheid’ (...). De gemeente wilde de vergunning verlenen; de gemachtigde ambtenaar niet en leverde een ongunstig advies af dat voor de gemeente bindend is en waarvan niet kan afgeweken worden. De verwerende partij heeft geenszins kunnen duidelijk maken dat er tussen de aanvraag van verzoekende partij en deze andere aanvragen zodanige verschillen bestaan dat het gelijkheidsbeginsel niet in beeld komt. De conclusie is derhalve dat zowel het continuïteits- als het gelijkheids- beginsel zijn geschonden. Dat de verwerende partij laat gelden dat haar oordeel over de goede ruimtelijke ordening in casu als een redelijk oordeel moet worden beschouwd, doet daaraan nu natuurlijk geen afbreuk nu precies het continuïteitsbeginsel en de eis van gelijke behandeling daarboven uitgaan. Het toekennen van een vergunning aan verzoekende partij zou betekenen dat op een afstand van 300 meter drie verschillende inplantingen van landbouw- bedrijven zouden geconcentreerd worden (zelfs vier indien men het bedrijf ‘HENS’ meetelt op 800 meter). Dit zou juist getuigen van ‘concentratie’ conform de beleidsverklaring van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen”; Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie nog laat gelden wat volgt: “(...) Verzoeker heeft er geen moeite mee dat de opvattingen over ruimtelijke ordening kunnen evolueren. Niet alleen moet die evolutie naar behoren worden gemotiveerd - en dus, waarom kan in 1989 een vergunning worden verleend aan de buren HENS - KEYSER en VAN GESTEL - FOCKAERT, en in 1990 niet aan verzoeker ? - maar ze moet zeker ook enige consistentie vertonen. Hoe is het te verklaren dat in 1992 aan de heer ROMBOUTS dan weer wel een vergunning wordt verleend ? Een zogenaamde opvatting van de ruimtelijke ordening die vergunningen mogelijk maakt in 1989 en 1992, maar niet in 1990, en in de lijn daarvan (zelfde aanvraag, zelfde omstandigheden) in 1997, is niet ernstig en discriminerend. En dat is precies wat het middel bestrijdt en daarom is het niet gericht tegen een overtollig motief. (...)”; X-8506-14/17 Overwegende dat het bestreden besluit onder meer overweegt wat volgt: “Overwegende dat betreffende grond behoort tot een schaars bebouwd, open gebied tussen Sint-Lenaarts en Westmalle, met in hoofdzaak weiden en verspreid ingeplante Iandbouwbedrijven; dat een dergelijk gebied, waar de bedrijfsinplantingen (al dan niet gegroepeerd) op meer dan 300 m van elkaar staan, nog steeds als een uit ruimtelijk oogpunt te beschermen, open en homogeen gebied dient te worden beschouwd; dat het inplanten van een nieuw bedrijf, zij het hier een niet aan de grond gebonden bedrijf, als een nieuwe bijkomende bedrijfszetel op die plaats, door het feit dat aldus de open ruimte verder wordt versnipperd, een te grote ruimtelijke weerslag op dit heden nog vrij homogeen agrarisch gebied teweegbrengt; dat het open karakter ervan verder degradeert; dat een verantwoord gebruik van de resterende agrarische gebieden, en zeker zoals hier in een homogeen agrarisch gebied, noopt tot een efficiënt beheer op vlak van de ruimtelijke ordening; dat uit de gegevens blijkt dat appellant reeds een bedrijf bezit en zoals blijkt uit het eerder genomen ministerieel besluit het ouderlijk bedrijf tevens zal overnemen; dat op beide bedrijven nog voldoende ruimte voorhanden is om, rekening houdend met een goede aanleg, daar uit te breiden; dat vanuit ruimtelijk ordenend standpunt het dan ook niet verantwoord of aangewezen is elders een bijkomende zetel te bouwen; Overwegende dat de aanvraag aldus strijdt met de goede plaatselijke ordening en bijgevolg niet voor vergunning vatbaar is; dat het beroep van de particulier dient te worden verworpen”; Overwegende dat de verzoeker de redenen waarop voormeld weigeringsmotief is gesteund, met name de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ordening, niet betwist; dat dit motief een afdoende motief is om de weigering van de gevraagde bouwvergunning wettig te verantwoorden; Overwegende dat verzoekers enig middel gericht is tegen de overwegingen van het bestreden besluit waarin wordt geantwoord op zijn beroepsargumenten in verband met het al dan niet volwaardig karakter van zijn landbouwbedrijf en het gebrek aan continuïteit en consistentie met betrekking tot eerdere aanvragen voor soortgelijke bedrijven in dezelfde omgeving, met name de bedrijven ROMBOUTS en VAN GESTEL en de daaruit voortvloeiende schending van het gelijkheidsbeginsel; Overwegende dat kritiek ten aanzien van overtollige of bijkomstige motieven niet tot vernietiging kan leiden; Overwegende dat de Raad van State zijn beoordeling van de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening niet in de plaats mag stellen van die van X-8506-15/17 de bevoegde administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht op een voor hem aangevochten bouwvergunning enkel vermag na te gaan of de bevoegde overheid bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de uitvoering van de te vergunnen bouwwerken overeenkomstig de bij de aanvraag gevoegde plannen al dan niet verenigbaar is met de eisen van de goede plaatselijke aanleg of een behoorlijke ruimtelijke ordening; Overwegende dat de omstandigheid op zich dat in de omgeving van de percelen waarvoor de gevraagde bouwvergunning werd geweigerd wel bouwvergunningen werden verleend voor gelijkaardige constructies niet zonder meer tot de conclusie moet leiden dat de beoordeling van de goede plaatselijke ordening ipso facto kennelijk onredelijk is, en het determinerende motief van het bestreden besluit derhalve onwettig; dat het voormelde weigeringsmotief afdoende is om de weigering van de gevraagde bouwvergunning wettig te verantwoorden; dat in de gegeven omstandigheden het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden; Overwegende dat het enig middel in al zijn onderdelen niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-8506-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig mei 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-8506-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.656 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.