← België

Arrest 171658 - Leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimte - 31/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.658 Rolnummer: A. 122168/X-10997 Zaak: Arrest 171658 - Leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimte - 31/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-19 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 06:44 Fiche Arrest nr 171.658 van 31 mei 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimte Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.658 van 31 mei 2007 in de zaak A. 122.168/X-10.

  1. In zake : Ignace VAN KEIRSBILCK, wonende te 8760 MEULEBEKE, Statiestraat 32, tegen :
  2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat W. MULS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Antoine Dansaertstraat 92,
  3. de gemeente PITTEM, die woonplaats kiest bij advocaat L. VAN PARYS, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ignace VAN KEIRSBILCK op 31 mei 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 maart 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Pittem waarbij de woning op een perceel gelegen te Pittem, Egemsdorpsplein 11, op de lijst van leegstaande en/of verwaarloosde woningen en/of gebouwen wordt ingeschreven op het einde van het eerste kwartaal 2002; Gelet op het arrest nr. 134.382 van 25 augustus 2004 waarbij de debatten worden heropend, en waarbij wordt bepaald dat de zaak volgens de gewone procedure wordt voortgezet; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; X-10.997-1/6 Gelet op de beschikking van 17 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker en de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 8 januari 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 26 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, van advocaat V. SCHIPPERS, die loco advocaat W. MULS verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat P. LOUAGE, die loco advocaat L. VAN PARYS verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord vraagt om buiten de zaak te worden gesteld omdat de verzoeker uitsluitend een besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Pittem aanvecht en geen enkele administratieve rechtshandeling van het Vlaamse gewest; Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat het geviseerde gebouw op 27 februari 1984 onbewoonbaar werd verklaard door de burgemeester van de gemeente Pittem; dat de verzoeker de inventaris die door AHROM werd opgemaakt niet heeft bestreden; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Pittem bij het thans bestreden besluit van 27maart 2002 een vermoedenslijst heeft vastgesteld van leegstaande en/of verwaarloosde woningen en/of gebouwen waarin verzoekers eigendom wordt vermeld; dat de eerste verwerende partij, met name het Vlaamse gewest, geen deel heeft gehad aan de totstandkoming van het aangevochten besluit; dat zij terecht vraagt om buiten de zaak te worden gesteld; X-10.997-2/6 Overwegende dat de verzoeker eigenaar is van een perceel gelegen te Pittem, Egemdorpstraat 1, kadastraal bekend Sectie B, nr 771 k (deel); dat op het perceel twee gebouwen gelegen zijn; dat bij besluit van 27 februari 1984 van de burgemeester van Pittem het oudste van de twee gebouwen onbewoonbaar werd verklaard; dat het voormelde oudste gebouw op 1 mei 1996 door AHROM werd opgenomen in de inventaris van ongeschikte en/of onbewoonbare woningen bedoeld in artikel 28, § 1, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996; dat bij het thans bestreden besluit van 27 maart 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Pittem een vermoedenslijst werd vastgesteld van leegstaande en/of verwaarloosde woningen en/of gebouwen eerste kwartaal 2002; dat voormeld gebouw van de verzoeker op die lijst werd ingeschreven; dat bij brief van 22 mei 2002 van de gemachtigde ambtenaar van de Vlaamse regering aan de verzoeker werd meegedeeld dat ambtshalve ontheffing van de heffing op de leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen werd verleend omdat uit onderzoek is gebleken dat het gebouw te Pittem, Egemsdorpsstraat 11,sinds 1 januari 1975 bij de vaststelling van het kadastraal inkomen enkel als bergplaats wordt in aanmerking genomen en de verzoeker derhalve niet als belastingplichtige kan worden beschouwd; Overwegende dat om ontvankelijk te zijn een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratieve rechtshandeling tot voorwerp moet hebben, dat onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, m.a.w. waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand dan wel zodanige wijziging te beletten; dat om ontvankelijk te zijn het beroep een handeling tot voorwerp moet hebben die zelf rechtsgevolgen sorteert en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan de verzoekende partij; dat aldus enerzijds handelingen die in de loop van een administratieve procedure door de overheid worden gesteld met het oog op de totstandkoming van een administratieve rechtshandeling, maar die zelf geen rechtsgevolgen hebben, niet voor vernietiging vatbaar zijn -de mogelijke onregelmatigheden waarmee zij zouden zijn aangetast, kunnen wel ontvankelijk worden aangevoerd in een beroep tot nietigverklaring van de eindbeslissing- terwijl anderzijds handelingen ter voorbereiding van een administratieve eindbeslissing die zelf rechtsgevolgen hebben doordat zij onmiddellijk en beslissend de inhoud van de eindbeslissing voor een deel of geheel bepalen en dus een direct en definitief nadeel X-10.997-3/6 aan de verzoekende partij berokkenen, wel afzonderlijk met een beroep tot nietigverklaring kunnen worden bestreden; Overwegende dat in casu de nietigverklaring wordt gevorderd van de vermelding door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Pittem van het gebouw van verzoeker op de lijst van leegstaande en/of verwaar- loosde woningen en/of gebouwen, bedoeld in artikel 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen; Overwegende dat het besluit van de Vlaamse regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen werd genomen in uitvoering van het decreet van de Vlaamse regering van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996; Overwegende dat uit de parlementaire voorbereiding van dit decreet blijkt dat het de bedoeling van de decreetgever is geweest door een geheel van bepalingen verkrotting, verwaarlozing en leegstand te bestrijden (Parl. St., Vl. R., 1995-1996, 147/1, p. 16); dat het decreet daartoe onder meer voorziet in een heffing die aan de eigenaars van leegstaande en/of verwaarloosde gebouwen en leegstaande, verwaarloosde, ongeschikte en/of onbewoonbare woningen wordt opgelegd (art. 25); dat de Vlaamse regering eveneens in voorkomend geval machtiging tot onteigening kan verlenen (art. 40), maatregel die is bedoeld “om op dilatoire acties te reageren” (Parl. St., Vl. R., 1995-1996, 147/1, p. 29); Overwegende dat de registratie van een onroerend goed in de inventaris van de leegstaande gebouwen en/of woningen, ongeschikte en/of onbewoonbare woningen en verwaarloosde gebouwen en/of woningen een stap is in de bij het decreet vastgelegde administratieve procedure die de voormelde maatregelen (heffing en machtiging tot onteigening) mogelijk maakt; dat de kennisgeving van de administratieve akte tot vaststelling van leegstand en/of verwaarlozing een verwittiging en een aansporing is van de betrokkenen om iets te ondernemen; dat deze akte niet rechtstreeks en onmiddellijk tot gevolg heeft dat een heffing dient te worden betaald en evenmin dat het betrokken goed zal worden onteigend; X-10.997-4/6 Overwegende dat krachtens artikel 26 van het decreet van 22 december 1995 “de heffing (...) een eerste maal verschuldigd (is) op het ogenblik dat het gebouw en/of de woning wordt opgenomen in de inventaris”; dat na deze registratie niet automatisch een heffing dient te worden betaald, vermits het bedrag van de heffing en de opcentiemen krachtens de artikelen 38 en 39 pas verschuldigd zijn nadat ze zijn ingecohierd en nadat aan de betrokken belastingplichtige het aanslagbiljet dat op straffe van nietigheid het aanslagjaar, de grondslag van de heffing, het te betalen bedrag, de berekeningswijze, het tijdstip van betaling en de formaliteiten die daarbij moeten worden nageleefd, bevat, is verzonden of, wanneer beroep werd ingesteld overeenkomstig artikel 39, § 2, nadat de beslissing van de Vlaamse regering waarbij het beroep geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, per aangetekend schrijven aan de belastingplichtige ter kennis wordt gebracht; Overwegende dat artikel 40, § 4, van hetzelfde decreet bepaalt dat “wanneer een woning en/of gebouw gedurende meer dan 4 periodes van twaalf maanden opgenomen blijft op de inventaris bedoeld in artikel 28, en de belastingplichtige nalaat de heffing te betalen” de Vlaamse regering machtiging kan verlenen om onroerende goederen die in de inventaris zijn geregistreerd ten algemenen nutte te onteigenen; dat om tot onteigening te kunnen overgaan aldus niet alleen vereist is dat een beroep op grond van artikel 39, § 2, reeds is uitgeput, maar tevens dat een machtiging tot onteigening door de Vlaamse regering is verleend; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de administratieve akte tot vaststelling van leegstand en/of verwaarlozing een louter voorbereidende handeling is zonder onmiddellijke nadelige gevolgen; dat zij niet afzonderlijk met een beroep tot nietigverklaring kan worden bestreden; dat het beroep niet ontvankelijk is, Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie vraagt om het voorwerp van zijn beroep tot nietigverklaring uit te breiden; Overwegende dat krachtens artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State het voorwerp van het vernietigingsberoep in het inleidend verzoekschrift omschreven moet worden; dat in de laatste memorie geen nieuwe vordering geformuleerd kan worden aangezien zulks onbestaanbaar is met de procedurevoorschriften die het contradictoir debat regelen; dat de vorderingen X-10.997-5/6 tot nietigverklaring die door de verzoeker in zijn laatste memorie worden ingediend derhalve als niet ontvankelijk moeten worden verworpen, BESLUIT: Artikel
  5. Het Vlaamse Gewest wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig mei 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.997-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.658 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.382 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.