id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.660 Rolnummer: A. 98265/X-9952 Zaak: Arrest 171660 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 31/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-20 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 20:04 Fiche Arrest nr 171.660 van 31 mei 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 171.660 van 31 mei 2007 in de zaak A. 98.265/X-
- In zake : de n.v. DE KOCK-VAN GELDER, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat S. VAN GEETERUYEN, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Leopold II laan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. DE KOCK-VAN GELDER op 11 december 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen, enerzijds, van het besluit van 15 januari 1997 van de gemachtigde ambtenaar, waarbij het “herstel van de plaats in de vorige staat” wordt gevorderd en, anderzijds, van het besluit van 16 juni 1997 van de gemachtigde ambtenaar, waarbij aanpassingswerken worden gevorderd voor een woning gelegen te Kampenhout, Dorpsstraat 24, op een perceel kadastraal bekend sectie E, nr. 319/a en 320/c; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-9952-1/6 Gelet op de beschikking van 21 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. MAN, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat S. BUTENAERTS, die loco advocaat S. VAN GEETERUYEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar op 15 januari 1997 het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand vordert met betrekking tot het “oprichten van twee reeksen autobergplaatsen in de tuinstrook” op grond van het op dat ogenblik geldende artikel 65, §1, eerste lid, a, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna: stedenbouwwet); dat dit de eerste bestreden beslissing is; dat de gemachtigde ambtenaar op 16 juni 1997 aanpassingswerken vordert met betrekking tot het “oprichten van (een) gebouw met zeven appartementen i.p.v. vijf appartementen” op grond van het op dat ogenblik geldende artikel 68, §1, eerste lid, b, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : coördinatiedecreet); dat dit de tweede bestreden beslissing is; Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot de rechtsmacht van de Raad van State in haar verzoekschrift betoogt dat de vordering tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand enerzijds en de vordering tot het uitvoeren van aanpassingswerken anderzijds uitgaat van de gemachtigde ambtenaar die beschouwd kan worden als een administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat de herstel- vordering en de vordering tot aanpassingswerken uitvoerbare administratieve rechtshandelingen zijn daar zij rechtsgevolgen beogen; dat de verzoekende partij verder omstandig verhaalt dat de procedure van de herstelvordering grote gelijkenissen vertoont met de procedure tot onteigening en derhalve eenzelfde X-9952-2/6 toepassing moet worden gemaakt van de rechtspraak ter zake, dat de verzoekende partij opwerpt dat zij tot op heden “nog steeds niet (werd) gedagvaard (...) voor de gewone rechter, (dat) derhalve (...) uw Raad zich (dient) bevoegd te verklaren om kennis te nemen van het annulatieberoep gericht tegen de herstelvorderingen van de gemachtigde ambtenaar, zolang de zaak niet aanhangig is gemaakt voor de gewone rechter”, dat er anders over oordelen tot gevolg zou hebben dat de verzoekende partij wordt uitgesloten “van enig verweermiddel tegen onwettige administratieve rechtshandelingen, in casu de herstelvorderingen, en dit zolang zij niet wordt gedagvaard voor de gewone rechter, en zonder dat zij ter zake een initiatiefrecht (heeft), (haar) toegekend door de grondwet en het Europees Verdrag van de rechten van de Mens, (dat) dergelijke vaststelling strijdt met het gelijkheidsbeginsel”; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord bij wege van exceptie de rechtsmacht van de Raad van State betwist om kennis te nemen van een herstelvordering; Overwegende dat de partijen in hun navolgende procedurestukken niets wezenlijks toevoegen aan hetgeen zij reeds hebben uiteengezet; Overwegende dat de eerste bestreden beslissing tot voorwerp heeft de vordering van de gemachtigde ambtenaar om de plaats in de vorige staat te herstellen op grond van het op dat ogenblik geldende artikel 65, § 1, eerste lid, a, van de stedenbouwwet; dat de tweede bestreden beslissing tot voorwerp heeft de vordering van de gemachtigde ambtenaar om aanpassingswerken uit te voeren zoals bedoeld in het op dat ogenblik geldende artikel 68, § 1, eerste lid, b, van het coördinatiedecreet; dat deze herstelvordering en aanpassingsvordering thans worden geregeld door artikel 149, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna :D.R.O.); Overwegende dat artikel 149 D.R.O., zoals van toepassing op het ogenblik van het instellen van het beroep, luidt als volgt : “§
- Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel146, werden uitgevoerd. Indien deze inbreuken X-9952-3/6 dateren van voor 1 mei 2000 is voorafgaand een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist; (...) §
- De herstelvordering wordt bij het parket ingeleid bij gewone brief, in naam van het Vlaamse Gewest of van het college van burgemeester en schepenen, door de stedenbouwkundige inspecteurs en de aangestelden van het college van burgemeester en schepenen. §
- Wanneer wordt geopteerd voor de vordering van bouw- of aanpassingswerken en/of de betaling van een geldsom gelijk aan de meer- waarde, dient deze vordering uitdrukkelijk te worden gemotiveerd vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening, de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en de ernst van de overtreding. Bij een vordering tot betaling van een geldsom gelijk aan de meerwaarde, vermeldt de stedenbouwkundig inspecteur of het college van burgemeester en schepenen of aan het goed nog instandhoudings- of onderhoudswerken, die betrekking hebben op de stabiliteit, zoals bedoeld in artikel 195bis, 3/, mogen worden uitgevoerd. §
- De vordering vermeldt minstens de geldende voorschriften, en een omschrijving van de toestand voorafgaand aan het misdrijf. Een recent uittreksel uit het plannenregister wordt bijgevoegd. De Vlaamse regering kan extra voorwaarden bepalen waaraan de brief, vermeld in § 2, eerste lid, en het bijgevoegde dossier moeten beantwoorden. (...)”; Overwegende dat de vorderingen van de gemachtigde ambtenaar tot herstel in de vorige toestand enerzijds en aanpassingswerken anderzijds maatregelen zijn van burgerlijke aard die tot de strafvordering behoren; dat het tot de bevoegdheid van de rechter van de rechterlijke macht behoort de vorderingen bedoeld in artikel 149 op hun externe en interne wettigheid te toetsen en te onderzoeken of ze stroken met de wet, dan wel of ze op machtsoverschrijding berusten; dat de rechtsmacht van deze rechter die van de Raad van State uitsluit; dat de door de verzoekende partij gemaakte vergelijking met de rechtsmacht van de Raad inzake onteigeningsbesluiten en machtiging tot onteigening niet opgaat; dat de procedure inzake de herstelvordering geen twee van elkaar te onderscheiden administratieve en gerechtelijke fases kent; dat immers, in tegenstelling tot de procedure in onteigeningen, de afdoening van de herstelvordering buiten de rechter om, bij wijze van minnelijke schikking tussen de bestuurlijke overheid en de overtreder van de strafwet en voor elke gerechtelijke handeling, niet wettig mogelijk is; dat ook de omstandigheid dat de strafrechter nog niet is geadieerd en de herstelvordering en de aanpassingsvordering afhankelijk zijn van de beslissing van het parket om het misdrijf al dan niet te vervolgen, op zich niet volstaat om tot de rechtsmacht van de Raad van State te besluiten; dat het de Raad van State niet toekomt van het beroep tot nietigverklaring van de herstelvordering en de aanpassingsvordering kennis te nemen; dat de exceptie van de verwerende partij ten aanzien van de bestreden beslissingen gegrond is; X-9952-4/6 Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift vraagt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof : “Zijn de artikelen artikel 14 (sic) van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State in strijd met de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet op zichzelf gelezen en in samenhang met artikel 6 E.V.R.M., in de mate dat voormelde artikelen de toegang ontnemen aan de rechtsonderhorige om een vordering tot vernietiging in te stellen tegen de beslissing van het College van burgemeester en schepenen of van de gemachtigde ambtenaar om een bepaalde herstelvordering te vorderen ten aanzien van die rechtsonderhorige, zelfs indien deze herstelvordering nog niet aanhangig werd gemaakt door middel van een dagvaarding bij een andere rechtbank, en zodat de rechtsonderhorige, zolang de herstelvordering nog niet werd ingeleid bij de bevoegde rechtbank, zonder enig verweermiddel wordt gelaten teneinde de wettigheid van de herstelvordering aan te vechten, daar waar artikel 14 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State de toegang niet ontneemt aan de rechtsonderhorigen tot het instellen van een vordering tot vernietiging van onteigeningsmachtigingen, zolang de onteigenende overheid de gerechtelijke procedure voor de Vrederechter niet heeft aangevat, en ofschoon de beslissingen inzake onteigening een volledig vergelijkbare dreiging ten aanzien van de prerogatieven van het eigendomsrecht met zich brengen, als de herstelmaatregel zoals bedoeld in artikel 65 stedebouwwet en artikel 68 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996?”; Overwegende dat op dit verzoek niet moet worden ingegaan; dat immers krachtens artikel 26, § 2, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, het betrokken rechtscollege niet gehouden is een prejudiciële vraag te stellen, wanneer de uitspraak van het betrokken rechtscollege vatbaar is voor hoger beroep, verzet, voorziening in cassatie of beroep tot vernietiging bij de Raad van State, doch enkel wanneer het Grondwettelijk Hof een vraag met hetzelfde onderwerp reeds heeft beantwoord, het antwoord niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen of de betrokken grondwetsbepalingen klaarblijkelijk niet geschonden worden; dat te dezen de Raad van State bij zijn uitspraak niet gehouden is de prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, aangezien die prejudiciële vraag zijn rechtsmacht betreft en zijn beslissing hierover vatbaar is voor een voorziening in cassatie overeenkomstig artikel 158 van de Grondwet en de artikelen 33 en 34 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en de betrokken grondwetsbepalingen om de hiervoor vermelde redenen klaarblijkelijk niet geschonden worden, X-9952-5/6 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig mei 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9952-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.660 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div