id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.773 Rolnummer: A. 181217/IX-5573 Zaak: Arrest 171773 - Politie - 04/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-15 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 20:10 Fiche Arrest nr 171.773 van 4 juni 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 171.773 van 4 juni 2007 in de zaak A. 181.217/IX-
- In zake : Herman ROGGEMAN, die woonplaats kiest bij advocaat C. FLAMEND, kantoor houdende te MEISE, Vilvoordsesteenweg 101 tegen : de stad AALST, die woonplaats kiest bij advocaat H. LIEVENS, kantoor houdende te GENT, Paul Fredericqstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Herman ROGGEMAN op 20 februari 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van de beslissing van 22 december 2006 van de zonechef van de lokale politiezone Aalst waarbij hij bij ordemaatregel herplaatst wordt naar de dienst “kantschriften”, evenals van de beslissing van 16 januari 2007 waarbij de zonechef de voornoemde beslissing bevestigt; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 4 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 april 2007; IX-5573-1/15 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. FLAMEND, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat H. LIEVENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gezien de bijkomende nota van de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De feiten. 1.
- Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone Aalst. Hij was daar tewerkgesteld bij de dienst recherche. 1.
- Blijkens het administratief dossier vond op 8 juni 2004 een functioneringsgesprek plaats over verzoekers functioneren binnen de cel “zeden- verdwijningen”. De werkafspraken toen waren onder meer dat verzoeker bij het verhoor van slachtoffers van zedenfeiten bijzondere aandacht zou schenken aan zijn verbaal en non-verbaal gedrag ten opzichte van burgers, dat dienstverwisseling, aanvraag van verlof en terugname van overuren vooraf en tijdig ter kennis zou worden gebracht aan de verantwoordelijke hoofdinspecteur en dat privé en werk duidelijk van elkaar gescheiden dienden te worden. 1.
- Met een nota van 17 maart 2006 brengt de zonechef, met verwijzing naar een aantal feiten waarbij “de vigerende regelgeving in verband met het melden van syndicaal verlof niet werd nageleefd”, verzoeker formeel ter kennis dat, bij niet naleving van de bedoelde regelgeving, de uren die hij ingevolge syndicale activiteiten afwezig blijft op zijn dienst zullen geregistreerd worden als “recup”. Hij wordt aangemaand de stavingsdocumenten voor te leggen aan zijn functionele meerdere. IX-5573-2/15 1.
- Op 29 maart 2006 heeft een planningsgesprek plaats tijdens hetwelk met betrekking tot verzoekers functie van rechercheur (team “zeden”) een aantal operationele en individuele doelstellingen worden vastgelegd. Verzoeker gaat ermee akkoord. 1.
- Blijkens de neerslag van een functioneringsgesprek, dat op 6 september 2006 plaatsvindt, wordt de reden tot “het minder functioneren (van verzoeker) binnen de recherche” besproken, alsmede zijn “verandering van attitude ten opzichte van de andere rechercheurs en leidinggevende binnen de recherche”. Verzoeker wijt zulks aan relatieproblemen met zijn echtgenote, die samen met hun kind de woning verliet, en beseft hij dat zulks consequenties heeft op zijn werk de laatste maanden. De korpsleiding beslist verzoeker te verplaatsen van sectie binnen de recherche, met name van de sectie “zeden en verdwijningen” naar de sectie “financiële en vreemdelingen”, waar hij het deelaspect “schijnhuwelijken” te verwerken krijgt. Verzoeker vindt zich daarmee gestraft omdat hij moeilijke en complexe financiële dossiers prefereert, terwijl hij toch uitgekeken was op de materie “zeden” nu hij daar geen uitdaging meer in vond. Er wordt hem duidelijk gemaakt dat hij de eerste maanden strikt zal opgevolgd worden. Als werkafspraak wordt onder meer genoteerd dat verzoeker werk en privé strikt van elkaar zal scheiden om zijn emotionele stabiliteit te herwinnen, dat hij de eerste maanden de schijnhuwelijken binnen de recherche zal opvolgen, dat het hem verboden is om de eerste maanden alleen buiten te gaan op onderzoek en dat hij het nodige moet doen om vertrouwen te winnen van zijn oversten zodat hij op termijn meer zelfstandig ook andere dossiers binnen de sectie kan behandelen. 1.
- Met een brief van 11 september 2006 bezorgt de procureur des Konings te Dendermonde een afschrift van de processen-verbaal inzake de verdwijning van verzoekers echtgenote aan de zonechef. In die brief wordt gesteld dat uit de navolgende processen-verbaal blijkt dat verzoeker zich op ontoelaatbare wijze in het onderzoek heeft gemengd en dat er toestemming wordt verleend om de bezorgde stukken desgevallend aan te wenden in een eventueel tuchtrechtelijk onderzoek. Met een brief van 15 september 2006 deelt de procureur des Konings aan de zonechef mee dat hij via de raadsman van verzoekers echtgenote vernomen heeft dat verzoeker zijn echtgenote, ondanks een door de vrederechter uitgevaardigd verontrustingsverbod, toch lastigvalt en haar “stalkt”. Met een brief van 18 september 2006 bezorgt de procureur des Konings een afschrift van een proces- verbaal van de lokale politie Turnhout aan de zonechef. In die brief wordt gesteld IX-5573-3/15 dat uit voornoemd proces-verbaal blijkt dat verzoeker gemeend heeft zijn “privé- onderzoek” te kunnen voeren in het kader van de verdwijning van zijn echtgenote, dat zijn handelwijze deontologisch totaal onaanvaardbaar is, en dat er toestemming wordt verleend om de bezorgde stukken desgevallend aan te wenden in een eventueel tuchtrechtelijk onderzoek. 1.
- Op 3 oktober 2006 beslist de zonechef bij wege van maatregel van inwendige orde dat, ter voorkoming van onveilige situaties, de aan verzoeker toevertrouwde dienstwapens voorlopig worden ingehouden tot op het ogenblik dat hij in staat is om er veilig mee om te gaan en dat verzoeker tot nader bericht enkel binnendienst mag verrichten. 1.
- Op 24 oktober 2006 richt hoofdinspecteur DE COCK, dienst recherche, afdeling “zeden/verdwijningen”, een nota aan de zonechef waarin hij onder meer stelt dat de manier waarop verzoeker zijn familiale situatie naar de dienst toe etaleert zijn handelen tijdens het werk beïnvloedt, dat de bereidwilligheid tot samenwerking met verzoeker sterk verzwakt tot onbestaande is en dat hij door de lastens hem genomen maatregelen niet in staat is om op een behoorlijke manier deel te nemen aan de normale dienstregeling van de dienst. Op 26 oktober 2006 richt hoofdinspecteur LIEBAUT, hoofd van de sectie financiële onderzoeken, een nota aan de zonechef waarin hij stelt dat verzoekers labiel gedrag, het feit dat niemand binnen de recherche met hem wil werken, zijn ondermaatse werkprestaties in de maand september, de maatregelen genomen naar aanleiding van het functioneringsgesprek begin september (verbod om buiten zijn werkplaats onderzoeken te doen) en het niet kunnen herwinnen van het vertrouwen dat hij in principe moet uitstralen, zijns inziens tot de vaststelling leiden dat verzoeker niet “het prototype is van een gedegen rechercheur en ploegspeler binnen de recherche”. Eveneens op 26 oktober 2006 richt de verantwoordelijke van de drugsectie een nota aan de zonechef waarin hij onder meer stelt dat de verstandhouding met verzoeker binnen de recherche “niet geheel spontaan” kan genoemd worden, dat de samenwerking met zijn dienst minimaal is wat veelal te maken heeft met het karakter van verzoeker, dat hij het moeilijk heeft om in groepsverband te functioneren en weinig rekening houdt met de meningen en verzuchtingen van collega’s, en dat het ingevolge zijn wisselende IX-5573-4/15 gemoedsgesteldheid niet aan te raden is om samen met hem een onderzoek te voeren. 1.
- Met een brief van 31 oktober 2006 deelt de procureur des Konings aan de korpschef mee dat verzoeker “recent in een paar dossiers op een weinig professionele manier is opgetreden” en dat hij door zijn houding het vertrouwen dat de parketmagistraten normaliter in een lid van de lokale recherche hebben, geschonden heeft. 1.
- Op 16 november 2006 richt het diensthoofd van de lokale recherchedienst een uitgebreide nota aan de zonechef waarin hij vraagt dat verzoeker binnen de kortst mogelijke termijn uit de lokale recherche zou gezet worden, “gezien alle reeds uitgevoerde stappen, die mogelijk zijn binnen de dienst, geen resultaat opleveren”. In die nota : - wordt onder een luik “professioneel” gesteld dat een aantal oude dossiers werden overgedragen aan de andere leden van de sectie zeden/verdwijningen en dat toen bleek dat een aantal dossiers op een zeer gebrekkige manier behandeld waren hetgeen het vertrouwen van het parket van de procureur des Konings in verzoeker zwaar geschokt had evenals dat van zijn oversten en collega’s in de recherchedienst; - wordt onder een luik “gedrag en karakter” onder meer gewezen op het labiel emotioneel gedrag dat verzoeker sinds zijn echtelijke problemen vertoont, op het feit dat, bij zijn verplaatsing binnen de recherchedienst, geen enkel sectiehoofd met hem wenste samen te werken wegens zijn karakter en gedrag en op het feit dat hij in dat gedrag volhardt; - wordt onder een luik “voorgaanden” verwezen naar de gevoerde functionerings- en planningsgesprekken; - komt de opsteller tot het besluit dat verzoeker “een storende factor is geworden” binnen de dienst, dat hij door zijn gedrag zorgt voor een slechte verstandhouding, dat dit gedrag zwaar doorweegt op het functioneren van de dienst en dat hij door zijn optreden in zeer aanzienlijke mate de vertrouwensrelatie met de gerechtelijke overheid schaadt. 1.
- Met een brief van 23 november 2006 deelt de onderzoeksrechter te Dendermonde aan de zonechef mee dat verzoeker in een bepaald dossier onvolkomenheden in zijn onderzoek heeft begaan waardoor zijn eigen onderzoek mogelijk ernstig wordt gehypothekeerd. Hij verzoekt met aandrang aan verzoeker IX-5573-5/15 onder geen beding nog enige verantwoordelijkheid van welke aard dan ook in dit dossier te geven. 1.
- Op 24 november 2006 verleent de procureur des Konings toelating om twee dossiers met betrekking tot verdwijningen in te zien en die dossiers te gebruiken voor het nemen van een administratieve maatregel jegens verzoeker. 1.
- Met een op 24 november 2006 gedateerde nota deelt de zonechef aan verzoeker mee dat hij, teneinde de goede werking, de naam van en het vertrouwen in de lokale opsporingsdienst te herstellen, het voornemen heeft hem de ordemaatregel “herplaatsing” op te leggen, van de lokale opsporingsdienst naar de dienst “kantschriften”. Verzoeker wordt in de mogelijkheid gesteld een verweer- schrift in te dienen en gehoord te worden. Het voornemen tot herplaatsing wordt uitvoerig gemotiveerd. 1.
- Op 1 december 2006 dient de syndicaal verdediger van verzoeker een nota in. Op 8 december 2006 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn verdediger, gehoord. 1.
- Met een op 22 december 2006 gedateerde nota, die verzoeker nog dezelfde dag voor kennisname ondertekent, deelt de zonechef aan verzoeker mee dat hem, met het oogmerk de goede werking, de naam van en het vertrouwen in de lokale opsporingsdienst te herstellen, met ingang vanaf 1 januari 2007, de ordemaatregel “herplaatsing” wordt opgelegd van de lokale opsporingsdienst naar de dienst “kantschriften”. In de beslissing wordt uitvoerig ingegaan op het verweer van verzoeker en er wordt voorts verduidelijkt dat de maatregel geen verkapte tuchtstraf is maar het herstellen van de goede werking van de lokale opsporingsdienst beoogt en dat hij het gevolg is van verzoekers gedrag en functioneren én van de gevolgen daarvan. De korpschef besluit dat de genomen maatregel noodzakelijk is om aan de bestaande problematiek een einde te stellen en dat verzoeker daarmee de kans krijgt om het vertrouwen van de korpsleiding en de collega’s terug te winnen en zijn ervaring als lid van de lokale recherchedienst ten volle te benutten. IX-5573-6/15 Deze beslissing van de zonechef maakt het eerste voorwerp uit van de onderhavige vordering tot schorsing. 1.
- Naar aanleiding van de beslissing van 22 december 2006, vraagt de nationaal voorzitter van het NSVP, waarvan verzoeker syndicaal afgevaardigde is, op basis van artikel 62 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 een buitengewone vergadering aan van het basisoverlegcomité (BOC) waaronder verzoeker ressorteert. Op 11 januari 2007 komt het BOC bijeen. De NSPV adviseert dat de herplaatsing moet ingetrokken worden. De andere vakbonden stellen dat zij zich principieel kanten tegen elke gedwongen herplaatsing wanneer deze ook maar iets te maken heeft met de syndicale activiteiten van het betrokken personeelslid, maar dat zij zich in casu niet over de ordemaatregel kunnen uitspreken, vermits zij niet op de hoogte zijn van het tuchtdossier. Er wordt geconcludeerd dat de bevoegde overheid zich zo spoedig mogelijk zal uitspreken over het al dan niet handhaven van de opgelegde ordemaatregel, en haar beslissing schriftelijk ter kennis zal brengen van het betrokken personeelslid. 1.
- Met een op 16 januari 2007 gedateerde en op 17 en 19 januari 2007 ter post aangetekend verzonden brief deelt de zonechef aan verzoeker mee dat hij de herplaatsing die hij op 22 december 2006 aan verzoeker oplegde, bevestigt. De beslissing van 16 januari 2007 van de zonechef maakt het tweede voorwerp uit van de onderhavige vordering tot schorsing. De ontvankelijkheid.
- In haar nota met opmerkingen voert de verwerende partij aan dat de bestreden beslissing tot herplaatsing een maatregel van inwendige orde is die de juridische situatie van verzoeker niet wijzigt en die geen verdoken tuchtmaatregel is, zodat de vordering ratione materiae onontvankelijk is.
- In het kader van de onderhavige vordering tot schorsing wijdt de Raad van State geen onderzoek aan de ontvankelijkheid van de vordering, aangezien er reden is om ze te verwerpen op grond van de vaststelling dat niet voldaan is aan een van de vereiste grondvoorwaarden. IX-5573-7/15 De procedure
- De raadsvrouw van verzoeker legt ter terechtzitting een bijkomende nota neer. De verwerende partij verzet zich tegen dergelijke nota. De procedure in kort geding voorziet niet in de mogelijkheid om schriftelijk te reageren op het auditoraatsverslag. De nota wordt buiten de debatten gehouden. De bijkomende stukken die verzoeker neerlegt zijn blijkbaar verkregen door de -recent mogelijk geworden- inzage van het tuchtdossier dat tegen verzoeker opgestart is. Daargelaten de vraag of deze stukken inhoudelijk wel relevant zijn voor deze zaak, wordt de voeging bij het dossier ervan toegelaten. De voorwaarden voor de schorsing
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht. Volgens hem is de beslissing een verkapte tuchtstraf, waaraan zijn syndicale activiteiten niet vreemd zijn. In ieder geval is de beslissing tot herplaatsing genomen op grond van feiten die zijn persoonlijk gedrag betreffen maar die de korpschef niet voor terdege bewezen kon houden. Het voorstel van herplaatsing verwijst naar
(1)het functioneringsgesprek van 8 juni 2004, maar dergelijk gesprek kan moeilijk dienen voor een herplaatsing in januari 2007, naar
(2)een interne nota van 17 maart 2006 omtrent afwezigheden, maar hoofdinspecteur DECOCK was steeds op voorhand op de hoogte en de dienst planning was ook verwittigd van zijn nakende afwezigheden voor syndicale activiteiten, naar
(3)een planningsgesprek van 29 maart 2006 waarin alleen doelstellingen worden geformuleerd, zonder kritiek te leveren op het verleden, naar
(4)een functioneringsgesprek van 6 september 2006 waarna hij binnen de dienst recherche werd overgeplaatst naar de financieel-economische cel, maar die functiewijziging was niet bedoeld om hem te motiveren of om hem toe te laten opnieuw het vertrouwen te winnen, maar enkel omdat hijzelf een nieuwe IX-5573-8/15 uitdaging zocht, naar
(5)de beslissing van 3 oktober 2006 om hem zijn individuele dienstbewapening te ontnemen die nu wordt voorgesteld als een soort sanctie terwijl het een gebruikelijke maatregel is om politieambtenaren die met depressies kampen of het moeilijk hebben met bepaalde gebeurtenissen tijdelijk hun wapen in te houden om ongevallen te vermijden, naar
(6)de verklaringen van de celverantwoordelijken, maar dat blijkt te gaan om documenten opgesteld in het kader van een intentieproces, gelet op het feit dat zij met een tussenpoos van enkele dagen opgesteld zijn, dat er voorheen geen klachten over hem waren en er enkel algemeenheden in vermeld zijn en naar
(7)brieven van de procureur des Konings, de onderzoeksrechter en van het hoofd van de dienst recherche met betrekking tot het gebrekkig afwerken van hem toevertrouwde dossiers, maar de desbetreffende dossiers zijn niet bij het dossier omtrent zijn herplaatsing gevoegd en hij weet dan ook niet op welke precieze feiten de klagers doelen. Een en ander toont aan dat de feiten waarop het bestreden besluit steunt niet bestaan of minstens onvoldoende bewezen zijn. Bovendien is de getroffen maatregel niet de minst ingrijpende, aangezien hij reeds enkele weken in de cel financiën-economie werkte en de facto niet meer omging met de collega’s van de zedencel. In die zin is de bestreden beslissing onredelijk omdat zij hem meer schade berokkent dan nodig.
- De verwerende partij betoogt in haar nota met opmerkingen dat de bestreden beslissing geen tuchtsanctie is en dat zij steeds tegengesproken heeft dat de syndicale activiteiten van verzoeker er mede aan ten grondslag liggen. Zij stelt voorts : - Het functioneringsgesprek van 8 september 2004 geeft de context aan doordat eruit blijkt dat het gedrag en de houding van verzoeker toen reeds problemen stelde. - De nota van 17 maart 2006 is opgesteld omdat verzoeker frequent afwezig was op de dienst. Zij bevat geen opmerking over de syndicale activiteiten van verzoeker, maar over het correct aanvragen en plannen van het verlof of de dienstvrijstelling. - Het planningsgesprek van 29 maart 2006 verwijst niet naar fouten maar zet uiteen welke houding en gedrag van verzoeker verwacht wordt. - Het functioneringsgesprek van 6 september 2006 toont duidelijk aan dat het gedrag en de houding van verzoeker voor moeilijkheden zorgde binnen de recherche en dat verzoeker die moeilijkheden kende. De wijziging van het takenpakket kadert in een aantal praktische afspraken om hem binnen de dienst recherche beter te laten functioneren en hem opnieuw te motiveren. IX-5573-9/15 - De inhouding van het dienstwapen van verzoeker is nooit als een sanctie voorgesteld. Uit het bijgevoegd verslag blijkt dat de maatregel het gevolg was van bepaalde uitingen van het gedrag van verzoeker. - Het voorstel tot herplaatsing bevat een overzicht van verklaringen van de verantwoordelijken van verschillende werkcellen. De daarin opgenomen feiten zijn niet algemeen en vaag, maar duidelijk opgesomd en toegelicht. Aangezien de verschillende cellen binnen dezelfde ruimte werken, is het van geen belang wanneer de verslagen opgemaakt zijn. De dienstplanning houdt geen rekening met de vraag of de collega’s wel met verzoeker wensten samen te werken. - De brieven van de procureur des Konings en van de onderzoeksrechter zijn duidelijk het gevolg van het gedrag van verzoeker. De procureur gaf inderdaad de toestemming om de onderliggende strafdossiers in te zien, maar het was niet de bedoeling om met de bestreden beslissing verzoeker te straffen voor foutieve handelingen; enkel de goede werking van de dienst was de drijfveer. - De herplaatsing is wel degelijk de minst ingrijpende maatregel om het beoogde doel -het herstel van de goede werking van de dienst- te bereiken.
- Het bestreden besluit stelt uitdrukkelijk dat het niet de bedoeling is een uitspraak te doen over eventuele fouten of tekortkomingen van verzoeker, maar dat de herplaatsing van verzoeker uitsluitend genomen is met het oog op het herstellen van de goede werking en de goede naam van de lokale opsporingsdienst. Verzoeker poneert dat zijn overplaatsing wel degelijk een tuchtstraf is, maar hij laat na concrete gegevens voor te leggen die, in hun overeenstemming, de ongeoorloofde bedoeling van het bestuur aantonen.
- In het voorstel tot herplaatsing van 24 november 2006 wordt herinnerd aan een aantal stappen die in het verleden werden gezet om verzoeker erop te wijzen dat zijn gedraging binnen de dienst bijsturing vereiste. Het valt niet te ontkennen dat het relaas van het functioneringsgesprek van 8 juni 2004, de nota van 17 maart 2006, het planningsgesprek van 29 maart 2006, het functioneringsgesprek van 6 september 2006 en de maatregel van 3 oktober 2006 om verzoeker zijn individuele bewapening te ontnemen verband houden met het persoonlijk gedrag van verzoeker en met de wijze waarop hij zich binnen de dienst gedraagt. Daarnaast wordt melding gemaakt van een aantal “nieuwe gegevens” - verklaringen van de celverantwoordelijken binnen de dienst recherche, brieven van de procureur des Konings, en van de onderzoeksrechter en de nota van het hoofd van de dienst recherche- waaruit moet blijken dat verzoeker onvoldoende IX-5573-10/15 inspanningen levert om de gevolgen van zijn gedrag en zijn persoonlijkheid op de werking van de dienst te beperken of weg te werken en dat de positie van verzoeker binnen de lokale opsporingsdienst niet langer houdbaar is. Een en ander laat toe te stellen dat de nieuwe gegevens de echte grondslag vormen voor het bestreden besluit en dat de historische gegevens -waarvan verzoeker overigens de juistheid niet wezenlijk betwist- enkel vermeld zijn om deze nieuwe gegevens in een ruimer kader te plaatsen en ze aldus te accentueren.
- Verzoeker stelt dat de verklaringen van de celverantwoordelijken slechts algemeenheden bevatten. Die stelling wordt niet bijgevallen: Er wordt duidelijk uiteengezet welke houding verzoeker tentoonspreidt op de dienst en waarom die houding niet acceptabel is. Verzoeker betwijfelt de juistheid van dezelfde verklaringen omdat zij ongeveer tegelijkertijd, met een tussenpoos van enkele dagen, zijn opgesteld, omdat het hoofd van de cel financiën zijn verklaring aflegde toen hij nog maar enkele weken in die cel werkte en omdat de verklaring van het hoofd van de cel zeden slechts opgemaakt is toen hij deze cel reeds verlaten had. Die toevalligheid is niet van aard om aan de vermelde gegevens bewijswaarde te ontnemen. In hun samenhang tonen deze verklaringen duidelijk aan dat er een vertrouwensbreuk was ontstaan tussen verzoeker en de leidinggevenden van de recherchedienst en geven zij duidelijk en concreet aan dat de gedrags- en persoonlijkheidskenmerken van verzoeker de oorzaak zijn van de verstoring van de orde en de goede werking binnen de lokale opsporingsdienst. Terecht heeft de korpschef uit een en ander kunnen opmaken dat, wegens de gedragingen die hij tentoonspreidde, de positie van verzoeker binnen de recherchedienst niet langer houdbaar was.
- Een ander “nieuw gegeven” dat door de korpschef in aanmerking genomen is, heeft betrekking op brieven van de procureur des Konings te Dendermonde waarin enerzijds vermeld is dat verzoeker zich in een bepaald dossier -de procureur verwijst duidelijk naar “de verdwijning van zijn echtgenote”- “op ontoelaatbare wijze gemengd heeft in dit onderzoek” en dat zijn optreden in die zaak “deontologisch totaal onaanvaardbaar is” en anderzijds dat verzoeker “recent in een paar dossiers op een weinig professionele manier opgetreden is” waaruit hij afleidt dat verzoeker “door zijn houding het vertrouwen dat de parketmagistraten IX-5573-11/15 normaliter in een lid van de lokale recherche hebben, geschonden heeft”. De brief van de onderzoeksrechter van 23 november 2006, die verwijst naar een van die dossiers, sluit daarbij aan. Ook de nota van 16 november 2006 van diensthoofd VAN DER SNICKT van de zedencel behandelt het onzorgvuldig optreden van verzoeker in de dossiers waarop de procureur des Konings zijn beslissing steunt; met name wordt daar concreet aangegeven welke fouten verzoeker in die dossiers begaan heeft. Gezamenlijk genomen houden die stukken het bewijs in dat verzoeker inderdaad het vertrouwen van de gerechtelijke overheden verloren heeft. Zij tonen ook aan dat terecht vragen gesteld konden worden bij de prestaties van verzoeker en dat de procureur des Konings redenen had om tot een vertrouwensbreuk te besluiten. Verzoeker betwist overigens de conclusie van de procureur des Konings niet. Hij stelt wel dat hij de dossiers waarop de procureur doelt niet heeft kunnen inzien en de verwerende partij betwist dat niet. Ter terechtzitting insisteert de raadsvrouw van verzoeker op dat gebrek aan kennisneming en vestigt zij de aandacht op het feit dat verzoeker daardoor de fouten die hij zou gemaakt hebben, niet kon duiden. Aangezien evenwel in de nota van 16 november 2006 wordt uiteengezet in welke dossiers verzoeker een aantal fouten begaan heeft, kon verzoeker zonder veel moeite achterhalen waarop zijn gelaakt onprofessioneel optreden betrekking had en maakt het nog maar weinig uit of hij de gerechtelijke dossiers zelf heeft kunnen inkijken. Ook kan de korpschef bijgevallen worden waar hij in het bestreden besluit vermeldt dat de kennisneming van de dossiers waarin verzoeker fouten zou hebben begaan, ten aanzien van het treffen van de hier bestreden ordemaatregel eigenlijk geen relevantie vertoont, aangezien het besluit geen uitspraak doet over het al dan niet begaan van een fout of een tekortkoming. De korpschef kon derhalve, steunend op de mededeling van de procureur des Konings en de onderzoeksrechter, waaromtrent het verslag van diensthoofd VAN DER SNICKT hem concrete verduidelijking gaf, terecht stellen dat verzoeker het vertrouwen van de gerechtelijke overheden verloren had.
- Verzoeker stelt dat de maatregel onredelijk is omdat hij hem nodeloos schade berokkent nu hij toch reeds sinds september 2006 uit de zedencel verwijderd was. Hij verliest daarbij uit het oog dat, onder meer wegens de opmerkingen van de procureur des Konings, zijn werking binnen de gehele recherchedienst in vraag werd gesteld en de korpschef eigenlijk niet anders kon dan IX-5573-12/15 verzoeker in een dienst buiten de recherche tewerk te stellen. In die zin lijkt de overplaatsing van verzoeker naar de dienst “kantschriften” niet onredelijk.
- Het eerste middel is niet ernstig.
- In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van zijn rechten van verdediging, doordat de bestreden beslissing steunt op een aantal documenten die niet gevoegd waren bij het voorstel tot herplaatsing. Meer bepaald doelt hij op de formulieren van gezondheidsbeoordeling van de arbeidsgeneesheer en op de documenten uit de gerechtelijke dossiers, waarvan de brieven van de procureur des Konings en de onderzoeksrechter en de nota het diensthoofd- recherche gewag maken en die zouden aantonen dat hij professionele tekortkomingen begaan heeft.
- Bij de bespreking van het eerste middel is vastgesteld dat het bestreden besluit steunt op de “nieuwe elementen” die de korpschef in het besluit opsomt. De maatregel om verzoeker zijn wapen te doen afgeven hoort daar niet bij. Voorts weze herhaald dat de korpschef voor het vaststellen van de vertrouwensbreuk met de gerechtelijke overheden over een stellingname van de procureur des Konings en de onderzoeksrechter beschikte en dat overigens het dossier op grond waarvan de bestreden beslissing genomen is voldoende gegevens bevat die het teloorgaan van het vertrouwen schragen.
- Het tweede middel is niet ernstig.
- Bij gebrek aan het aanvoeren van middelen die bij een eerste onderzoek als ernstig aangemerkt kunnen worden, moet de vordering tot schorsing verworpen worden. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-5573-13/15 IX-5573-14/15 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 4 juni 2007, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5573-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.773 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.528 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div