← België

Arrest 171775 - Penitentiair recht - 04/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.775 Rolnummer: A. 183333/IX-5650 Zaak: Arrest 171775 - Penitentiair recht - 04/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-08 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-06-29 06:45 Fiche Arrest nr 171.775 van 4 juni 2007 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 171.775 van 4 juni 2007 in de zaak A. 183.333/IX-

  1. In zake : Edin PASIC, die woonplaats kiest bij advocaat N. LORENZETTI, kantoor houdende te BRUGGE, Walakker 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Edin PASIC op 21 mei 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Directeur van de Strafinrichting te Brugge - Mannenafdeling 1 van 12.05.2007 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd : In afwachting wordt betrokkene op een mono-cel op gesloten sectie geplaatst voor een periode van twee maanden en op de wachtlijst voor een mono-cel op open sectie. Indien na het verstrijken van deze twee maanden een mono-cel op een open sectie vrij komt, kan hij eventueel muteren, na een positieve evaluatie van de kwartier-overste”; Gelet op de beschikking van 21 mei 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 21 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2007, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-5650-1/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. LORENZETTI, die verschijnt voor de verzoeker, en van attaché P. VAN CAENEGHEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST HET VOLGENDE ARREST :
  2. De verzoeker verblijft sinds 27 oktober 2006 in het Penitentiair Complex te Brugge. Tot aan de bestreden beslissing verbleef hij er in de open sectie. Op 11 mei 2007 werd een andere gevangene, genaamd M.S., die overgebracht was van de gevangenis te Mechelen, naar de cel van de verzoeker gebracht. De verzoeker weigerde evenwel zijn cel met M.S. te delen. In zijn verzoekschrift zet hij uiteen dat hij daarvoor verscheidene redenen inriep: verzoeker is geen roker, terwijl M.S. wel een roker is; M.S. heeft reeds verscheidene tuchtrapporten opgelopen, onder meer voor het houden van een gsm op cel en voor het bezit van drugs, terwijl de verzoeker geen tuchtrapport wil oplopen omwille van het gedrag van zijn celgenoot; tussen M.S. en de verzoeker is er ten slotte een groot cultuurverschil, gelet op hun verschillende afkomst. Volgens de verwerende partij had de verzoeker het recht zijn bezwaren te uiten, maar stelde hij zich te dezen niet inschikkelijk op. Door de houding van de verzoeker kon M.S. niet in de cel van de verzoeker geplaatst worden, en moest voor hem een andere cel gezocht worden. Over de houding van de verzoeker werd dezelfde dag een rapport aan de directeur opgesteld. Dit rapport leidde tot het opstarten van een tuchtprocedu- re. Op 12 mei 2007 vond een hoorzitting plaats. Volgens de bestreden beslissing voerde de verzoeker het volgende verweer: “- Betrokkene meent dat de gedetineerde die men bij hem op cel wou plaatsen, voor problemen zou kunnen zorgen. - Hij beweert dat deze gedetineerde reeds gevat werd met een gsm en met drugs. - Betrokkene stelt dat hij het risico niet wil nemen om een sanctie te krijgen waardoor hij zijn bezoek zou kunnen verliezen, gezien zijn vriendin van ver komt om hem te bezoeken. IX-5650-2/13 - Hij verklaart dat hij er geen probleem mee heeft dat iemand anders bij hem op cel zou komen en dat hij niet speciaal een mono-cel wil. - Advocaat voegt eraan toe dat hij van mening is dat een tuchtprocedure in deze niet nodig was, gezien hij vindt dat de orde en de veiligheid niet in het gedrang gekomen zijn en dat dit probleem met een goed gesprek opgelost kon worden. - Hij wijst er de directie (...) op dat er op de opsomming van disciplinaire straffen, waarvan betrokkene een kopie verkregen had, een sanctie staat die door de Raad van State geschorst werd. (...)” Dezelfde dag nam de directeur van de gevangenis een beslissing, gesteund op de volgende motieven: “(Aangezien) betrokkene weigert op cel te zitten met een roker en (aan- gezien) betrokkene weigert op cel te zitten met iemand die reeds een discipli- naire sanctie werd opgelegd, is het quasi onmogelijk om tussen de populatie van mannen 1 een passende celgenoot te vinden. Bovendien verstoorde hij met zijn weigering de goede orde en de veiligheid op sectie en de goede orde van het klassement, daar de mutatie administratief reeds werd doorgevoerd. Het is niet aan betrokkene om de beslissingen van de chef in twijfel te trekken. Volgens de basiswet is betrokkene verplicht om de orders en de aanbeve- lingen van het personeel te volgen.” De directeur legde de volgende tuchtsanctie op: “In afwachting wordt betrokkene op een mono-cel op gesloten sectie geplaatst voor een periode van twee maanden en op de wachtlijst voor een mono-cel op open sectie. Indien na het verstrijken van deze twee maanden een mono-cel op een open sectie vrij komt, kan hij eventueel muteren, na positieve evaluatie van de kwartieroverste.” Deze beslissing vormt het voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing. 2.
  3. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang. Volgens de verwerende partij blijft in de gesloten sectie de mogelijkheid bestaan om collectief te wandelen, te sporten en activiteiten te volgen, en kan de verzoeker nog steeds onbeperkt bezoek ontvangen en onbeperkt briefwisseling voeren. De verzoeker beweert voorts wel dat de opgelegde sanctie een psychologische weerslag op hem heeft, maar die wordt niet aangetoond. Uit een en ander leidt de verwerende partij af dat de verzoeker geen “wezenlijk belang” heeft. IX-5650-3/13 2.
  4. De verwerende partij ontkent niet dat de opgelegde straf de verzoeker onderwerpt aan een regime dat minder gunstig is dan het regime dat hij voordien genoot. Deze vaststelling volstaat om te concluderen dat de verzoeker belang heeft bij het bestrijden van die straf. De exceptie is dan ook ongegrond.
  5. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.
  6. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van het vertrouwensbeginsel. Hij voert aan dat het frequent gebeurt dat een gedetineerde zijn mening uit over een mogelijke celgenoot, en dat niemand daarvoor ooit een tuchtsanctie heeft opgelopen. De verzoeker kon dan ook niet voorzien dat een meningsuiting zou leiden tot een tuchtsanctie. 4.
  7. De verwerende partij verklaart dat zij op geen enkel ogenblik is afgeweken van haar vaste gedragslijn. Zij verklaart dat, als een gedetineerde bezwaren heeft tegen de toebedeling van zijn cel aan een bepaalde mede-gedetineer- de, steeds getracht wordt om zo snel mogelijk een oplossing te vinden. Wanneer een gedetineerde echter weigert om een oplossing af te wachten, hetgeen slechts zelden voorvalt, wordt volgens de verwerende partij steeds een rapport aan de directeur opgesteld, en kan een tuchtprocedure volgen. De verwerende partij, die uitdrukkelijk het recht van de verzoeker op een vrije mening erkent, voert aan dat de verzoeker niet bestraft is voor het uiten van zijn bezwaren, doch voor zijn gedrag, met name het negeren van de onderrichtingen van het personeel. 4.
  8. Noch uit de bestreden beslissing, noch uit enig ander gegeven van het dossier blijkt dat de verzoeker is gestraft omwille van het enkele uiten van een bepaalde mening, te dezen zijn bezwaar tegen het delen van zijn cel met M.S. Uit de bestreden beslissing blijkt integendeel dat de verzoeker is gestraft omdat hij, gelet op zijn weigering om zijn cel te delen met M.S. en gelet op zijn weigering om de beslissing van de chef te volgen, de goede orde en de veiligheid op de sectie, alsmede de goede orde van de mutatie, verstoorde. IX-5650-4/13 Het middel, dat aldus lijkt uit te gaan van een verkeerde lezing van de bestreden beslissing, lijkt feitelijke grondslag te missen. Het is dan ook niet ernstig. 5.
  9. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van het proportionaliteitsbeginsel. Hij voert in de eerste plaats aan dat hij ten zeerste betwist enige inbreuk te hebben gepleegd. Subsidiair voert hij aan dat de opgelegde tuchtsanctie niet in verhouding staat tot de vermeende inbreuk, die slechts een bagatel is. 5.
  10. De verwerende partij voert aan dat de feiten niet kunnen worden afgedaan als een bagatel. De verzoeker, die hiertoe niet in de positie verkeert, stelde zijn eisen aan het personeel, zonder hiervan op enig ogenblik te willen afwijken. Hij weigerde de bevelen van het personeel op te volgen, en hypothekeerde elke kans om in overleg tot een oplossing te komen. Voorts wijst de verwerende partij erop dat de opgelegde sanctie niet de zwaarste in haar soort is. De verwerende partij besluit dat in redelijkheid niet kan worden volgehouden dat de opgelegde tuchtsanctie volkomen in wanverhouding staat tot de vastgestelde inbreuken. 5.
  11. In de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht staat het niet aan de Raad van State om zijn oordeel over de gepastheid van een bepaalde tuchtstraf in de plaats te stellen van het oordeel van de bevoegde tuchtoverheid. De Raad van State kan enkel nagaan of die overheid de grenzen van de wettigheid niet te buiten gegaan is. Te dezen dient aldus nagegaan te worden of de overheid geen sanctie heeft opgelegd die in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. Wat de vastgestelde inbreuk betreft, wordt verwezen naar het antwoord op het eerste middel. In dat antwoord is gewezen op de vaststelling dat de verzoeker door zijn houding de goede orde en de veiligheid op de sectie, alsmede de goede orde van de mutatie, verstoord heeft. Wat de ernst van de sanctie betreft, dient met de verwerende partij vastgesteld te worden dat de verzoeker, ondanks zijn verblijf in de gesloten sectie, de mogelijkheid blijft behouden om gemeenschappe- lijk te wandelen, te sporten en deel te nemen aan activiteiten. In het licht van de voorgaande vaststellingen maakt de verzoeker voorshands niet aannemelijk dat de straf in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. Het tweede middel is dan ook niet ernstig. IX-5650-5/13 6.
  12. De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, opgelegd bij de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij voert in de eerste plaats aan dat hij geen enkele inbreuk gepleegd heeft, dat de motivering van de bestreden beslissing ten onrechte stelt dat hij met zijn weigering de goede orde en de veiligheid in het gedrang gebracht heeft, en dat hij enkel beoogd heeft een dialoog op te starten. Voorts voert de verzoeker aan dat zijn raadsman op de hoorzitting heeft opgemerkt dat een tuchtprocedure absoluut niet noodzakelijk was en dat een simpel gesprek met de verzoeker voldoende was geweest, maar dat de bestreden beslissing op dat argument niet antwoordt. Vervolgens voert de verzoeker aan dat de motivering niet toelaatbaar is, aangezien de bestraffing steunt op het feit dat hij een bepaalde mening geuit heeft. Ten slotte voert de verzoeker aan dat in het tuchtrapport een bepaalde tuchtsanctie is vermeld in de opsomming van tuchtstraffen, terwijl die sanctie door de Raad van State is geschorst, zodat de motivering van de bestreden beslissing ook op dit punt onjuist is. 6.
  13. De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker niet gestraft is voor het uiten van zijn mening, maar voor het feit dat hij weigerde enige oplossing af te wachten en niets minder eiste dan dat direct gevolg gegeven zou worden aan zijn eisen. De verzoeker is dus gestraft omdat hij weerspannig was. Wat betreft de vermelding van de geschorste tuchtsanctie in het overzicht van de sancties, merkt de verwerende partij op dat deze fout in de bestreden beslissing zelf is rechtgezet, en dat bij het opleggen van de bestreden sanctie geen rekening is gehouden met de geschorste sanctie. 6.
  14. Zoals uit het antwoord op het eerste middel blijkt, is de verzoeker gestraft omdat hij, gelet op zijn weigering om zijn cel te delen met M.S. en gelet op zijn weigering om de beslissing van de chef te volgen, de goede orde en de veiligheid op de sectie, alsmede de goede orde van de mutatie, verstoorde. In IX-5650-6/13 zoverre het derde middel ervan uitgaat dat de verzoeker gestraft is wegens het enkele uiten van een mening, lijkt het feitelijke grondslag te missen. Door een tuchtstraf op te leggen, verwerpt de tuchtoverheid impliciet, doch zeker, het verweer dat een tuchtprocedure niet noodzakelijk is. In zoverre de verzoeker op dit punt een gebrek aan antwoord op een ter hoorzitting aangevoerd argument opwerpt, lijkt het middel dan ook feitelijke grondslag te missen. Overigens staat het aan de tuchtoverheid om te oordelen of het gedrag van een gedetineerde noopt tot het al dan niet opstarten van een tuchtprocedure en tot het al dan niet opleggen van een tuchtsanctie, en kan de Raad van State zijn oordeel op dit punt niet in de plaats stellen van dat van de tuchtoverheid. Met betrekking tot de overweging, in de motieven van de bestreden beslissing, dat de verzoeker door zijn weigering de goede orde en de veiligheid op sectie en de goede orde van het klassement verstoorde, moet opgemerkt worden dat het aan de betrokken overheid, te dezen de directeur van de gevangenis, staat om de feiten vast te stellen en tuchtrechtelijk te beoordelen. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of die overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Te dezen lijkt het vast te staan dat M.S., ten gevolge van de weigering van de verzoeker om zijn cel met hem te delen, niet in die cel is binnengebracht en dat voor hem dan ook een andere cel gezocht moest worden. Het is niet kennelijk onredelijk om te oordelen dat de verzoeker aldus, door zijn weigering, de goede orde en de veiligheid op sectie en de goede orde van het klassement verstoord heeft. Op grond van die tuchtrechtelijke beoordeling is de directeur van de gevangenis dan ook in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat het gedrag van de verzoeker bestraft moest worden. Wat ten slotte het verwijt betreft dat in de opsomming van tuchtrechtelijke straffen, aan de verzoeker medegedeeld met het oog op de hoorzitting, de straf is vermeld die bij arrest nr. 166.738 van de Raad van State van 16 januari 2007 is geschorst, moet vastgesteld worden dat in de bestreden beslissing wordt erkend dat de opmerking terzake door de raadsman van de verzoeker terecht is, en dat de bedoelde sanctie “dan ook van (de) opsomming van disciplinaire straffen geschrapt (zal) worden”. Hiermee geeft de tuchtrechtelijke overheid te IX-5650-7/13 kennen geen rekening te houden met die sanctie bij het bepalen van de op te leggen straf. In dit opzicht lijkt het middel dan ook feitelijke grondslag te missen. Het middel is in geen van zijn onderdelen ernstig. 7.
  15. De verzoeker roept een vierde middel in, afgeleid uit de schending van de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 (betreffende de tuchtpro- cedure tegen een gedetineerde). Volgens de verzoeker volgt uit de aanhef van die omzendbrief dat het beroep op de tuchtprocedure beperkt moet blijven tot de gevallen waarin het gedrag van een gedetineerde een gevaar is voor de orde en de veiligheid in de inrichting, terwijl verzoekers gedrag geen dergelijk gevaar opleverde. 7.
  16. De verwerende partij wijst er vooreerst op dat de genoemde omzendbrief de orde omschrijft als “een toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis”. Zij voert vervolgens aan dat de algemene gedragsvoorschriften waaraan een gedetineerde zich dient te houden, worden bepaald in artikel 106 van de basiswet van 12 januari 2005 (betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden), en dat de gedetineerde aldus de plicht heeft, enerzijds, door zijn gedrag ten opzichte van het personeel de orde niet te verstoren, en anderzijds, de bevelen of de instructies van het personeel op te volgen. Volgens de verwerende partij heeft de verzoeker deze gedragsregels niet nageleefd: door de bevelen van het personeel niet op te volgen en zich weerspannig op te stellen, sloot hij reeds op voorhand elke poging tot oplossing uit, terwijl het personeel een voor alle partijen aanvaardbare oplossing had kunnen uitwerken indien de verzoeker zich inschikkelijk had opgesteld. De verwerende partij merkt ten slotte op dat de omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 niet kan worden ingeroepen als grond voor een annulatiemiddel. 7.
  17. Daargelaten de vraag in hoeverre een verzoeker zich tegenover de overheid kan beroepen op een schending van de door de overheid zelf vastgestelde omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005, moet in de eerste plaats vastgesteld worden dat de verzoeker, door zijn weigering om de cel te delen met M.S., de bevelen of de instructies van het personeel niet heeft opgevolgd. Voorts kan verwezen worden naar de bespreking van het derde middel. Daarin is vastgesteld dat het voor de tuchtrechtelijk bevoegde overheid niet kennelijk onredelijk was om te oordelen dat IX-5650-8/13 de verzoeker door de bedoelde weigering de goede orde en de veiligheid op sectie en de goede orde van het klassement verstoord had. Het middel, dat ervan uitgaat dat de verzoeker geen gevaar is geweest voor de orde en de veiligheid van de inrichting, lijkt dan ook feitelijke grondslag te missen. Het middel is niet ernstig. 8.
  18. De verzoeker roept een vijfde middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 5, 7 en 41, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden. Volgens de verzoeker bepaalt artikel 5 dat de vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer wordt gelegd in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de gedetineerde eerbiedigen, terwijl het verplichten van de verzoeker om een cel te delen met een roker en het ontzeggen aan de verzoeker van een recht op meningsuiting hiermee onverenigbaar zijn. Voorts voert de verzoeker aan dat ingevolge artikel 7 een klimaat van overleg moet worden nagestreefd. Ten slotte voert de verzoeker aan dat een doorrookte cel niet zou voldoen aan de bij artikel 41, § 2, gestelde voorwaarden inzake gezondheid. 8.
  19. Met betrekking tot artikel 5 van de basiswet van 12 januari 2005 wijst de verwerende partij erop dat dit artikel bepaalt dat de vrijheidsstraf ten uitvoer wordt gelegd in omstandigheden die niet enkel de waardigheid van de mens eerbiedigen en het behoud of de groei van het zelfrespect van de gedetineerde mogelijk maken, maar die hem ook aanspreken op zijn individuele en sociale verantwoordelijkheid. De verwerende partij acht het verzoek van de verzoeker om niet met een roker op cel te zitten, rechtmatig. Zij is echter van oordeel dat de verzoeker zijn eigen verantwoordelijkheid niet heeft opgenomen, hoewel hij hierop werd aangesproken. Met betrekking tot artikel 7 van de basiswet voert de verwerende partij aan dat dit artikel nog niet in werking is gesteld, en dat het bovendien handelt over aangelegenheden van gemeenschappelijk belang, niet over individuele gevallen. IX-5650-9/13 Met betrekking tot artikel 41, § 5, van de basiswet voert de verwerende partij aan dat dit artikel nog niet in werking is gesteld. 8.
  20. In zoverre de verzoeker een schending aanvoert van artikel 5 van de basiswet van 12 januari 2005, moet opgemerkt worden dat de detentie volgens artikel 5, § 1, weliswaar moet gebeuren in omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen, maar dat, volgens artikel 5, § 2, bij de uitvoering van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel er zorg voor gedragen moet worden dat de orde en de veiligheid worden gevrijwaard. Het door de verzoeker ingeroepen artikel 5, § 1, belet dus niet dat elke gedetineerde zich aan een aantal gedragsregels moet houden. Te dezen erkent de verwerende partij de gegrondheid van minstens één van de bezwaren die de verzoeker tegen M.S. als celgenoot had. In antwoord op onder meer het vierde middel heeft zij ook aangevoerd dat, indien de verzoeker zich inschikkelijk had opgesteld, het personeel de mogelijkheid zou hebben gehad om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing uit te werken. Uit de feiten blijkt voorshands dat de verzoeker is gestraft, niet omdat hij bezwaren had tegen M.S. als celgenoot, wel omdat hij die bezwaren op een zodanige manier heeft geuit dat daardoor de goede orde en de veiligheid op sectie en de goede orde van het klassement verstoord zijn. Het middel, dat ervan uitgaat dat het de bedoeling was om de verzoeker en M.S. op één cel te plaatsen, ondanks de bezwaren van de verzoeker tegen een roker, lijkt dan ook in dit opzicht feitelijke grondslag te missen. Uit het antwoord op het eerste middel blijkt voorts dat ook in zoverre het vijfde middel ervan uitgaat dat de verzoeker bestraft is omwille van het uiten van een mening, het feitelijke grondslag lijkt te missen. In zoverre de verzoeker een schending aanvoert van de artikelen 7 en 41, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005, volstaat het vast te stellen dat die bepalingen nog niet in werking zijn gesteld. Het middel is in geen van zijn onderdelen ernstig. 9.
  21. De verzoeker roept ten slotte een zesde middel in, afgeleid uit de schending van artikel 19 van de Grondwet. Volgens de verzoeker heeft eenieder op grond van die bepaling het recht om op elk gebied zijn mening te uiten, en wordt die bepaling geschonden door de bestreden beslissing, aangezien het enkele uiten van een mening tot een tuchtsanctie leidt. IX-5650-10/13 IX-5650-11/13 9.
  22. De verwerende partij herhaalt dat zij het recht van de verzoeker op het hebben van een eigen mening en op het uiten ervan erkent. Zij voert aan dat dit recht evenwel niet het recht inhoudt om zich weerspannig op te stellen tegenover het personeel. Zij herhaalt ook dat de verzoeker niet is gestraft voor het uiten van een mening, maar voor een bepaald gedrag. 9.
  23. Zoals uit het antwoord op het eerste middel blijkt, kan voorshands niet aangenomen worden dat de verzoeker is gestraft voor het enkele uiten van een bepaalde mening. De verzoeker is integendeel gestraft voor de manier waarop hij geweigerd heeft de beslissing van de chef te volgen, waardoor hij de goede orde en de veiligheid op de sectie, alsmede de goede orde van de mutatie, verstoord heeft. Het bestraffen van een dergelijk gedrag, ook al is dat gedrag verbonden met het uiten van een bepaalde mening, is op zich niet onverenigbaar met de vrijheid van meningsuiting. De verzoeker legt niet uit waarom de conclusie in zijn geval anders zou moeten zijn. Het middel lijkt dan ook niet aangenomen te kunnen worden. Het is niet ernstig.
  24. Nu geen ernstige middelen worden aangevoerd, is niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  25. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  26. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op175 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-5650-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 4 juni 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5650-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.775 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.