id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.776 Rolnummer: A. 183397/IX-5652 Zaak: Arrest 171776 - Penitentiair recht - 04/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-08 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 06:45 Fiche Arrest nr 171.776 van 4 juni 2007 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 171.776 van 4 juni 2007 in de zaak A. 183.397/IX-
- In zake : Edin PASIC, die woonplaats kiest bij advocaat N. LORENZETTI, kantoor houdende te BRUGGE, Walakker 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Edin PASIC op 22 mei 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Directeur van de Strafinrichting te Brugge - Mannenafdeling 1 van 16.05.2007 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd : De vorige beslissing tucht, namelijk twee maanden op gesloten sectie in afwachting van plaats op een mono-cel op open sectie blijft geldig, betrokkene kan zich nu pas na twee maanden inschrijven op de wachtlijst voor een mono-cel op een open sectie en zijn beurt afwachten. Een positieve evaluatie van de kwartierchef zal nodig zijn. 1 maand strikt met glasbezoek en behoud telefoon. (van 16-05-2007 tot en met 15-06-2007)”; Gelet op de beschikking van 22 mei 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2007, om 11.00 uur; IX-5652-1/13 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. LORENZETTI, die verschijnt voor de verzoeker, en van attaché P. VAN CAENEGHEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST HET VOLGENDE ARREST :
- De verzoeker verblijft sinds 27 oktober 2006 in het Penitentiair Complex te Brugge. Op 12 mei 2007 is hem een tuchtstraf opgelegd, waarbij hij gedurende twee maanden overgeplaatst werd van de open sectie naar de gesloten sectie, met mogelijkheid om na het verstrijken van de genoemde termijn terug te keren naar de open sectie, als er dan een mono-cel vrij zou zijn. Tegen die straf heeft de verzoeker een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingesteld, welke bij arrest nr. 171.775 van heden is verworpen. Ter uitvoering van de genoemde tuchtstraf zou de verzoeker op 13 mei 2007, omstreeks 11 uur, overgebracht worden naar de gesloten sectie, meer bepaald naar de sectie 36A. Aan de kwartieroverste van de open sectie deelde de verzoeker evenwel mee dat hij zijn mutatie naar een gesloten sectie onterecht vond, en dat hij in elk geval vroeg om geplaatst te worden, niet in sectie 36A, maar in sectie 36B of sectie 34B. In zijn verzoekschrift legt de verzoeker uit dat die laatste vraag verband hield met het feit dat hij de chefs en de gedetineerden van de secties 36B en 34B van een vroeger verblijf kende. Ten gevolge van de houding van de verzoeker is hij niet onmiddellijk naar de hem toegewezen gesloten sectie overgeplaatst. Nadat de verzoeker dezelfde dag, omstreeks 17 uur, een ontmoeting had met zijn advocaat, verklaarde hij zich bereid om te muteren naar de gesloten sectie. Ondertussen was een gedetineerde van de sectie 34B gemuteerd naar een andere sectie, zodat de verzoeker uiteindelijk kon worden overgeplaatst naar die sectie 34B. IX-5652-2/13 Over de houding van de verzoeker werd dezelfde dag een rapport aan de directeur opgesteld. Dit rapport leidde tot het opstarten van een tuchtprocedu- re. Op 16 mei 2007 vond een hoorzitting plaats. Volgens de bestreden beslissing voerde de verzoeker het volgende verweer: “- Betrokkene denkt dat hij gezocht wordt, hij zegt dat hij twee keer een rapport gekregen heeft voor niets. - Betrokkene verklaart dat hij aan de beambte gevraagd had om naar een welbepaalde sectie te muteren en dat deze gezegd had dat het in orde was.” Dezelfde dag nam de directeur van de gevangenis een beslissing, gesteund op de volgende motieven: “Betrokkene heeft het personeel van *s morgens 11.00 u tot 19.00 u bezig gehouden met zijn weigering te muteren van open naar gesloten sectie, naar aanleiding van een opgelopen tuchtrapport, waarvan de beslissing hem betekend was. Het vorig rapport ging over weigering om een bepaalde persoon op cel te hebben. Nu betreft het een weigering om naar een bepaalde sectie te verhuizen. Hij heeft het personeel niet bedreigd, doch men voelde zich ernstig bedreigd door zijn houding. Ten slotte zit hij nu wel op de gesloten sectie van zijn eigen keuze, op mono-cel, terwijl hij geen eisen had te stellen over naar welke sectie hij moest. Als elke gedetineerde zelf zijn keuzes kan maken en eisen kan stellen, zijn we ver van huis voor een rustig humaan gevangenisbeleid. Een dergelijk gedrag brengt dan ook zeer ernstig de orde en de veiligheid in het gedrang, en moet op een passende wijze gestraft worden.” De directeur legde de volgende tuchtsanctie op: “De vorige beslissing tucht, namelijk twee maanden op gesloten sectie in afwachting van plaats op een mono-cel op open sectie, blijft geldig, betrokkene kan zich nu pas na twee maanden inschrijven op de wachtlijst voor een mono- cel op een open sectie en zijn beurt afwachten. Een positieve evaluatie van de kwartierchef zal nodig zijn. 1 maand strikt met glasbezoek en behoud telefoon (van 16-05-2007 tot en met 15-06-2007).” Deze beslissing vormt het voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing. 2.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang. Volgens de verwerende partij houdt het aan de verzoeker opgelegde strikt regime in: geen werk buiten de cel, geen gemeenschappelijke vormingsactiviteiten, geen gemeenschappelijke wandeling, verplicht verblijf op cel, geen gemeenschappelijke IX-5652-3/13 eredienst, bezoek achter glas. Bij wijze van uitzondering is aan de verzoeker wel een onbeperkt telefoonverkeer toegestaan. De sociale contacten worden aldus wel ingeperkt, doch geenszins volledig aan banden gelegd. De verzoeker beweert voorts wel dat de opgelegde sanctie een psychologische weerslag op hem heeft, maar die wordt niet aangetoond. Uit een en ander leidt de verwerende partij af dat de verzoeker geen “wezenlijk belang” heeft. 2.
- De verwerende partij ontkent niet dat de op 16 mei 2007 opgelegde straf de verzoeker onderwerpt aan een regime dat minder gunstig is dan het regime dat hij voordien genoot, zelfs in acht genomen de tuchtstraf die hem op 12 mei 2007 is opgelegd. Deze vaststelling volstaat om te concluderen dat de verzoeker belang heeft bij het bestrijden van de hem op 16 mei 2007 opgelegde straf. De exceptie is dan ook ongegrond.
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.
- De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van het vertrouwensbeginsel. Hij voert aan dat het frequent gebeurt dat een gedetineerde zijn mening uit over een cel of een sectie, en dat niemand daarvoor ooit een tuchtsanctie heeft opgelopen. De verzoeker kon dan ook niet voorzien dat een meningsuiting of een verzoek zou leiden tot een tuchtsanctie. 4.
- De verwerende partij verklaart dat zij op geen enkel ogenblik is afgeweken van haar vaste gedragslijn. Zij verklaart dat, als een gedetineerde bezwaren heeft tegen zijn plaatsing in een bepaalde sectie, steeds getracht wordt om zo snel mogelijk een oplossing te vinden. Wanneer een gedetineerde echter weigert om een oplossing af te wachten, hetgeen slechts zelden voorvalt, wordt volgens de verwerende partij steeds een rapport aan de directeur opgesteld, en kan een tuchtprocedure volgen. De verwerende partij, die uitdrukkelijk het recht van de verzoeker op een vrije mening erkent, voert aan dat de verzoeker niet bestraft is voor IX-5652-4/13 het uiten van zijn bezwaren, doch voor zijn gedrag, met name het negeren van de onderrichtingen van het personeel. 4.
- Noch uit de bestreden beslissing, noch uit enig ander gegeven van het dossier blijkt dat de verzoeker is gestraft omwille van het enkele uiten van een bepaalde mening, te dezen zijn bezwaar om overgeplaatst te worden naar een gesloten sectie in het algemeen of naar de sectie 36A in het bijzonder. Uit de bestreden beslissing blijkt integendeel dat de verzoeker is gestraft omdat hij, gelet op zijn weigering om overgeplaatst te worden naar de gesloten sectie 36A en gelet op zijn houding die door het personeel als bedreigend is ervaren, de goede orde en de veiligheid zeer ernstig in het gedrang heeft gebracht. Het middel, dat aldus lijkt uit te gaan van een verkeerde lezing van de bestreden beslissing, lijkt feitelijke grondslag te missen. Het is dan ook niet ernstig. 5.
- De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van het proportionaliteitsbeginsel. Hij voert in de eerste plaats aan dat hij ten zeerste betwist enige inbreuk te hebben gepleegd. Subsidiair voert hij aan dat de opgelegde tuchtsanctie niet in verhouding staat tot de vermeende inbreuk, die slechts een bagatel is. 5.
- De verwerende partij voert aan dat de feiten niet kunnen worden afgedaan als een bagatel. De verzoeker, die hiertoe niet in de positie verkeert, stelde zijn eisen aan het personeel, zonder hiervan op enig ogenblik te willen afwijken. Hij weigerde de bevelen van het personeel op te volgen, en hypothekeerde elke kans om in overleg tot een oplossing te komen. Voorts wijst de verwerende partij erop dat de verzoeker twee dagen eerder een gelijkaardig gedrag vertoond had, dat hij daarvoor tuchtrechtelijk gesanctioneerd was, en dat hij, in afwachting van een uitspraak over de vordering tot schorsing van die tuchtsanctie, zijn medewerking aan de uitvoering ervan diende te verlenen. De verwerende partij besluit dat in redelijkheid niet kan worden volgehouden dat de opgelegde tuchtsanctie volkomen in wanverhouding staat tot de vastgestelde inbreuken. 5.
- In de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht staat het niet aan de Raad van State om zijn oordeel over de gepastheid van een bepaalde tuchtstraf in de plaats te stellen van het oordeel van de bevoegde tuchtoverheid. De Raad van IX-5652-5/13 State kan enkel nagaan of die overheid de grenzen van de wettigheid niet te buiten gegaan is. Te dezen dient aldus nagegaan te worden of de overheid geen sanctie heeft opgelegd die in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. Wat de vastgestelde inbreuk betreft, wordt verwezen naar het antwoord op het eerste middel. In dat antwoord is gewezen op de vaststelling dat de verzoeker door zijn houding de goede orde en de veiligheid in het gedrang gebracht heeft. Wat de ernst van de sanctie betreft, dient ervan uitgegaan te worden dat het verblijf van de verzoeker op de gesloten sectie de facto verlengd wordt, en dat hij gedurende één maand onderworpen wordt aan een strikt regime, zij het met uitzondering voor wat betreft het telefoonverkeer. De opgelegde sanctie, in het bijzonder het strikt regime, kan beschouwd worden als een relatief zware sanctie. De verwerende partij wijst er evenwel op dat de sociale contacten van de verzoeker met de buitenwereld niet volledig aan banden worden gelegd, dat de verzoeker de mogelijkheid blijft behouden, niet enkel om te telefoneren, maar ook om brieven te versturen en te ontvangen en om bezoek te ontvangen, weliswaar achter glas, en dat individuele activiteiten, een individuele wandeling en individueel bezoek van een vertegenwoordiger van zijn godsdienst toegestaan blijven. In het licht van de voorgaande vaststellingen maakt de verzoeker voorshands niet aannemelijk dat de straf in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. Het tweede middel is dan ook niet ernstig. 6.
- De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, opgelegd bij de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij voert in de eerste plaats aan dat de motivering van de bestreden beslissing in feite onjuist is, waar deze melding maakt van een bedreigende houding, terwijl hiervan absoluut geen melding wordt gemaakt in het tuchtrapport. Ook het tuchtrapport zelf berust op een in feite verkeerde voorstelling van de feiten, waar het de feiten situeert rond 17 uur, terwijl de verzoeker op dat ogenblik in de advocatengang was. Anders dan in de beslissing wordt gesteld, heeft hij ook nooit zijn eisen gesteld, maar heeft hij enkel gevraagd of hij bij voorkeur geplaatst kon worden op sectie 34B. IX-5652-6/13 Voorts voert de verzoeker aan dat de motivering van de bestreden beslissing ten onrechte stelt dat hij door zijn gedrag de orde en de veiligheid zeer ernstig in het gedrang gebracht heeft, en dat hij enkel beoogd heeft een dialoog op te starten. Ten slotte voert de verzoeker aan dat de motivering niet toelaatbaar is, aangezien de bestraffing steunt op het feit dat hij een bepaalde mening geuit heeft of een bepaald verzoek gedaan heeft. Nu het de tweede keer is, in één week tijd, dat de verzoeker voor het uiten van een bepaalde voorkeur gestraft wordt, kan hij zich niet van de indruk ontdoen dat hij geviseerd wordt en dat er misbruik van recht is. 6.
- De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker niet gestraft is voor het uiten van zijn mening, maar voor het feit dat hij weigerde te muteren naar een andere sectie en niets minder eiste dan dat direct gevolg gegeven zou worden aan zijn eisen. De verzoeker is dus gestraft omdat hij weerspannig was. De verwerende partij erkent voorts dat de verzoeker zich niet rechtstreeks dreigend opstelde tegenover specifieke personeelsleden, maar stelt dat er wel een algemene dreiging uitging van zijn gedrag, zoals blijkt uit de op 13 mei 2007 opgestelde observatieverslagen. In verband met de situering van de feiten in de tijd voert de verwerende partij aan dat de verzoeker vanaf 11 uur weigerde te muteren naar de gesloten sectie, dat daarover omstreeks 17 uur een rapport aan de directeur is opgesteld, en dat de verzoeker pas later, na een onderhoud met zijn advocaat, bereid was te muteren. 6.
- Zoals uit het antwoord op het eerste middel blijkt, is de verzoeker gestraft omdat hij, gelet op zijn weigering om overgeplaatst te worden naar de gesloten sectie 36A en gelet op zijn houding die door het personeel als bedreigend is ervaren, de goede orde en de veiligheid zeer ernstig in het gedrang heeft gebracht. In zoverre het derde middel ervan uitgaat dat de verzoeker gestraft is wegens het enkele uiten van een mening of het enkele doen van een verzoek, lijkt het feitelijke grondslag te missen. Met betrekking tot de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, moet opgemerkt worden dat het aan de betrokken overheid, te dezen de directeur van de gevangenis, staat om de feiten vast te stellen. De Raad van IX-5652-7/13 State is enkel bevoegd om na te gaan of die overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens. Te dezen wordt in het rapport aan de directeur gesteld dat het betoog van de verzoeker “heftig” was, “echter zonder bedreigingen naar (het betrokken personeelslid) toe”, terwijl in de bestreden beslissing wordt overwogen dat de verzoeker het personeel niet bedreigd heeft, maar dat het personeel “zich ernstig bedreigd (voelde) door (de) houding (van de verzoeker)”. Die laatste vaststelling vindt steun in de door de verwerende partij voorgelegde observatieverslagen, gedateerd op 13 mei
- Ook al valt het te betreuren dat die verslagen niet aan de verzoeker zijn voorgelegd met het oog op zijn verweer tijdens de hoorzitting, toch lijkt de door de tuchtrechtelijke overheid gegeven beoordeling van de feiten niet kennelijk onredelijk, gelet op de omstandigheden waarin de verzoeker zijn weigering kenbaar maakte en bleef volhouden tot later op de dag. Voorts wordt in de bestreden beslissing vastgesteld dat de verzoeker door zijn weigering het personeel “van *s morgens 11.00 u tot 19.00 u bezig gehouden heeft”, wat door de verzoeker niet betwist wordt. Het feit dat het tuchtrapport, dat van die weigering melding maakt, omstreeks 17 uur is opgemaakt, doet aan de juistheid van die vaststelling geen afbreuk. Wat ten slotte de opmerking van de verzoeker betreft dat hij geen eisen gesteld heeft, maar enkel gevraagd heeft om bij voorkeur op sectie 34B geplaatst te worden, gaat de verzoeker voorbij aan het feit dat het onmogelijk is gebleken om de mutatiemaatregel onmiddellijk ten uitvoer te leggen; het komt de Raad van State voorshands dan ook onwaarschijnlijk voor dat het gedrag van de verzoeker geen enkele aanleiding heeft gegeven om met de uitvoering van die maatregel te wachten tot hij zich inschikkelijker opstelde. Met betrekking tot de overweging, in de motieven van de bestreden beslissing, dat de verzoeker door zijn gedrag de orde en de veiligheid zeer ernstig in het gedrang heeft gebracht, moet opgemerkt worden dat het aan de betrokken overheid, te dezen de directeur van de gevangenis, staat om de feiten tuchtrechtelijk te beoordelen. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of die overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij de feitelijke gegevens correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Te dezen lijkt het vast te staan dat de verzoeker, door zijn weigering om overgeplaatst te worden naar de sectie 36A, het personeel verplicht heeft om naar een alternatieve oplossing te zoeken, waarbij onder meer een andere gedetineerde uit de sectie 34B verplaatst moest worden. Daarenboven is de houding van de verzoeker door het personeel als IX-5652-8/13 bedreigend ervaren. Het is niet kennelijk onredelijk om te oordelen dat de verzoeker aldus, door zijn gedrag, de orde en de veiligheid in het gedrang heeft gebracht. Op grond van die tuchtrechtelijke beoordeling is de directeur van de gevangenis dan ook in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat het gedrag van de verzoeker op een passende wijze bestraft moest worden. Het middel is in geen van zijn onderdelen ernstig. 7.
- De verzoeker roept een vierde middel in, afgeleid uit de schending van de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 (betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde). Volgens de verzoeker volgt uit de aanhef van die omzendbrief dat het beroep op de tuchtprocedure beperkt moet blijven tot de gevallen waarin het gedrag van een gedetineerde een gevaar is voor de orde en de veiligheid in de inrichting, terwijl verzoekers gedrag geen dergelijk gevaar opleverde. 7.
- De verwerende partij wijst er vooreerst op dat de genoemde omzendbrief de orde omschrijft als “een toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis”. Zij voert vervolgens aan dat de algemene gedragsvoorschriften waaraan een gedetineerde zich dient te houden, worden bepaald in artikel 106 van de basiswet van 12 januari 2005 (betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden), en dat de gedetineerde aldus de plicht heeft, enerzijds, door zijn gedrag ten opzichte van het personeel de orde niet te verstoren, en anderzijds, de bevelen of de instructies van het personeel op te volgen. Volgens de verwerende partij heeft de verzoeker deze gedragsregels niet nageleefd, en heeft hij aldus, overeenkomstig artikel 81 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van het gevangeniswezen, een tuchtrechtelijke inbreuk gepleegd: door de bevelen van het personeel niet op te volgen en zich weerspannig op te stellen, sloot hij reeds op voorhand elke poging tot oplossing uit, terwijl het personeel een voor alle partijen aanvaardbare oplossing had kunnen uitwerken indien de verzoeker zich inschikkelijk had opgesteld. De verwerende partij merkt ten slotte op dat de omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 niet kan worden ingeroepen als grond voor een annulatiemiddel. IX-5652-9/13 7.
- Daargelaten de vraag in hoeverre een verzoeker zich tegenover de overheid kan beroepen op een schending van de door de overheid zelf vastgestelde omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005, moet in de eerste plaats vastgesteld worden dat de verzoeker, door zijn weigering om overgeplaatst te worden naar de sectie 36A, de bevelen of de instructies van het personeel niet heeft opgevolgd. Voorts kan verwezen worden naar de bespreking van het derde middel. Daarin is vastgesteld dat het voor de tuchtrechtelijk bevoegde overheid niet kennelijk onredelijk was om te oordelen dat de verzoeker door zijn gedrag de orde en de veiligheid in het gedrang gebracht had. Het middel, dat ervan uitgaat dat de verzoeker geen gevaar is geweest voor de orde en de veiligheid van de inrichting, lijkt dan ook feitelijke grondslag te missen. Het middel is niet ernstig. 8.
- De verzoeker roept een vijfde middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 5 en 7 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden. Volgens de verzoeker bepaalt artikel 5 dat de vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer wordt gelegd in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de gedetineerde eerbiedigen, terwijl het ontzeggen aan de verzoeker van een recht op meningsuiting hiermee onverenigbaar zijn. Voorts voert de verzoeker aan dat ingevolge artikel 7 een klimaat van overleg moet worden nagestreefd. 8.
- Met betrekking tot artikel 5 van de basiswet van 12 januari 2005 wijst de verwerende partij erop dat dit artikel bepaalt dat de vrijheidsstraf ten uitvoer wordt gelegd in omstandigheden die niet enkel de waardigheid van de mens eerbiedigen en het behoud of de groei van het zelfrespect van de gedetineerde mogelijk maken, maar die hem ook aanspreken op zijn individuele en sociale verantwoordelijkheid. De verwerende partij is van oordeel dat de verzoeker zijn eigen verantwoordelijkheid niet heeft opgenomen, hoewel hij hierop werd aangesproken. Met betrekking tot artikel 7 van de basiswet voert de verwerende partij aan dat dit artikel nog niet in werking is gesteld, en dat het bovendien handelt IX-5652-10/13 over aangelegenheden van gemeenschappelijk belang, niet over individuele gevallen. 8.
- In zoverre de verzoeker een schending aanvoert van artikel 5 van de basiswet van 12 januari 2005, moet opgemerkt worden dat de detentie volgens artikel 5, § 1, weliswaar moet gebeuren in omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen, maar dat, volgens artikel 5, § 2, bij de uitvoering van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel er zorg voor gedragen moet worden dat de orde en de veiligheid worden gevrijwaard. Het door de verzoeker ingeroepen artikel 5, § 1, belet dus niet dat elke gedetineerde zich aan een aantal gedragsregels moet houden. De verzoeker toont voorshands niet aan dat het verblijf in de sectie 36A, in een mono-cel, te beschouwen zou zijn als strijdig met de menselijke waardigheid. Bovendien blijkt uit de feiten voorshands dat de verzoeker is gestraft, niet omdat hij bezwaren had tegen zijn overplaatsing naar de sectie 36A, wel omdat hij die bezwaren op een zodanige manier heeft geuit dat daardoor de orde en de veiligheid in het gedrang zijn gebracht. In dit opzicht lijkt het middel dan ook niet aangenomen te kunnen worden. Uit het antwoord op het eerste middel blijkt voorts dat in zoverre het vijfde middel ervan uitgaat dat de verzoeker bestraft is omwille van het uiten van een mening, het feitelijke grondslag lijkt te missen. In zoverre de verzoeker een schending aanvoert van artikel 7 van de basiswet van 12 januari 2005, volstaat het vast te stellen dat die bepaling nog niet in werking is gesteld. Het middel is in geen van zijn onderdelen ernstig. 9.
- De verzoeker roept ten slotte een zesde middel in, afgeleid uit de schending van artikel 19 van de Grondwet. Volgens de verzoeker heeft eenieder op grond van die bepaling het recht om op elk gebied zijn mening te uiten, en wordt die bepaling geschonden door de bestreden beslissing, aangezien het enkele uiten van een mening tot een tuchtsanctie leidt. 9.
- De verwerende partij herhaalt dat zij het recht van de verzoeker op het hebben van een eigen mening en op het uiten ervan erkent. Zij voert aan dat dit recht evenwel niet het recht inhoudt om zich weerspannig op te stellen tegenover IX-5652-11/13 het personeel. Zij herhaalt ook dat de verzoeker niet is gestraft voor het uiten van een mening, maar voor een bepaald gedrag. 9.
- Zoals uit het antwoord op het eerste middel blijkt, kan voorshands niet aangenomen worden dat de verzoeker is gestraft voor het enkele uiten van een bepaalde mening. De verzoeker is integendeel gestraft voor de manier waarop hij geweigerd heeft mee te werken aan de uitvoering van een hem opgelegde tuchtmaatregel, waardoor hij de orde en de veiligheid in het gedrang gebracht heeft. Het bestraffen van een dergelijk gedrag, ook al is dat gedrag verbonden met het uiten van een bepaalde mening, is op zich niet onverenigbaar met de vrijheid van meningsuiting. De verzoeker legt niet uit waarom de conclusie in zijn geval anders zou moeten zijn. Het middel lijkt dan ook niet aangenomen te kunnen worden. Het is niet ernstig.
- Nu geen ernstige middelen worden aangevoerd, is niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op175 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-5652-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 4 juni 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5652-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.776 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.