id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.884 Rolnummer: A. 103895/XII-4800 Zaak: Arrest 171884 - Cultuur en schone kunsten - 07/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-18 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 06:46 Fiche Arrest nr 171.884 van 7 juni 2007 Onderwijs en cultuur - Cultuur en schone kunsten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 171.884 van 7 juni 2007 in de zaak A. 103.895/XII-
- In zake : de VZW ALGEMEEN KATHOLIEK VLAAMS HOOGSTUDENTENVERBOND, die woonplaats kiest bij advocaat F. Judo, kantoor houdende te Brussel, Keizerslaan 3 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat G. Lambert, kantoor houdende te Oostende, Elisabethlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de vzw Algemeen Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond op 2 april 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 4 december 2000 van de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Brusselse Aangelegenheden en Ontwikkelingssamenwerking houdende intrekking van haar erkenning als landelijk georganiseerde jeugdvereniging; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de beschikking van 29 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 maart 2007; XII-4800-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Eyskens, die loco advocaat F. Judo verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat K. Lefever, die loco advocaat G. Lambert verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De gegevens van de zaak.
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Ingevolge de inwerkingtreding van het decreet van 12 mei 1998 houdende de erkenning en subsidiëring van het landelijk georganiseerd jeugdwerk (hierna: het decreet van 12 mei 1998), onderzoekt de afdeling Jeugd en Sport van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap welke verenigingen voor verdere erkenning als landelijk georganiseerd jeugdwerk in aanmerking komen. Op 9 juni 2000 deelt de minister verzoekster mee dat in het verslag van de afdeling Jeugd en Sport sprake is van het verstrekken van incorrecte informatie met het oog op het behalen van de erkenning. Vooraleer tot het nemen van een beslissing over te gaan, wenst hij verzoeksters verweer over deze vaststellingen te kennen. Deze brief wordt niet beantwoord. Bij aangetekende brief van 8 augustus 2000 deelt de minister verzoekster mee dat hij het voornemen heeft haar niet langer te erkennen als landelijk georganiseerde jeugdvereniging. XII-4800-2/8 Bij aangetekende brief van 6 september 2000 tekent verzoekster gemotiveerd beroep aan tegen voornoemd voornemen. Zij vraagt in het kader van de bezwaarprocedure te worden gehoord. Bij brief van 12 oktober 2000 wordt verzoekster uitgenodigd op 19 oktober 2000 door de beroepscommissie te worden gehoord. Aan deze uitnodiging wordt geen gevolg gegeven, naar verzoekster verklaart omdat zij voornoemde brief nooit heeft ontvangen. Bij brief van 18 november 2000 deelt verzoekster de afdeling Jeugd en Sport mee dat zij vanaf 1 januari 2001 verhuist naar een nieuw adres, Naamsestraat 32 te Leuven. Zij vraagt met ingang van die datum alle correspondentie naar het nieuwe adres te sturen. Bij het schrijven wordt een kopie van de huurovereenkomst gevoegd waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat de huur een aanvang neemt op 1 januari
- Bij aangetekende brief van 4 december 2000 deelt de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Brusselse Aangelegenheden en Ontwikkelings- samenwerking verzoekster de bestreden beslissing mee. Deze brief, die wordt verstuurd naar verzoeksters toenmalige adres, Krakenstraat 13 te Leuven, wordt door De Post als “niet afgehaald” aan verwerende partij teruggezonden. Bij aangetekende brief van 30 januari 2001 zendt de afdeling Jeugd en Sport de brief van 4 december 2000 opnieuw aan verzoekster. In de begeleidende brief wordt erop gewezen dat verzoekster op 18 november 2000 had meegedeeld dat de adreswijziging op 1 januari 2001 zou ingaan, zodat de brief van 4 december 2000 nog naar verzoeksters vroegere adres werd verstuurd en verzoekster “volledig verantwoordelijk is voor het niet afhalen van deze brief”. Deze brief, die wordt verstuurd naar verzoeksters nieuwe adres, wordt door De Post eveneens als “niet afgehaald” aan verwerende partij teruggezonden. Verzoekster verklaart dat zij op 19 februari 2001 een kopie uit het Belgisch Staatsblad van 16 februari 2001, waarin de intrekking van haar erkenning werd gepubliceerd, ontving. Bij brief van 8 maart 2001 stuurt de afdeling Jeugd en Sport de aangetekende brieven van 4 december 2000 en 30 januari 2001, met een kopie van XII-4800-3/8 de omslagen ervan, aan verzoeksters voorzitter. Verzoekster erkent dat haar voorzitter de brief van 8 maart 2001 heeft ontvangen; De ontvankelijkheid van het beroep.
- Overwegende dat verzoekster in haar verzoekschrift inzake de ontvankelijkheid aanvoert dat het aangetekend schrijven van 4 december 2000 haar nooit heeft bereikt, hetgeen te wijten is aan het feit dat deze brief naar haar vroegere secretariaatsadres werd verzonden, hoewel verwerende partij op de hoogte was van haar nieuwe adres en haar vertrek reeds in december aan de post werd gemeld, dat verwerende partij bovendien, ook al was zij op de hoogte van de verhuis, heeft gewacht tot het verstrijken van de termijn van zestig dagen om een beroep tot nietigverklaring in te stellen, vooraleer de brieven van 19 februari 2001 en 8 maart 2001 te verzenden, terwijl er intussen nog “verkennende contacten” waren tussen verzoekster en de administratie, dat uit de omslag van de zending van 4 december 2000 blijkt dat bij de post “eigenaardige dingen” gebeurden met deze brief: de omslag draagt de vermelding “KUL”, wat erop zou kunnen wijzen dat de brief werd aangeboden op het adres Krakenstraat 3, waar de Leuvense universiteit een belangrijk kantoorgebouw heeft, de omslag draagt ook een verwijzing naar “Postbus 67”, de verzamelbus voor zendingen aan verzoeksters secretariaat, vermelding die evenwel werd aangevuld met een onleesbare vermelding, dat ook de brief van 30 januari 2001 haar nooit heeft bereikt en zij pas door de brief van 19 februari 2001 kennis kreeg van haar niet-erkenning, dat, indien de beroepstermijn ingaat op 30 januari 2001, het beroep tijdig werd ingediend; Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord argumenteert dat niet kan worden ontkend dat op 30 januari 2001 een tweede betekening plaatsvond, waaruit onmiskenbaar de bedoeling blijkt een misgelopen betekening recht te zetten, dat dan ook niet kan worden beweerd dat zij uit die tweede betekening geen rechten zou kunnen putten aangezien door het verzenden van een tweede betekening impliciet wordt erkend dat haar standpunt met betrekking tot de eerste betekening correct is; Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie betoogt dat de handgeschreven vermelding “KUL” op de omslag van de brief van 4 december 2000 doet vermoeden dat deze brief niet werd aangeboden op haar toenmalige adres, doch op een adres van de KULeuven, misvatting waarmee zij vaker werd XII-4800-4/8 geconfronteerd toen haar kantoren op het vroegere adres waren gevestigd, dat haar niet kan worden verweten dat zij jaren na datum niet meer in het bezit kan komen van de gegevens die noodzakelijk zijn om de omzwervingen van de brief van 4 december 2000 binnen de postdiensten te reconstrueren, dat de handgeschreven vermeldingen minstens doen vermoeden dat de betekening van de brief van 4 december 2000 niet reglementair is gebeurd, zodat niet is aangetoond dat er een aanbieding is geweest op het adres Krakenstraat 13;
- Overwegende dat luidens artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring op straffe van niet-ontvankelijkheid moet worden ingesteld binnen de zestig dagen nadat de bestreden beslissing werd bekendgemaakt of betekend en indien de beslissing noch bekendgemaakt, noch betekend moet worden, binnen de zestig dagen nadat de verzoekende partij er kennis van heeft gehad; Overwegende dat te dezen buiten betwisting staat dat de bestreden beslissing een individuele beslissing is die verzoekster moest worden betekend opdat de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring zou ingaan; dat artikel 18, § 8, van het decreet van 12 mei 1998 overigens bepaalt dat de erkende landelijke jeugdvereniging “per gemotiveerde brief” op de hoogte wordt gebracht van de beslissing om haar erkenning in te trekken en dat de beslissing tot intrekking van de erkenning uitwerking heeft vanaf 1 januari volgend op het jaar waarin de betrokken erkende landelijke jeugdvereniging van deze beslissing op de hoogte werd gebracht; dat artikel 12 van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1998 betreffende de adviserende beroepscommissie voor culturele aangelegenheden bovendien bepaalt dat de beslissing van de minister binnen één maand nadat hij het advies van de commissie heeft ontvangen per aangetekende brief aan de indiener van het bezwaarschrift wordt medegedeeld en dat indien de beslissing van de minister niet binnen die termijn wordt medegedeeld, het bezwaar van rechtswege wordt geacht te zijn ingewilligd; Overwegende dat wanneer een besluit ter kennis wordt gebracht bij aangetekende brief, gericht aan de betrokken persoon op het adres dat hij heeft opgegeven, de kennisgeving wordt geacht te zijn gebeurd op het ogenblik van de aanbieding; dat het feit dat betrokkene de aangetekende zending niet in ontvangst neemt niet verhindert dat de beroepstermijn ingaat, behoudens indien overmacht kan XII-4800-5/8 worden ingeroepen; dat het, opdat een kennisgeving bij ter post aangetekende brief geldig geschiedt, voldoende is dat de postbode zich aan de woning van belanghebbende heeft aangemeld en, als hij de brief niet persoonlijk aan belanghebbende of aan een ander op dat adres verblijvend persoon heeft kunnen overhandigen, in de brievenbus een bericht heeft achtergelaten waarin belang- hebbende ervan wordt verwittigd dat de brief te zijner beschikking is op het postkantoor; dat wanneer een beslissing een eerste maal regelmatig aan belanghebbende werd betekend, de beroepstermijn ingaat en een tweede betekening geen nieuwe beroepstermijn doet ingaan; dat de tweede betekening irrelevant is;
- Overwegende dat te dezen de bestreden beslissing bij aangetekende brief van 4 december 2000 naar het toenmalige adres van verzoekster, Krakenstraat 13 te Leuven, werd gezonden; dat verzoekster stelt dat zij die brief niet heeft ontvangen aangezien de brief niet naar haar nieuwe adres werd gezonden en er “bij de Post eigenaardige dingen zijn gebeurd met deze brief”; dat verwerende partij evenwel niet kan worden verweten dat zij de beslissing naar verzoeksters oude secretariaatsadres heeft verzonden; dat verzoekster in haar brief van 18 november 2000 aan de afdeling Jeugd en Sport immers zelf heeft meegedeeld dat zij vanaf 1 januari 2001 naar een nieuw adres, Naamsestraat 32 te Leuven, zou verhuizen; dat bij deze brief bovendien een kopie van het huurcontract werd gevoegd waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat de huur een aanvang neemt op 1 januari 2001; dat verwerende partij bijgevolg niet kon of moest weten dat verzoekster reeds in december 2000 zou verhuizen; Overwegende voorts, wat betreft de “eigenaardige dingen” die bij De Post met de brief zouden zijn gebeurd, dat de verwijzing naar “postbus 67”, de verzamelbus voor zendingen aan verzoeksters secretariaat, doet vermoeden dat men bij De Post wel degelijk wist wie de bestemmeling van de betrokken brief was; dat uit de vermeldingen op de briefomslag dan ook niet zomaar kan worden afgeleid dat de brief door De Post niet regelmatig aan verzoekster werd aangeboden; dat verzoekster niet “jaren na datum”, doch zo spoedig mogelijk had moeten nagaan wat er precies met de betrokken brief was gebeurd, zeker indien zij van plan was een beroep tot nietigverklaring in te dienen; dat verzoekster voorts melding maakt van het feit dat zij haar adreswijziging “in december” aan De Post zou hebben gemeld, doch geen enkele informatie geeft omtrent de datum waarop die melding zou zijn gebeurd, noch over de datum waarop de adreswijziging volgens die mededeling zou ingaan; dat verzoeksters beweringen veel te vaag zijn om aannemelijk te maken dat XII-4800-6/8 zij de aangetekende zending van 4 december 2000 niet in ontvangst heeft kunnen nemen; Overwegende ten slotte dat de afdeling Jeugd en Sport de door de minister ondertekende brief van 4 december 2000 bij aangetekende brief van 30 januari 2001 opnieuw aan verzoekster heeft toegestuurd, ditmaal naar het nieuwe adres; dat nergens uit blijkt dat met deze brief verwerende partij impliciet zou hebben erkend dat de eerste betekening onregelmatig was; dat dit dan ook niet meer dan een blote bewering van verzoekster is, temeer nu er in de brief van 30 januari 2001 op wordt gewezen dat verzoekster “volledig verantwoordelijk” is voor het niet afhalen van de brief van 4 december 2000 en nu verzoekster geen enkel concreet element aanreikt waaruit alsnog een andere bedoeling van de afdeling Jeugd en Sport zou kunnen blijken; dat de afdeling Jeugd en Sport door het versturen van de brief van 30 januari 2001 zorgvuldig heeft gehandeld, wat evenwel nog niet betekent dat daardoor aan verzoekster een nieuwe termijn van zestig dagen werd verleend, daar die termijn reeds was beginnen lopen middels de regelmatige betekening bij aangetekend schrijven van 4 december 2000; dat overigens, in de veronderstelling dat verzoekster de brief van 4 december 2000 wegens overmacht niet in ontvangst zou kunnen hebben nemen, zou mogen worden verwacht dat zij bij ontvangst van de brief van 30 januari 2001 onmiddellijk zou hebben gereageerd en de afdeling Jeugd en Sport zou hebben gewezen op de omstandigheden die het haar onmogelijk maakten de brief van 4 december 2001 in ontvangst te nemen; dat de aangetekende brief van 30 januari 2001 door de post evenwel eveneens als “niet afgehaald” aan verwerende partij werd teruggezonden; dat verzoekster stelt dat de aangetekende brief van 30 januari 2001 haar “als dusdanig nooit [heeft] bereikt” zonder dat zij daarover enige uitleg verstrekt;
- Overwegende dat uit het voorgaande moet worden besloten dat verwerende partij terecht opwerpt dat het beroep wegens laattijdigheid niet- ontvankelijk is; dat de exceptie gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XII-4800-7/8 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4800-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.884 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.