← België

Arrest 171886 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 07/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.886 Rolnummer: Zaak: Arrest 171886 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 07/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-18 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 06:46 Fiche Arrest nr 171.886 van 7 juni 2007 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 171.886 van 7 juni 2007 in de zaken A. 113.869/XII-3372 (I). A. 116.245/XII-3428 (II). In zake : I + II. Betty DE PREST, die woonplaats kiest bij advocaten A. Verriest, P. De Maeyer en E. Jacubowitz, kantoor houdende te 1160 Brussel, Tedescolaan 7 tegen : I + II. de UNIVERSITEIT GENT, die woonplaats kiest bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-

  1. tussenkomende partij: I. Claudine LODOMEZ, die woonplaats kiest bij advocaat L. Moreau, kantoor houdende te Antwerpen, Quinten Matsijslei
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien de verzoekschriften die Betty De Prest op 8 december 2001 en op 31 november 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 5 oktober 2001 van het bestuurscollege van de Universiteit Gent, waarbij M.-J. De Bosscher, D. Gruytere, E. De Vos, R. De Vos, M. De Wulf, N. François, M.-T. Logier, C. Lodomez en E. Roosen met ingang van 1 oktober 1999 worden bevorderd naar graad 5 terwijl zij niet in aanmerking wordt genomen voor de bedoelde bevordering; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 13 maart 2002 in de zaak A. 113.869/XII-3372; XII-3372-1\16 Gelet op de beschikking van 18 maart 2002 die de tussenkomst van Claudine Lodomez in de zaak A. 113.869/XII-3372 toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de verslagen opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikkingen van 14 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikkingen van 22 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Jacubowitz, die loco advocaat P. De Maeyer verschijnt voor verzoekster, van advocaat K. Vanbinst, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat L. Moreau, die verschijnt voor de tussenkomende partij Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De procedure
  3. De beide beroepen zijn gericht tegen hetzelfde besluit, zodat er reden is om er in een enkel arrest uitspraak over te doen. XII-3372-2\16 De gegevens van de zaken 2.
  4. Op 28 april 2000 verklaart het bestuurscollege negen voltijdse betrekkingen van graad 5 vacant voor bevordering, voor de formatie werkingsuitkeringen - contingent faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen. Zulks op basis van de procedure vastgesteld door het bestuurscollege bij besluit van 15 juli
  5. Personeelsleden die reeds slaagden bij voorgaande bevorderingsexamens naar graad 5 worden vrijgesteld van het bevorderingsexamen, overeenkomstig artikel 43 van bedoeld procedurebesluit. Luidens artikel 39 van hetzelfde besluit van 15 juli 1994 motiveert de selectiecommissie aan de hand van de evaluatieverslagen welke geslaagde kandidaten binnen het beschikbare contingent voor bevordering in aanmerking komen en welke niet. De artikelen 41 en 42 van hetzelfde besluit bieden nog aan de sollicitanten het recht om hun bezwaren kenbaar te maken tegen het voorstel van de commissie, die na onderzoek van de bezwaarschriften en na het horen van de kandidaten die er om verzoeken, een ontwerp van gemotiveerde beslissing opstelt ten behoeve van het bestuurscollege, dat uiteindelijk luidens artikel 44 van hetzelfde besluit een met redenen omklede beslissing neemt. 2.
  6. Er melden zich dertig kandidaten, waaronder verzoekster, die als eerste technicus geaffecteerd is aan het laboratorium voor pathologie van de Universiteit Gent. Verzoekster is vrijgesteld van deelname aan het bevorderings- examen. Op 28 februari 2001 beslist de selectiecommissie welke negen personeelsleden zij voordraagt om te worden bevorderd in graad
  7. Verzoekster behoort daar niet bij; zij behoort tot een groep van vier kandidaten die wel in aanmerking komen, maar uiteindelijk vanwege de beperking van het contingent van de voordracht worden weerhouden; een derde groep komt dan weer niet in aanmerking omdat zij “in hun respectieve vakgroep op verdienstelijke wijze technische of logistieke taken uitvoeren, doch ook dat het hier overwegend uitvoerende taken betreft”. Over verzoekster overweegt de commissie “dat mevrouw B. De Prest in de vakgroep Anatomie, embryologie, histiologie en medische fysica op verdienstelijke wijze diverse taken uitoefent ter ondersteuning van het onderzoek en dat zij als coauteur is opgenomen bij verschillende publicaties, doch ook dat de door haar uitgevoerde taken eerder van ondersteunende aard zijn en minder verantwoordelijkheden inhouden, dan dit bij de voor bevordering geselecteerde kandidaten het geval is”. XII-3372-3\16 De selectiecommissie meent dat, “zonder afbreuk te willen doen aan de verdiensten van [verzoekster], er niettemin kandidaten zijn die op een meer doorslaggevende manier boven [haar] uitsteken” en dat die kandidaten “thans het meest voor bevordering in aanmerking komen omwille van hun grotere verantwoordelijkheden en/of de grotere techniciteit en de voortreffelijke wijze waarop zij hun functie uitoefenen”, hetgeen de commissie nog nader motiveert als volgt : “Overwegende dat mevrouw M. De Bosscher in de vakgroep Klinische biologie, microbiologie en immunologie als laborante o.m belast is met bacteriologische onderzoeken ter ondersteuning van het klinisch en het fundamenteel onderzoek, alsook met de voorbereiding en begeleiding van de practica in het kader van het onderwijs. Verder overwegende dat uit haar evaluatieverslag blijkt dat zij haar taken met een grote gedrevenheid en gevoel voor verantwoordelijkheid uitvoert en dit niet in een strak 9 to 5 schema en dat zij derhalve in de uitoefening van haar functie van meer techniciteit getuigt dan dit bij de niet voor bevordering voorgedragen kandidaten het geval is; Overwegende dat de heer D. De Gruytere in de vakgroep Fysiologie en fysiopathologie belast is met een veelheid aan elektrotechnische opdrachten ten behoeve van zowel het wetenschappelijk onderzoek, het onderwijs als de administratie van de vakgroep, dat hij de laatste jaren progressief een expertise verworven heeft inzake hard- en software, dat hij verantwoordelijk was voor het ontwerpen en bouwen van een lokaal netwerk en de aansluiting ervan op het RUG-net en het internet. Verder overwegende dat hij zijn taken op een zeer goede wijze zelfstandig uitvoert, dat hij zich voortdurend bijschoolt en dat zijn verantwoordelijkheden groter zijn dan die van de niet voor bevordering voorgedragen kandidaten; Overwegende dat mevrouw E. De Vos in de vakgroep Uro-gynaecologie belast is met een zeer uitgebreid takenpakket van administratieve secretariaats- en receptietaken, dat zij sinds 5 jaar de taak van klinisch datamanager voor de European Organisation for Research and Treatment of Cancer, Genito-urinary group vervult en dat zij ook betrokken wordt bij de activiteiten van de Vereniging der Geneesheren Oud-studenten der Universiteit Gent in het kader van de navorming van huisartsen. Verder overwegende dat uit haar evaluatieverslag blijkt dat zij haar functie op een voortreffelijke wijze uitoefent, dat zij als een onmisbare schakel ervaren wordt en dat de verantwoordelijkheden van haar functie duidelijk groter zijn dan bij de niet voor bevordering voorgedragen kandidaten; Overwegende dat de heer R. De Vos in de afdeling histologie van de vakgroep Anatomie, embryologie, histologie en medische fysica ter ondersteuning van het onderzoek als verantwoordelijke fungeert voor histochemie, elektronen- microscopie en fotografie en daarnaast ook belast is met beheer van de technische infrastructuur, dat hij het computernet installeerde en voor het computergestuurd onderwijs van de afdeling zorgt. Verder overwegende dat hij zijn taak op een voortreffelijke wijze uitvoert, dat hij zich voortdurend bijschoolt en dat de verantwoordelijkheden van zijn functie groter zijn dan bij de niet voor bevordering voorgedragen kandidaten; Overwegende dat mevrouw M. De Wulf in de vakgroep Heelkunde verantwoordelijk is voor de opvolging van veelvuldige administratieve taken XII-3372-4\16 in de polikliniek en dat zij deze taken met veel efficiëntie, verantwoordelijkheidszin, inzet, assertiviteit en discretie uitvoert en blijk geeft zelfstandig en flexibel te zijn en over organisatorische talenten te beschikken. Verder overwegende dat de verantwoordelijkheden van haar functie groter zijn dan bij de niet voor bevordering voorgedragen kandidaten; Overwegende dat mevrouw N. François in de afdeling histologie van de vakgroep Anatomie, embryologie, histologie en medische fysica als laborante belast is met de leiding van de afdeling cel- en weefselcultuur, zowel ter ondersteuning van het onderwijs als van het onderzoek. Verder overwegende dat haar taak in het vakgebied ook vakgroepoverschrijdend is, dat zij haar functie op voortreffelijke wijze zelfstandig uitvoert en ze niet als een 9 to 5 job invult en dat zij in de uitoefening van haar functie van meer techniciteit getuigt dan dit bij de niet voor bevordering voorgedragen kandidaten het geval is; Overwegende dat C. Lodomez in de vakgroep Huisartsgeneeskunde en eerstelijnsgezondheidszorg belast is met een dubbele administratieve functie, enerzijds fungeert zij als secretaris van de vakgroep in het algemeen en de vakgroepvoorzitter in het bijzonder, anderzijds is zij verantwoordelijk voor de secretariaatsondersteuning in Gent van het interuniversitair samenwerkings- verband huisartsopleiding. Verder overwegende dat uit haar evaluatieverslag blijkt dat zij deze omvangrijke en complexe taken op een uitstekende wijze met grote gedrevenheid autonoom vervult en dat de verantwoordelijkheden van haar functie duidelijk groter zijn dan bij de niet voor bevordering voorgedragen kandidaten; Overwegende dat mevrouw M. Logier in de vakgroep Oogheelkunde belast is met een dubbele functie, enerzijds als verantwoordelijke voor de bibliotheek Jules François, een der belangrijkste oogheelkundige bibliotheken in Europa, anderzijds als verantwoordelijke voor het laboratorium van de vakgroep en waarbij ook eigenlijk laboratoriumwerk uitvoert. Verder overwegende dat uit haar evaluatieverslag blijkt dat zij haar dubbele functie op een uitstekende wijze uitoefent en dat o.m. de kwaliteit van het geleverde laboratoriumwerk torenhoog uitsteekt boven dit bekomen in andere laboratoria voor pathologie en dat zij derhalve in de uitoefening van haar functie van meer techniciteit getuigt dan dit bij de niet voor bevordering voorgedragen kandidaten het geval is; Overwegende dat E. Roosen in de van de vakgroep Anatomie, embryologie, histologie en medische fysica de functie uitoefent van hoofdverantwoordelijke voor het secretariaat van de afdelingen anatomie en embryologie, dat zij hierbij belast is met een uitgebreid administratief takenpakket dat o.m. ook het opvolgen van computerbestanden, de administratie van de afdelingbibliotheek en de boekhouding omvat, maar zeer specifiek ook de public relations van de vakgroep i.v.m. legaten van stoffelijke overschotten en waarbij zij van een grote empathie getuigt. Verder overwegende dat uit haar evaluatieverslag blijkt dat zij haar functie autonoom uitvoert, flexibel en vindingrijk is en dat de verantwoordelijkheden van haar functie duidelijk groter zijn dan bij de niet voor bevordering voorgedragen kandidaten”. Verzoekster tekent bezwaar aan. In haar bezwaarschrift uit zij het “vermoeden dat de selectiecommissie onvolledig was voorgelicht over [haar] prestaties” omdat haar diensthoofd wegens verwantschap niet kon deelnemen aan XII-3372-5\16 de procedure en de vakgroepvoorzitter niet vertrouwd is met haar werk. Zij geeft ook toelichting bij haar taken en verantwoordelijkheden en haar wijze van dienen. Ook zou de vakgroepraad onterecht volgens haar niet hebben beraadslaagd over het evaluatieverslag. De selectiecommissie hoort verzoekster en onderzoekt het bezwaarschrift op 3 september
  8. Zij merkt daarbij op dat verzoekster geen gebruik heeft gemaakt van haar recht om opmerkingen te maken op haar evaluatieverslag en dat in het dossier een document aanwezig is waaruit moet blijken dat de vakgroepraad op 31 oktober 2000 het evaluatieverslag heeft besproken. De commissie onderstreept verder dat het niet a priori de taak is van een ATP-lid om te publiceren, dat uit haar evaluatieverslag blijkt dat verzoekster van een grote techniciteit getuigt, doch ook dat de collegialiteit en de samenwerking - wat ook de reden moge zijn- niet vlot verloopt. De selectiecommissie beslist dan de libellering van de motivering in die zin aan te passen : “Overwegende dat mevrouw B. De Prest in de vakgroep Anatomie, embryologie, histiologie en medische fysica op verdienstelijke wijze diverse taken uitoefent ter ondersteuning van het onderzoek en dat zij als coauteur is opgenomen bij verschillende publicaties, dat zij daarbij van grote techniciteit getuigt, doch ook dat uit haar evaluatieverslag blijkt dat de collegialiteit en de samenwerking -wat ook de reden moge zijn- niet vlot verloopt, zodat zij thans minder voor bevordering in aanmerking komt”. De commissie concludeert dat er evenwel geen reden is om de op 28 februari 2001 voorgestelde voordracht tot bevordering te wijzigen. Het bestuurscollege van de Universiteit Gent beslist op 5 oktober 2001 onder een identieke motivering tot de negen thans in het geding zijnde bevorderingen, met ingang van 1 oktober
  9. De gegrondheid van het eerste beroep 3.
  10. In de zaak A.113.869/XII-3372 voert verzoekster als eerste middel het gebrek aan deugdelijke motivering aan, doordat de verwijzing in de bestreden beslissing naar het in het evaluatieverslag opgenomen verwijt van niet vlot XII-3372-6\16 verlopende collegialiteit en samenwerking gefingeerd is en geen steun vindt in dit verslag. In het tweede middel voert verzoekster aan dat diezelfde verwijzing in de bestreden handeling naar een louter verzonnen, onbestaande beoordeling van het evaluatieverslag tevens een schending inhoudt van de zorgvuldigheids- en redelijkheidsnorm. Verzoekster licht toe dat gebrek aan collegialiteit en samenwerking een beoordeling is die in het evaluatieverslag niet valt te bespeuren, zodat de cruciale overweging met betrekking tot de inschatting van de sollicitatie op apert onjuiste informatie stoelt. Met een enkele blik op het dossier hadden de leden van de selectiecommissie of later het bestuurscollege zich kunnen behoeden voor dergelijke blunder. Uit het evaluatieverslag blijkt integendeel dat zij geen enkel tekort op dit gebied heeft getoond, wat volgens verzoekster boekdelen spreekt over de onaanvaardbare achteloosheid of onverschilligheid waarmee de gehele aangelegenheid werd behandeld. 3.
  11. Verzoekster heeft op 31 oktober 2000 een verklaring ondertekend waarin zij erkent kennis te hebben genomen van het bedoelde evaluatieverslag -blijkbaar heeft ze er ook een afschrift van ontvangen, want het is bij het inleidend verzoekschrift gevoegd- en waarin zij eveneens verklaart kennis te hebben genomen van de volgende reglementering terzake : “Het verslag van de evaluatiecommissie bevat een sterkte-zwakte-analyse van het betrokken personeelslid. Het personeelslid krijgt hiervan inzage. Het kan binnen de 8 kalenderdagen commentaar geven op zijn evaluatie. De nota met deze commentaar wordt bij het evaluatiedossier gevoegd. Bij negatieve evaluatie kan het personeelslid binnen dezelfde termijn in beroep gaan bij de Raad van Beroep”. Het bewuste evaluatieverslag vermeldt over verzoekster in de rubriek “Communicatie + samenwerking” onder meer wat volgt : - “Maakt goede afspraken over de verdeling van de taken en over de verantwoordelijkheden. Zegt kordaat haar mening”; - “Ze is niet volgzaam en neemt weinig initiatief voor sociaal contact”; XII-3372-7\16 - “Ze komt niet spontaan op de voorgrond, maar ze geeft duidelijk en kordaat haar mening te kennen tijdens discussies”; - “Een harde werker, die kortaf en ongezouten haar mening zegt”; - “Zakelijke communicatie en samenwerking. Prof. G. Criel wenst zich te onthouden voor dit punt van de evaluatie”. Nu hoeft verzoekster het met deze analyse vanzelfsprekend ten gronde niet eens te zijn. Dan rijst wel de vraag waarom zij van de mogelijkheid om te nuttiger tijd commentaar te geven, geen gebruik heeft gemaakt. Hoe dan ook kan de Raad van State enkel vaststellen -met een enkele blik op de geciteerde passages van het evaluatieverslag- dat de stelling van verzoekster, als zou de vermelding in het evaluatieverslag van het aangewreven gebrek aan samenwerking totaal gefingeerd en verzonnen zijn, feitelijke grondslag mist. 3.
  12. In de memorie van wederantwoord noemt verzoekster het voorbijgaan aan de bewuste appreciaties omtrent de samenwerking met collega’s een “betreurenswaardige vergissing” die evenwel de aangevoerde middelen niet ontzenuwt, gelet op de vele lovende passages over haar presteren, elders in het evaluatieverslag. Sommige van die appreciaties hebben volgens verzoekster ook betrekking op haar collegialiteit en samenwerking en daaruit blijkt dat haar houding in dat opzicht wordt gewaardeerd. 3.
  13. Verzoekster argumenteert aldus niet langer dat het evaluatie- verslag géén minder gunstige appreciaties bevat over collegialiteit en samenwerking. Thans heet het evenwel, eensdeels, dat dit niet mag opwegen tegen de andere, lovende bewoordingen en, anderdeels, dat er een interne tegenstrijdigheid bestaat tussen deze en de andere gegeven beoordelingen. Verzoekster neemt nu dus de haar gegeven beoordeling inhoudelijk op de korrel en geeft daarmee een nieuwe invulling aan de middelen, die niet in te passen is in de oorspronkelijk aangevoerde onwettigheid en die zij reeds bij het indienen van haar beroep had kunnen aanvoeren. XII-3372-8\16 3.
  14. De beide middelen, zoals ze in het inleidend verzoekschrift zijn aangevoerd, falen in feite. Zoals ze worden geherformuleerd in de memorie van wederantwoord -en overigens in de laatste memorie nóg uitvoeriger worden uitgewerkt- zijn ze onontvankelijk. 3.
  15. In de laatste memorie betoogt verzoekster nog als een nieuw feit, dat in de huidige evaluatieformulieren voor de vraagstelling omtrent samenwerking en collegialiteit geen plaats meer is. Daargelaten nog wat verzoekster hiermee beoogt aan te tonen en of zij dit in deze stand van de procedure nog vermag te doen, stelt de Raad van State met verwerende partij vast dat het uitgangspunt van verzoekster andermaal zonder feitelijke grondslag is, nu de achtste kerncompetentie waarover het nieuwe evaluatieformulier informatie moet verstrekken, peilt naar het in teamverband functioneren (“de mate waarin het personeelslid kan samenwerken met leidinggevenden, collega’s, afdelingen, departementen... om samen een doel te realiseren”). 4.
  16. In een derde middel voert verzoekster de schending aan van artikel 10 van de Grondwet, van het gelijkheidsbeginsel, het niet-discriminatie- beginsel en het onpartijdigheidsbeginsel “doordat verwerende partij manifest niet dezelfde beoordelingscriteria heeft toegepast op verzoeker enerzijds en op de andere gegadigden anderzijds”. Zij licht deze grief als volgt toe : “- Zo blijkt dat bij Mevr. De Bosscher de hoge graad van techniciteit door de Commissie ten zeerste wordt gewaardeerd daar waar blijkbaar nauwelijks rekening wordt gehouden met de erkende hoge techniciteit van verzoekster - Bij Mevr. De Vos wordt - in tegenstelling tot verzoekster - de nadruk gelegd op het feit dat zij op voortreffelijke wijze haar functie uitoefent volgens het evaluatieverslag en blijkt veel belang te worden gehecht aan haar activiteiten in het kader van de Vereniging der Geneesheren Oud- studenten van de universiteit. Het is op zijn minst verrassend dat deze - zeker niet te versmaden bedrijvigheid - blijkbaar zwaarder doorweegt dan de coauteurschap van verzoekster inzake wetenschappelijke publicaties - Verzoekster twijfelt geen ogenblik aan de eigenschappen van Mevr. De Wulf. Desondanks dient vastgesteld dat uit het verslag niet blijkt dat zij haar taken beter zou vervullen dan haar collega’s en vooral XII-3372-9\16 niet dat de verantwoordelijkheden van haar functie ‘groter’ zouden zijn dan deze van de niet voorgedragen kandidaten - Bovendien dient verzoekster op te boksen tegen een handicap: haar rechtstreeks diensthoofd is een familielid en kon derhalve - wegens die verwantschap - uiteraard niet deelnemen aan de evaluatieprocedure. Nu is het echter zeer de vraag of de selectiecommissie ten gevolge hiervan volledig werd ingelicht over haar prestaties: noch de Vakgroepvoorzitter (Prof. Dr. L. De Ridder), noch Prof; G. Criel zijn vertrouwd met haar werk. - Wellicht is deze gebrekkige en onvolledige informatie eraan debet dat de selectiecommissie talrijke aspecten van het werk van verzoekster onvermeld heeft gelaten. Dit steekt des te meer nu gelijkaardige prestaties in hoofde van de voor bevordering voorgedragen kandidaten juist extra beklemtoond werden. Nog erger is het feit dat ten gevolge van dit gebrek aan deugdelijke toelichting de commissie een aantal cruciale gegevens over het hoofd heeft gezien. Zo had zij geen oog voor het feit b.v. dat verzoekster niet enkel taken waarneemt die van ondersteunende aard zijn, maar integendeel erin slaagt haar administratieve verantwoordelijkheden - waarvoor zij in zeer aanzienlijke mate zelfstandig optreedt - te combineren met een groot volume aan laboratoriumwerk waarin zij eveneens zelfstandigheid heeft verworven. Zij vervult aldus een dubbele functie. Zonder hierop verder te willen ingaan dient toch even vermeld dat verzoekster op eigen initiatief een regelmatig bijgehouden databestand van circa 2000 legaten van het lichaam heeft opgebouwd (‘Filemaker’), een volledig bestand van patiëntendossiers (deze gegevens worden gebruikt voor uitgebreide mededelingen op internationale congressen en publicaties waarvan zij medeauteur is) alsook uitgebreide literatuur-bestanden en - naast deze taken die een intensieve toepassing van informatica vergen - ook nog verantwoordelijk is voor het opstellen van de statistieken van dierproeven. Op technisch gebied blijkt haar vaardigheid, competentie en zelfstandigheid uit het feit dat zij twee nieuwe formules op punt heeft gesteld m.b.t. tot enzymatische reacties. Gelet bovendien op haar werkvolume en stiptheid is het verzoekster een raadsel waarom dergelijke eigenschappen en attributen een hoge quotering krijgen bij de bevorderde kandidaten maar in haar geval met een geringschattende beoordeling worden genegeerd”. Via het administratief dossier heeft verzoekster kennis kunnen nemen van de evaluatieverslagen die over haar concurrenten zijn opgesteld. In de memorie van wederantwoord stipt zij in die verslagen volgende appreciaties aan “die aantonen dat zij kennelijk niet het niveau hadden bereikt van verzoekster en zodat de voorkeur die zij genoten in redelijkheid niet te verklaren valt” : “- zo kreeg Mevr. Roosen voor vraag 4.1.a enkel het predikaat ‘goed’ (niet heel goed) - op het gebied van informatica is de kennis getoond door Mevr. De Bosscher slechts ‘matig’ XII-3372-10\16 - bij Dhr. De Gruytere vindt men slechts bij vraag 4.1.a. de inschatting ‘normaal’ - over de kwaliteit van de prestaties van Mevr. De Wulf (kwantitatief ‘normaal’) hoegenaamd niets; ook is het zeer de vraag of het botert tussen haar en haar collega’s vermits we als enig antwoord op vraag 7.
  17. het vrij cryptisch commentaar lezen ‘nobody is perfect’. (blijkbaar hoorde verzoekster integendeel wél ‘perfect’ te zijn ...).. - dat Mevr. François geen initiatieven neemt wordt blijkbaar positief ingeschat - net als de ‘volgzaamheid’ die getoond werd door Mevr. E. De Vos.”. Andermaal betoogt verzoekster dat verwerende partij heeft nagelaten eenvormige criteria toe te passen. Uitvoerig bestrijdt verzoekster ook in de memorie van wederantwoord dat de karaktereigenschappen die haar worden verweten het bewijs zouden vormen van het vermeende gebrek aan collegialiteit en de slechte samenwerking. Ook hier herhaalt zij dat deze laatste gunstig worden beoordeeld blijkens andere delen van het evaluatieverslag. Het heeft er volgens verzoekster voorts alle schijn van dat zij gediscrimineerd wordt omdat zij een aantal publicaties in samenwerking met haar echtgenoot heeft geschreven en “is het zelfs zeer de vraag” of haar huwelijkspartner haar evaluatie niet in ongunstige zin heeft beïnvloed: hij kon aan de evaluatie niet deelnemen en als verantwoordelijke heeft hij moeilijke personeelsbeslissingen moeten nemen die van aard zijn negatieve gevoelens op te wekken die thans uitgewerkt konden worden op haarzelf. 4.
  18. Waar het verzoekster toegelaten is het middel nader uit te werken aan de hand van de informatie die haar over de andere kandidaten pas voor het eerst bekend werd middels de neerlegging van de desbetreffende evaluatieverslagen in het administratief dossier, moet ook hier worden vastgesteld dat de kritiek die zij in de memorie van wederantwoord pas voor het eerst formuleert over haar eigen evaluatieverslag -die overigens ook meer met de motiveringsplicht verband houdt, welke niet in dit middel aan de orde is gesteld- en de bijkomende beweringen over de weerslag van haar huwelijk, al in het inleidend verzoekschrift aangebracht konden worden. In die mate is de uiteenzetting van verzoekster niet ontvankelijk. XII-3372-11\16 Voor zover haar kritiek over haar gebrek aan collegialiteit en zin voor samenwerking in de context van dit middel evenwel zo moet worden begrepen dat verzoekster bedoelt, zich voor dit aspect van de evaluatie verschillend en ongelijk behandeld te achten in vergelijking met de andere kandidaten, dan stelt de Raad van State vast dat dit bij een bewering blijft, die verzoekster in de memorie van wederantwoord niet nader concretiseert. Verzoekster, die de evaluaties van de andere kandidaten als zodanig niet in vraag stelt, geeft niet aan welke concurrent toch werd bevorderd niettegenstaande in zijn of haar evaluatieverslag vergelijkbare bemerkingen over collegialiteit en samenwerking zijn uitgebracht. Ook zo beschouwd is die kritiek dus onontvankelijk. 4.
  19. Het bestuurscollege -zoals eerst de selectiecommissie- besluit tot de bestreden negen bevorderingen omdat deze personeelsleden “het meest voor bevordering in aanmerking komen omwille van hun grotere verantwoordelijkheden en/of grotere techniciteit en de voortreffelijke wijze waarop zij hun functie uitoefenen”. Hieruit blijken de eenvormige criteria waaraan de verschillende kandidaten zijn getoetst, te weten hun meer of minder grote verantwoordelijkheden, de meer of mindere techniciteit van de uitgeoefende functie en de wijze waarop zij hun functie uitoefenen. Uit de hiervoor geciteerde motieven blijkt ook dat de selectiecommissie, hierin gevolgd door het bestuurscollege, die beoordelings- maatstaven op elk van de kandidaten concreet heeft toegepast aan de hand van de evaluatieverslagen. De grief dat eenvormige criteria ontbraken kan dan ook niet worden aangenomen. Een andere vraag is of die beoordelingscriteria ook op gelijke wijze zijn toegepast op de verschillende kandidaten. De “vraag” van verzoekster, of de selectiecommissie ingevolge de verwantschapsbanden wel volledig werd ingelicht over haar prestaties in vergelijking met de andere kandidaten, heeft reeds een antwoord gekregen. Immers, verzoekster heeft dit in haar bezwaarschrift bij de commissie ook geopperd, en zij heeft de selectiecommissie tal van voorbeelden gegeven over haar werkelijke taken en verantwoordelijkheden. Een en ander blijkbaar op overtuigende wijze, want de commissie heeft vervolgens beslist om haar advies over verzoekster te wijzigen, niet XII-3372-12\16 langer daarin te vermelden dat haar taken eerder van ondersteunende aard zijn en minder verantwoordelijkheden inhouden en integendeel te schrijven dat verzoekster op verdienstelijke wijze diverse taken uitoefent ter ondersteuning van het onderzoek en dat zij als coauteur is opgenomen bij verschillende publicaties. De samenstelling van de commissie heeft bijgevolg finaal niet tot een jegens verzoekster onverantwoord verschil in behandeling geleid. In het inleidend verzoekschrift vermeldt verzoekster de kandidaten De Bosscher, De Vos en De Wulf. Inderdaad blijkt in de bestreden beslissing de toets aan de beoordelingscriteria in hun voordeel uit te vallen. Verzoekster toont echter niet aan waarom haar functie een hogere graad van techniciteit of verantwoordelijkheid vertoont dan de functie van deze bevorderden, noch dat zij haar functie op meer voortreffelijke wijze zou hebben vervuld dan de andere gegadigden. Het komt de Raad van State niet toe de beoordeling van de kandidaten over te doen en zich in de plaats te stellen van het bestuur. Verzoekster harerzijds slaagt er niet in aan te tonen dat het bestuur zijn beoordelingsvrijheid te buiten is gegaan, inzonderheid omdat het de gegadigden op een ongeoorloofde wijze verschillend heeft behandeld. Weliswaar kan verzoekster meer concreet zijn in de memorie van wederantwoord, nu zij inzage heeft gekregen in het administratief dossier. Maar ook de dan door haar geformuleerde voorbeelden overtuigen niet. De evaluatieverslagen omvatten immers voor elk personeelslid meerdere appreciaties, verspreid over verschillende rubrieken. Het gaat dan bij voorbeeld niet op één vermelding “matig” (De Bosscher) of “normaal” (De Gruytere) uit die evaluatie aan te grijpen, als de betrokkenen voor de overige onderdelen quasi uitsluitend de vermelding “zeer goed” hebben staan. Verzoekster slaagt er andermaal niet in aan te tonen dat de selectiecommissie tot een verkeerde voorstelling van zaken is gekomen. Nog minder dat zij anders, en dus ongelijk, zou zijn behandeld. XII-3372-13\16 Tenslotte heeft verzoekster in het inleidend verzoekschrift wel de schending van het onpartijdigheidsbeginsel aangevoerd, maar die aantijging geenszins met concrete feiten gestaafd. Zoals hiervoor al is opgemerkt, kan dat niet meer op ontvankelijke wijze in de latere procedurestukken worden rechtgezet. 4.
  20. Wat voorafgaat leidt tot het besluit dat het middel niet kan worden aangenomen. 5.
  21. Het vierde middel is ontleend aan de schending van artikel 116 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. Bij de toewijzing van betrekkingen van administratief en technisch personeel moet het universiteitsbestuur luidens die bepaling “bij elke selectie minstens de verworven kennis en ervaring, de opleiding, de technische en persoonlijke bekwaamheden en de potentialiteit van de kandidaten [afwegen] tegen de functiebeschrijving en het functieprofiel” en de beslissing “wordt gemotiveerd op grond van die afweging”. Volgens verzoekster is die bepaling geschonden “doordat verwerende partij onmogelijk kan voorhouden dat de door haar in de bestreden handeling gedane selectie het resultaat is van een zorgvuldige afweging zoals voorgeschreven in het aangehaalde artikel”. Niets wijst er op dat tot een dergelijke zorgvuldige afweging werd overgegaan, wat op onweerlegbare wijze blijkt uit het feit dat haar een denkbeeldige evaluatie werd toegeschreven. 5.
  22. Daargelaten nog dat bij de bespreking van het eerste en het tweede middel is vastgesteld dat het denkbeeldig karakter van de evaluatie feitelijke grondslag mist, wordt met verwerende partij vastgesteld dat verzoekster haar kritiek uitsluitend in verband brengt met het evaluatieverslag. De selectie geschiedt evenwel mede -en zelfs eerst- aan de hand van een bekwaamheidsexamen, waarbij de geschiktheid wordt gemeten van de kandidaten, en vervolgens naar verdienste, met het evaluatieverslag als grondslag voor een vergelijking tussen de overgebleven kandidaten. Deze procedure sluit volkomen aan bij het geciteerde artikel 116 van het voormelde decreet van 12 juni
  23. 5.
  24. Het middel is ongegrond. XII-3372-14\16 De gegrondheid van het tweede beroep 6.
  25. In de zaak A.116.245/XII-3428 voert verzoekster vijf annulatie- middelen aan. In de memorie van wederantwoord verklaart zij aan het vijfde middel te verzaken. De overige vier middelen vallen samen met de vier in de eerste zaak aangevoerde middelen. Geen ervan is gegrond, om de sub 3 tot 5 uiteengezette redenen. 6.
  26. Nu het beroep in de tweede zaak hoe dan ook niet tot de gevraagde nietigverklaring kan leiden, is er geen reden om de door verwerende partij in deze zaak opgeworpen exceptie van laattijdigheid aan een nader onderzoek te onderwerpen. Het actueel belang van verzoekster
  27. Uit wat voorafgaat volgt dat de beide beroepen tot mislukken zijn gedoemd. Er is dus evenmin reden om te onderzoeken wat de weerslag kan zijn, wat het bestaan en de omvang van het actueel belang van verzoekster betreft, van haar bevordering in graad 5 met ingang van 1 oktober
  28. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  29. De zaken nrs. A. 113.869/XII-3372 en A. 116.245/XII-3428 worden gevoegd. XII-3372-15\16 Artikel
  30. De beroepen worden verworpen. Artikel
  31. De kosten van de beroepen, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3372-16\16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.886 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.