id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.887 Rolnummer: A. 93906/XII-2707 Zaak: Arrest 171887 - Wapens - 07/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-19 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:46 Fiche Arrest nr 171.887 van 7 juni 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 171.887 van 7 juni 2007 in de zaak A. 93.906/XII-
- In zake : Danny DE SCHEPPER, die woonplaats kiest bij advocaat M. Sterck, kantoor houdende te Stekene, Stadionstraat 30 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Danny De Schepper op 24 juli 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 mei 2000 van de gouverneur van Oost-Vlaanderen waarbij zijn vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen wordt ingetrokken; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 7 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien verzoekers laatste memorie met vraag tot voortzetting; Gelet op de beschikking van 29 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-2707-1/7 Gehoord de opmerkingen van attaché F. Dhont, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Op 13 maart 1992 wordt verzoeker door de politie van Stekene een vergunning verleend tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen. 1.
- In een brief van 16 februari 2000 meldt de politiecommissaris van Stekene de gouverneur van Oost-Vlaanderen dat door de rijkswacht Stekene onder dossiernummer 100053/000 van 17 januari 2000 inzake bedreigingen met wapenvertoon, werd vastgesteld dat verzoeker in het bezit was van een illegaal oorlogsvuurwapen Erma Werke kaliber .
- Gezien de feiten wordt voorgesteld verzoekers wapenvergunning in te trekken. 1.
- Bij brief gedateerd op 15 mei 2000 adviseert de procureur des Konings te Dendermonde de gouverneur de procedure “tot schorsing/intrekking” van verzoekers wapenvergunning te starten. Er wordt gewezen op het feit dat uit informatie van de lokale politie blijkt dat verzoeker “een generatiegeschil” heeft met zijn inwonende stiefvader, dat hij in het bezit was van een oorlogswapen zonder vergunning en dat hij volgens de politie “een psychiatrisch verleden” heeft zodat het niet denkbeeldig is “dat hij in een probleemsituatie zou komen en de openbare orde zou kunnen verstoren”. 1.
- Op 29 mei 2000 beslist de gouverneur van Oost-Vlaanderen verzoekers vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen in te trekken. Dit is het bestreden besluit. De motivering ervan luidt onder meer : XII-2707-2/7 “Gelet op de brief van de politie van Stekene d.d. 16 februari 2000; Gelet op het advies van de Procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde d.d. 15 mei 2000; Overwegende dat de commissaris van politie te Stekene in zijn brief d.d. 16 februari 2000 verklaart dat betrokkene in het bezit was van een illegaal oorlogsvuurwapen waarvoor hij geen vergunning kon vertonen; dat deze vaststelling werd gedaan door de rijkswacht van Stekene inzake bedreigingen met wapenvertoon; dat de heer De Schepper ook nog in het bezit is van een legaal vergund verweervuurwapen; dat, gezien de hogergenoemde feiten, een intrekking van dit wapen lijkt aangewezen; Overwegende dat de Procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde in zijn brief d.d. 15 mei 2000 meldt dat betrokkene een generatiegeschil heeft met zijn inwonende stiefvader die trouwens geen wapens in huis wil; dat de wapens daarom worden ondergebracht bij de broer van belanghebbende; dat betrokkene een psychiatrisch verleden heeft en het bijgevolg niet denkbeeldig is dat hij in een probleemsituatie de openbare orde zou kunnen verstoren; dat het daarom aangewezen is het wapen te schorsen of in te trekken; Overwegende dat uit het feit dat betrokkene in het bezit was van een illegaal oorlogsvuurwapen kan worden besloten dat hij het niet nauw neemt met de wapenwetgeving; dat belanghebbende zich reeds schuldig maakte aan bedreigingen met wapenvertoon; dat het psychiatrisch verleden van de heer De Schepper en de problemen met diens stiefvader in combinatie met wapenbezit een reëel gevaar inhouden voor de openbare orde en veiligheid; dat een definitieve intrekking van de vergunning op naam van betrokkene dan ook gerechtvaardigd is”;
- De grond van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn eerste middel een schending van het motiveringsbeginsel inroept; dat hij betoogt dat er een gebrek aan draagkrachtige motieven is, dat de bestreden beslissing steunt op twee motieven, namelijk, eensdeels, dat hij het niet nauw neemt met de wapenwetgeving en zich reeds schuldig maakte aan bedreigingen met wapenvertoon en, anderdeels, dat zijn psychiatrisch verleden en de problemen met zijn stiefvader in combinatie met wapenbezit een reëel gevaar inhouden voor de openbare orde en veiligheid, dat deze motieven nergens nader worden gespecificeerd naar plaats, duur, tijd of omstandigheden, dat nergens uit blijkt dat in concreto werd nagegaan of het voorhanden hebben van het wapen in 2000 de openbare orde zou kunnen verstoren “en of de gebeurtenissen uit zijn verleden nog een bedreiging voor de openbare orde en veiligheid zouden kunnen betekenen”; XII-2707-3/7 Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt dat niet vaststaat dat hij bedreigingen heeft geuit met wapenvertoon en dat hij een geschil zou hebben met zijn stiefvader; dat hij wel erkent dat hij en zijn stiefvader “geen dikke vrienden zijn” en dat hij zich “omwille van de spanning welke er in het verleden geweest is” vrijwillig en kortstondig heeft laten opnemen in een gespecialiseerde instelling om mentaal tot rust te komen; dat hij zich bovendien afvraagt of een vrijwillige opname, lange tijd nadien, nog relevant is voor het beoordelen van het gevaar voor de openbare orde; dat hij ten slotte herhaalt dat niet blijkt dat in concreto werd nagegaan of het “illegaal” bezit van een oorlogsvuurwapen nog een bedreiging voor de openbare orde zou kunnen betekenen; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie benadrukt dat er nooit sprake is geweest van “illegaal” bezit van een oorlogsvuurwapen, dat “er in het gezin van zijn broer [...] echtelijke moeilijkheden waren” en zijn schoonzus het wapen van zijn broer “bij [hem] is komen onderbrengen, teneinde verdere moeilijkheden en risico’s te voorkomen”, dat hij niet op de hoogte was van de verdere gegevens omtrent dit wapen en hij aldus heeft gehandeld om de kalmte en rust in het gezin van zijn broer te bewaren; 2.
- Overwegende dat de gouverneur op grond van artikel 6, § 1, derde lid, van de te dezen toepasselijke wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, de vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen bij met redenen omklede beslissing kan schorsen of intrekken indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren; dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 januari 1991 tot wijziging van de wapenwet blijkt dat het begrip “openbare orde” in de ruime zin moet worden opgevat, namelijk met inbegrip van de openbare veiligheid, de openbare rust en de openbare gezondheid (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 978/6, blz. 26 en 27); dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 januari 1991 tot wijziging van de wapenwet ook werd benadrukt dat het de bedoeling was de samenleving te beschermen tegen geweld en het risico op ongelukken te verminderen (Parl. St., Senaat, 1989-1990, nr. 972/2, blz. 2 en 4; Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 978/6, blz. 2); dat noch in de gewijzigde wapenwet, noch in het uitvoeringsbesluit wordt bepaald dat een intrekking of schorsing enkel mogelijk zou zijn indien betrokkene werd veroordeeld XII-2707-4/7 wegens bepaalde misdrijven; dat evenmin vereist is dat hij de openbare orde reeds met een wapen zou hebben verstoord; Overwegende dat de gouverneur bij toepassing van het voormelde artikel 6, § 1, derde lid, van de voornoemde wet, bij de invulling van het begrip openbare orde over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt; dat hij namelijk uit bepaalde feiten mag afleiden dat het voorhanden hebben van het wapen waarvan hij de vergunning schorst of intrekt de openbare orde “kan” verstoren; dat die bevoegdheid zoals elke discretionaire bevoegdheid van een administratieve overheid onder meer wordt beperkt door het motiveringsbeginsel; dat krachtens het motiveringsbeginsel voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan met een voldoende feitelijke grondslag; Overwegende dat uit de aanhef van het bestreden besluit blijkt dat één van de beslissende motieven voor het intrekken van verzoekers wapenvergunning is “dat uit het feit dat betrokkene in het bezit was van een illegaal oorlogsvuurwapen kan worden besloten dat hij het niet nauw neemt met de wapenwetgeving”; dat daarnaast ook wordt verwezen naar verzoekers psychiatrische verleden en de problemen met zijn stiefvader, alsook naar het feit dat verzoeker reeds was geverbaliseerd wegens bedreigingen met wapenvertoon; dat verwerende partij daarbij is uitgegaan van feitelijke gegevens die haar werden meegedeeld door de politiecommissaris van Stekene en de procureur des Konings van Dendermonde; dat het bezit van een illegaal oorlogsvuurwapen door verzoeker overigens wordt erkend in zijn memorie van antwoord en zijn laatste memorie; dat voorts verzoeker zelf erkent dat er spanningen bestonden met zijn stiefvader en dat hij zich kortstondig in een gespecialiseerde instelling heeft laten opnemen om mentaal tot rust te komen; dat de vaststelling dat verzoeker bedreigingen zou hebben geuit met wapenvertoon een bijkomstig motief is waarvan de onwettigheid hoe dan ook niet tot nietigverklaring zou kunnen leiden; Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel een schending van het redelijkheidsbeginsel aanvoert; dat hij daartoe enkel stelt dat de bevoegdheidsuitoefening niet mag worden ingegeven door “grillen en toevalligheden”, dat het immers niet redelijk is voort te gaan op beweringen zonder in concreto en nauwgezet de feiten te onderzoeken, dat dit des te meer klemt XII-2707-5/7 aangezien zich de laatste tijd geen moeilijkheden meer hebben voorgedaan, zodat de definitieve intrekking een te zware sanctie is; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord zonder meer verwijst naar zijn verzoekschrift en in zijn laatste memorie herhaalt wat hij reeds in zijn verzoekschrift uiteenzette; 3.
- Overwegende dat, in zoverre verzoeker in zijn middel nogmaals de feitelijke grondslag van de bestreden beslissing in vraag stelt, zijn middel samenvalt met het vorige, dat niet gegrond is bevonden; Overwegende voorts dat de gouverneur geen gebrek aan een zorgvuldig oordeel mag worden verweten bij het nemen van de bestreden beslissing om verzoekers wapenvergunning in te trekken; dat te dezen weliswaar meteen de sanctie voor de definitieve intrekking werd opgelegd, doch dat die sanctie niet in een dergelijke wanverhouding staat tot de drie niet te betwisten gegevens waarop ze steunt, dat het opleggen van die sanctie de grenzen van de beleidsvrijheid, die de voornoemde wet in zijn artikel 6, § 1, derde lid, aan de gouverneur verleent, te buiten zou gaan; dat het voorhanden hebben van vuurwapens nu eenmaal evident grote risico’s inhoudt voor de openbare orde en veiligheid zodat een bevoegde overheid ingeval bij niet-naleving van die wet en uitvoeringsbesluiten ervan met dezelfde grote gestrengheid mag optreden; dat ook het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Het door verzoeker ten onrechte teveel gekweten zegelrecht van 12,39 euro, dient hem te worden terugbetaald. XII-2707-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2707-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.887 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div