← België

Arrest 171888 - Wapens - 07/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.888 Rolnummer: A. 96374/XII-2797 Zaak: Arrest 171888 - Wapens - 07/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-18 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 06:46 Fiche Arrest nr 171.888 van 7 juni 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 171.888 van 7 juni 2007 in de zaak A. 96.374/XII-

  1. In zake : XXXX, die woonplaats kiest bij advocaten F. Jacobs en B. Vandewalle, kantoor houdende te Leopoldsburg, F. Van Baelstraat 3 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Limburg. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 12 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 augustus 2000 van de gouverneur van Limburg waarbij zijn beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de politiecommissaris van Maasmechelen tot afgifte van een vergunning voor de aankoop en het bezit van een verweervuurwapen niet wordt ingewilligd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 18 juni 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van het geding van verzoeker en de laatste memorie van verwerende partij; Gelet op de beschikking van 31 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 maart 2007; XII-2797-1/10 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Devers, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Verzoeker is zowel lid van Schietstand ’t Mikpunt te Maasmechelen, als van de vzw Target 121 te Leopoldsburg, waar hij regelmatig blijkt deel te nemen aan schietoefeningen. 1.
  4. Bij aangetekende brief van 7 januari 2000 vraagt hij bij de politiecommissaris van Maasmechelen een vergunning voor een verweervuurwapen aan teneinde zijn hobby als sportschutter te “kunnen verruimen”. 1.
  5. Bij brief van 8 april 2000 stelt verzoeker bij de gouverneur van Limburg beroep in tegen de “weigering van beslissing” van de politiecommissaris van Maasmechelen, blijkbaar omdat binnen drie maanden geen uitdrukkelijke beslissing wordt meegedeeld. Bij brieven van 12 april 2000 wordt namens de gouverneur een gemotiveerd advies gevraagd aan de politiecommissaris van Maasmechelen en aan de procureur des Konings te Tongeren. In een brief van 4 mei 2000 deelt de politiecommissaris van de politie van Maasmechelen het volgende mee aan de gouverneur : “-Wij wensen ons eerder ingenomen standpunt van 9 februari 1998 betreffende aanvrager te handhaven, gezien wat ons betreft niets veranderd is XII-2797-2/10 aan de toestand, ofschoon hij er op dit moment alles aan doet om hier verandering in te brengen: gaat twee tot drie maal per week naar de schietstand, heeft er een karabijn - sport kaliber - gekocht, doet aan sponsoring ten gunste van de club, zeurt bij iedereen hoe braaf hij wel is loopt alle instanties - BOB, rijkswacht, politiekers, bestuursleden van de nationale schuttersfederatie, enz.., af om toch maar zijn gelijk te bekomen. -Bij zijn eerste aanvraag werd toen rekening gehouden met zijn onvoldoende kennis van de wapenwet en, niet onbelangrijk, zijn leugenachtige poging om een vergunning te bekomen tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen, tevens werd er gelet op zijn moraliteit en zijn van de standaard afwijkend gedrag en karakter, meer in het bijzonder zijn labiele gedrag qua zelfbeheersing bij conflictsituaties en dit niet éénmalig. Deze toestand is uit de mij beschikbare informatie niet gewijzigd en zal, gelet op het langdurig karakterieel aspect, niet op één twee, drie veranderen. Details hieromtrent werden aan de heer Procureur des Konings te Tongeren overgemaakt. -Wij hebben betrokkene niet opgeroepen voor een nieuwe theoretische proef bij zijn tweede aanvraag om hem geen valse hoop te geven gelet op het voorgaande. Wij hebben betrokkene hiervan mondeling in kennis gesteld. -Wij verwijzen naar het ongunstig advies van 1 april 1998 van de Procureur des Konings te Tongeren; -Wij verwijzen naar het Besluit van de Gouverneur van 17 april 1998, dossier 582.91/owap31, kenmerk 030.02.20; Om deze redenen leek het ons toen en lijkt het ons nog steeds niet opportuun een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen, in casu een vuistvuurwapen, af te leveren aan XXXX. Indien U Mevrouw de Gouverneur, ondanks ons negatief moraliteitsverslag, alsnog zou adviseren betrokkene in het bezit te stellen van de gevraagde vergunning (na het afleggen van een nieuwe, gunstige, theoretische proef), betreft dit een beslissing onder de volledige verantwoordelijkheid van Uw Ambt. Wat mezelf betreft blijf ik echter bij het uitbrengen van een negatief advies”. In een brief van 22 mei 2000 antwoordt de procureur des Konings te Tongeren het volgende : “In verband met voornoemde aangelegenheid verzocht ik de politie- commissaris van Maasmechelen om nadere informatie. Deze deelt mij ondermeer mede : ‘dat de informatie die hem betreffende de heer XXXX vanuit verschillende hoeken ter kennis wordt gebracht, bevestigt dat deze een opvliegend karakter heeft en al te vaak ‘toevallig’ in de buurt is bij conflictsituaties en/of fysieke en verbale dreigingen. De bewoording ‘driftkikker’ zoals velen hem definiëren is dan ook niet ongepast. Zijn kennissenkring is dan ook niet één van de meest aangewezene’. Politiecommissaris deelt mijn ambt verder mede. ‘Bij de meerder contacten die er tussen dhr. XXXX en onze diensten (zowel dhr. inspecteur OGP Hartl en mezelf) stelde hij zich op het ene moment zeer beleefd en gereserveerd op, om op het andere moment onmiddellijk om te slaan naar verbale agressiviteit, dreiging, opgewondenheid, ... Hij heeft dan ook duidelijke beheersproblemen wanneer zijn adrenaline stijgt. Een dergelijk persoon in het bezit stellen van een vergunning tot aankoop en bezit van een vuistvuurwapen vind ik dan ook niet verantwoord.’ en ‘Los van zijn al dan niet theoretische kennis van de wapenwet, ben ik persoonlijk de mening toegedaan dat het bezit van een verweerwapen in handen van dhr. XXXX, een meer dan normaal risico inhoudt XII-2797-3/10 op mogelijks misbruik in hoofde van de aanvrager, a fortiori bij emotionele spanningen naar aanleiding van conflictsituaties. Verder schat ik het risico op niet vergunde dracht van het verweerwapen (in casu een vuistvuurwapen) relatief hoog in’. De door de politiecommissaris van Maasmechelen geuite bezwaren tot weigering van een vergunning tot aankoop of bezit van een verweerwapen zijn mijns inziens van dien aard dat de openbare veiligheid kan bedreigd zijn bij het eventueel verlenen van een wapenvergunning. Mijn ambt adviseert dan ook ongunstig”. Op 15 juni 2000 ziet verzoekers raadsman het dossier in. Op 2 augustus 2000 worden verzoeker en zijn raadsman gehoord door de dienst Jurisdictionele Geschillen en Federale Taken van de provincie Limburg. Tijdens die hoorzitting legt verzoekers raadsman een beroepsnota neer. In die nota betoogt verzoeker onder meer dat de ongunstige adviezen ten onrechte steunen op een eerdere aanvraag van 9 februari 1998, dat de politiecommissaris van Maasmechelen vooringenomen is en dat de procureur des Konings geen nieuwe elementen aanbrengt maar gewoon advies heeft gevraagd aan de politiecommissaris. Tijdens de hoorzitting vraagt verzoekers raadsman dat een tijdelijke vergunning voor bijvoorbeeld drie jaar zou worden verleend, zodat na die termijn objectief kan worden beoordeeld of zijn cliënt zich aan de regels houdt, alsook dat verzoeker de theoretische proef bij een andere politiedienst zou mogen afleggen. 1.
  6. Op 16 augustus 2000 neemt de gouverneur de bestreden beslissing. In het besluit wordt onder meer het volgende overwogen : “Overwegende dat de vergunning werd aangevraagd op 7 januari 2000 aan de politiecommissaris van Maasmechelen; Overwegende dat de politiecommissaris van Maasmechelen op 7 april 2000 nog geen gevolg had gegeven aan de aanvraag; Overwegende dat het beroep werd ingesteld binnen de termijn van één maand, zoals voorzien in artikel 9 § 1 van het K.B. van 20 september 1991 tot uitvoering van de wapenwet van 3 januari 1993; Overwegende dat uit het verslag van 4 mei 2000 van de politiecommissaris van Maasmechelen blijkt dat: de heer XXXX niet de juiste moraliteit heeft voor het bezit van een vuistvuurwapen; dat hij bij herhaling een zeer labiel gedrag vertoont qua zelfbeheersing in conflictsituaties; dat deze karakteriële toestand zich niet heeft gewijzigd sedert zijn aanvraag tot verweerwapenbezit in 1998; Gelet op het ongunstig advies van 22 mei 2000 van de Procureur des Konings te Tongeren, waaruit blijkt dat betrokkene een opvliegend karakter heeft en duidelijk problemen heeft om zich te beheersen in bepaalde situaties; Gelet op de hoorzitting van 2 augustus 2000 en de ter plaatse neergelegde beroepsnota van de heer F. Jacobs, raadsman van de heer XXXX; XII-2797-4/10 Overwegende dat deze hoorzitting geen nieuwe elementen aan het licht brengt; Gelet op het voorstel van meester Jacobs om de theoretische proef te laten afleggen voor een ander politiecommissaris dan deze van de woonplaats van betrokkene en het voorstel een voorlopige vergunning uit te schrijven voor een termijn van 3 jaar, waarna een evaluatie zou kunnen plaatsvinden; Overwegende dat uit zijn gerechtelijke antecedenten en uit het verslag van de politiecommissaris van 4 mei 2000 van de gemeente Maasmechelen blijkt dat de heer XXXX niet over de vereiste moraliteit beschikt om een vuurwapen te bezitten, kan geconcludeerd worden dat op basis van deze argumenten hij ook niet in aanmerking komt voor een voorlopige vergunning van zes maanden. Overwegende dat de wet van 30 januari 1991 houdende wijziging van de wet van 3 januari 1933 geen van beide voorstellen voorziet; Overwegende dat artikel 83 van de aanvullende overeenkomst bij het akkoord van Schengen van 19 juni 1990 en artikel 5 van de richtlijn 91/477/EEG van 18 juni 1991 van de Raad van Europese Gemeenschappen bepalen dat het voorhanden hebben van vuurwapens voorbehouden moet zijn aan personen die geen gevaar doen ontstaan voor de openbare orde of veiligheid; Overwegende dat de heer XXXX niet de juiste morele eigenschappen heeft om wapens te bezitten; Gelet op artikel 6 van de wet van 30 januari 1991, houdende wijziging van de wet van 3 januari 1933, op het vervaardigen van, de handel in en het dragen van wapens; Gelet op het koninklijk besluit van 20 september 1991, inzonderheid artikel 9 § 1 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933”.
  7. De ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat verwerende partij in haar memorie van antwoord inroept dat het beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk; dat een onderzoek van en een uitspraak over de exceptie niet noodzakelijk is, aangezien zoals hierna blijken zal, het beroep hoe dan ook moet worden verworpen;
  8. De grond van de zaak. 3.1.
  9. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel inroept dat de artikelen 2 en 3 van de wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de formele-motiveringswet) werden geschonden, dat de bestreden beslissing verwijst naar een verslag van 4 mei 2000 van de korpsoverste van de politie van Maasmechelen, verslag waarvan hij kennis heeft genomen, terwijl dit verslag werd opgesteld zonder enig inhoudelijk bewijs van zijn vermeende negatieve karaktertrekken en grotendeels steunt op een niet in betwisting zijnde eerdere aanvraag, dat de bestreden beslissing daarnaast melding maakt van een advies van de procureur des Konings, advies waarvan hij kennis heeft kunnen nemen, doch dat enkel steunt op het reeds betwiste verslag van de korpsoverste, dat de bestreden beslissing voorts uitdrukkelijk verwijst naar zijn XII-2797-5/10 karakteriële gedraging, zijn zeer labiel gedrag inzake zelfbeheersing en zijn opvliegend gedrag terwijl noch de korpsoverste, noch de procureur bevoegd is in de psychiatrie of een dusdanige academische kennis bezit om een dergelijk waardeoordeel te vellen, dat geen enkele hangende burgerlijke of strafrechtelijke rechtszaak of geen enkel strafrechtelijk onderzoek ook maar het minste vermoeden of bewijs oplevert van de hem verweten gedragingen, dat wordt verwezen naar de hoorzitting en de beroepsnota en wordt overwogen dat deze hoorzitting “geen nieuwe elementen aan het licht” bracht terwijl de hoorzitting en de beroepsnota vele elementen bevatten inzake de subjectiviteit en de vooringenomenheid van de adviseurs en het ontbreken van concrete feiten of bewijzen, dat het voorstel van zijn raadsman wordt afgedaan als niet bepaald in de wet terwijl de raadsman niet enkel een voorstel formuleerde, doch ook uitdrukkelijk de schending van de wet vooropstelde doordat de korpsoverste niet de nodige en voldoende stappen ondernam om hem toe te laten tot de praktische proef; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat ook het gebrek aan afdoende materiële motivering wordt aangevoerd, dat de “veruitwendigde motieven” de beslissing in feite noch in rechte dragen; 3.1.
  10. Overwegende dat in het verzoekschrift de schending van de formele-motiveringswet wordt aangevoerd; dat uit de bewoordingen van het verzoekschrift evenwel blijkt dat verzoeker de materiële motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent; dat de juridische en feitelijke overwegingen waarop het bestreden besluit steunt uitdrukkelijk in de aanhef ervan worden vermeld; dat het eerste middel dan ook, voor zover het steunt op de schending van de formele motiveringsplicht, niet dienstig kan worden ingeroepen, nu het doel van de formele motiverings-verplichting zoals voorgeschreven door voornoemde wet is bereikt, namelijk betrokkene in staat stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren op het stuk van de motieven met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt; Overwegende voorts dat verzoeker in wezen de juistheid van de feitelijke overwegingen betwist en aanvoert dat er geen bewijs is voor zijn beweerde negatieve karaktertrekken; dat noch de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, noch het koninklijk besluit van 20 september 1991 criteria of voorwaarden bevatten waaraan moet worden voldaan om een vergunning tot het voorhanden hebben van een XII-2797-6/10 verweervuurwapen te verkrijgen, zodat de korpschef en de gouverneur ter zake over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikken; dat de Raad van State in het kader van een annulatieberoep tegen dergelijke beslissing niet zelf mag oordelen of er al dan niet een vergunning moet worden verleend; dat hij wel kan nagaan of de motieven van de beslissing ter zake berusten op werkelijk bestaande feiten die met de nodige zorgvuldigheid werden vastgesteld en juist werden gekwalificeerd; Overwegende dat te dezen de gouverneur bij het beoordelen van verzoekers aanvraag van een wapenvergunning en van het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de korpschef van de politie is uitgegaan van de gegevens en informatie die hem door de korpschef van de politie van Maasmechelen en door de procureur des Konings werden verstrekt; dat het alsdan aan verzoeker was om de juistheid en pertinentie van die gegevens tegen te spreken aan de hand van voldoende concrete en precieze gegevens en aannemelijk te maken dat de overheid bij de feitenvinding niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd; dat verzoeker het daarentegen houdt bij loutere beweringen en veronderstellingen; dat verwerende partij derhalve rechtmatig tot haar voorstelling van de feitelijke gegevens is gekomen; dat bijgevolg het eerste middel niet ontvankelijk en minstens niet gegrond is; 3.2.
  11. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel een schending aanvoert van de artikelen 621 tot 634 van het Wetboek van Strafvordering; dat hij argumenteert dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwijst naar zijn “gerechtelijke antecedenten”, waaruit zou blijken “dat hij (verzoeker) niet de geschikte persoonlijkheid bezit tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens en dat het bezit ervan een risico kan inhouden voor de openbare orde en veiligheid”, dat deze argumenten in strijd zijn met de toepassing van artikel 634 van het Wetboek van Strafvordering; dat hij in de toelichting bij dat middel betoogt dat hem bij arrest van 6 september 1995 van het hof van beroep te Antwerpen herstel in eer en rechten in strafzaken werd verleend en dat uitgewiste gerechtelijke antecedenten geen onbekwaamheid om een wapenvergunning te verkrijgen meer kunnen inhouden; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord onder meer betoogt dat het bestaan van een arrest waarbij herstel in eer en rechten wordt toegekend niet tot gevolg heeft dat de bestuurlijke overheid geen rekening XII-2797-7/10 meer zou mogen houden met feiten die, omdat zij door het herstel in eer en rechten zijn gedekt, door de strafrechter niet meer in aanmerking kunnen worden genomen; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord doet gelden dat de visie van verwerende partij van herstel in eer en rechten “dode letter maakt”, dat een veroordeelde levenslang met een “gebrek” blijft behept, dat een loutere verwijzing naar zijn gerechtelijke antecedenten bovendien arbitrair en onweerlegbaar is en zijn rechten schendt, dat zijn voorstel een tijdelijke vergunning te verlenen, door verwerende partij verkeerd werd uitgelegd aangezien tijdens de hoorzitting een vergunning “voor een te bepalen periode” werd voorgesteld; Overwegende dat het beroep te dezen werd verworpen en aldus de gevraagde wapenvergunning werd geweigerd omdat werd geoordeeld dat het voorhanden hebben van een verweervuurwapen een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan doen ontstaan wegens verzoekers opvliegende karakter en zijn gebrek aan zelfbeheersing in conflictsituaties; dat verzoekers “gerechtelijke antecedenten” als dusdanig niet worden vermeld als reden voor het weigeren van een wapenvergunning; dat in de motivering van de afwijzing van zijn verzoek hem een tijdelijke vergunning te verlenen in bijkomende orde wel gewag wordt gemaakt van zijn gerechtelijke antecedenten; dat het evenwel een bijkomende feitelijke overweging betreft; dat immers de overweging, dat verzoeker gezien het verslag van 4 mei 2000 van de politiecommissaris van Maasmechelen niet over de vereiste moraliteit beschikt om een verweervuurwapen te bezitten, het beslissende motief is dat voor de gouverneur volstond om de vergunning te weigeren; dat dienvolgens het middel niet tot nietigverklaring kan leiden, BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-2797-8/10 XII-2797-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2797-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.888 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.