← België

Arrest 171895 - Milieuvergunningen - 07/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.895 Rolnummer: A. 91606/VII-21338 Zaak: Arrest 171895 - Milieuvergunningen - 07/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-20 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 06:46 Fiche Arrest nr 171.895 van 7 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 171.895 van 7 juni 2007 in de zaak A. 91.606/VII-21.338. In zake : de b.v.b.a. PUTTEVILS, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. PUTTEVILS op 8 mei 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 4 maart 2000 waarbij het beroep dat OVAM had ingediend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 26 augustus 1999, houdende het verlenen van de vergunning aan de verzoekende partij voor het veranderen van haar zandgroeve aan de Binkomstraat te Meensel- Kiezegem, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit deels wordt gewijzigd en voor het overige wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 11 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-21.338-1/13 Gelet op de beschikking van 23 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERHELST die, loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat N. SCHEEPMANS die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij exploiteert een zandgroeve aan de Binkomstraat te Tielt-Winge (Meensel-Kiezegem). 1.2. Op 19 maart 1999 dient zij een milieuvergunningsaanvraag in met als voorwerp het veranderen van haar inrichting door: C toevoeging van de percelen kadastraal gekend 114z, 114l2, 114 h2, 114s2 en 114 k2; C vervanging van een vergunde laadschop met een vermogen van 92kW door een kraan met een vermogen van 100kW. 1.3. Op 26 augustus 1999 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning. De volgende bijzondere vergunningsvoorwaarden worden opgelegd: "artikel 1 Teneinde stofhinder tot een minimum te beperken moeten bij droog en winderig weer de zandgroeve en toegangswegen tot de zandgroeve regelmatig besproeid worden. VII-21.338-2/13 artikel 2 De zandwinning dient zich te beperken binnen de op het uitvoeringsplan aangegeven grens van het ontginningsgebied. artikel 3 De ontgonnen zones mogen enkel opgevuld worden met inert materiaal, nooit met asfalthoudende stoffen. artikel 4 De afgraving mag niet gebeuren beneden 1,50 m boven het hoogste peil van de grondwaterlaag". Dit besluit wordt bekendgemaakt voor de reglementair bepaalde termijn van dertig dagen met ingang van 6 september 1999. 1.4. Op 1 oktober 1999 tekent de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) administratief beroep aan tegen het voormelde deputatiebesluit. In het beroepschrift wordt voorgesteld artikel 3 van de bijzondere voorwaarden als volgt te wijzigen: "Art. 3: De ontgonnen zones mogen op heden enkel opgevuld worden met niet-verontreinigde gronden, dit is grond vrij van stenen of andere fysische verontreinigingen en voor zover die grond voldoet aan de Vlarea-normen voor het gebruik als bodem, zoals bepaald in bijlage 4.2.3. van het Vlarea". 1.5. Op 7 oktober 1999 wordt het administratief beroep van OVAM ontvankelijk verklaard. 1.6. Op 13 oktober 1999 maakt de verwerende partij een aangetekend schrijven over aan de verzoekende partij. 1.7. In het kader van de administratieve beroepsprocedure worden de volgende adviezen verleend : S Op 1 december 1999 adviseert de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van AROHM gunstig voor het gedeelte gelegen in het ontginningsgebied en ongunstig voor het gedeelte gelegen in het agrarisch gebied. S Op 21 oktober 1999 adviseert de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie om artikel 3 van de bijzondere vergunningsvoorwaarden als volgt te wijzigen: "Art. 3. De ontgonnen zones mogen op heden enkel opgevuld worden met niet- verontreinigde gronden zoals bepaald in de voorschriften voor een milieuveilige toepassing van uitgegraven bodem, beschreven in de handleiding van OVAM VII-21.338-3/13 met kenmerk BOA-BGB/RH en gebaseerd op de richtlijnen van de Grondbank". S Op 2 december 1999 adviseert het hoofdbestuur van AMINAL-milieuvergun- ningen om artikel 3 van de bijzondere vergunningsvoorwaarden als volgt te wijzigen: "De ontgonnen zones mogen op heden enkel opgevuld worden met niet-verontreinigde gronden, dit is grond vrij van stenen en voor zover die grond voldoet aan de Vlarea-normen voor gebruik als bodem, zoals bepaald in bijlage 4.2.3. van het Vlarea". S Op 6 december 1999 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie het beroep van OVAM in te willigen en artikel 3 van de bijzondere vergun- ningsvoorwaarden als volgt te wijzigen: "De ontgonnen zones mogen enkel opgevuld worden met niet-verontreinigde gronden". 1.8. Op 4 maart 2000 wordt het bestreden besluit genomen. Het vergunningsbesluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant van 26 augustus 1999 wordt als volgt gewijzigd: “C de tekst van artikel 2 van de bijzondere vergunningsvoorwaarden wordt vervangen door : ‘De zandwinning mag in geen geval de op het gewestplan aangegeven grens van het ontginningsgebied overschrijden’. C de tekst van artikel 3 van de bijzondere vergunningsvoorwaarden wordt vervangen door : ‘Voor de opvulling van de ontgonnen zones met niet-verontreinigde gronden dient voorafgaand een milieuvergunning te worden aangevraagd’”. De overwegingen in het bestreden besluit die hebben geleid tot de hiervoor vermelde wijzigingen luiden als volgt : “Overwegende dat het beroepschrift handelt over de opvulling met niet verontreinigde gronden, vrij van stenen en voor zover die grond voldoet aan de VLAREA-normen voor gebruik als bodem; dat dient opgemerkt dat het storten van niet verontreinigde restgronden een vergunningsplichtige activiteit is, vermits deze als afval dienen beschouwd te worden gelet op de omschrijvingen vervat in art. 5.2.4.1.5 van titel II van het Vlarem en in het Vlarea (definiëring afvalstof); dat dit bevestigd wordt door het arrest dd. 5 januari 1999 van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen (97/3811) inzake het storten van opvulgronden door de firma Stallaert in een oude ontginningsput van de firma Swenden te Rumst ; dit arrest bepaalt dat het storten van grond al of niet verontreinigd met stenen krachtens art. 14 van het afvalstoffendecreet een milieuvergunningsplichtige activiteit is; VII-21.338-4/13 Overwegende dat de exploitant rubriek 2.3.6.a.1 niet heeft aangevraagd; dat de opvulling met niet-verontreinigde gronden bijgevolg het voorwerp moet uitmaken van een nieuwe vergunningsaanvraag en momenteel dient geweigerd te worden”. 1.9. Er valt nog op te merken dat met een besluit van de Vlaamse regering van 31 mei 2002 aan de indelingslijst in bijlage 1 bij Vlarem I een rubriek 60 wordt toegevoegd waardoor het “geheel of gedeeltelijk opvullen met niet verontreinigde uitgegraven bodem van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers” vergunningsplichtig wordt; 2. De gegrondheid van het beroep 2.1.1. Overwegende dat het eerste middel door de verzoekende partij als volgt wordt uiteengezet : "Eerste middel, genomen uit de schending van artikel 24, § 2 van het Decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en van artikel 52, 1/

  1. c)Vlarem I en van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, en uit machtsoverschrijding, doordat, verzoekster niet binnen de in artikel 52, 1/
  2. c)Vlarem voorziene termijn van het beroep van OVAM dd. 1 oktober 1999 tegen het besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincie Vlaams Brabant dd. 26 augustus 1999 in kennis gesteld is, terwijl, artikel 52, 1/
  3. c)de bevoegde Vlaamse minister of de gemachtigde ambtenaar de verplichting oplegt om, inzoverre het beroep niet door de exploitant is ingediend, deze laatste binnen 14 kalenderdagen na het verstrijken van de periode van bekendmaking bedoeld in artikel 31, per ter post aangete- kend schrijven van het ontvankelijk beroep kennis te geven; dat het een substantiële vormvereiste is, aangezien het ter kennis brengen van het beroepschrift er toe strekt de exploitant op de hoogte te brengen dat de in eerste aanleg genomen beslissing niet definitief is (R.v.St., MINCKE, nr. 41.352, 10 december 1992) ; dat het bovendien ook een substantiële vormvereiste is om reden dat de in artikel 52, 1/
  4. c)Vlarem vervatte regel er tevens toe strekt de exploitant in te lichten over de in het beroep aangevoerde middelen en argumenten tegen de afgegeven vergunning, zodat hij daarop met kennis van zaken kan reageren, en, bijvoorbeeld, in een toelichtend schrijven de opmerkingen maken die hij wenselijk acht, of een nota neerleggen op de hoorzitting (R.v. St ., ANTHO- NISSEN, nr. 50.560, 1 december 1994); dat van een zorgvuldig bestuur mag verwacht worden dat ze de exploitant van het beroep in kennis stelt; dat verzoekster niet overeenkomstig artikel 52, 1/
  5. c)in kennis gesteld is; dat beroepster slechts na de notificatie dd. 10 maart 2000 van het bestreden besluit een copie heeft opgevraagd van het beroepschrift (zie telefaxvermelding links bovenaan: 20 maart 2000) en zodoende slechts na voormelde notificatie heeft kunnen kennis nemen van de inhoud van het beroepschrift; dat de miskenning van dit substantieel vormvoorschrift, dat erin bestaat binnen de gestelde termijn een voor eensluidend verklaard afschrift te ontvangen van het gehele beroepschrift, bijlagen inbegrepen, tot gevolg heeft VII-21.338-5/13 dat het beroep van OVAM onontvankelijk is, de minister niet bevoegd was om nog te beslissen en het deputatiebesluit definitief geworden is (R.v. St., VAN LOOVEREN, nr. 53.051, 27 april 1995); zodat, de verwerende partij, door verzoekster niet van het beroepschrift kennis te geven, de in het middel aangehaalde wetsbepalingen en beginselen schendt"; 2.1.2. Overwegende dat in haar memorie van antwoord de verwerende partij laat gelden dat de verzoekende partij wel degelijk én tijdig op de hoogte werd gebracht van het beroep van OVAM door middel van een ter post aangetekende zending met postdatum 14 (lees: 13) oktober 1999, dat, overeenkomstig artikel 52, 1 /, c), van Vlarem I, de exploitant van het beroep in kennis dient te worden gesteld binnen een termijn van veertien kalenderdagen na het verstrijken van de periode van bekendmaking, hetgeen in casu, gelet op de bekendmaking vanaf 6 september 1999, is gebeurd; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord en in haar laatste memorie in essentie stelt dat uit het stuk waarnaar de verwerende partij verwijst niet kan worden afgeleid of het beroepschrift nu daadwerkelijk door de verwerende partij aan de verzoekende partij genotificeerd is, noch of er volledig genotificeerd zou zijn; 2.1.4.1. Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat op 13 oktober 1999 de verwerende partij de postmeester te Brussel heeft verzocht een zending, gericht aan de verzoekende partij, aan de aangetekende dienst te onderwer- pen; dat in alle redelijkheid moet worden aangenomen dat deze zending de overmaking betrof van het beroepschrift van OVAM aan de exploitant; dat alleszins het vage betoog van de verzoekende partij niet van aard is deze vaststelling te ontkrachten nu niet blijkt dat zij zich bij de postdiensten heeft beklaagd over de niet- correcte uitreiking van het betrokken stuk; 2.1.4.2. Overwegende dat bovendien het beroepschrift werd overgemaakt aan de verzoekende partij binnen de door artikel 52, 1/, c), van Vlarem I bepaalde termijn van veertien kalenderdagen na het verstrijken van de termijn van bekendma- king; dat de bekendmaking immers liep van 6 september 1999 tot 6 oktober 1999 en de betrokken termijn dus afliep op 20 oktober 1999; dat het middel niet kan worden aangenomen; VII-21.338-6/13 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij als vierde middel aanvoert wat volgt : “Vierde middel, genomen uit de schending van artikel 52, 3 /
  6. b)Vlarem, van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van artikel 13 van het Decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten, van artikel 1,
  7. a)van de Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, van de artikelen 2, 1/ en 14 van het Decreet, van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen (Afvalstoffen- decreet), van de artikelen 1.1.1., §1 en 1.2.1. VLAREA en van het motiverings- beginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, doordat, de minister er zich in het bestreden besluit toe beperkt te verwijzen naar de omschrijvingen vervat in artikel 5.2.4.1.5. Vlarem II, de omschrijvingen vervat in het Vlarea (definiëring afvalstof) en een ‘arrest’ van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dd. 5 januari 1999 om te concluderen dat de niet verontreinigde grond afval is en er bijgevolg een voorafgaande milieuvergun- ningsaanvraag ingediend moet worden voor de heropvulling van de groeven, terwijl, de motivering duidelijk en precies moet zijn; dat de overheid er zich dan ook niet kan tot beperken te verwijzen naar het Vlarea (definiëring afvalstof); dat het Vlarea immers zelf geen definitie van het begrip afvalstof bevat; dat het krachtens artikel 1.1.1.§1 van het Vlarea de in het Afvalstoffende- creet vervatte definitie van het begrip afvalstof is die van toepassing is; dat het begrip afvalstof in artikel 2, 1/ van het Afvalstoffendecreet wordt gedefinieerd als zijnde elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; dat deze definitie een aanzienlijk gebrek aan duidelijkheid vertoont; dat men bijgevolg in de rechtspraak en rechtsleer criteria uitgewerkt heeft om uit te maken of een stof al dan niet als een afvalstof beschouwd dient te worden (zie ROEF, A., en LANGERS J ., dat er slechts van een afvalstof sprake zal zijn als de houder zich van de stof moet ontdoen omdat de stof in het decreet of in zijn uitvoeringsbepalingen expliciet als een afvalstof gedefinieerd is en dit ongeacht de aanwendingswijze die de houder eraan denkt te geven; dat er eveneens van een afvalstof sprake is als de houder de intentie heeft zich van een stof te ontdoen, omdat hij geen legale aanwending van de stof als product of als grondstof ter beschikking heeft, of omdat hij het product niet als grondstof wenst aan te wenden; dat de aanwending in het productieproces rechtstreeks dient (zonder voorbehandeling) te gebeuren en legaal moet zijn, zoniet is de betrokken materie afvalstof; dat het in casu grond betreft die op zich geen afvalstof uitmaakt (zie MORRENS, P ., en DE BRUYCKER, P ., dat de grond wordt aangewend voor een legale activiteit, met name het op een vergunde wijze opvullen van een zandgroeve, zodat de gewestplanbestem- ming kan gerealiseerd worden; dat de grond hier trouwens rechtstreeks wordt voor aangewend, zodat het in casu geen afvalstof betreft; dat het aanhalen van één ‘arrest’ van de rechtbank van eerste aanleg onvoldoende is om de beslissing te motiveren, aangezien het op een uitermate beknopte wijze is weergegeven ; VII-21.338-7/13 dat op geen enkele wijze de draagwijdte van dat ‘arrest’ is kenbaar gemaakt, en beroepster niet eens de gelegenheid heeft gehad om kennis te nemen van ‘het arrest’, te onderzoeken wat die beslissing precies inhoudt, en welke daarvan de gevolgen zouden zijn voor beroepster; dat een gerechtelijke beslissing van de gewone rechtbanken overigens enkel inter partes geldt en niet zomaar geldt ten aanzien van andere instanties en partijen ; dat het belangrijk is de volledige feitelijke context van het ‘arrest’ te kennen; dat het ‘arrest’ trouwens niet gepubliceerd is; dat bovendien recentere rechtspraak van het Antwerpse Hof van Beroep deze stelling weerlegt; dat het Antwerpse Hof van Beroep in een arrest van 29 juni 1999 immers geoordeeld heeft dat zuivere grond geen afvalstof is (Antwerpen, 29 juni 1999, AR 1999/RK/106); Zodat, het bestreden besluit aldus de in het middel aangehaalde wetsbepa- lingen schendt.”; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert wat volgt: “1 . Het is de verwerende partij niet geheel duidelijk om welke reden de verzoekende partij art. 13 van het Decreet Openbaarheid Bestuursdocumenten geschonden acht. De verzoekende partij geeft overigens geen enkele toelich- ting. De verwerende partij kan enkel vaststellen dat art. 13 een motiverings- plicht oplegt voor ‘de in art. 2,1 / beoogde bestuursbeslissingen van de diensten, met individuele strekking, die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer besturen of voor een ander bestuur'. Aangezien echter het bestreden besluit geen rechtsgevolgen beoogt te hebben voor één of meer besturen of voor een ander bestuur, is art . 13 niet van toepassing en derhalve evenmin geschonden. 2 . Het bestreden besluit motiveert de toevoeging van art. 3 als bijzondere voorwaarde als volgt : van titel Il van het Vlarem en in het Vlarea (definiëring afvalstof); dat dit bevestigd wordt door het arrest dd. 5 januari 1999 van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen (97/3811) inzake het storten van opvulgronden door de firma Stallaert in een oude ontginningsput van de firma Swenden te Rumst; dit arrest bepaalt dat het storten van grond al of niet verontreinigd met stenen krachtens art. 14 van het afvalstoffendecreet een milieuvergunningsplichtige activiteit is'. Deze stelling is geenszins uit de lucht gegrepen, nu de verwerende partij zich baseert op het advies verstrekt door OVAM, die uitdrukkelijk verwijst naar de in het bestreden besluit aangehaalde gerechtelijke uitspraak. Verwerende partij verwijst naar de argumenten in haar weerlegging van het derde middel waarin wordt aangetoond dat in casu wel degelijk sprake is van een afvalstof en dat deze stelling wel degelijk kan gegrond worden op de aangehaalde rechtsgronden, m.n. art. 5.2 .4 .1 .5 . VLAREM II en de definiëring van afvalstof in VLAREA . Ten onrechte doet de verwerende partij alsof de bepaling in art . 3 van de bijzondere voorwaarden enkel en alleen gemotiveerd wordt door verwijzing VII-21.338-8/13 naar de uitspraak van de Rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen dd. 05.01.1999. Art. 14 Afvalstoffendecreet bepaalt uitdrukkelijk dat het verwijderen van afvalstoffen een vergunningsplichtige handeling als bedoeld in het Milieuver- gunningsdecreet is. De juridische basis van de milieuvergunningsplicht is art. 14 Afvalstoffende- creet, en deze grondslag wordt expliciet in het bestreden besluit vermeld, conform de formele motiveringswet dd. 21.07.1991. Dat het gaat om het verwijderen van stoffen blijkt op afdoende wijze uit de voorafgaande uiteenzet- ting van de feitelijke gegevens in het bestreden besluit, en dat het gaat om afvalstoffen, maakt de verwerende partij duidelijk door een verwijzing naar de definitie van 'afvalstof' in de terzake geldende reglementering. De verwijzing naar een gerechtelijke uitspraak is niets anders dan een bijkomend argument, om de eigen stelling kracht bij te zetten. De inhoud ervan is daarenboven weliswaar op beknopte maar niettemin op duidelijke wijze weergegeven, zodat de verzoekende partij niet kan voorhouden dat zij niet weet wat die beslissing inhoudt. Art . 52, 3 /
  8. b)VLAREM heeft enkel betrekking op bezwaren die werden aangehaald door de beroepsindieners, en aldus niet op de adviezen die door de verschillende instanties werden verstrekt. Het artikel is (...) hier dus niet aan de orde. Ondergeschikt, de verzoekende partij heeft geen belang om art. 52,3/
  9. b)VLAREM in te roepen, aangezien de verzoekende partij geen beroepsindiener is. Noch de formele motiveringswet noch het motiveringsbeginsel zijn derhalve geschonden, nu de motivering draagkrachtig is en dit zowel op feitelijk als op juridisch vlak”; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord het volgende aanvoert: “1. Verweerster stelt dat het bestreden besluit zowel in rechte als in feite draagkrachtig gemotiveerd zou zijn, aangezien zuivere grond wel afval zou zijn, het bestreden besluit niet alleen op de uitspraak van de Rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen zou gebaseerd zijn, doch ook op artikel 14 van het Afvalstoffendecreet en tenslotte het vonnis in het bestreden besluit inhoudelijk beknopt zou zijn weergegeven. Het verweer van verweerster is niet pertinent. 2. Vooreerst moet worden opgemerkt dat verzoekster, in tegenstelling tot hetgeen verweerster in het inleidend verzoekschrift beweert, niet aangevoerd heeft dat de bepaling in artikel 3 van de bijzondere voorwaarden enkel en alleen gemotiveerd zou worden door verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen dd. 5 januari 1999. Verzoekster heeft daarentegen aangevoerd dat verweerster er zich in het bestreden besluit slechts toe beperkt heeft te verwijzen naar de omschrijvingen vervat in artikel 5.2.4.1.5. Vlarem II, de omschrijvingen vervat in het Vlarea en een ‘arrest’ van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dd. 5 januari 1999 om te conclude- ren dat de niet verontreinigde grond afval is en er bijgevolg een voorafgaande milieuvergunningsaanvraag zou moeten worden ingediend voor de heropvulling van de groeven. 3. Volgens verweerster zou uit de voorafgaande uiteenzetting van de feitelijke gegevens in het bestreden besluit duidelijk blijken dat de zuivere grond in casu een afvalstof zou zijn. VII-21.338-9/13 In het bestreden besluit worden echter geen feitelijke gegevens vermeld, waaruit zou blijken dat de zuivere grond afval is, laat staan dat deze feitelijke gegevens aan de definitie van afvalstof zouden getoetst zijn. 4. Stellen dat de gerechtelijke uitspraak slechts een bijkomend argument zou vormen, zoals verweerster op pagina 10 van haar memorie doet, doet de waarheid geweld aan. In het bestreden besluit gebruikt verweerster het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen immers als enig argument om aan te tonen dat het storten van grond milieuvergunningsplichtig zou zijn. Bovendien dient de vraag te worden gesteld welke de waarde is van een uiterst beknopte weergave van een vonnis, zonder dat men de concrete feitelijke context op een afdoende wijze schetst. Verwerende partij slaagt er in haar memorie van antwoord dan ook geenszins in de grieven van verzoekende partij te weerleggen”; 2.2.4.1. Overwegende dat artikel 52, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) bepaalt dat de uitspraak van de Vlaamse minister over het beroep tegen een door de bestendige deputatie in eerste aanleg genomen besluit over een ingediende milieuvergunningsaanvraag een "gemotiveerde beslissing" dient te omvatten over "de aanspraken en bezwaren die door de indiener(
  10. s)van het beroep werden gesteld"; dat luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen alle bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd; dat artikel 3 van diezelfde wet bepaalt dat de motivering de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn; dat de belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht is gelegen in de beschouwing dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, onder meer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden; dat het noodzakelijk doch voldoende is dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom bepaalde door de bestuurde verdedigde stellingen niet worden gevolgd of waarom de adviezen in andersluidende zin niet worden gevolgd; 2.2.4.2. Overwegende dat zowel in het beroepschrift van OVAM als in de adviezen van de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie, van het hoofdbestuur van AMINAL-milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuvergunningscom- missie wordt voorgesteld om in artikel 3 van de bijzondere vergunningsvoorwaarden te bepalen dat de ontgonnen zones enkel mogen worden opgevuld met niet- verontreinigde gronden; dat het bestreden besluit echter verder gaat, door op te VII-21.338-10/13 leggen dat voor de opvulling van de ontgonnen zones met niet-verontreinigde gronden voorafgaand een milieuvergunning dient te worden aangevraagd, met als motief dat “niet verontreinigde restgronden (...) als afval dienen beschouwd te worden gelet op de omschrijvingen vervat in art. 5.2.4.1.5 van titel II van het Vlarem en in het Vlarea (definiëring afvalstof)”; 2.2.4.3. Overwegende dat artikel 5.2.4.1.5. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) luidt als volgt: “§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.4.1.2. kunnen, voor zover uitdrukkelijk bepaald in de milieuvergunning, op een categorie 3 stortplaats strikt inerte afvalstoffen worden gestort die noch door uitloging, noch door interactie met biologische processen of ingevolge natuurlijke verschijnselen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. Het betreft meer bepaald volgende afvalstoffen:
  11. a)afvalstoffen, afkomstig van de bouw, de afbraak, de herstelling en het onderhoud van gebouwen, wegen, constructies en kunstwerken met uitzondering van afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten, asfalt, hout, plastiek en andere kunststoffen aangewend in de bouwsector;
  12. b)afvalstoffen, afkomstig van het uitgraven van materialen of stoffen in hun natuurlijke staat, voor zover ze afkomstig zijn van geologische afzettingen die tot het tertiair of kwartair tijdperk behoren (zand, klei-, leem, mergel en grindafzettingen). § 2. Als beperking op § 1 mogen op een categorie 3 stortplaats slechts die afvalstoffen worden aanvaard die uitdrukkelijk in de milieuvergunning zijn toegelaten. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welke afvalstoffen mogen worden gestort, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld”; dat, in tegenstelling tot wat in het bestreden besluit wordt voorgehouden, noch uit de hiervoor geciteerde bepaling, noch uit het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1997 tot vaststelling van het Vlaams Reglement inzake afvalvoorko- ming en -beheer (Vlarea) valt af te leiden dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet-verontreinigde restgronden als afvalstoffen moeten worden beschouwd; dat artikel 1.1.1.,§1, van laatstgenoemd besluit bepaalt dat de definities vermeld in het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen “ook van toepassing (zijn) op dit besluit”; dat het voormelde decreet van 2 juli 1981 het begrip afvalstof definieert als “elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”; 2.2.4.4. Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de kwalificatie als afvalstof vooral afhangt van het gedrag van de houder en van de betekenis van de term “zich ontdoen van”; dat het antwoord op de vraag of een bepaalde stof een VII-21.338-11/13 afvalstof is dienvolgens enkel gegeven kan worden vanuit een analyse van de feitelijke omstandigheden; 2.2.4.5. Overwegende dat het bestreden besluit geen concrete feitelijke gegevens vermeldt waaruit blijkt dat de niet-verontreinigde grond die de verzoeken- de partij afgraaft en daarna gebruikt voor de opvulling van de ontgonnen zones beschouwd moet worden als een stof “waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”; dat met de verzoekende partij verder kan aangenomen worden dat de verwijzing naar een niet-gepubliceerde uitspraak van de gewone rechter in een andere zaak -en waarvan de feitelijke gegevens dus niet aan de verzoekende partij gekend zijn- daartoe niet kan volstaan; dat het middel in de besproken mate gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 4 maart 2000 waarbij het beroep dat OVAM had ingediend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 26 augustus 1999, houdende het verlenen van de vergunning aan de de b.v.b.a. PUTTEVILS voor het veranderen van haar zandgroeve aan de Binkomstraat te Meensel- Kiezegem, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit deels wordt gewijzigd en voor het overige wordt bevestigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-21.338-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-21.338-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.895 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.