← België

Arrest 171897 - Milieuvergunningen - 07/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.897 Rolnummer: A. 179718/VII-36814 Zaak: Arrest 171897 - Milieuvergunningen - 07/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-19 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 20:13 Fiche Arrest nr 171.897 van 7 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 171.897 van 7 juni 2007 in de zaak A. 179.718/VII-36.814. In zake : de gemeente KRUISHOUTEM, die woonplaats kiest bij advocaten B. ROELANDTS en L. PROOT, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan 141 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165. tussenkomende partij : de n.v. EUROSLACH, die woonplaats kiest bij advocaat P. LACHAERT, kantoor houdende te MERELBEKE, Hundelgemsesteenweg 166, bus 5-6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente KRUISHOUTEM op 22 december 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 oktober 2006 houdende uitspraak over het beroep ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 22 december 2005, houdende het weigeren van de vergunning aan de n.v. EUROSLACH voor de exploitatie van een nieuwe slachterij aan de Nazarethsesteenweg 34 te Kruishoutem; Gezien het verzoekschrift dat dezelfde partij op dezelfde datum heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van hetzelfde besluit; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-36.814-1/18 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST, op grond van artikel 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST, op grond van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Gelet op de beschikkingen van 21 maart 2007, houdende bevel tot neerlegging van de verslagen en oproeping van de partijen om te verschijnen op 26 april 2007; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan de partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat Ph. VAN WESEMAEL die, loco advocaat B. ROELANDTS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat N. SCHEEPMANS die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat R. TIJS die, loco advocaat P. LACHAERT verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging Overwegende dat met een verzoekschrift van 22 januari 2007 de n.v. EUROSLACH, houder van de bestreden vergunning, heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat dit verzoek kan worden ingewilligd; VII-36.814-2/18 2. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. De tussenkomende partij exploiteerde vroeger een pluimvee- en wildslachterij in Kruishoutem. De inrichting was ter plaatse gevestigd sinds 1969. Ze lag volgens het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977, deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, deels in woongebied met landelijk karakter, op ongeveer 100 meter van woonuitbreidingsgebied. Op 10 december 2003 wordt voor een deel van het bedrijfsterrein een bijzonder plan van aanleg voor zonevreemde bedrijven goedgekeurd; bij arrest van de Raad van State nr. 138.976 van 10 januari 2005 wordt de tenuitvoerlegging ervan geschorst; het annulatieberoep is nog hangende. 2.2. Op 25 augustus 1988 heeft de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een exploitatievergunning verleend voor een termijn van tien jaar. 2.3. Op 4 februari 1999 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een laattijdig gevraagde milieuvergunning ter hernieuwing en uitbreiding. Na administratief beroep vanwege de exploitant, verleent de verwerende partij op 5 augustus 1999 een milieuvergunning voor een termijn van twee jaar op proef, voor 12.000 stuks pluimvee per dag; een uitbreiding tot 15.000 stuks wordt geweigerd. Op 31 juli 2001 weigert de verwerende partij de definitieve milieuvergunning. 2.4. Inmiddels, op 26 juli 2001, had de exploitant reeds een nieuwe milieuvergunningsaanvraag ingediend, waarbij ze onder meer de uitbreiding vroeg van 12.000 tot 25.000 stuks pluimvee en wild per dag. Op 17 januari 2002 weigert de bestendige deputatie deze vergunning. De exploitant tekent administratief beroep aan tegen de weigering. Op 9 juli 2002 wordt de vergunning ook in beroep geweigerd. De exploitant dient een schorsings- en een annulatieberoep in. Bij arrest van de Raad van State nr. 115.099 van 28 januari 2003 wordt de vordering tot schorsing verworpen omdat de aangevoerde middelen niet ernstig worden bevonden. VII-36.814-3/18 2.5. Op 27 mei 2003 dient de exploitant een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in. Op 16 oktober 2003 weigert de bestendige deputatie de gevraagde vergunning, behalve voor de grondwaterwinning. Na een administratief beroep door de exploitant wordt de vergunning op 27 mei 2004 door de verwerende partij volledig geweigerd. Een vordering tot schorsing wordt verworpen bij arrest van de Raad van State nr. 138.267 van 9 december 2004. 2.6. In januari 2005 wordt akte genomen van de melding van de exploitatie van een wilduitsnijderij (klasse 3). Op 2 februari 2005 geeft de burgemeester van de gemeente Kruishoutem bevel de vergunningsplichtige activiteiten stop te zetten. 2.7. Op 29 juli 2005 dient de exploitant een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in. Tijdens het openbaar onderzoek worden 62 bezwaarschriften ingediend, waaronder een collectief namens 15 buurtbewoners. 2.8. Op 22 december 2005 weigert de bestendige deputatie de vergunning. 2.9. De aanvrager dient een administratief beroep in. 2.10. Volgende adviezen worden verleend : - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig onder voorwaarden; - de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg adviseert ongunstig; - de afdeling Water adviseert ongunstig; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert ongunstig op grond van volgende motivering : "(...) Op grond van artikel 43, §8 van (het gecoördineerd Stedenbouwdecreet) kan voormelde afwijking slechts worden verleend voor het exploiteren van een bestaande of nieuwe inrichting, op voorwaarde dat een definitieve stedenbouwkundige vergunning is verleend. In een eerder advies van mijn afdeling (dd. 4 maart 2005) werd gesteld dat dit in casu niet het geval is, gezien een belangrijk deel van de bestaande bedrijfsgebouwen, waarin de activiteiten van de inrichting plaatsvinden, niet stedenbouwkundig vergund is en er ook voor de meeste verhardingen geen stedenbouwkundige vergunning is. Bovendien zijn sommige vergunde bouwwerken niet conform de stedenbouwkundige vergunning uitgevoerd. Artikel 43, §6 e.v. van voormeld decreet kan dus niet toegepast worden. VII-36.814-4/18 In het dossier wordt gesteld dat enkel activiteiten zullen plaats vinden in de stedenbouwkundig vergunde gebouwen. Uit een plaatsbezoek blijkt echter dat er nog steeds activiteiten worden uitgeoefend in niet vergunde gebouwen. Bovendien blijkt uit het uitvoeringsplan dat de koelinstallaties in nog niet vergunde machinekamers worden ondergebracht. (...)"; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert grotendeels gunstig (niet voor de grondwaterwinning en de wilduitsnijderij); - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ten slotte adviseert ongunstig; nadat de exploitant had gesteld dat voortaan enkel in vergunde gebouwen zou worden geëxploiteerd, heeft een nieuw onderzoek uitgewezen dat ongeveer een kwart van de gebouwen niet vergund is, dat andere gebouwen niet conform de vergunning werden uitgevoerd, en dat het overgrote deel van de verhardingen niet vergund is. 2.11. Op 18 oktober 2006 wordt het bestreden besluit genomen : de vergunning wordt verleend voor de exploitatie van een slachterij "omvattende de volgende onderdelen voor zover deze gebeuren in stedenbouwkundig vergunde gebouwen" (artikel 3, § 1), en geweigerd voor "de onderdelen van de slachterij, bedoeld in §1, die gebeuren in stedenbouwkundig niet-vergunde gebouwen" (artikel 3, § 2); ook de wilduitsnijderij en de grondwaterwinning boven een bepaald debiet worden geweigerd. De belangrijkste passages uit het bestreden besluit luiden als volgt : "(...) Gelet op de ligging van de inrichting deels in woongebied met landelijk karakter (50 meter strook vanaf de voorliggende weg) en deels in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, volgens het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977; Gelet op het feit dat het BPA zonevreemde bedrijven (waar de NV Euroslach deel van uitmaakt), vastgesteld bij ministerieel besluit van 10 december 2003, door de Raad van State werd geschorst op 10 januari 2005; dat dit impliceert dat het bedrijf op dit ogenblik opnieuw zonevreemd is; Overwegende dat volgens het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen dient gesteld te worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, onverenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; (...) Overwegende dat de aangevraagde vergunning het slachten van maximaal 23.891 (gemiddeld 22.000) stuks levende kippen en wild per dag alsook het versnijden van maximaal 22,5 ton (gemiddeld 15 ton) kippen en wild betreft; Overwegende dat de exploitant reeds een aantal jaren niet meer over een milieuvergunning beschikt voor het uitbaten van een kippenslachterij; dat het bedrijf op bevel van de burgemeester gesloten werd; dat er ondertussen wel een VII-36.814-5/18 aktename is gebeurd van een uitsnijderij met verkooppunt en de opslag van producten van dierlijke oorsprong (januari 2005), zodat dient gesteld te worden dat enkel de uitsnijderij het afgelopen jaar heeft gewerkt; Overwegende dat de vergunningshistoriek van de NV Euroslach reeds meermaals beschreven en opgesomd werd; dat het van belang is in dit dossier te beseffen dat de inrichting wordt aangevraagd als 'nieuwe inrichting', met voormelde slacht- en verwerkingscapaciteit; dat zodoende dient geëvalueerd te worden of deze inrichting milieutechnisch verenigbaar kan worden geacht; Overwegende dat de afstand van de bedrijfsgebouwen tot de dichtste woning aan de overzijde van de Nazarethsesteenweg ongeveer 68 à 70 meter bedraagt; dat deze woningen in woongebied gelegen zijn; Overwegende dat volgens artikel 5.45.1.2 van titel II van het VLAREM, het verboden is om een inrichting die overeenkomstig rubriek 45 van de indelingslijst is ingedeeld in de eerste klasse te exploiteren, waarvan de opslagplaatsen en/of bedrijfsgebouwen gelegen zijn op minder dan 100 meter afstand van een woongebied of van een recreatiegebied; dat dit hier het geval is; dat de exploitant met het ministerieel besluit nr. AMV/10685/1013 van 14 juni 2005 de toelating tot afwijking van voormeld artikel bekomen heeft; dat hieraan een aantal voorwaarden gekoppeld werden; dat het om de volgende gaat : '- het nachtelijk lossen van levend pluimvee gebeurt aan de achterzijde van de inrichting, weg van de woningen; - de koelinstallaties worden achteraan op het terrein geplaatst, weg van de woningen en er wordt een geluidwerend scherm rond de koelinstallaties geplaatst; - de verharde vloer waarop de dieren gestald worden dient dagelijks gereinigd en ontsmet te worden; - het slachten gebeurt met gesloten deuren; alle transport van slachtafvallen naar de opslag ervan gebeurt in gesloten buizen en de opslag van het destructiemateriaal gebeurt in een gekoelde silo'; Overwegende dat volgens het aanvraagdossier de pluimveeslachterij voornamelijk uit 2 zones zal bestaan : het aanvoersysteem en het slachten en het 'verder' verwerken (openen, leegmaken, reinigen, versnijden en opslaan) van de gedode kippen; dat de vrijwildverwerkingseenheid (dood aangevoerde dieren en versnijden) zou worden ingevoegd in de lokalen van de pluimveeslachterij : er zou dus ofwel geslacht ofwel wild verwerkt worden, gescheiden in tijd, maar in dezelfde lokalen; dat dit impliceert dat de 'gebouwen' van de huidige wilduitsnijderij niet in de vergunningsaanvraag zitten; dat deze gebouwen zonevreemd zijn en ook niet stedenbouwkundig werden vergund en aldus op dit ogenblik niet vergunbaar zijn; (...) Overwegende dat het water uit het pluimveeslachthuis eerst wordt voorgezuiverd in een fysisch-chemische zuiveringsinstallatie; dat het afvalwater afkomstig van de plukmachines, de slachtafdeling en de koer gravitair naar een pompput loopt; dat van hieruit het periodiek door een dompelpomp wordt opgepompt naar een trommelzeef; dat het water afkomstig van deze zeef in een bufferput terechtkomt, waarna het naar de fysicochemie gaat; dat hierin ijzerchloride en polymeer gedoseerd worden; dat het overaanbod water via een zandvang naar de eerste pompput terug geleid wordt; (...) Overwegende dat volgens het aanvraagdossier alle slachtafval in gesloten leidingen getransporteerd wordt naar een gekoeld lokaal voor slachtafval; dat alle afval dagelijks door erkende verwerkers zal worden opgehaald; dat de zachte afvallen in een silo worden opgeslagen (wandkoeling) en het bloed wordt opgeslagen in een gekoelde bloedtank; dat de exploitant aangeeft dat hij VII-36.814-6/18 de intentie heeft om voor voormelde silo's een bijkomende hal te bouwen, maar dat hiervoor de bal in het kamp van de overheid ligt; (...) Overwegende dat, gezien het bedrijf zonevreemd is, zeer strenge kwaliteitsnormen gelden; dat in het bestreden besluit melding gemaakt werd van het 'nog steeds ontbreken van een geluidsstudie'; dat de exploitant deze studie ondertussen heeft laten uitvoeren en dat de resultaten hiervan zijn overhandigd ter toevoeging aan het beroepsdossier; dat deze metingen in het kader van deze studie evenwel zijn uitgevoerd wanneer de slachterij niet in werking was; dat de continue bronnen wel actief waren; dat er eigenlijk op dit ogenblik gesteld werd dat er 'later een beoordeling van de geluidsimpact van de slachterij zal gebeuren'; dat zodoende op dit vlak op dit ogenblik niet veel kan geconcludeerd worden uit voormelde studie; Dat wel kan worden opgemerkt dat het aanvoeren en slachten van de kippen achteraan het bedrijf gebeurt, weg van de woningen aan de voorkant; dat dan ook kan aangenomen worden dat mits het uitvoeren van de in de verleende toelating tot afwijking vermelde alternatieve voorwaarden, er geen geluidhinder voor de omwonenden zal zijn; Dat aldus gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits het naleven van de sectorale en bijzondere voorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat ten aanzien van het ongunstige advies van de Gewestelijke Milieuvergunningencommissie, inzonderheid gemotiveerd door het volledige ongunstige advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, het volgende moet worden opgemerkt : uit het aanvraagdossier blijkt dat, in tegenstelling tot de vorige dossiers van de NV Euroslach, de aanvraag nu beperkt is tot de bouwvergunde gebouwen; dat dit ook de reden was dat de afdeling Milieuvergunningen een gedeeltelijk gunstig advies had uitgebracht (de vergunning voor de wilduitsnijderij was immers geweigerd); dat de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen in eerste instantie een volledig ongunstig advies had uitgebracht; dat in de zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 13 maart 2006 de vertegenwoordiger van deze afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen na bespreking van het dossier mondeling een gedeeltelijk gunstig advies formuleerde; dat uit de navolgende schriftelijke aanvulling van 24 maart 2006 evenwel blijkt dat de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen blijft vasthouden aan het volledig ongunstige advies; dat hiervoor de volgende motivatie gegeven wordt : 'naar aanleiding van de bespreking van het dossier in de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 13 maart 2006, werd door uw afdeling een aanvullend advies gevraagd. De N.V. Euroslach zou gemeld hebben dat er enkel activiteiten zouden plaatsvinden in vergunde gebouwen. Het bedrijf heeft voor de betreffende gebouwen een stedenbouwkundige vergunning voorgelegd. Uit een plan doorgestuurd door de gemeente blijkt echter dat ongeveer een kwart van de gebouwen stedenbouwkundig niet vergund is. Daarenboven blijkt uit navraag bij de gemeente dat het overgrote deel van de verhardingen evenmin stedenbouwkundig vergund is en dat verscheidene gebouwen niet conform de vergunning werden uitgevoerd. Deze verhardingen worden nochtans gebruikt om de gebouwen, waarin de activiteiten worden verricht, te kunnen bereiken. Artikel 43, § 6 e.v. kan dus niet toegepast worden, want de gebouwen en constructies zijn niet hoofdzakelijk vergund'; VII-36.814-7/18 • op bedoelde plaats wordt al sinds 1969 een pluimvee- en wildslachterij geëxploiteerd; bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 werd het gewestplan Oudenaarde vastgesteld, waardoor de beschouwde percelen deels de bestemming woongebied met landelijk karakter (de eerste 50 m aan de straatkant) en deels landschappelijk waardevol agrarisch gebied werd toegewezen; de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen heeft op 25 augustus 1988, dus na de vaststelling van voormeld gewestplan, nog een exploitatievergunning voor een termijn van 10 jaar verleend; op 14 februari 1998 beslist de gemeente Kruishoutem tot de opmaak van een sectoraal BPA zonevreemde bedrijven; op 4 februari 1999 weigerde de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de milieuvergunning voor de verdere exploitatie en uitbreiding; na de toekenning van een gedeeltelijke vergunning voor 2 jaar op proef werd de milieuvergunning - definitief uitspraak doende in beroep - bij ministerieel besluit van 31 juli 2001 volledig geweigerd; de opnieuw aangevraagde milieuvergunning werd in eerste aanleg op 17 januari 2002 door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen en in beroep bij ministerieel besluit van 9 juli 2002 nogmaals geweigerd; de voor de derde maal aangevraagde milieuvergunning werd in eerste aanleg op 16 oktober 2003 door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen en in beroep bij ministerieel besluit van 27 mei 2004 nogmaals geweigerd; de voor de vierde maal aangevraagde milieuvergunning - zij het met een ingeperkt voorwerp - werd in eerste aanleg op 22 december 2005 door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen eens te meer geweigerd; onderhavig dossier betreft het beroep tegen deze laatste weigeringsbeslissing; • uit de boven gegeven historiek zou kunnen afgeleid worden dat de exploitant reeds meer dan voldoende signalen en duidelijkheid heeft gekregen om te weten dat op bedoelde plaats, weliswaar om hoofdzakelijk stedenbouwkundige redenen geen milieuvergunning kan worden bekomen; daar tegenover staat echter dat de exploitant evenzeer belangrijke signalen in de andere richting heeft gekregen : " de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verleende op 25 augustus 1988, dus na de vaststelling van voormeld gewestplan, nog een exploitatievergunning voor een termijn van 10 jaar; " op 22 april 2002 verleende het college van burgemeester en schepenen een positief planologisch attest (

  1. af)voor een gedeelte van het bedrijf; " de gemeenteraad van Kruishoutem heeft op 10 juni 2003 het ontwerp van sectoraal BPA 'Zonevreemde Bedrijven Fase 1B' voorlopig vastgesteld; bij ministerieel besluit van 10 december 2003 werd dit BPA goedgekeurd; " op 3 mei 2004 heeft het college van burgemeester en schepenen van Kruishoutem een stedenbouwkundige vergunning verleend voor 'het regulariseren van slachterij' met verwijzing naar het bovenvermelde BPA; de gemachtigde ambtenaar heeft deze stedenbouwkundige vergunning geschorst wegens strijdigheid met het voornoemde BPA; bij arrest nr. 138.976 van l0 januari 2005 heeft de Raad van State de uitvoering van voornoemd BPA geschorst; zoals uit dit bovenstaande overzicht blijkt, zijn evenzeer meerdere overheidsbeslissingen getroffen die bij de exploitant minstens verwachtingen kunnen creëren dat de stedenbouwkundige situatie regulariseerbaar is; • tegelijk maken bovenstaande overzichten ook duidelijk dat de problematiek van de al of niet mogelijke regularisatie van de stedenbouwkundige vergunningssituatie voorwerp is geworden van een juridisch kluwen; dat het VII-36.814-8/18 op dit ogenblik onmogelijk is te stellen tot welk resultaat de ter zake lopende procedures zullen leiden; • bij mail van 26 mei 2006 verduidelijkt de extern milieucoördinator Jef Vanoverschelde inzonderheid dat : " onderhavige aanvraag en beroep enkel vergunning wordt gevraagd voor activiteiten die plaatshebben in voor die functie bouwvergunde gebouwen; " aan de bestaande bouwvergunde zonevreemde gebouwen weliswaar onvergunde werken werden uitgevoerd, doch dat daarbij niet werd geraakt aan het bestaande en vergunde hoofdvolume; de oorspronkelijke bestaande vergunde gebouwen bleven onaangeroerd (bouwfysisch) en behielden hun functie (slachterij); " de onvergunde gebouwen (vroeger gebruikt als vrijwildverwerkingseenheid) zelf een volledig eigen, losstaande structuur hebben en dus zelfs afzonderlijke gebouwen zijn; voor deze gebouwen wordt nu geen nieuwe milieuvergunning gevraagd; • dat, rekening houdend met al deze elementen, het redelijk is de exploitant met het oog op de stedenbouwkundige regularisatie of herlocalisatie een kortlopende milieuvergunning te verlenen voor de activiteiten die gebeuren in de bouwvergunde gebouwen; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beslissing op te heffen, de vergunning gedeeltelijk toe te staan; dat een hoger debiet voor de grondwaterwinning als vroeger was vergund niet kan worden toegestaan evenmin als de vergunning voor de wilduitsnijderij"; 3. De ontvankelijkheid van het beroep 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij bij haar verzoekschrift tot nietigverklaring een kopie voorlegt van de begeleidende brief bij de betekening van het bestreden besluit, verzonden op 20 oktober 2006; dat de brief door de gemeente is geregistreerd op 23 oktober 2006; dat het verzoekschrift werd verzonden op 22 december 2006; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij het "onwaarschijnlijk" vindt dat de betekening zou zijn gebeurd op 23 oktober 2006, omdat dit een zaterdag was, en de ontvangst logischerwijze op 21 oktober 2006 plaatsvond; dat zij stelt dat het verzoekschrift pas op 27 december 2006 op de griffie werd ontvangen, wat zelfs gerekend vanaf 23 oktober 2006 de 65ste dag is; dat de verwerende partij "uitdrukkelijk voorbehoud (maakt)" voor de ontvankelijkheid; 3.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij volgende exceptie opwerpt : VII-36.814-9/18 "Verzoekster ontving het bestreden besluit op 23/10/2006. Zij beschikte toen over een termijn van 60 dagen om een verzoekschrift in te dienen. Huidig verzoekschrift draagt echter een stempel van de griffie van de Raad van State d.d. 27/12/2006. Concluante gaat ervan uit dat het verzoekschrift middels een aangetekende zending werd verzonden. Rekening houdend met het feit dat op maandag 25/12/2006 zowel DE POST als de Griffie van de Raad van State gesloten waren, diende het verzoekschrift toch uiterlijk op 26/12/2006 te zijn toegekomen op de griffie. Huidig verzoekschrift diende immers ten laatste op 22/12/2006 aangetekend verzonden te worden. Bij gebreke aan bewijs van verzoekster dient onderhavig verzoekschrift onontvankelijk verklaard wegens de niet-tijdigheid van indienen ervan"; 3.1.4. Overwegende dat 23 oktober 2006 een maandag was, en geen zaterdag zoals de verwerende partij ten onrechte voorhoudt; dat uit het administratief dossier blijkt dat de aangetekende zending op 20 oktober 2006 aan De Post werd afgegeven; dat het aannemelijk is dat de verzoekende partij deze brief op 23 oktober 2006 heeft ontvangen; dat noch de verwerende partij, noch de tussenkomende partij, die de exceptie opwerpen, het tegenbewijs leveren; dat dienvolgens het beroep, ingediend op 22 december 2006, niet als laattijdig kan worden aangemerkt; dat de excepties worden verworpen; 3.2.1. Overwegende dat, wat het in rechte treden door de verzoekende partij betreft, de verwerende partij opmerkt : "De beslissing van een gemeente om in rechte op te treden moet worden genomen door het college van burgemeester en schepenen, na daartoe te zijn gemachtigd door de gemeenteraad. Het bewijs van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen schijnt neer te liggen. Conform de gebruikelijke rechtspraak van uw Raad moet de machtiging van de gemeenteraad voor het sluiten van de debatten worden neergelegd"; 3.2.2. Overwegende dat de regeling van artikel 270, tweede lid, van de Nieuwe Gemeentewet, dat voor veel rechtsvorderingen een machtiging door de gemeenteraad nodig maakte, vervangen is door artikel 193 van het Gemeentedecreet, dat luidt : "Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het optreden in rechte namens de gemeente"; dat aldus van een machtiging door de gemeenteraad geen sprake meer is; dat de exceptie wordt verworpen; VII-36.814-10/18 4. De kennelijke gegrondheid van het eerste middel 4.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 43, §§ 6-8, b), van het gecoördineerde Stedenbouwdecreet van 22 oktober 1996, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder "de zorgvuldigheidsplicht, het rechtszekerheidsbeginsel, en de materiële motiveringsplicht"; dat het middel, bestaande uit drie onderdelen, als volgt wordt uiteengezet : "doordat de bestreden beslissing de zonevreemde exploitatie van de slachterij in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied toelaat in niet hoofdzakelijk vergunde gebouwen; terwijl, eerste onderdeel, artikel 43 §8,
  2. b)coördinatiedecreet duidelijk voorschrijft dat zonevreemde milieuvergunningen enkel kunnen worden afgeleverd op voorwaarde dat de betrokken gebouwen, installaties of constructies hoofdzakelijk vergund zijn of geacht zijn, ook wat betreft de functie : '§8. Een in de paragrafen 6 of 7 bedoelde afwijking kan slechts onder de volgende voorwaarden worden verleend :
  3. a)het moet gaan om een inrichting waarvan de exploitatie geheel of ten dele niet overeenstemt met de bestemmingsvoorschriften van het ontwerp-gewestplan of gewestplan voor het gebied waarin de inrichting is gelegen, en
  4. b)de milieuvergunningsaanvraag bedoeld in het voornoemde decreet van 28 juni 1985 moet betrekking hebben op gebouwen, constructies of installaties die uit oogpunt van ruimtelijke ordening hoofdzakelijk vergund zijn of geacht worden vergund te zijn, ook wat de functie betreft'; en terwijl in casu vaststaat dat dit niet het geval is, nu een groot deel van de bedrijfsgebouwen niet vergund is, hetgeen duidelijk blijkt uit de adviezen van AROHM-Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen dd. 9 maart 2006 en 24 maart 2006 en uit het advies van de gewestelijke milieuvergunnings- commissie dd. 8 mei 2006 en overigens ook door de minister in de bestreden beslissing werd bevestigd naar aanleiding van de bespreking van deze adviezen; en terwijl de minister (als vergunningverlenende overheid), niettegenstaande hij uitgebreid verwijst naar de diverse voorafgaande weigeringsbeslissingen en wijst op de stedenbouwkundige problematiek, geen standpunt inneemt omtrent het al dan niet hoofdzakelijk vergund karakter van de gebouwen : '(...) tegelijk maken bovenstaande overzichten ook duidelijk dat de problematiek van de al of niet mogelijke regularisatie van de stedenbouwkundige vergunningssituatie voorwerp is geworden van een juridisch kluwen; dat het op dit ogenblik onmogelijk is te stellen tot welk resultaat de ter zake lopende procedures zullen leiden; (...)' en terwijl de minister bij de beoordeling omtrent de toelaatbaarheid van een zonevreemde milieuvergunning nochtans rekening dient te houden met de voorwaarden opgelegd door artikel 43 §8, b van het coördinatiedecreet en meer specifiek moet oordelen of aan de voorwaarde van het hoofdzakelijk vergund zijn van de gebouwen is voldaan; VII-36.814-11/18 en terwijl eigenlijk in het midden laat of al dan niet voldaan is aan de voorwaarde van het hoofdzakelijk vergund karakter van de bedrijfsgebouwen en het in essentie aan de aanvrager overlaat om te oordelen welke gebouwen al dan niet hoofdzakelijk vergund zijn door te beslissen dat de milieuvergunning wordt geweigerd voor de niet (bouw)vergunde delen van de slachterij : '(...) §2: Aan de nv Euroslach, Nazarethsesteenweg 34 te 9770 Kruishoutem wordt aangaande de exploitatie van de inrichting gelegen ..., de vergunning geweigerd voor wat betreft de volgende onderdelen : - de onderdelen van de slachterij, bedoeld in § 1, die gebeuren in stedenbouwkundig niet-vergunde gebouwen; - (...)'; en terwijl de minister nochtans zelf moest oordelen of de gebouwen hoofdzakelijk vergund waren en op basis van die beoordeling moest beslissen of al dan niet een zonevreemde milieuvergunning kon worden toegekend en derhalve ontegensprekelijk artikel 43, § 8, b van het coördinatiedecreet heeft geschonden; en terwijl, tweede onderdeel, de bestreden beslissing ingevolge de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen de motieven dient te bevatten op grond waarvan de beslissing werd genomen en dat deze motieven juist en draagkrachtig moeten zijn; en terwijl moet worden vastgesteld dat de motivering van de minister op het vlak van het al dan niet voldaan zijn aan de voorwaarde van artikel 43, §8, b van het coördinatiedecreet niet draagkrachtig en niet juist is en bovendien geenszins op een afdoende manier uiteenzet waarom de duidelijk negatieve adviezen van AROHM Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen dd. 9 maart 2006 en 24 maart 2006 en de gewestelijke milieuvergunningscommissie dd. 8 mei 2006 niet werden gevolgd; en terwijl de minister ter ‘weerlegging’ van de negatieve adviezen en ter motivering van de toepassing van artikel 43 §§ 6-8 van het coördinatiedecreet enkel poneerde dat de exploitant voldoende signalen zou hebben gekregen dat de stedenbouwkundige situatie zou kunnen worden geregulariseerd en hij een milieuvergunning zou kunnen bekomen: 'Uit de boven gegeven historiek zou kunnen afgeleid worden dat de exploitant reeds meer dan voldoende signalen en duidelijkheid heeft gekregen om te weten dat op bedoelde plaats, weliswaar om hoofdzakelijk stedenbouwkundige redenen, geen milieuvergunning kan worden bekomen; daar tegenover staat echter dat de exploitant evenzeer belangrijke signalen in de andere richting heeft gekregen : - de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verleende op 25 augustus 1988, dus na de vaststelling van voormeld gewestplan, nog een exploitatievergunning voor een termijn van 10 jaar; - op 22 april 2002 verleende het college van burgemeester en schepenen een positief planologisch attest (
  5. af)voor een gedeelte van het bedrijf; - de gemeenteraad van Kruishoutem heeft op 10 juni 2003 het ontwerp van sectoraal BPA 'Zonevreemde bedrijven Fase 1B' voorlopig vastgesteld; bij ministerieel besluit van 10 december 2003 werd dit BPA goedgekeurd; - op 3 mei 2004 heeft het college van burgemeester en schepenen van Kruishoutem een stedenbouwkundige vergunning verleend voor 'het regulariseren van slachterij' met verwijzing naar het bovenvermelde BPA; de gemachtigde ambtenaar heeft deze vergunning geschorst wegens strijdigheid met het voornoemde BPA; bij arrest nr. 138.976 van 10 januari 2005 heeft de Raad van State de uitvoering van voornoemd BPA geschorst; VII-36.814-12/18 zoals uit dit bovenstaande overzicht blijkt, zijn evenzeer meerdere overheidsbeslissingen getroffen die bij de exploitant minstens verwachtingen kunnen creëren dat de stedenbouwkundige situatie regulariseerbaar is; tegelijk maken bovenstaande overzichten ook duidelijk dat de problematiek van de al of niet mogelijke regularisatie van de stedenbouwkundige vergunningssituatie voorwerp is geworden van een juridisch kluwen; dat het op dit ogenblik onmogelijk is te stellen tot welk resultaat de ter zake lopende procedures zullen leiden'; en terwijl dit geenszins een juiste, draagkrachtige en afdoende motivering kan zijn en derhalve de artikelen 2 en 3 van de Wet van 21 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen werd geschonden; en terwijl, derde onderdeel, deze handelswijze van de minister allerminst getuigt van een zorgvuldig onderzoek van het dossier en de rechtsonderhorige minstens mocht verwachten dat de minister een oordeel zou vellen omtrent het vergund karakter van de gebouwen - hetgeen had moeten leiden tot de vaststelling dat de gebouwen al dan niet hoofdzakelijk vergund zijn en derhalve al dan niet een weigering van de milieuvergunning - en derhalve tevens het rechtszekerheidsbeginsel werd geschonden; (...)"; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij in essentie doet gelden wat volgt : "(...) De verzoekende partij merkt in haar toelichting over dit onderdeel van het eerste middel zelf op dat de bestreden beslissing expressis verbis stelt dat de exploitatie alleen is vergund in stedenbouwkundig vergunde gebouwen. De verzoekende partij verwijst in dat verband uitdrukkelijk naar art. 3 §2 eerste punt van het beschikkend deel van het bestreden besluit (het citaat wordt opgenomen op p. 14 van het verzoekschrift). Deze bepaling weigert de exploitatie van de onderdelen van de slachterij die gebeuren in stedenbouwkundig niet-vergunde gebouwen. Art. 3 §1 van het beschikkend deel van de bestreden beslissing stelt uitdrukkelijk en in het algemeen dat alle onderdelen van de exploitatie slechts vergund zijn 'voor zover deze gebeuren in stedenbouwkundig vergunde gebouwen'. Alhoewel het op deze wijze duidelijk is dat de bestreden beslissing het probleem van de deels onvergunde bedrijfsgebouwen niet heeft genegeerd, meent de verzoekende partij dat in de beslissing toch moest worden aangeduid of aan de voorwaarden van het hoofdzakelijk vergund karakter van de bedrijfsgebouwen werd voldaan. Het vraagstuk van het hoofdzakelijk vergund karakter is echter niet meer aan de orde van zodra de exploitatie alleen wordt vergund voor zover ze plaatsvindt in vergunde gebouwen. De toepassingsvoorwaarden van art. 43 §7 DROC, zoals deze is neergelegd in art. 43 §8
  6. b)DROC hoeft inderdaad niet meer te zijn vervuld indien de niet-vergunde gebouwen op grond van de beslissing zelf niet kunnen worden gebruikt voor de exploitatie. De verzoekende partij vraagt derhalve ten onrechte dat de bestreden beslissing iets zou zeggen over het hoofdzakelijk vergund karakter van bedrijfsgebouwen waarin wordt geëxploiteerd, indien de milieuvergunning expressis verbis stelt dat alleen mag worden geëxploiteerd in de per hypothese volledig vergunde gebouwen. VII-36.814-13/18 (...) In geen geval komt het aan de beslissingnemende overheid inzake milieuvergunningen toe om zelf een uitspraak te doen over het stedenbouwkundig vergunde karakter van de gebouwen, constructies en installaties. De (marginale) toetsing van het hoofdzakelijk vergund karakter van gebouwen, constructies en installaties moet, zoals het is bepaald in art. 43 §8
  7. b)DROG zo worden begrepen dat de beslissing om de (milieu)vergunning te weigeren als onredelijk zou overkomen, gelet op de eigen kenmerken van de stedenbouwkundig onvergunde elementen van de gebouwen, installaties of constructies. (...) Nu de bestreden beslissing de exploitatie in de niet-stedenbouwkundig vergunde gebouwen of constructies weigert, heeft zij impliciet doch volkomen art. 43 §8
  8. b)DROC nageleefd. (...) Verwijzend naar wat hierboven is gezegd moet eerst worden vastgesteld dat over een voorwaarde die niet moet worden vervuld ook niet hoeft te worden gemotiveerd. Verder, in ondergeschikte orde, moet worden uitgelegd en onderstreept dat de bestreden beslissing op een onmiskenbare wijze duidelijk maakt dat er een planologische onbestaanbaarheid is, en een probleem van stedenbouwkundige vergunning van delen van gebouwen en constructies. Deze problemen worden echter niet als onoplosbaar beschouwd, en op grond van wat wordt genoemd signalen van planologische en stedenbouwkundige regularisatie (de verzoekende partij citeert het bestreden besluit op dit punt op p. 15 van haar verzoekschrift) wordt aangegeven dat aan de exploitant de mogelijkheid kan worden gegeven om de omschreven regularisatie te benaarstigen. Om die reden werd de vergunning niet alleen beperkt tot de exploitatie in stedenbouwkundig vergunde gebouwen, maar werd in art. 5 van de beslissing de termijn van de vergunning beperkt tot 5 jaar. Dit is niet toevallig de termijn die art. 43 §7 voorziet voor herlokalisatie, indien de onbestaanbaarheid en/of de onverenigbaarheid van de exploitatie aan de ruimtelijke ordening schade veroorzaakt. Er is geen reden om te zeggen dat dezelfde termijn van vijf jaar niet mag worden benut voor mogelijke regularisaties"; dat, wat betreft de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, de verwerende partij nog stelt : "Uit wat hierboven is gezegd blijkt op een dubbele wijze dat de vergunningverlenende overheid wel zorgvuldig handelde : - alle elementen van het dossier, en bij uitstek de planologische en stedenbouwkundige problematiek werden correct onderzocht en beschreven, en geen van de deelaspecten van deze problematiek werd genegeerd. - ook de besluitvorming houdt rekening met de gestelde problematiek, doordat de exploitatie slechts werd vergund voor een beperkte termijn en voor zover ze plaatsvindt in stedenbouwkundig vergunde gebouwen en installaties. Het kan niet worden ingezien dat het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden, en het lijkt erop dat de verzoekende partij deze beweerde maar nagenoeg niet-toegelichte schending gratuit aan haar middel toevoegt. Hoe het rechtszekerheidsbeginsel zou geschonden zijn wordt helemaal niet toegelicht, en het kan dan ook niet worden begrepen hoe dit het geval kan zijn"; 4.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in essentie doet gelden wat volgt : VII-36.814-14/18 "(...) dient slechts bij de evaluatie van het al dan niet hoofdzakelijk vergund zijn van het bedrijf van concluante met de vergunde of niet-vergunde toestand van de gebouwen, die zich aan de andere zijde van de oprit (d.w.z. rechts komende van de straat) t.o.v. de oude kippenhangars bevinden, rekening te worden gehouden. Van deze gebouwen is het merendeel vergund, zoals blijkt uit de detailopgave van de vergunningstoestand van deze gebouwen (blijkt). De gebouwen van het bedrijf van concluante dienen dan ook als hoofdzakelijk vergund beschouwd. De betonnen verharding tussen de gebouwen is niet vergund zodat hiermede rekening dient gehouden bij de evaluatie van het al dan niet vergund zijn. Dit dossier met de gedetailleerde plannen en de vergunningssituatie van de gebouwen werd ook aan de Minister overgemaakt zodat hij bij zijn besluitvorming perfect kon nagaan welke gebouwen er vergund waren en welke niet. Dit stelde hem daarenboven in staat te oordelen dat de aanwezige gebouwen op de percelen, voorwerp van de aanvraag, hoofdzakelijk vergund zijn. In tegenstelling tot wat in de adviezen van AROHM - Afdeling Stedenbouwkundige Vergunning en de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie staat opgenomen, zijn de aanwezige gebouwen dus wel hoofdzakelijk, d.i. voor meer dan 50 % van het geheel, vergund. De aanvraag van concluante is dus wel degelijk in overeenstemming met de voorwaarden, voorzien in artikel 43 §8,
  9. b)van het Coördinatiedecreet. Concluante wijst er bovendien op dat door de hier bestreden beslissing een exploitatievergunning wordt toegekend van tijdelijke aard (5 jaar), enkel en alleen betrekking hebbende op activiteiten, die in de vergunde gebouwen plaatsvinden. Verzoekster verwijt de Minister dat hij geen standpunt inneemt betreffende het al dan niet hoofdzakelijk vergund karakter van de gebouwen. Zoals hierboven aangetoond, heeft de Minister wel degelijk kennis genomen van een gedetailleerd plan, waarop duidelijk te zien is wat wel en wat niet vergund is. Voorts kan ook de Minister de realiteit niet ontkennen dat voor het overige van de aanwezige gebouwen moeilijk te voorspellen valt welke afloop de ter zake lopende procedures zullen hebben. (...) Nu blijkt dat de gebouwen en installaties op de percelen, die het voorwerp van de bestreden beslissing vormen, wel degelijk hoofdzakelijk vergund zijn en de aanvraag dus wel degelijk voldoet aan de voorwaarde, voorzien in art. 43, §§ 6-8,
  10. b)van het Coördinatiedecreet, verliest dit middel alle relevantie"; 4.4. Overwegende dat uit het bestreden besluit duidelijk blijkt dat de inrichting niet verenigbaar is met de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat overeenkomstig artikel 43, § 7 en § 8 van het stedenbouwdecreet van 22 oktober 1996 een milieuvergunning in afwijking van het vigerend gewestplan slechts kan worden verleend voor zover de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op "gebouwen, constructies of installaties" die vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening hoofdzakelijk vergund zijn of geacht worden vergund te zijn, ook wat de functie betreft; dat het vervuld zijn van die wettelijke voorwaarde door de vergunningverlenende overheid dient te worden onderzocht; dat wordt vastgesteld dat in het bestreden besluit een VII-36.814-15/18 lijst wordt opgesomd van onderdelen van de inrichting en daarin wordt gesteld dat de vergunning wordt verleend voor die onderdelen uit de lijst die "gebeuren in stedenbouwkundig vergunde gebouwen" en dat de vergunning wordt geweigerd voor die onderdelen van dezelfde lijst "die gebeuren in stedenbouwkundig niet- vergunde gebouwen"; dat nergens in het besluit wordt aangegeven welke gebouwen vergund zijn en welke niet, terwijl daar volgens het bestreden besluit zelf betwisting over bestaat, zodat het geenszins duidelijk is wat precies wel en wat niet is vergund; dat eveneens nergens sprake is van constructies en installaties, alhoewel deze eveneens expliciet in voornoemde decreetsbepaling worden genoemd; dat de verwerende partij eraan voorbijgaat dat bij de beoordeling van de vraag of de vergunning kan worden verleend, de diverse onderdelen in hun samenhang moeten worden bekeken; dat, immers, volgens het bestreden besluit zelf sommige onderdelen zoals de koelinstallaties en de waterzuivering noodzakelijk worden geacht om de hinder binnen aanvaardbare perken te houden en dienvolgens om de vergunning te kunnen verlenen; dat, wanneer zoals in casu uit het bestreden besluit niet ondubbelzinnig blijkt of deze ter beperking van de hinder noodzakelijke onderdelen vergund zijn, de interne samenhang van het bestreden besluit op de helling staat; dat daarbij nog komt dat op 14 juni 2005 de verwerende partij aan de exploitant de toelating heeft verleend tot afwijking van de afstandsregel van artikel 5.45.1.2 van Vlarem II, en daar voorwaarden aan heeft gekoppeld, die worden opgesomd in het bestreden besluit : "- het nachtelijk lossen van levend pluimvee gebeurt aan de achterzijde van de inrichting, weg van de woningen; - de koelinstallaties worden achteraan op het terrein geplaatst, weg van de woningen en er wordt een geluidwerend scherm rond de koelinstallaties geplaatst; - de verharde vloer waarop de dieren gestald worden dient dagelijks gereinigd en ontsmet te worden; - het slachten gebeurt met gesloten deuren; alle transport van slachtafvallen naar de opslag ervan gebeurt in gesloten buizen en de opslag van het destructiemateriaal gebeurt in een gekoelde silo"; dat evenwel het niet duidelijk is of de losplaats aan de achterzijde, de toegangsweg erheen, de plaatsing van de koelinstallaties achteraan op het terrein, het geluidwerend scherm errond, de transportbuizen voor slachtafval en de gekoelde silo voor slachtafval wel stedenbouwkundig vergund zijn; dat wanneer niet kan worden voldaan aan de voorwaarden voor de afwijking, de milieuvergunning niet kan worden verleend; dat dit voor deze vergunningsbeslissing essentieel gegeven nergens in de motivering terug te vinden is, precies door de in het eerste middel VII-36.814-16/18 terecht aangevochten werkwijze; dat het middel in de aangegeven mate kennelijk gegrond is; 5. De vordering tot schorsing Overwegende dat het kennelijk gegrond bevinden van het eerste middel leidt tot de vernietiging van het bestreden besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dat besluit geen voorwerp meer heeft en dienvolgens moet worden verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. EUROSLACH in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 oktober 2006 houdende uitspraak over het beroep ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 22 december 2005, houdende het weigeren van de vergunning aan de n.v. EUROSLACH voor de exploitatie van een nieuwe slachterij aan de Nazarethsesteenweg 34 te Kruishoutem. Artikel 3. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 4. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-36.814-17/18 Artikel 5. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-36.814-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.897 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.