id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.900 Rolnummer: A. 89671/VII-20522 Zaak: Arrest 171900 - Milieuvergunningen - 07/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-19 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-29 06:46 Fiche Arrest nr 171.900 van 7 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 171.900 van 7 juni 2007 in de zaak A. 89.671/VII-20.522. In zake : de n.v. TEXTIELVEREDELINGSINDUSTRIE SWINKELS, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. TEXTIELVEREDELINGS- INDUSTRIE SWINKELS op 18 februari 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 14 december 1999 waarbij haar beroep ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 28 november 1996, houdende het verlenen van de vergunning aan de verzoekende partij om een textielveredelingsbedrijf, gelegen aan de Wijshagerstraat 33 te Bree, verder te exploiteren en uit te breiden, gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-20.522-1/18 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 maart 2007 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 19 april 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. BEELEN die, loco advocaat M. BOES verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten 1.1. De verzoekende partij baat een bedrijf uit dat textiel bedrukt en beschikt over een afvalwaterzuiveringsinstallatie. Het bedrijf is gelegen aan de Wijshagerstraat 33 te Bree. 1.2. De inrichting waarop het bestreden besluit betrekking heeft, is volgens het bij koninklijk besluit van 22 maart 1978 vastgestelde gewestplan Neerpelt-Bree gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven. 1.3. Op 2 maart 1967 krijgt de verzoekende partij een exploitatiever- gunning voor een periode van dertig jaar. Daarna volgen een uitbreidingsvergunning op 6 mei 1976, een lozingsvergunning op 11 december 1986, een uitbreidingsver- gunning op 23 april 1987, een uitbreidingsvergunning op 27 maart 1992 en een wijzigings-/uitbreidingsvergunning op 18 november 1992. 1.4. Op 29 juni 1996 vraagt het bedrijf de hernieuwing van de vergunning aan, alsook de verandering door uitbreiding met een aantal activiteiten. Tijdens het openbaar onderzoek wordt één bezwaarschrift ingediend. VII-20.522-2/18 1.5. Op 28 november 1996 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg een vergunning waarbij naast de sectorale voorwaarden ook bijzondere voorwaarden worden opgelegd inzake afvalwater. 1.6. De verzoekende partij en de n.v. AQUAFIN tekenen op 19 december 1996 beroep aan tegen deze beslissing. 1.7. Op 21 mei 1997 neemt de verwerende partij het besluit houdende wijziging van de beroepen beslissing van 28 november 1996. 1.8. De Raad van State schorst de tenuitvoerlegging van dit besluit bij arrest nr. 69.859 van 20 november 1997 en vernietigt bij arrest nr. 80.643 van 3 juni 1999 het besluit in zoverre het in artikel 2, 1/ bijzondere lozingsnormen en exploitatievoorwaarden oplegt. 1.9. Naar aanleiding van dit vernietigingsarrest ontvangt de verzoeken- de partij van de afdeling Milieuvergunningen bij brief van 26 augustus 1999 de mededeling dat het destijds ingediende beroep opnieuw zal worden onderzocht. 1.10. Na het inwinnen van de nodige adviezen neemt de verwerende partij op 14 december 1999 het thans bestreden besluit waarbij opnieuw uitspraak wordt gedaan over de beroepen ingediend tegen de beslissing van 28 november 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg. De verwerende partij verklaart het beroep van de verzoekende partij gegrond en dat van de n.v. AQUAFIN ongegrond. In de beroepen beslissing wordt artikel 2, 1/ geschrapt en vervangen door nieuwe voorwaarden: "- de exploitant dient verdere maatregelen te treffen om de CZV-vracht en de N-vracht te verlagen en de verwerkbaarheid van het afvalwater op de rioolwaterzuiveringsinstallatie te verbeteren. - het is verboden om monocyclische aromatische KWS, polycyclische aromatische KWS, organochloorpesticiden, gechloreerde Bifenylen, gechloreer- de aromatische amines, gechloreerde fenolen, VOX, EOX, en AOX te lozen". Dit is het bestreden besluit. 2. De gegrondheid 2.1.1. In het eerste middel beroept de verzoekende partij zich op de schending van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 80.643 van de Raad van VII-20.522-3/18 State, op machtsoverschrijding, op de schending van artikel 21 van het milieuver- gunningsdecreet, van artikel 45 van Vlarem I, van artikel 3.3.0.1. van Vlarem II en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, op de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en schending van de rechten van verdediging, in het bijzonder de hoorplicht. Dit middel wordt in het verzoekschrift als volgt uiteengezet: "Doordat, op 14 december 1999 Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw opnieuw heeft geoordeeld over het beroep van verzoekster tegen de beslissing van 28 november 1996 van de bestendige deputatie van de provincie- raad van Limburg, zonder hiertoe de door voormelde bepalingen voorziene procedure te volgen, terwijl, de minister, na tussenkomst van het vernietigingsarrest van Uw Raad, gelet op de uitsluitende nietigverklaring van de in artikel 2,1/ van het besluit dd. 21 mei 1997 onwettig opgenomen bijzondere voorwaarden, geenszins de bevoegdheid had om opnieuw te oordelen over het door verzoekster ingestelde beroep tegen het besluit dd. 28 november 1996, doch slechts in de van kracht zijnde milieuvergunning ingevolge het besluit van 21 mei 1997 (...) kon ingrijpen, m.a.w. deze slechts kon wijzigen mits het volgen van de daartoe voorziene procedure. en doordat, middels het bestreden besluit de vergunningsvoorwaarden van de milieuvergunning dd. 21 mei 1997 ingrijpend werden gewijzigd waardoor rechtstreeks werd ingegrepen in de rechten die zij put uit de vergunning van 21 mei 1997, terwijl, een ingrijpende wijziging van de vergunning niet kan zonder dat betrokkene hierover op nuttige wijze is gehoord". In het eerste onderdeel stelt de verzoekende partij dat het bestreden besluit het gezag van gewijsde van het arrest nr. 80.643 van de Raad van State schendt, alsook is aangetast door machtsoverschrijding doordat op 14 december 1999 de verwerende partij opnieuw heeft geoordeeld over het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 28 november 1996 en zij opnieuw bijzondere voorwaarden heeft opgelegd. De verzoekende partij meent dat door slechts de onwettige voorwaarden uit de afgeleverde milieuvergunning van 21 mei 1997 te lichten en door voor het overige deze vergunning onaangetast te laten, de Raad van State de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw de bevoegdheid heeft ontnomen om het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van 28 november 1996 opnieuw te behandelen. Door slechts de onwettige voorwaarden uit de afgeleverde milieuvergunning te lichten werd de minister niet teruggeplaatst in de positie waarin hij zijn bevoegdheid opnieuw kon aanwenden. De minister bevond zich hierdoor in VII-20.522-4/18 dezelfde positie als wanneer in de loop van de toegekende milieuvergunning, de noodzaak zou rijzen om ingevolge bijzondere omstandigheden met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu en inzonderheid met het oog op de handhaving of het bereiken van de in deel 2 van Vlarem II opgenomen kwaliteitsnor- men, bijzondere voorwaarden op te leggen. De toegekende milieuvergunning bevatte immers reeds een lozingsvergunning. De verzoekende partij meent voorts dat de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw niet bevoegd was om na het arrest nr. 80.643 nieuwe bijzondere voorwaarden aan de verzoekende partij op te leggen zonder daartoe de geëigende procedurele weg te volgen. In het tweede onderdeel meent de verzoekende partij dat de verwerende partij niet de bevoegdheid had om het beroep opnieuw te behandelen en een nieuw besluit te nemen. Zij stelt dat de verwerende partij de bijzondere voorwaarden slechts kon opleggen mits naleving van de procedure voor het wijzigen van de vergunningsvoorwaarden, met name met respect voor artikel 21 van het milieuvergunningsdecreet, artikel 45 van Vlarem I en artikel 3.3.0.1. van Vlarem II. Zij voert ook de schending aan van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van de rechten van verdediging en in het bijzonder van de hoorplicht, aangezien de verwerende partij onzorgvuldig is geweest door minstens niet vooraf de verzoekende partij te horen over de geplande wijzigingen. Er heeft weliswaar op het bedrijf van de verzoekende partij een gesprek plaatsgevonden tussen haar en de afdeling Milieuvergunningen; hierdoor werd evenwel geenszins voldaan aan de hoorplicht. Door slechts enkele dagen voordien telefonisch dit bedrijfsbezoek aan te kondigen, zonder voorafgaande mededeling van het preciese onderwerp van dit bezoek, noch inzage te geven in het voorwerp ervan, kan niet worden geacht te zijn voldaan aan de hoorplicht. 2.1.2. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord, wat het eerste onderdeel betreft, dat na de vernietiging van het besluit van 21 mei 1997, zij terug de plicht had om opnieuw een beslissing te nemen binnen het kader van de bevoegdheid die zij had na het beroep dat ingesteld is door de verzoekende partij tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 28 november 1996, wat op zich reeds een beperkt beroep was daar het enkel betrekking had op de milieuvergunningsvoorwaarden. Zij voert verder aan dat zij in VII-20.522-5/18 het bestreden besluit wel degelijk heeft gemotiveerd waarom andere vergunnings- voorwaarden werden opgelegd na het vernietigingsarrest van de Raad van State en dat zij bijgevolg artikel 21 van het milieuvergunningsdecreet, artikel 45 van Vlarem I en artikel 3.3.0.1. van Vlarem II niet heeft geschonden. Wat de hoorplicht betreft, repliceert de verwerende partij dat er inderdaad een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de afdeling Milieuvergunningen en de verzoekende partij, dat zij meent dat hierdoor wel is voldaan aan deze plicht en dat ook geenszins blijkt dat onvoldoende rekening zou zijn gehouden met de argumenten van de verzoekende partij. 2.1.3. Wat het eerste onderdeel betreft, stelt de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord dat de verwerende partij zich vergist waar zij stelt dat het besluit van 21 mei 1997 werd vernietigd. Zij stelt dat door de vernietiging uitdrukkelijk te beperken tot artikel 2, 1/ van het besluit, het besluit overeind blijft en geen bijzondere voorwaarden behoeft om als volwaardig te worden beschouwd. Wat het tweede onderdeel betreft, stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij geen gebruik heeft gemaakt van de procedure voorzien in artikel 21 van het milieuvergunningsdecreet, artikel 45 van Vlarem I en artikel 3.3.0.1. van Vlarem II om tot de wijziging van de milieuvergunningsvoorwaarden over te gaan. Indien de verwerende partij de vergunningswijziging op voormelde artikelen had willen grondvesten, diende zij zulks uitdrukkelijk te vermelden in het bestreden besluit. Deze artikelen worden evenwel niet als rechtsgrondslag in het besluit vermeld, bijgevolg staat vast dat er minstens een schending is van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Krachtens voormeld artikel dienen individuele administratieve rechtshandelingen immers uitdrukkelijk in rechte te worden gemotiveerd. Wat de hoorplicht betreft, voegt de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord niets nieuws toe. 2.1.4. In de laatste memorie voegt de verzoekende partij, wat het eerste middel betreft, in essentie geen nieuwe elementen toe aan haar argumentatie. 2.1.5. De verwerende partij voegt in haar laatste memorie, wat het eerste middel betreft, evenmin nieuwe elementen toe. VII-20.522-6/18 2.1.6. Het arrest nr. 80.643 heeft artikel 2, 1/, van het besluit van de Vlaamse minister bevoegd voor het Leefmilieu van 21 mei 1997 vernietigd. In dit artikel werden enkel een aantal bijzondere lozingsnormen en exploitatievoorwaarden opgelegd. De Raad van State was in zijn arrest van oordeel dat deze bijzondere voorwaarden konden worden afgesplitst van de vergunning en dat de vernietiging van artikel 2, 1/ verantwoord werd door de afwezigheid van een afdoende motivering voor het opleggen van die bijzondere voorwaarden. Met het in casu bestreden besluit doet de verwerende partij opnieuw uitspraak over het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 28 november 1996. Dit beroep was gericht tegen het opleggen van de bijzondere voorwaarden. Aangezien de Raad van State de bijzondere voorwaarden heeft vernietigd op grond van de afwezigheid van een afdoende motivering, had de verwerende partij de mogelijkheid om ter uitvoering van het arrest het beroep op dit punt opnieuw te behandelen, hetgeen zij met het bestreden besluit heeft gedaan: er worden opnieuw bijzondere voorwaarden opgelegd met een andersluidende motivering. Het bestreden besluit schendt het gezag van gewijsde van het arrest nr. 80.643 niet aangezien aan een arrest uitvoering moet worden gegeven. In de mate dat in het eerste onderdeel de schending van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 80.643 wordt aangevoerd, is het ongegrond. In het eerste onderdeel wordt tevens aangevoerd dat de verwerende partij zich ingevolge het arrest nr. 80.643 in dezelfde positie bevond "als wanneer in de loop van de toegekende milieuvergunning, de noodzaak zou rijzen om ingevolge bijzondere omstandigheden met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu en inzonderheid met het oog op de handhaving of het bereiken van het in deel 2 van VLAREM II opgenomen kwaliteitsnormen, bijzondere voorwaarden op te leggen". Hierbij moet worden vastgesteld dat dit een mogelijke optie was, waar de verwerende partij evenwel niet voor heeft gekozen. Uit het feit dat het voorwerp van het administratief beroep van de verzoekende partij dat geleid heeft tot het besluit van 21 mei 1997, beperkt was tot de bijzondere voorwaarden en uit het feit dat dit besluit van 21 mei 1997 door het arrest nr. 80.643 vernietigd werd in de mate dat in artikel 2, 1/ bijzondere voorwaarden werden opgelegd, volgt dat de verwerende partij de bevoegdheid had om het beroep opnieuw te behandelen en een nieuw besluit te nemen dat, zoals in casu, beperkt is tot het opleggen van bijzondere voorwaarden. VII-20.522-7/18 Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. In het tweede onderdeel vertrekt de verzoekende partij van het uitgangspunt dat de verwerende partij niet de bevoegdheid had om het beroep opnieuw te behandelen en een nieuw besluit te nemen. Zoals uit de bespreking van het eerste onderdeel is gebleken, is dit uitgangspunt niet correct. De verwerende partij kon een nieuwe beslissing nemen over de bijzondere voorwaarden zonder het gezag van gewijsde van het arrest nr. 80.643 te schenden. Gelet op het voorgaande, mist het tweede onderdeel grondslag in de mate dat het aanvoert dat de verwerende partij de bijzondere voorwaarden slechts kon opleggen mits naleving van de procedure voor het wijzigen van de vergunningsvoorwaarden, met name met respect voor artikel 21 van het milieuvergunningsdecreet, artikel 45 van Vlarem I en artikel 3.3.0.1. van Vlarem II. In het tweede onderdeel voert de verzoekende partij voorts de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de hoorplicht, aangezien de verwerende partij onzorgvuldig is geweest door minstens niet vooraf de verzoekende partij te horen over de geplande wijzigingen. Het staat vooreerst vast dat de verzoekende partij, niettegenstaande zij bij brief van de afdeling Milieuvergunningen op de hoogte werd gebracht dat ingevolge het arrest nr. 80.643 haar beroep opnieuw zou worden onderzocht en dat het zou worden afgehandeld overeenkomstig de terzake van toepassing zijnde vergunningsprocedure, heeft nagelaten te vragen om te worden gehoord. De verzoekende partij had dit moeten doen, bij gebreke aan een uitdrukkelijke bepaling die deze hoorplicht voorschrijft. Bovendien staat het vast dat er contact is geweest tussen de administratie en de verzoekende partij; er werd immers een voorstel voorgelegd waarop de verzoekende partij heeft geantwoord. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. Gelet op wat voorafgaat, is het eerste middel niet gegrond. 2.2.1. In het tweede middel roept de verzoekende partij de schending in van het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur "doordat in het bestreden besluit onduidelijke verplichtingen aan verzoekster worden opgelegd, terwijl, het rechtszekerheids- en het VII-20.522-8/18 zorgvuldigheidsbeginsel vereisen dat de door de overheid uitgevaardigde normen duidelijk moeten zijn". In de toelichting bij het tweede middel stelt de verzoekende partij dat het bestreden besluit onduidelijk is waar het enerzijds normen oplegt voor onder andere CZV (Chemisch Zuurstof Verbruik) (nl. 700mg/l en 195 kg/
- d)en Kjeldahl N (nl. 70 mg/l en 20 kg/d), terwijl het anderzijds stelt "- de exploitant dient verdere maatregelen te treffen om de CZV-vracht en de N (stikstof)-vracht te verlagen en de verwerkbaarheid van het afvalwater op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) te verbeteren". Deze bepaling is voor de verzoekende partij geheel onduidelijk wat betreft welke waarde voor deze verlaging als referentiewaarde moet worden genomen, de termijn binnen dewelke de vooropgestelde verlaging moet gebeuren en de vereiste grootte van de vooropgestelde verlaging. De onduidelijkheid van deze norm vormt volgens de verzoekende partij dan ook een kennelijke inbreuk op het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. 2.2.2. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat de opgelegde normen meer dan duidelijk zijn aangezien zij bepaald zijn met duidelijke numerieke waarden per scheikundig element of soort stof. Het feit dat in het bestreden besluit is opgenomen dat in de toekomst nog verdere maatregelen dienen te worden genomen om de CZV-vracht en de N-vracht te verlagen en de verwerkbaarheid van het afvalwater op de RWZI te verbeteren zonder dat daarbij concrete referentiewaarden zijn bepaald, wijst volgens haar geenszins op een onduidelijkheid aangezien de verzoekende partij zelf heeft voorgesteld om daarvoor te zorgen. Zodra de verzoekende partij aantoont dat zij verdere maatregelen treft, blijft zij de vergunning naleven. 2.2.3. De verzoekende partij beklemtoont in haar memorie van wederantwoord dat de geciteerde voorwaarde betreffende de vermindering van de CZV- en N-vracht en betreffende de verbetering van de verwerkbaarheid van het afvalwater, haar volstrekt onduidelijk is. Het feit dat zij hier zelf om heeft gevraagd, neemt volgens haar niet weg dat deze dwingende bepaling in haar onduidelijkheid rechtsonzekerheid creëert en dus een inbreuk vormt op het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, aangezien zij niet weet aan welke voorwaarden zich te houden, bijvoorbeeld wanneer de milieu-inspectie monsters komt nemen. 2.2.4. De verzoekende partij stelt in haar laatste memorie vooreerst dat de vergunningsvoorwaarde zowel als een resultaats- als een middelenverbintenis kan VII-20.522-9/18 worden geïnterpreteerd, zodat deze voorwaarde zeker een nadeel kan berokkenen - op het niet naleven van de milieuvergunningsvoorwaarden staan strafsancties - en vervolgens dat, gelet op het feit dat de voorwaarde op zich geen duidelijkheid laat omtrent hetgeen van de verzoekende partij wordt verwacht, het voldoende is om deze voorwaarde uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen. 2.2.5. De verwerende partij voegt in haar laatste memorie geen nieuwe elementen toe. 2.2.6. De bestreden bijzondere voorwaarde luidt als volgt: "de exploitant dient verdere maatregelen te treffen om de CZV-vracht en de N-vracht te verlagen en de verwerkbaarheid van het afvalwater op de rioolwaterzuiveringsinstallatie te verbeteren". Er moet worden nagegaan in welke mate de verzoekende partij ingevolge deze bijzondere voorwaarde een nadeel zou kunnen ondervinden. Strikt genomen volstaat het dat zij verdere maatregelen - hoe miniem die ook zijn - neemt om deze voorwaarde na te leven. Bij gebrek aan duidelijke timing en duidelijke parameters waaraan deze maatregelen moeten voldoen, kan aan de verzoekende partij niet tegengeworpen worden dat de maatregelen die zij heeft genomen niet zouden volstaan om aan deze bijzondere voorwaarde te voldoen. Deze bijzondere voorwaarde moet bijgevolg begrepen worden als een inspanningsverbintenis en kan dan ook bij de verzoekende partij geen rechtsonzekerheid teweegbrengen indien zij verdere maatregelen neemt. Het is bovendien weinig waarschijnlijk dat de milieu- inspectie op grond van deze bijzondere voorwaarde zou sanctioneren. Het tweede middel is niet gegrond. 2.3.1. In het derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet, van artikel 3.3.0.1. van Vlarem II, van bijlage 5.3.2.44.
- a)van Vlarem II en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Dit middel wordt in het verzoekschrift als volgt uiteengezet: "Doordat, bij het opleggen van bijzondere voorwaarden in de bestreden vergunning rekening wordt gehouden met de analyseresultaten en de ‘bij normale activiteit gemeten vuilvracht’ van verzoekster, VII-20.522-10/18 terwijl, de vergunningverlenende overheid bij het opleggen van bijzondere voorwaarden slechts rekening mocht houden met de bescherming van mens en leefmilieu, en de handhaving of het bereiken van milieukwaliteitsnormen". De verzoekende partij stelt in de toelichting dat het bestreden besluit haar voor quasi alle lozingsparameters normen oplegt die beduidend strenger zijn dan de in Vlarem II opgenomen sectorale lozingsnormen, zonder te motiveren waarom die niet volstaan, en dat het praktisch voor elke lozingsparameter in een bijzondere exploitatievoorwaarde voorziet, zodat hieruit als het ware een wijziging van de sectorale voorwaarden volgt. Als reden hiervoor haalt de verzoekende partij volgende passage uit het bestreden besluit aan: "Overwegende dat enerzijds rekening wordt gehouden met de analyseresultaten en anderzijds dienen de vuilvrachten te worden beperkt tot de gemiddeld gemeten concentratie maal het gemiddeld gemeten debiet (251 m³/
- d)maal een factor 1,5; dat er vanuit wordt gegaan dat een maximum vergunde vuilvracht als normaal kan worden beschouwd wanneer deze niet hoger ligt dan de bij normale bedrijfsactiviteit gemeten vuilvracht vermenigvuldigd met 1,5". De verzoekende partij stelt voorts dat krachtens artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet en artikel 3.3.0.1. van Vlarem II, de vergunningsverlenende overheid bij het verlenen van een vergunning bijzondere voorwaarden kan opleggen met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu en dat het bestreden besluit door als maximaal vergunde vuilvrachten niet de sectorale lozingsnormen te hanteren, doch forfaitair het product van "de bij normale bedrijfsactiviteit gemeten vuilvracht" met 1,5 te vermenigvuldigen, deze artikelen schendt. 2.3.2. De verwerende partij repliceert dat het bestreden besluit uitdrukkelijk motiveert waarom strengere normen dienen te worden opgelegd dan voorzien in Vlarem II en dat het van belang is er op te wijzen dat de verzoekende partij zelf normen heeft bepaald in haar aanvraag en zelf metingen heeft laten doen en dat de normen die nu zijn opgelegd in het bestreden besluit veel minder streng zijn dan de normen die werden opgelegd in het bestreden besluit van 21 mei 1997. De verwerende partij herneemt in haar memorie van antwoord ook een uitgebreide passage uit de motivering van het bestreden besluit. 2.3.3. De verzoekende partij repliceert in haar memorie van wederantwoord in essentie dat zij niet heeft beweerd dat niet van de algemene en VII-20.522-11/18 sectorale normen kan worden afgeweken, maar wel dat dit enkel kan gebeuren mits motivering en dat een dergelijke motivering ontbreekt in het bestreden besluit. 2.3.4. In de laatste memorie voegt de verzoekende partij hier geen nieuwe elementen aan toe. 2.3.5. In de laatste memorie handhaaft de verwerende partij haar argumentatie. 2.3.6. Op zich bieden het feit dat de bijzondere normen zouden voortvloeien uit de aanvraag van de verzoekende partij en het feit dat de nu opgelegde bijzondere normen minder streng zijn dan deze opgelegd bij besluit van 21 mei 1997, geen verantwoording voor het opleggen van bijzondere voorwaarden met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu, en inzonderheid met het oog op de handhaving of het bereiken van de in deel 2 van dit besluit opgenomen kwaliteitsnormen. Toch kan niet worden gesteld dat elke motivering omtrent de noodzaak voor het opleggen van bijzondere lozingsnormen in het bestreden besluit ontbreekt. Uit de motivering blijkt onder meer dat: - op grond van de analyseresultaten blijkt dat de vuilvrachten die opgelegd zijn in het bestreden besluit voor sommige parameters regelmatig overschreden worden; - - het gemiddeld gemeten debiet van 251m³/dag wordt vermenigvuldigd met een factor 1,5; op die basis wordt de maximum vergunde vuilvracht als normaal beschouwd wanneer deze niet hoger ligt dan de bij normale bedrijfsactiviteit gemeten vuilvracht vermenigvuldigd met 1,5; - er wordt op gewezen dat er geen lozingsnormen voor BZV (Biochemisch Zuurstof Verbruik) en CZV (Chemisch Zuurstof Verbruik) zijn opgenomen in de sectorale lozingsvoorwaarden voor de lozing van bedrijfsafvalwater in riool afkomstig van bedrijven in de textielveredeling; - met verwijzing naar de basiskwaliteitsnorm voor oppervlaktewater wordt gewezen op de noodzaak tot verstrenging van de norm inzake zwevende stoffen; - met verwijzing naar de afspraken van de Derde en Vierde Noordzeeconferentie wordt gewezen op de noodzaak tot vermindering van de nutriëntenvracht; - de vermindering van het chloridegehalte wordt gemotiveerd omdat er beschadiging van het rioleringsstelsel optreedt; - voorts wordt voor elk van de opgelegde normen een specifieke motivering opgenomen; die motivering houdt steeds verband - rechtstreeks of onrechtstreeks - met de bescherming van mens en leefmilieu, en/of het behouden of bereiken van milieukwaliteitsnormen. VII-20.522-12/18 Uit de motivering kan bovendien worden afgeleid waarom een factor 1,5 van de bij normale bedrijfsactiviteit gemeten vuilvracht wordt gehanteerd. Deze factor wordt gebruikt omdat het uitgangspunt een gemiddeld gemeten debiet van 251 m³/dag bedraagt, hetgeen impliceert dat er dagen zijn waarbij dit debiet overschreden wordt. Het hanteren van een factor 1,5 om de geloosde vuilvrachten te beperken is in ieder geval niet kennelijk onredelijk, wanneer men er ook rekening mee houdt dat uit de analyseresultaten blijkt dat voor bepaalde parameters de opgelegde vuilvrachten regelmatig worden overschreden. Het derde middel is niet gegrond. 2.4.1. In het vierde middel beroept de verzoekende partij zich op de schending van artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet, van artikel 3.3.0.1. van Vlarem II, van bijlage 5.3.2.44.
- a)van Vlarem II, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 10 en 11 van de Grondwet, van het gelijkheids-, zorgvuldigheids-, redelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel, en op machtsoverschrijding. Dit middel wordt in het verzoekschrift als volgt uitgewerkt: "Doordat, in het bestreden vergunningsbesluit voor alle lozingsnormen afgeweken wordt van de algemene en sectorale vergunningsvoorwaarden uit Vlarem II, terwijl, in de eerste plaats, uit de motivering van sommige bijzondere voorwaarden duidelijk blijkt dat deze normen als algemene en sectorale vergunningsnormen in een reglementair besluit hadden moeten worden opgenomen, en de minister niet bevoegd is voor het opleggen van sectorale lozingsnormen, en zijn bevoegdheid derhalve overschrijdt, en terwijl, in de tweede plaats, door aan verzoekster een vergunning af te leveren die met betrekking tot alle lozingsnormen afwijkt van de algemene en sectorale voorwaarden, er een ongelijkheid wordt gecreëerd tussen verzoekster en de andere bedrijven uit de sector, en in dezelfde zone, waardoor er in hoofde van verzoekster een ernstig concurrentieel nadeel ontstaat". In de toelichting bij het eerste onderdeel stelt de verzoekende partij dat uit de formulering van de opgelegde bijzondere voorwaarden blijkt dat zij in feite geen oplossing bieden voor bedrijfsspecifieke omstandigheden, doch louter als substituut worden gebruikt voor onaangepaste algemene en sectorale voorwaarden, waarbij het geheel onduidelijk is of deze enkel aan de verzoekende partij, of tevens aan andere inrichtingen worden opgelegd. VII-20.522-13/18 De verzoekende partij wijst vooreerst naar de bijzondere lozingsnorm inzake chloride, deze wordt beperkt tot 0,5 g/l, terwijl Vlarem II voorziet in een lozingsnorm van 4 g/l. Deze bijzondere voorwaarde is aanzienlijk strenger dan de sectorale norm. De verzoekende partij haalt volgende overweging uit het bestreden besluit aan: "Overwegende dat het chloridegehalte moet beperkt worden omdat chlorides met de kalk uit de cement oplosbare calciumverbindingen vormt waardoor beschadiging van het rioleringsstelsel optreedt; dat gelet op de analyseresultaten het chloride-gehalte dient beperkt te blijven tot 500mg/l (...)". Hieruit blijkt dat deze bijzondere voorwaarde uitsluitend wordt voorzien ter bescherming van het rioleringsstelsel. De verzoekende partij uit met betrekking tot deze motivering twee ernstige bezwaren. Vooreerst werpt zij op dat ofwel de gestrengheid van de bijzondere voorwaarde overdreven is, gezien de sectorale norm voor chloridelozing op riool acht maal minder streng is, ofwel de sectorale lozingsnorm kennelijk onvoldoende is. Indien geen strengere dan de sectorale lozingsnormen voor riool noodzakelijk zijn voor de bescherming van de riolering, is de aan de verzoekende partij opgelegde voorwaarde duidelijk in strijd met artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet, artikel 3.3.0.1. van Vlarem II, het vertrouwens-, redelijkheids-, en zorgvuldigheidsbeginsel. Indien de tweede hypothese waar is, dan is de sectorale voorwaarde kennelijk onaangepast. In deze hypothese had de bijzondere voorwaarde welke aan de verzoekende partij wordt opgelegd inzake chloridelozing, als algemene of sectorale vergunningsnorm in een reglementair besluit dienen te worden opgenomen. In beide hypotheses is de bijzondere voorwaarde welke haar wordt opgelegd bijgevolg kennelijk onwettig. Vervolgens voert de verzoekende partij aan dat indien middels bijzondere voorwaarden wordt afgeweken van een algemene of sectorale lozingsnorm, de maximaal vergunde hoeveelheid in rechtstreekse relatie moet staan met de bescherming van de mens en het leefmilieu en niet met de analyseresultaten van het bedrijf. Door dit toch te doen schendt het bestreden besluit de voormelde artikelen. VII-20.522-14/18 Het eerste onderdeel wordt verder toegelicht door te verwijzen naar de onduidelijkheid in de motivering inzake het beperken van zware metalen. Het bestreden besluit verwijst naar de richtlijn 76/464/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd en naar de afspraken van de Derde en Vierde Noordzeeconferentie. De verzoekende partij haalt volgende overweging uit het bestreden besluit aan: "Overwegende dat er een vermindering van de zware metalen nodig is om de kwaliteitsobjectieven te bereiken en om tegemoet te komen aan de afspraken van de Derde en Vierde Noordzeeconferentie, waarin gesteld werd dat er een significante reductie (50% of 70% voor Pb, Cd en Hg) van de vuilvracht moet worden bereikt". Zij stelt dat zij uit het bestreden besluit niet kan afleiden in welke mate de bijzondere voorwaarden worden opgelegd voor het bereiken van de kwaliteitsobjectieven, dan wel om tegemoet te komen aan de richtlijn 76/464/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen en aan de afspraken van de Derde en Vierde Noordzeeconferentie. Deze onduidelijkheid in de motivering van de bijzondere voorwaarden inzake zware metalen vormt volgens haar op zich een onwettigheid omdat ze haar niet toelaat de wettigheid van de motieven voor het opleggen van de bijzondere voorwaarden te onderzoeken. Ten slotte werpt de verzoekende partij in het eerste onderdeel op dat de minister zich schuldig maakt aan machtsoverschrijding door bijzondere voorwaarden op te leggen die niet beogen een oplossing te geven aan een bedrijfsspecifieke situatie maar die in feite de sectorale normen verstrengen. Wat het tweede onderdeel betreft, stelt de verzoekende partij dat de minister de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het gelijkheidsbeginsel schendt door middels bijzondere voorwaarden voor de verzoekende partij als het ware de sectorale normen te verstrengen, en in hoofde van de verzoekende partij sectorale normen worden opgelegd, die strenger zijn dan de sectorale normen welke gelden voor de overige bedrijven uit de sector. Voorts voert zij aan dat door voor haar af te wijken van de sectorale voorwaarden op grond van vaststellingen die gel- VII-20.522-15/18 den voor de gehele sector, de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu voormelde bepalingen schendt. 2.4.2. Voor zover het vierde middel is afgeleid uit de schending van artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet, artikel 3.3.0.1. van Vlarem II en bijlage 5.3.2.44.
- a)van Vlarem II en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, verwijst de verwerende partij in haar memorie van antwoord naar de uiteenzetting onder het derde middel. Voorts stelt zij dat de verzoekende partij geen precieze gegevens naar voor brengt waaruit zou kunnen blijken dat alleen aan haar strengere normen worden opgelegd dan aan alle andere bedrijven binnen dezelfde sector. 2.4.3. In haar memorie van wederantwoord verwijst de verzoekende partij, wat het eerste onderdeel betreft, naar de uiteenzetting in het verzoekschrift. Inzake het tweede onderdeel herhaalt zij dat middels de bijzondere voorwaarden in het bestreden besluit als het ware sectorale normen aan haar worden opgelegd die strenger zijn dan de sectorale normen die gelden voor de overige bedrijven uit de sector, zodat volgens haar het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden. 2.4.4. De verzoekende partij voegt in haar laatste memorie geen nieuwe elementen toe. 2.4.5. De verwerende partij voegt in haar laatste memorie evenmin nieuwe elementen toe. 2.4.6. In het eerste onderdeel van het vierde middel roept de verzoekende partij de schending in van artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet, van artikel 3.3.0.1. van Vlarem II, van bijlage 5.3.2.44.
- a)van Vlarem II en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen omdat de in het bestreden besluit opgelegde bijzondere voorwaarden enerzijds afwijken van de algemene en sectorale normen, terwijl zij geen oplossing bieden voor de bedrijfsspecifieke situatie van de verzoekende partij en anderzijds louter als substituut worden gebruikt voor de onaangepaste algemene en sectorale normen. Het eerste onderdeel wordt toegelicht door de verwijzing naar de bijzondere lozingsnorm inzake chloride: deze wordt door het bestreden besluit beperkt tot 0,5 g/l terwijl de sectorale norm van Vlarem II volgens de verzoekende VII-20.522-16/18 partij, toegepast op haar activiteit, zou neerkomen op 4 g/l. Dit onderdeel wordt verder toegelicht door te verwijzen naar de onduidelijkheid in de motivering inzake het beperken van zware metalen. De verzoekende partij kan uit de motivering niet afleiden of het opleggen van de strenge normen inzake zware metalen worden opgelegd om de kwaliteitsobjectieven te bereiken, dan wel om tegemoet te komen aan de richtlijn 76/464/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen, of aan de afspraken van de Derde en Vierde Noordzeeconferentie. Zij is van oordeel dat in voorkomend geval deze normen als algemene of sectorale normen in een reglementair besluit zouden moeten opgenomen zijn en zoekt voor deze stelling steun in de motivering van het arrest nr. 80.643, waarin zulks werd gesteld. Er moet vooreerst worden vastgesteld dat de verzoekende partij in haar milieuvergunningsaanvraag zelf heeft voorgesteld de lozingsnorm voor chloriden te beperken tot 0,38 g/l (380 mg). In het bestreden besluit wordt die norm nog verhoogd tot 0,5 g/l (500 mg). In die omstandigheden kan de verwerende partij bezwaarlijk worden verweten dat zij niet motiveert waarom zij deze van de algemene en sectorale voorwaarden afwijkende bijzondere lozingsnorm oplegt, laat staan dat de verwerende partij deze bijzondere norm louter als substituut voor de onaangepaste algemene en sectorale lozingsnormen zou hanteren. Vervolgens kan betreffende het oorspronkelijke besluit van 21 mei 1997 dat door het arrest nr. 80.643 vernietigd werd, worden gesteld dat het inzake de bijzondere lozingsnormen vrij summier en niet geheel duidelijk gemotiveerd was, terwijl het in casu bestreden besluit ruim gemotiveerd is. Het arrest nr. 80.643 kan dan ook niet als argument worden gehanteerd om de onvolkomenheid van de motivering van de bijzondere normen te staven. In het bestreden besluit wordt conform art. 3.3.0.1 van Vlarem II per opgelegde norm afdoende gemotiveerd waarom deze noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van de mens en het leefmilieu. Het eerste onderdeel van het vierde middel is niet gegrond. In het tweede onderdeel voert de verzoekende partij in essentie de schending van het gelijkheidsbeginsel aan doordat zij ingevolge de opgelegde bijzondere voorwaarden een concurrentieel nadeel ondergaat, vermits andere bedrijven uit de sector niet aan gelijkaardige strenge voorwaarden worden onderworpen. VII-20.522-17/18 De verzoekende partij brengt geen enkele concrete aanduiding aan van het feit dat zij strenger zou worden behandeld dan andere bedrijven uit dezelfde sector, zodat het onmogelijk is de aangevoerde schending te onderzoeken. In de mate dat in het tweede onderdeel ook de schending van het zorgvuldigheids-, redelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel en machtsoverschrijding wordt aangevoerd, moet worden vastgesteld dat het onderdeel op deze punten niet ontwikkeld wordt. Het tweede onderdeel van het vierde middel is niet gegrond. Gelet op wat voorafgaat, is het vierde middel niet gegrond, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-20.522-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.900 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div