id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.906 Rolnummer: A. 89376/VII-20425 Zaak: Arrest 171906 - Milieuvergunningen - 07/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-21 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:46 Fiche Arrest nr 171.906 van 7 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 171.906 van 7 juni 2007 in de zaak A. 89.376/VII-20.
- In zake :
- de n.v. FABRICOM,
- de n.v. WATCO, thans de n.v. SITA BELGIUM, die woonplaats kiezen bij advocaat B. MARTENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 106 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat E. VAN ACKER, kantoor houdende te GENT, Brugsesteenweg
- tussenkomende partij : de gemeente EVERGEM, die woonplaats kiest bij advocaat F. BAERT, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. FABRICOM en de n.v. WATCO, thans de n.v. SITA BELGIUM, op 7 februari 2000 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 3 december 1999 waarbij de beroepen die omwonenden hadden ingesteld tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 29 april 1999, houdende het verlenen van de vergunning aan de n.v. FABRICOM voor het exploiteren van een milieupark, gelegen aan de Hulsdonk te Gent (Desteldonk), gedeeltelijk gegrond worden bevonden en het beroepen besluit wordt gewijzigd; Gelet op het arrest nr. 85.306 van 14 februari 2000 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerleg- ging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-20.425-1/16 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van de gemeente EVERGEM; Gelet op de beschikking van 12 september 2000 die de tussenkomst van de gemeente EVERGEM toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 20 april 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 13 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 april 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. GOOSSENAERTS die, loco advocaat B. MARTENS verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat G. LEYNS die, loco advocaat E. VAN ACKER verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat W. LAMMENS die, loco advocaat F. BAERT verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-20.425-2/16
- De feiten 1.
- Op 5 september 1997 vraagt de eerste verzoekende partij een milieuvergunning aan voor een "geïntegreerde afvalverwerkingsinstallatie", die een hele reeks vergunningsplichtige inrichtingen omvat en gelegen is op verschillende percelen te Gent (Desteldonk), Hulsdonk, kadastraal gekend onder afdeling 13, sectie E, nrs. 51a, 83, 84102, 85, 86d, 86e, 86f, 87, 91d, 91e, 92, 93, 94, 95, 98, 99, 100, 101a, 102a, 103, 104, 105, 106, 107, 108, 109f, 113c, 114d, 114e, 114g, 114h, 114k, 115a, 115b, 116e, 121a, 122a, 128a, 129a, 138c, 139a, 140c, 148a, 149a, 150a, 153c, 154a, 91e, 120a, 117b, 117c, 120c, 109h, 109g, 111b en sectie A, nrs. 245 (deel), 246 (deel) en 247 (deel). De gevraagde vergunning omvat als grote onderdelen, in de omschrijving van het verzoekschrift : "- een kaaimuur met ontladingsinstallatie; - een ontvangst- en sorteerhal; - een groen- en GFT-compostering; - een verwerking van bruin- en witgoed en andere metaal/kunststof reststoffen; - een verwerking van autowrakken; - een thermische grondverwerking (recyclage); - de verbranding van bedrijfsafval en van slibs, een vliegasverwerking; - een afvalwaterzuivering; - een brandhal". 1.
- De locatie waarvoor de vergunning wordt gevraagd is gelegen in industriegebied in de Gentse Kanaalzone, op gronden die door de stad Gent in concessie worden gegeven. 1.
- Volgens het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone, zijn de percelen gelegen in industriegebied, op een afstand van 1.000 meter van woongebied met landelijk karakter, op 700 meter van agrarisch gebied, op 1.000 meter van parkgebied, op 750 meter van natuurgebied en op 50 meter van landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.
- De locatie ligt in de speciale beschermingszone Gent, vastgesteld in toepassing van de wetgeving ter bestrijding van de luchtverontreiniging. 1.
- Tijdens het openbaar onderzoek worden 19 bezwaren ingediend. VII-20.425-3/16 1.
- Na het inwinnen van de nodige adviezen, verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 12 februari 1998 de gevraagde vergunning, mits het naleven van een uitgebreide reeks van vergunningsvoorwaarden. 1.
- Tegen deze beslissing worden respectievelijk op 17, 19, 20, 23, 24 en 26 maart 1998, zowel door particulieren als door plaatselijke verenigingen, 50 administratieve beroepschriften ingediend bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling. 1.
- Deze beroepen worden op 31 juli 1998 gedeeltelijk ingewilligd, met name wordt de vergunning gedeeltelijk geweigerd voor de verbrandingsinstallatie, de GFT- en de groencompostering, de behandeling van vliegas, de thermische behandeling van verontreinigde grond, en de lozing van bedrijfsafvalwater. 1.
- Tegen laatstgenoemde beslissing wordt een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de Raad van State, dat bekend is onder het nummer A. 80.459/VII-17.
- Bij arrest nr. 171.699 van 31 mei 2007 beslist de Raad van State om het besluit van 31 juli 1998 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling te vernietigen. 1.
- Op 11 januari 1999 dient de eerste verzoekende partij opnieuw een vergunningsaanvraag in ter verandering van de eerder vergunde inrichting. Het gaat om de uitbreiding van de inrichting met een afvalverbrandingsinstallatie met een gereduceerde capaciteit, met een installatie om de verontreinigde gronden te reinigen en met een afvalwaterzuiveringsinstallatie. De composteringsinstallatie en de behandeling van vliegas worden niet gevraagd. 1.
- Op 29 april 1999 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning, voor een termijn die samenvalt met de termijn van de basisvergunning en verstrijkt op 12 februari
- 1.
- Tegen deze beslissing worden meerdere administratieve beroepen ingesteld bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, waarvan het eerste beroep dateert van 5 juni
- VII-20.425-4/16 1.
- Op 25 oktober 1999 wordt de beslissingstermijn verlengd met een maand. 1.
- Na gunstige adviezen, wordt op 3 december 1999 het thans bestreden ministerieel besluit genomen waarbij de vergunning wordt verleend voor de thermische grondreiniging, maar de vergunning wordt geweigerd voor de afvalverbrandingsinstallatie en de afvalwaterzuiverings-installatie. Deze weigering wordt als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat ten aanzien van de voormelde gunstige adviezen en inzonderheid van het gunstige advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie met betrekking tot de beoogde verbrandingsoven het volgende kan gesteld worden : - overeenkomstig artikel 4.1.6.2, §1 van titel II van het VLAREM moet voor de verwerking van afvalstoffen de voorkeur gegeven worden aan hergebruik van producten (prioriteit 1) en de recyclage van materialen (prioriteit 2); aan het winnen van energie en het verbranden is voor de verwerking van afvalstoffen duidelijk een lagere prioriteit toegekend; verder schrijft artikel 4.1.6.2, §2 van dezelfde titel II voor dat, om te kunnen voldoen aan de vastgestelde verwerkingshiërarchie, de afvalstromen die een verschillende verwerking kunnen ondergaan gescheiden moeten worden opgevangen of na ophaling mechanisch moeten worden gescheiden; - de niet-gevaarlijke bedrijfsafvalstoffen en het RWZI-slib die in de geplande verbrandingsinstallatie (nominale capaciteit van 120.000 ton bedrijfsafval/jaar samen met 28.000 ton ds/jaar RWZI-slib) zouden worden verbrand, vallen inderdaad buiten het toepassingsgebied van het uitvoerings- plan huishoudelijke afvalstoffen; dit gegeven betekent evenwel niet dat voor deze niet-gevaarlijke bedrijfsafvalstoffen en dit RWZI-slib geen rekening zou moeten gehouden worden met de door titel II van het VLAREM voorgeschreven verwerkingshiërarchie zoals die hoger reeds is geciteerd; - voor bedoelde hoogcalorische bedrijfsafval, zoals bv. tapijtafval, wordt momenteel geëxperimenteerd met recyclagetechnieken (bv. voor o.m. de onderlaag (latexlaag) van tapijten); verder kan worden aangestipt dat de OVAM in zijn advies van 16 juli 1999 opmerkt dat 'overwegende dat geen enkele instantie/organisatie absolute zekerheid kan geven over de toekomstige evolutie van het afvalstoffenaanbod en meer specifiek van het aanbod van RDF', de OVAM adviseert in ditzelfde advies een bijzondere voorwaarde waarmee de verbranding van bedoelde bedrijfsafvalstoffen wordt gekoppeld aan de meeverbranding van RWZI-slib (1 ton ds RWZI- slib voor ca. 4,3 ton RDF-afval); dat nochtans evenmin over het aanbod aan RWZI-slib dat vanuit milieu-oogpunt in aanmerking komt voor verbranding, zekerheid bestaat; dat bijgevolg besloten moet worden dat er op dit ogenblik allesbehalve zekerheid bestaat over de hoeveelheden van bedoelde bedrijfsafvalstoffen en RWZI-slib die uiteindelijk - met naleving van de reeds geciteerde verwerkingshiërarchie - nog in aanmerking kunnen komen voor verbranding; - zoals reeds werd overwogen in het voormelde ministerieel besluit van 31 juli 1998, dient de verbrandingscapaciteit van hoog-calorische afval tot het strikt noodzakelijke beperkt te worden teneinde het recuperatie- en preventiebeleid niet te ondermijnen; vanuit dit beleid is het aangewezen dat er eerst een uitvoeringsplan komt voor de aanwending en verwerking van de diverse stromen hoogcalorisch afval waarin een voldoend onderbouwde VII-20.425-5/16 raming van de gewenste verbrandingscapaciteit voor RDF-afval is gegeven; ditzelfde argument geldt eveneens voor het RWZI-slib waarvoor ook eerst een uitvoeringsplan moet worden opgesteld; - wat luchtverontreiniging betreft moet opgemerkt worden dat de Gentse kanaal zone reeds zwaar is belast; zo is, op basis van de metingen uitgevoerd door de VITO, de in Wachtebeke gemeten dioxine-depositie reeds de hoogste in het Vlaamse gewest; - inzake geluidshinder blijkt uit het reeds geciteerde milieu-effectrapport dat het respecteren van de geluidsnormen ‘s avonds moeilijk is vermits de werkuren doorlopen tot 22 uur; ‘s nachts zullen de geluidsrichtwaarden zeker met 5 dB worden overschreden; daartegenover staat dat overeenkomstig titel titel II van het VLAREM nieuwe inrichtingen moeten voldoen aan de voorschriften van artikel 4.5.3.1 van titel II van het VLAREM; vooral de verspreide bewoning langs de Keurestraat zal door geluidshinder worden getroffen; zoals de Raad van State reeds meermaals stelde (o.a. het arrest nr. 43.702 van 5 juli 1993 in de zaak Wille) moet de vergunning geweigerd worden wanneer de hinder, zelfs met het opleggen van voorwaarden, niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt; - inzake verkeershinder, zal de verkeersintensiteit op de Kennedylaan en op de lokale aanvoerweg gevoelig toenemen; een nader onderzoek naar de draagkracht van het gebied inzake de verkeersdruk is nodig om hierover uitsluitsel te geven; dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de vergunning voor de verbrandingsinstallatie voor niet-gevaarlijke bedrijfsafvalstoffen en RWZI-slib en de hieraan verbonden onderdelen te weigeren; Overwegende dat ten aanzien van de voormelde gunstige adviezen en inzonderheid van het gunstige advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie met betrekking tot de beoogde lozing van bedrijfsafvalwater het volgende kan gesteld worden : - dat met onderhavige aanvraag een lozingsdebiet van 720 m3 /dag wordt aangevraagd, zijnde hetzelfde debiet als hetgeen bij een vorige vergunnings- aanvraag werd gevraagd en geweigerd; dit terwijl onderhavige aanvraag de compostering niet meer omvat, de verbrandingscapaciteit is verminderd en de vliegasbehandeling uit het pakket is gelicht; - de aangevraagde hoeveelheid te lozen bedrijfsafvalwater is bijgevolg niet aangepast aan het voorwerp van onderhavige aanvraag en beroep; daar waar vanuit milieu-oogpunt het afvalwater maximaal moet worden beperkt, ontbreekt hier een ernstige verantwoording van het gevraagde lozingsdebiet; dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de vergunning voor de lozing van bedrijfsafvalwater te weigeren (...)".
- De ontvankelijkheid van het beroep 2.
- De hoedanigheid van de tweede verzoekende partij 2.1.
- De eerste verzoekende partij is de aanvrager aan wie de vergunning gedeeltelijk wordt geweigerd. Zij vormt samen met de tweede verzoekende partij, de n.v. WATCO, thans de n.v. SITA BELGIUM, en de s.a. LURGI een tijdelijke vereniging. VII-20.425-6/16 2.1.
- In het verzoekschrift stellen de verzoekende partijen dat zij gezamenlijk en in de hoedanigheid van een tijdelijke vereniging de exploitant zijn van de geïntegreerde afvalverwerkingsinstallatie. 2.1.
- In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie op met betrekking tot de hoedanigheid van de tweede verzoekende partij en zij wordt in haar standpunt gevolgd door de tussenkomende partij. Zij stelt dat de tweede verzoekende partij niet het vereiste belang heeft bij het beroep tot nietigverklaring, omdat de vergunning enkel werd aangevraagd door de eerste verzoekende partij en niet door de tijdelijke vereniging. Zij voegt hier aan toe dat het belang des te meer in vraag kan worden gesteld, "gezien volgens de redengeving van verzoekende partijen, het contract met AQUAFIN ondertussen niet meer lopende zou zijn". 2.1.
- De deelgenoten van een tijdelijke vereniging kunnen in persoonlijke naam in rechte optreden ter vrijwaring van hun belangen. Uit artikel 2, 2/, en 3/, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet) volgt bovendien dat alleen de exploitant als titularis van de uit het milieuvergunningsdecreet voortspruitende rechten, de titularis is van de vorderingsrechten die ten bate van de geëxploiteerde inrichting kunnen worden uitgeoefend. Te dezen moeten beide verzoekende partijen als de exploitant worden beschouwd van de kwestieuze afvalverwerkingsinstallatie. De exceptie is niet gegrond. Het beroep is dan ook ontvankelijk in hoofde van de eerste en de tweede verzoekende partij.
- De gegrondheid van het beroep 3.
- In het derde middel tot het achtste middel wordt aangevoerd dat de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag van de bestreden beslissing ontbreekt en dat er sprake is van een schending van de artikelen 30, §1, 4/, en 5/, en 52, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 21, §1, van het decreet van 18 mei 1999 van het Vlaams parlement betreffende de openbaarheid van bestuur, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het "algemeen motiveringsbeginsel". VII-20.425-7/16 3.2.
- In het derde middel wordt betoogd dat de bestreden beslissing is gebaseerd op "een volstrekt inadequate en onjuiste motivering, zijnde het vermeend niet-eerbiedigen van de verwerkingshiërarchie", omdat in de milieuvergunningsaanvraag wordt gesteld dat "de verbranding enkel gericht (zal) zijn op de restfractie, met name enkel op deze afvalstoffen die na verdere selectie niet nuttig kunnen worden hergebruikt of gerecycleerd". Verder wordt aangevoerd dat bij de vergunningsaanvraag een studie was gevoegd waarmee de minister bij het nemen van de bestreden beslissing geen rekening heeft gehouden, terwijl deze studie in het advies van OVAM van 15 maart 1999 als "realistisch" wordt beschouwd. Deze studie zou volgens de verzoekende partijen aantonen dat "uitsluitend restfracties (wat overblijft van een afvalstof na de ontmanteling voor hergebruik/recyclage) in de verbrandingsinstallatie met energiewinning worden verwerkt" en "de aanvraag derhalve volledig kadert binnen de voorwaarden van artikel 4.1.6.2, §1 van Titel II van het VLAREM". 3.2.
- De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat "er nog niet voldoende inzicht is op de verwerkingsmogelijkheden van elke deelstroom hoogcalorisch afval" en dat er eerst een uitvoeringsplan moet komen voor de aanwending van dit afval, alsook voor de verwerkingstechnieken voor waterzuiveringsslib om een voldoende schatting te bekomen van de gewenste verbrandingscapaciteit. De verwerende partij wordt hierin gevolgd door de tussenkomende partij. De verwerende partij merkt ook nog op dat "OVAM stelt dat er mogelijks niet voldoende te verbranden materiaal zal zijn" en dat de bestreden beslissing de vergunning voor de verbrandingsinstallatie heeft geweigerd, "om te vermijden dat uit het buitenland materiaal naar Vlaanderen zou ingevoerd worden om hier te verbranden (en zo hier het milieu te vervuilen)". 3.2.
- De verzoekende partijen wijzen er in de memorie van wederantwoord op dat het hier gaat om een geïntegreerd milieupark voor de verwerking van afvalstoffen en dat de verwerende partij dit bij het nemen van de bestreden beslissing heeft onderkend. Zij merken op "dat de verwerkingshiërarchie duidelijk doorheen het gehele project is vertaald, aangezien eerst gedemonteerd wordt om te kunnen hergebruiken (of te recycleren) om vervolgens de restfractie van deze activiteiten te verbranden met terugwinning van energie, wat tevens beschouwd wordt als nuttige toepassing". VII-20.425-8/16 3.2.
- De tussenkomende partij vestigt ten slotte nog de aandacht op het feit dat er nog steeds onzekerheid heerst over "de toekomstige evolutie van het afvalstoffenaanbod, in het bijzonder de R.D.F. (Refuse Derived Fuel), -en (...) het aanbod van RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie)-slib" en dat de minister met de bestreden beslissing "wel degelijk de verwerkingshiërarchie (heeft) gerespecteerd". 3.2.
- Uit het advies van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) van 16 juli 1999 blijkt dat de aanvraag voor de verbranding van RDF-afval niet strijdig is met de verwerkingshiërarchie, dat er nooit absolute zekerheid kan zijn over het toekomstige aanbod van afvalstoffen en dat de raming door de exploitant als voldoende accuraat kan worden beschouwd. De bestreden beslissing stelt daar tegenover dat er wordt geëxperimenteerd met nieuwe recyclagetechnieken en dat er geen zekerheid bestaat over het aanbod van RWZI- slib, dat volgens OVAM in een vaste verhouding, samen met het RDF-afval moet worden verbrand. De vage verwijzing in de bestreden beslissing naar het experimenteren met recyclagetechnieken kan niet als een afdoende weerlegging worden beschouwd van het advies van OVAM. Overigens wordt nergens verduidelijkt in welk stadium de experimenten zich zouden bevinden, over welk aandeel van de betrokken afvalstoffen het gaat, hoe het succes ervan zou kunnen worden ingeschat of over welke termijn het hier gaat. Het derde middel is gegrond in de mate dat het aanvoert dat de bestreden beslissing onvoldoende motiveert waarom het advies van OVAM, dat de aanvraag voor wat betreft het RDF-afval niet strijdig acht met de verwerkingshiërarchie, niet wordt gevolgd. 3.3.
- In het vierde middel stellen de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing niet aangeeft welk aanbod van niet-recupereerbare selectieve hoog-calorische afvalstoffen vereist zou zijn, terwijl zowel de kostprijs voor de verwerking van het slib, als de slibhoeveelheid zelf vaststaat. Voorts wordt aangevoerd dat de minister geen rekening heeft gehouden met artikel 4.2.1.
- van het besluit van 17 december 1997 van de Vlaamse regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (Vlarea), krachtens hetwelk RWZI-slib niet langer kan worden aangewend in de landbouw, en hij evenmin rekening heeft gehouden met de studie inzake de aanvaarding van afvalstoffen, die bij de vergunningsaanvraag was gevoegd en waarbij een inschatting werd gemaakt van de globale hoeveelheid te verwerken bedrijfsafvalstoffen. De verzoekende partijen voeren ook aan dat de bestreden beslissing, door de verwijzing naar de VII-20.425-9/16 vermeende recyclagemogelijkheid van de restfractie van tapijtafval, "volledig voorbijgaat aan het feit dat de tapijtenstroom slechts 1,5% uitmaakt van de totale tonnage te verbranden bedrijfsafvalstoffen". Ten slotte merken zij op dat de minister in de Beleidsnota Leefmilieu 1999-2004 zelf toegeeft dat er "de laatste jaren verschillende afwijkingen nodig (waren) omdat er onvoldoende verbrandingscapaciteit is om het huidig aanbod aan brandbaar restafval te verwerken. (...)". 3.3.
- De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat de beleidsbrief slechts werd uitgebracht, meer dan een maand nadat de bestreden beslissing werd genomen en er met deze beleidsbrief dus geen rekening kon worden gehouden op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing. 3.3.
- De tussenkomende partij voegt hieraan ten slotte toe dat het niet aan de minister behoort om "te stellen welk aanbod van niet-recupereerbare selectieve hoog-calorische afvalstoffen zou vereist zijn", dat er bovendien daaromtrent "geen zekerheid" bestaat en dat het dus "twijfelachtig is of er voldoende aanbod zal zijn". 3.3.
- Voor het antwoord op het vierde middel kan worden verwezen naar de bespreking van het derde middel. Hieraan kan worden toegevoegd dat de verwerende partij de stelling van de verzoekende partijen niet tegenspreekt dat tapijtafval - het enige genoemde voorbeeld van recyclage-experimenten - slechts 1,5% van het totale aanbod uitmaakt. Wat betreft het aanbod van RWZI-slib kan het vage argument dat er "geen zekerheid" bestaat bezwaarlijk de gunstige adviezen weerleggen die aan de bestreden beslissing voorafgingen. Het vierde middel is gegrond in de mate dat het aanvoert dat niet op afdoende wijze wordt gemotiveerd waarom er te grote onzekerheid zou bestaan over het aanbod aan RDF-afval en RWZI-slib. 3.4.
- In het vijfde middel wordt aangevoerd dat het weigeringsmotief van de bestreden beslissing is gesteund op het gegeven dat nog geen uitvoeringsplannen bestaan voor de betrokken afvalstoffen en dat "de minister de aanvraag aldus niet beoordeelt op grond van de concrete elementen en merites van het aanvraagdossier, maar op grond van een eventueel toekomstig en nog ongekend uitvoeringsplan voor de aanwending en verwerking van de diverse stromen VII-20.425-10/16 hoogcalorisch afval, terwijl afvalstoffenplannen niet geredigeerd of geconcipieerd zijn als dwingende voorschriften met een verordenende of bindende kracht". 3.4.
- De verwerende partij stelt dat de bestreden beslissing hieromtrent heeft verwezen naar het ministerieel besluit met betrekking tot de eerste vergunningsaanvraag en dat "de verbrandingscapaciteit van hoogcalorisch afval tot het strikt noodzakelijke dient beperkt te worden teneinde het recuperatie- en preventiebeleid niet te ondermijnen". 3.4.
- De tussenkomende partij voegt hieraan toe dat de verwerende partij correct heeft gehandeld door te dezen de vergunning te weigeren, omdat het "aangewezen is dat er eerst een uitvoeringsplan komt voor de aanwending en verwerking van de diverse stromen hoog-calorisch afval, en van het RZWI-slib (sic)". 3.4.
- De verwerende partij toont niet aan dat er een wetskrachtige bepaling bestaat die inhoudt dat geen milieuvergunningen kunnen worden verleend inzake de verwijdering van de afvalstoffen waarvoor nog geen sectoraal uitvoeringsplan werd vastgesteld. Zoals reeds aangehaald was OVAM - die de sectorale uitvoeringsplannen moet ontwerpen - in haar advies van oordeel dat de aanvraag geen overcapaciteit zou creëren voor het RDF-afval. OVAM sprak zich niet expliciet uit over de verbrandingscapaciteit voor RWZI-slib, maar adviseerde hieromtrent wel gunstig. De bestreden beslissing laat echter geen enkel concreet gegeven kennen dat het advies van OVAM zou tegenspreken. Het vijfde middel is gegrond in de mate dat het aanvoert dat de bestreden beslissing niet concreet aangeeft hoe de gevraagde vergunning tot overcapaciteit dreigt te leiden. 3.5.
- In een zesde middel wordt ingeroepen dat de minister de milieuvergunning heeft geweigerd wegens beweerde luchtverontreiniging op grond van volgende motivering : "wat luchtverontreiniging betreft moet worden opgemerkt dat de Gentse kanaalzone reeds zwaar is belast; zo is op basis van de metingen uitgevoerd door de VITO, de in Wachtebeke gemeten dioxine-depositie reeds de hoogste (...) in het Vlaamse Gewest", maar dat dit weigeringsmotief "dermate algemeen is en volledig in strijd met de feiten, aangezien uit het door (het) Vlaams(e) Gewest conform verklaarde MER (milieueffectenrapport) (...) zoals overgenomen in het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie blijkt VII-20.425-11/16 dat de totale impact van de luchtverontreiniging verwaarloosbaar klein is": "de effecten op de luchtkwaliteit (zullen) minimaal zijn op voorwaarde dat de emissies inderdaad zullen beperkt worden tot deze gegarandeerd door de initiatiefnemer". Vervolgens citeren de verzoekende partijen uitvoerig uit de adviezen van de Vlaamse Milieumaatschappij van 5 maart en 12 juli 1999, waarin wordt geconcludeerd dat "geen significante immissiebijdrage aan de huidige luchtkwaliteit dient verwacht" en betogen zij dat OVAM, specifiek voor dioxines, heeft gesteld dat de uitstoot in de regio "slechts in geringe mate te wijten zou zijn aan de verbranding van afvalstoffen" en dat de bijdrage van de gevraagde installatie "verwaarloosbaar zou zijn". 3.5.
- De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord door te stellen dat "wat de luchtverontreiniging betreft, moet gesteld worden dat de gebiedsgerichte benadering voor verschillende parameters te weinig uitgewerkt is" en dat "het feit dat de toename slechts gering zou zijn wegens strenge voorwaarden en controles, (...) hoe dan ook dus nog een toename zou zijn, daar waar de situatie reeds zeer ernstig is". 3.5.
- De tussenkomende partij stelt dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar metingen die door de VITO werden uitgevoerd en waaruit is gebleken dat "de in Wachtebeke gemeten dioxine-depositie al de hoogste is in het Vlaamse Gewest". Zij stelt ten slotte dat deze motivering "zeker voldoende (is) als beantwoording van het relatief gunstig advies van OVAM". 3.5.
- De motivering van de bestreden beslissing vormt geen afdoende antwoord op het advies van OVAM, omdat op geen enkele wijze concreet wordt uiteengezet waarom de bestaande toestand zodanig ernstig is dat zelfs een niet- significante of verwaarloosbare bijdrage onaanvaardbaar is, of waarom de adviesverlenende besturen de te verwachten bijdrage ten onrechte als niet-significant of verwaarloosbaar hebben bestempeld. Het zesde middel is gegrond. 3.6.
- In een zevende middel leveren de verzoekende partijen kritiek op het weigeringsmotief inzake de verwachte geluidshinder. De verzoekende partijen stellen dat de bestreden beslissing de feiten verdraait en "regelrecht in strijd is met de concrete elementen van de milieuvergunningsaanvraag, waarin duidelijk naar voor wordt gebracht dat alle maatregelen genomen worden om de geluidsnormen na VII-20.425-12/16 te leven", en met de feiten "zoals vastgesteld in het door het Vlaamse Gewest conform verklaard MER (...) en door de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie". De verzoekende partijen voegen hieraan toe dat de geluidshinder niet veroorzaakt wordt door de verbrandingsinstallatie, "maar veeleer door de transportactiviteiten die ook noodzakelijk zijn voor de wel vergunde thermische grondreiniging en de andere recycling-units, zodat de motivering van de minister discriminatoir, tegenstrijdig en bijzonder willekeurig is". 3.6.
- De verwerende partij stelt hieromtrent in haar memorie van antwoord dat de geluidsnormen, zoals reeds aangegeven door het MER, "voor de avondperiode moeilijk kunnen gerespecteerd worden indien er 's avonds gewerkt wordt" en dat "de geluidshinder (...) zelfs met het opleggen van voorwaarden niet tot een aanvaardbaar niveau (zal) kunnen beperkt worden". 3.6.
- De tussenkomende partij voegt hieraan toe dat uit de vergunningsaanvraag niet blijkt "dat er 's nachts geen intern noch extern transport zou plaatsvinden". 3.6.
- In de bestreden beslissing heeft de verwerende partij gesteld dat "de vergunning [moet] geweigerd worden wanneer de hinder, zelfs met het opleggen van voorwaarden, niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt". Nochtans waren het MER en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van oordeel dat de geluidshinder wel degelijk binnen aanvaardbare perken kon worden gehouden. In de bestreden beslissing had dan ook moeten worden gemotiveerd, ofwel waarom de minister - anders dan de genoemde adviesverlenende besturen - van oordeel was dat de hinder niet door bijkomende vergunningsvoorwaarden binnen aanvaardbare perken kon worden gehouden, ofwel waarom de minister meende terzake geen maatregelen te kunnen opleggen. Het zevende middel is gegrond. 3.7.
- In een achtste middel leveren de verzoekende partijen kritiek op het weigeringsmotief betreffende de verkeersproblematiek. Zij stellen hieromtrent dat "de inplanting van de inrichting verkeerstechnisch ideaal is, gelet op de ligging aan het kanaal en nabij de autosnelweg" en dat "eventuele problemen met de invoeging van het verkeer op de Kennedylaan kunnen opgelost worden door het plaatsen van verkeerslichten". VII-20.425-13/16 3.7.
- De verwerende partij antwoordt hierop in de memorie van antwoord door te stellen dat dit weigeringsmotief "niet vaag omschreven (is), doch wel gespecificeerd op de Kennedylaan, zijnde een reeds zeer drukke verkeersader tussen Zelzate en Gent waar heel wat industrie langs ligt". 3.7.
- De tussenkomende partij stelt hieromtrent dat de verkeersintensiteit op de Kennedylaan zal toenemen met 5% en dat dit trouwens blijkt uit het MER. 3.7.
- In het MER werd de bestaande verkeerssituatie onderzocht, alsook de te verwachten toename van het verkeer. De bestreden beslissing beperkt zich er toe te stellen dat de verkeersintensiteit gevoelig zal toenemen, en dat nader onderzoek naar de draagkracht van het gebied nodig is. De bestreden beslissing is onvoldoende concreet gemotiveerd, omdat zij niet aangeeft waarom de aanvraag onvoldoende onderbouwd is om dit aspect te beoordelen, of welke omstandigheden een nader onderzoek noodzakelijk maken dat niet mogelijk zou zijn geweest binnen de gebruikelijke procedure en de verlengde termijn. Het achtste middel is gegrond. 3.8.
- In een twaalfde middel voeren de verzoekende partijen nog aan dat de minister de milieuvergunning voor de lozing van bedrijfsafvalwater weigert, omdat er geen ernstige verantwoording zou bestaan voor het gevraagde lozingsdebiet, terwijl "de aangevraagde hoeveelheid te lozen afvalwater wel degelijk aangepast is aan het voorwerp van de aanvraag" en de minister "het debiet had kunnen aanpassen in een vergunningsvoorwaarde". Bovendien voegen de verzoekende partijen hieraan toe dat de Vlaamse Milieumaatschappij in haar adviezen van 5 maart 1999 en 12 juli 1999 de aangevraagde lozing aanvaardbaar achtte. 3.8.
- De verwerende partij reageert in de memorie van antwoord door te stellen dat de vergunning wordt geweigerd gelet op "de onduidelijkheden" inzake de afvalwaterproductie en dat het niet aan de minister toekomt om het lozingsdebiet aan te passen "op het einde van de procedure nadat (...) de adviezen reeds zijn gegeven". 3.8.
- De tussenkomende partij stelt ten slotte dat "indien de verzoekende partijen, in het bijzonder Fabricom, van oordeel waren dat mits een VII-20.425-14/16 kleiner debiet de vergunningsaanvraag meer kans maakte om ingewilligd te worden, (zij dat) dan hadden (...) moeten voorstellen". 3.8.
- Bij de vorige vergunningsaanvraag was de lozing van afvalwater langs de zuiveringsinstallatie geraamd op 499,3 m³ per dag, waarvan zij de samenstelling heeft opgegeven. Zij voorzag een debiet van 30 m³ voor de compostering. Er werd een totaal debiet van 720 m³ per dag gevraagd, om de schommelingen in het af te voeren regenwater op te vangen. De raming van de lozingsonderdelen bij de huidige aanvraag werd aangepast. De compostering werd niet meer aangevraagd. Er werd echter opnieuw een totaal debiet van 720 m³ per dag gevraagd. Beide aanvragen bevatten een duidelijke gedetailleerde raming van de verwachte afvalwaterstromen. De verwerende partij kon dan ook op basis van de door de verzoekende partijen aangebrachte gegevens in alle redelijkheid het te vergunnen debiet verminderen met de 30 m³ voorzien voor de compostering. Nochtans heeft zij de vergunning op dat vlak geweigerd wegens het niet aangepast zijn van de aangevraagde hoeveelheid bedrijfsafvalwater aan het voorwerp van de in het geding zijnde aanvraag, zonder na te gaan of het lozingsdebiet kon worden aangepast, in functie van de bedrijfsactiviteiten die niet werden aangevraagd (compostring) of werden vergund (gedeelte van de verbrandingsactiviteit en de vliegasbehandeling), terwijl het te dezen zeer eenvoudig was om na te gaan of en met hoeveel het lozingsdebiet kon worden aangepast en de lozing van afvalwater bovendien niet de essentie zelf was van de aanvraag maar een accessorium van de vergunde productieactiviteiten. Het twaalfde middel is gegrond, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 3 december 1999 waarbij de beroepen die omwonenden hadden ingesteld tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 29 april 1999, houdende het verlenen van de vergunning aan de n.v. FABRICOM voor het exploiteren van een milieupark, VII-20.425-15/16 gelegen aan de Hulsdonk te Gent (Desteldonk), gedeeltelijk gegrond worden bevonden en het beroepen besluit wordt gewijzigd. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-20.425-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.906 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.85.306 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div