← België

Arrest 171958 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 07/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.958 Rolnummer: Zaak: Arrest 171958 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 07/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-14 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 06:46 Fiche Arrest nr 171.958 van 7 juni 2007 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 171.958 van 7 juni 2007 in de zaken A. 180.690/XII-5002 (I) A. 180.691/XII-5001 (II). In zake :

  1. Anne ENGEL (I),
  2. Candice BRAEKERS (I),
  3. Marianne DE MOFFARTS (I),
  4. Sébastien VERSTREPEN (I),
  5. Violaine SAUSSEZ (I),
  6. Nathalie OP DE BEECK (I),
  7. de VZW COMITÉ SCOLAIRE SAINTE TRINITÉ (II), die woonplaats kiezen bij advocaat F. Gosselin, kantoor houdende te Louvain-La-Neuve, rue de Clairvaux 40/202 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP (I + II), die woonplaats kiest bij advocaat S. Butenaerts, kantoor houdende te 1080 Brussel, Leopold II-laan
  8. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Anne Engel, Candice Braekers, Marianne de Moffarts, Sébastien Verstrepen, Violaine Saussez en Nathalie Op De Beeck op 30 januari 2007 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “een beslissing genomen door de Vlaamse Overheid op 1 december 2006 waarbij deze laatste de definitieve benoeming van [verzoekende partijen] weigert” (zaak A.180.690/XII-5002); Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partijen de vernietiging vorderen van dezelfde beslissing; Gezien het verzoekschrift dat de vzw Comité Scolaire Saint-Trinité op 30 januari 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “een beslissing genomen door de Vlaamse Overheid op 1 december 2006 waarbij deze laatste de definitieve benoeming van [de zes XII-5002-1\9 verzoekende partijen in de eerste zaak], die door beroepster werd gevraagd, weigert” (zaak A.180.691/XII-5001); Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota’s van de verwerende partij; Gezien het verslag in de zaak A.180.690/XII-5002 opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gezien het verslag in de zaak A.180.691/XII-5001 opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gelet op de beschikkingen van 3 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren in de beide zaken; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Lefevre, die loco advocaat F. Gosselin verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat S. Butenaerts, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De gegevens van de zaak 1.
  9. Verzoeksters A. Engel, C. Braekers, M. de Moffarts, S. Verstrepen, V. Saussez en N. Op de Beeck zijn tewerkgesteld als tijdelijk -eerste XII-5002-2\9 verzoekster ook sedert 1 januari 2001 als deels vast benoemd- personeelslid in de Franstalige gesubsidieerde vrije basisschool te Wezembeek-Oppem waarvan zevende verzoekster, de vzw Comité Scolaire Saint-Trinité, het bevoegd gezag is. 1.
  10. Op 1 december 2006 schrijft verwerende partij aan zevende verzoekster een brief betreffende “Vaste benoeming van mevrouw Engel Anne voor 16/24 in het ambt van onderwijzer met ingang van 1 januari 2006”. In die brief deelt zij mee “dat aan de vaste benoemingen van [eerste verzoekster] geen uitvoering kan worden gegeven” omdat dit personeelslid niet voldoet aan artikel 27 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken en, “zodoende”, de vaste benoeming strijdig is met de bepalingen van artikel 19, § 1, 2/, en artikel 31, § 1, eerste lid, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs “en heeft zij geen uitwerking ten aanzien van het departement Onderwijs”. Ook op 1 december 2006 vertrekken vijf in dezelfde bewoordingen gestelde brieven naar zevende verzoekster, respectievelijk betreffende de vaste benoeming in het ambt van onderwijzer, van leermeester lichamelijke opvoeding, van leermeester katholieke godsdienst, van kinderverzorger of van kleuteronderwijzer met ingang van 1 januari 2006 “van mevrouw Braekers Candice voor 8/24”, “van mevrouw de Moffarts Marianne voor 1/24”, “van de heer Verstrepen Sébastien voor 14/24”, “van mevrouw Saussez Violaine voor 12/24”, “van mevrouw Op de Beeck Nathalie voor 12/32”. De procedure
  11. In de beide zaken wordt dezelfde beslissing aangevochten. Het is aangewezen om er, wat de schorsingsprocedure betreft, in een enkel arrest uitspraak over te doen. De ontvankelijkheid van de beroepen 3.
  12. Verwerende partij werpt op dat de situatie waarin eerste tot zesde verzoekende partijen zich bevinden onderling verschillend is zodat de beslissingen zowel door tweede tot zesde verzoekende partijen als door zevende verzoekster bij afzonderlijk verzoekschrift hadden moeten worden aangevochten. De beide XII-5002-3\9 vorderingen zijn volgens haar enkel ontvankelijk voor zover ze betrekking hebben op A. Engel. Voorts werpt zij op dat zevende verzoekster de vereiste hoedanigheid mist. 3.
  13. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties is alleen nodig indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vorderingen tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. De schorsingsvoorwaarden
  14. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde 5.
  15. Eerste tot zesde verzoeker en verzoeksters zetten met betrekking tot het gevreesde nadeel uiteen dat de bestreden akte “er [...] voor [zorgt] dat zij, zonder geldige reden, geen aanspraak kunnen maken op een vaste benoeming en dus op een vastheid van betrekking en een evolutie van een normale loopbaan”, dat deze situatie hen verplicht “om te overwegen hun job op te geven”, dat zij “daarenboven [...] het risico lopen om hun werk definitief te verliezen” omdat de bestreden akte de inrichtende macht er toe kan brengen “om de contracten van de tijdelijke onderwijzers, die geen bewijs hebben geleverd van hun taalkennis, niet te vernieuwen en de verzoekende partijen te ontslaan”. Deze verzoekende partijen betogen dat zij “gedoemd zijn” hun werk te verliezen : “Gelet op de weigering van een vaste benoeming door de Vlaamse Overheid, zal de inrichtende macht dan ook vroeg of laat verplicht zijn een einde te stellen aan haar overeenkomst met de beroepsters en dus een nieuwe tijdelijke aanstelling weigeren hetgeen een ernstig nadeel uitmaakt”. XII-5002-4\9 Zij argumenteren nog een precaire loopbaan te ondergaan die op elk moment kan worden beëindigd daar waar zij in geval van vaste benoeming over een vastheid van betrekking zouden beschikken. 5.
  16. Zevende verzoekster doet gelden dat de bestreden akte voor haar tot gevolg heeft “dat zij, in haar hoedanigheid van inrichtende macht, niet meer in staat is om haar verplichtingen zoals voorgeschreven door het decreet van 27 maart 1991 aangaande de openstelling van vacante plaatsen, te voldoen” : “Immers de vaste aanwervingen waartoe werd beslist dienen [...] volgens de VzW niet worden teruggetrokken en moeten deze plaatsen niet meer open worden verklaard, terwijl deze aanwerving niet zijn uitgevoerd door tegenpartij”. De bestreden akte heeft volgens deze verzoekster dan tot gevolg dat zij haar verplichtingen voorgeschreven door “de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten” niet meer kan vervullen “nu er op 1 september 2006 geen aanwervingsovereenkomst werd ondertekend met de voornoemde zes onderwijzers, waarvan de vaste benoeming niet werd uitgevoerd, zodat zij zich in een juridisch vacuüm bevinden ten aanzien van beroepster zonder dat haar hiervoor enige fout kan worden verweten”. Bovendien zorgt de bestreden beslissing er volgens zevende verzoekster voor dat zij verhinderd wordt leden van haar personeel vast te benoemen zodat zij risico loopt dat haar personeelsleden haar instelling gaan verlaten om te gaan werken bij andere inrichtende machten die in de mogelijkheid zijn aan hun personeelsleden een vastheid van betrekking en een definitieve job aan te bieden. Op termijn heeft dit tot gevolg dat verzoekster “zich zonder onderwijzers zal bevinden, minstens voor wat betreft de litigieuze functies”, wat haar werking onmogelijk zal maken. Daarenboven, zo betoogt zevende verzoekster, zal zij de overeen- komsten van bepaalde duur met de andere zes verzoeksters niet wettig kunnen verlengen overeenkomstig de interpretatie die verwerende partij in de bestreden akte geeft van de toepasselijke wetgeving. Zij zal verplicht zijn “om de contracten van de tijdelijke onderwijzers die geen bewijs hebben geleverd van hun taalkennis, niet te vernieuwen en de zes onderwijzers te ontslaan”: dit ontslag zal zeker voor de betrokkenen een risico op een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel uitmaken, waarop ook zij zich kan baseren in haar hoedanigheid van werkgever. XII-5002-5\9 5.
  17. Volgens de zeven verzoeksters wordt de ernst en de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel nog mede bepaald door de aard van de onwettigheid waarvan zij het slachtoffer zijn omdat het nadeel des te moeilijker te verdragen is wanneer deze beslissing op het eerste gezicht om generlei wijze in rechte kan worden gerechtvaardigd.
  18. De verzoekende partijen beweren een beslissing van de Vlaamse Gemeenschap aan te vechten -prima facie : zes beslissingen- die de benoeming van zes leerkrachten “weigert”. Zij geven echter, ook in hun uiteenzetting van het gevreesde moeilijk te herstellen ernstig nadeel, een verkeerd beeld van de bestreden beslissingen door ze op te vatten als een beslissing die de vaste benoeming hetzij ongedaan maakt, hetzij ten minste zevende verzoekster er toe moet brengen om ze ongedaan te maken. Aldus verwarren verzoeksters de begrippen “vaste benoeming” en “erkenning van de vaste benoeming” in de zin van “uitwerking van de vaste benoeming ten aanzien van de subsidiërende overheid”. Wat verwerende partij in werkelijkheid heeft beslist is dat een vaste benoeming “geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid”, beslissing die begrepen moet worden in het licht van artikel 31, § 8, van het rechtspositiedecreet van 27 maart 1991, blijkens welke bepaling een vaste benoeming meegedeeld moet worden aan het departement onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap “opdat zij [zou] uitwerking hebben ten aanzien van de overheid”. Met de bestreden beslissing heeft verwerende partij dan ook niet enige vaste benoeming ongedaan gemaakt, maar enkel geweigerd om die benoemingen te “erkennen”, dat wil zeggen er wat haar betreft de uitwerking van te ondergaan. Dit alles in de veronderstelling dat er inderdaad tot vaste benoeming is overgegaan. Noch de verzoekende partijen, noch de verwerende partij zijn er immers toe gekomen in hun dossier enig stuk naar voor te brengen dat blijk geeft van een beslissing daaromtrent door het bevoegd gezag, zijnde de zevende verzoekende partij. Zelfs een afschrift van de mededeling van de vaste benoeming aan de subsidiërende overheid ontbreekt in het dossier. Aangezien de bestreden beslissingen zonder een dergelijke mededeling niet zouden zijn getroffen, wil de Raad wel aannemen dat minstens aan verwerende partij iets omtrent een vaste benoeming moet zijn meegedeeld. XII-5002-6\9 De Raad neemt ten bate van het debat daarenboven aan dat het schoolbestuur niet enkel vaste benoemingen aan verwerende partij heeft meegedeeld, maar ook dat zij vaste benoeming aan de eerste zes verzoeksters heeft verleend -heeft zij dat niet gedaan dan hebben de bestreden beslissingen immers geen voorwerp, want van een vaste benoeming die in rechte niet bestaat moet de subsidiërende overheid al helemaal niet de uitwerking ondergaan, en in dat geval is de vordering tot schorsing van die weigering nutteloos. Het nadeel dat verzoeksters vrezen te ondergaan is in het licht van wat hiervoor werd uiteengezet veeleer voorbarig en hypothetisch. De eerste zes verzoeksters en verzoeker zijn alleszins niet door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit “gedoemd” om hun werk te verliezen in afwachting van de afloop van de procedure ten gronde. Zoals de Raad van State onder meer heeft gewezen in zijn arrest nr. 93.104, Missorten, van 6 februari 2001 van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, is de rechtsverhouding tussen de verzoeker/verzoeksters-personeelsleden en verzoekster-schoolbestuur van contractuele aard en behoren geschillen met betrekking tot hun contractuele rechtsverhouding tot de uitsluitende bevoegdheid van de gewone rechter. De Raad van State is dan ook niet bevoegd om zich uit te spreken over de rechtsverhouding die bestaat tussen de verzoekende partijen. Hij kan evenwel niet voorbij de hiervoor ten behoeve van de zaak noodzakelijk gemaakte feitelijke vaststelling dat een overeenkomst moet zijn tot stand gekomen -al is een afschrift ervan niet overgelegd- waarin het schoolbestuur aan haar leerkrachten de vaste benoeming verleent en, anderdeels, dat nergens zelfs maar door zevende verzoekster wordt beweerd dat die overeenkomst is opgezegd of verbroken. Zevende verzoekster verzaakt integendeel niet aan haar recht om ook tegen de beslissing van de subsidiërende overheid op te komen, door het instellen van de tweede voorliggende vordering, en stelt integendeel in die vordering dat “de vaste aanwervingen waartoe werd beslist [...] volgens de VzW niet [dienen te] worden teruggetrokken en dus moeten deze plaatsen niet meer open worden verklaard”. De Raad kan gezien die feitelijke gegevens geen rekening houden, als nadeel, met de eventualiteit van een nieuwe vacantverklaring, laat staan daaropvolgende vaste benoeming van derden in de betrekkingen die thans door eerste tot zesde verzoeksters en verzoeker worden bekleed. Mocht door het schoolbestuur alsnog een beslissing worden genomen die XII-5002-7\9 een weerslag heeft op de uitvoering van de noodzakelijk bij veronderstelling bestaande overeenkomst, kan die desgewenst door de eerste zes verzoekende partijen overigens voor de bevoegde rechter tot voorwerp van een ander rechtsgeding worden gemaakt. De Raad handhaaft met andere woorden ook voor de voorliggende zaak de zienswijze die hij over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel reeds in menig andere zaak heeft uiteengezet, zoals bij voorbeeld in de arresten nr. 54.498, Soetens, van 12 juli 1995, nr. 56.492, De Wit, van 29 november 1995, nr. 91.185, Muylaert, van 29 november
  19. Als verzoekende partijen daarentegen zelf “overwegen hun job op te geven”, is dit een beslissing overeenkomstig hun eigen keuze die niet het gevolg is van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en waarvan de Raad overigens niet onmiddellijk duidelijk ziet -vrije keuze zijnde- hoe zij een nadeel kan onderbouwen. Aangenomen mag immers worden, zoals zevende verzoekster betoogt, dat zij die job maar effectief zullen opgeven omdat zij in andere scholen met minder problemen een vaste benoeming kunnen nastreven. Zevende verzoekster laat na haar vrees voor een leegloop “op termijn” ook maar enigszins concreet te maken, bij voorbeeld door het verwezenlijken van dit risico aan te tonen aan de hand van het totaal aantal leerkrachten, het aantal vast benoemde leerkrachten waarvan de vaste benoeming wel uitwerking heeft ten aanzien van de subsidiërende overheid, het aantal tijdelijke leerkrachten die wel en zij die niet in een vergelijkbare situatie verkeren als eerste zes verzoekende partijen. Door niet het minste feitelijk en concrete gegeven te verstrekken maar slechts een onbewezen vrees te opperen, kan de Raad er door zevende verzoekster niet van worden overtuigd dat de weigering van verwerende partij om de vaste benoeming van zes leerkrachten -voor soms maar enkele uren- uitwerking te laten hebben ten aanzien van de subsidiërende overheid een reëel risico inhoudt van de stopzetting van verzoeksters activiteiten, nog vooraleer over de zaak ten gronde uitspraak kan worden gedaan. Uit wat voorafgaat blijkt dat de besproken uiteenzettingen van verzoeksters nopens het door hen gevreesde nadeel, uitgaan van een verkeerd uitgangspunt en geen ernstig en moeilijk te herstellen nadeel onderbouwen. Dienvolgens moet niet de weerslag worden onderzocht op dit nadeel van de aard van de aangevoerde onwettigheden -daargelaten dat verzoeksters in hun uiteenzetting XII-5002-8\9 van het nadeel ook geen bijzonderheden bijbrengen om het speciaal grievend karakter ervan aan te tonen.
  20. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  21. De zaken A. 180.690/XII-5002 en A. 180.691/XII-5001 worden, wat de schorsingsprocedure betreft, samengevoegd. Artikel
  22. De vorderingen tot schorsing worden verworpen. Artikel
  23. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vorderingen tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5002-9\9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.958 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.