id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.959 Rolnummer: Zaak: Arrest 171959 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 07/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-14 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:46 Fiche Arrest nr 171.959 van 7 juni 2007 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 171.959 van 7 juni 2007 in de zaken A. 180.688/XII-5003 (I) A. 180.689/XII-5004 (II). In zake :
- Virginie HATERT (I),
- Frédérique CAULLET (I),
- de VZW COMITÉ SCOLAIRE ESPINETTE CENTRALE (II), die woonplaats kiezen bij advocaat F. Gosselin, kantoor houdende te Louvain-La-Neuve, rue de Clairvaux 40/202 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP (I + II), die woonplaats kiest bij advocaat S. Butenaerts, kantoor houdende te 1080 Brussel, Leopold II-laan
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Virginie Hatert en Frédérique Caullet op 30 januari 2007 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “een beslissing genomen door de Vlaamse Overheid op 30 november 2006 waarbij deze laatste de definitieve benoeming van de twee verzoekende partijen weigert” (zaak A.180.688/XII-5003); Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partijen de vernietiging vorderen van dezelfde beslissing; Gezien het verzoekschrift dat de vzw Comité Scolaire Espinette Centrale op 30 januari 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “een beslissing genomen door de Vlaamse Overheid op 30 november 2006 waarbij deze laatste de definitieve benoeming van de dames Hatert en Caullet, die door beroepster werd gevraagd, weigert” (zaak A.180.689/XII-5004); XII-5003-1\9 Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota’s van de verwerende partij; Gezien het verslag in de zaak A.180.688/XII-5003 opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gezien het verslag in de zaak A.180.689/XII-5004 opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gelet op de beschikkingen van 3 mei 2007 en van 15 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren in de beide zaken; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Lefevre, die loco advocaat F. Gosselin verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat S. Butenaerts, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoeksters V. Hatert en F. Caullet zijn tewerkgesteld als personeelslid in de Franstalige gesubsidieerde vrije basisschool te Sint-Genesius- Rode waarvan derde verzoekster, de vzw Comité Scolaire Espinette Centrale, het bevoegd gezag is. XII-5003-2\9 Op 25 april 2005 deelt het schoolbestuur de vacantverklaarde betrekkingen voor vaste benoeming in een wervingsambt mee. Refererend aan de vacantverklaring, stellen eerste en tweede verzoekster zich op 20 mei resp. 23 mei 2005 kandidaat voor vaste benoeming. 1.
- Op 17 februari 2006 ondertekenen V. Hatert en het schoolbestuur een overeenkomst van vaste benoeming in een wervingsambt. Blijkens artikel 1 van de overeenkomst verleent het schoolbestuur aan eerste verzoekster de vaste benoeming vanaf 1 januari 2006 in het ambt van onderwijzer voor een volume 24/
- Met een door beide partijen eveneens op dezelfde datum ondertekend formulier PERS14 wordt mededeling van de vaste benoeming gedaan aan het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
- Ook op 17 februari 2006 ondertekenen F. Caullet en het schoolbestuur twee overeenkomsten van vaste benoeming in een wervingsambt. Blijkens artikel 1 van de ene overeenkomst verleent het schoolbestuur aan tweede verzoekster de vaste benoeming vanaf 1 januari 2006 in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding voor een volume 14/24 in het kleuteronderwijs. Blijkens artikel 1 van de andere overeenkomst verleent het schoolbestuur aan tweede verzoekster de vaste benoeming vanaf 1 januari 2006 in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding voor een volume 2/24 in het lager onderwijs. Met een door beide partijen nog steeds op dezelfde datum ondertekend formulier PERS14 wordt mededeling van de vaste benoeming voor 16/24 gedaan aan het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
- Met een brief van 30 november 2006 deelt verwerende partij aan derde verzoekster mee “dat aan de vaste benoemingen van [eerste en tweede verzoekster] geen uitvoering kan worden gegeven” omdat deze personeelsleden niet voldoen aan artikel 27 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken en, “zodoende”, de vaste benoemingen strijdig zijn met de bepalingen van artikel 19, § 1, 2/, en artikel 31, § 1, eerste lid, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs XII-5003-3\9 “en hebben zij geen uitwerking ten aanzien van het ministerie van Onderwijs en Vorming”. De procedure
- In de beide zaken wordt dezelfde beslissing aangevochten. Het is aangewezen om er, wat de schorsingsprocedure betreft, in een enkel arrest uitspraak over te doen. De ontvankelijkheid van de beroepen 3.
- Verwerende partij werpt op dat de situatie waarin eerste en tweede verzoeksters zich bevinden onderling verschillend is zodat de twee beslissingen zowel door tweede verzoekster als door derde verzoekster bij afzonderlijk verzoekschrift hadden moeten worden aangevochten. De beide vorderingen zijn volgens haar onontvankelijk voor zover ze betrekking hebben op F. Caullet. Voorts werpt zij op dat derde verzoekster de vereiste hoedanigheid mist. 3.
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties is alleen nodig indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vorderingen tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. XII-5003-4\9 Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde 5.
- Eerste en tweede verzoekster zetten met betrekking tot het gevreesde nadeel uiteen dat de bestreden akte “er [...] voor [zorgt] dat zij, zonder geldige reden, geen aanspraak kunnen maken op een vaste benoeming en dus op een vastheid van betrekking en een evolutie van een normale loopbaan”, dat deze situatie hen verplicht “om te overwegen hun job op te geven”, dat zij “daarenboven [...] het risico lopen om hun werk definitief te verliezen” omdat de bestreden akte de inrichtende macht er toe kan brengen “om de contracten van de tijdelijke onderwijzers, die geen bewijs hebben geleverd van hun taalkennis, niet te vernieuwen en beroepsters te ontslaan”. Deze verzoeksters betogen dat zij “gedoemd zijn” hun werk te verliezen : “Gelet op de weigering van een vaste benoeming door de Vlaamse Overheid, zal de inrichtende macht dan ook vroeg of laat verplicht zijn een einde te stellen aan haar overeenkomst met de twee beroepsters en dus een nieuwe tijdelijke aanstelling weigeren hetgeen een ernstig nadeel uitmaakt”. Zij argumenteren nog een precaire loopbaan te ondergaan die op elk moment kan worden beëindigd daar waar zij in geval van vaste benoeming over een vastheid van betrekking zouden beschikken. 5.
- Derde verzoekster doet gelden dat de bestreden akte voor haar tot gevolg heeft “dat zij, in haar hoedanigheid van inrichtende macht, niet meer in staat is om haar verplichtingen zoals voorgeschreven door het decreet van 27 maart 1991 aangaande de openstelling van vacante plaatsen, te voldoen” : “Immers de vaste aanwervingen waartoe werd beslist dienen volgens de VzW niet worden teruggetrokken en dus moeten deze plaatsen niet meer open worden verklaard, terwijl deze aanwervingen niet zijn uitgevoerd door tegenpartij”. De bestreden akte heeft volgens derde verzoekster dan tot gevolg dat zij haar verplichtingen voorgeschreven door “de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten” niet meer kan vervullen “nu er op 1 september 2006 geen aanwervingsovereenkomst werd ondertekend met de dames Hatert en Caullert, waarvan de vaste benoeming niet werd uitgevoerd, zodat zij zich in een juridisch vacuüm bevinden ten aanzien van beroepster zonder dat haar hiervoor enige fout kan worden verweten”. Bovendien zorgt de bestreden beslissing er volgens derde verzoekster voor dat zij verhinderd wordt leden van haar personeel vast te benoemen XII-5003-5\9 zodat zij risico loopt dat haar personeelsleden haar instelling gaan verlaten om te gaan werken bij andere inrichtende machten die in de mogelijkheid zijn aan hun personeelsleden een vastheid van betrekking en een definitieve job aan te bieden. Op termijn heeft dit tot gevolg dat verzoekster “zich zonder onderwijzers zal bevinden, minstens voor wat betreft de litigieuze functies”, wat haar werking onmogelijk zal maken. Daarenboven, zo betoogt derde verzoekster, zal zij de overeen- komsten van bepaalde duur met eerste twee verzoeksters niet wettig kunnen verlengen overeenkomstig de interpretatie die verwerende partij in de bestreden akte geeft van de toepasselijke wetgeving. Zij zal verplicht zijn “om de contracten van de tijdelijke onderwijzers die geen bewijs hebben geleverd van hun taalkennis, niet te vernieuwen en de Dames Hatert en Caullet te ontslaan”: dit ontslag zal zeker voor de twee betrokken onderwijzeressen een risico op een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel uitmaken, waarop ook zij zich kan baseren in haar hoedanigheid van werkgever. 5.
- Volgens de drie verzoeksters wordt de ernst en de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel nog mede bepaald door de aard van de onwettigheid waarvan zij het slachtoffer zijn omdat het nadeel des te moeilijker te verdragen is wanneer deze beslissing op het eerste gezicht om generlei wijze in rechte kan worden gerechtvaardigd.
- De verzoekende partijen beweren een beslissing van de Vlaamse Gemeenschap aan te vechten die de benoeming van V. Hatert en F. Caullet “weigert”. Zij geven echter, ook in hun uiteenzetting van het gevreesde moeilijk te herstellen ernstig nadeel, een verkeerd beeld van de bestreden beslissing door ze op te vatten als een beslissing die de vaste benoeming hetzij ongedaan maakt, hetzij ten minste derde verzoekster er toe moet brengen om ze ongedaan te maken. Aldus verwarren verzoeksters de begrippen “vaste benoeming” en “erkenning van de vaste benoeming” in de zin van “uitwerking van de vaste benoeming ten aanzien van de subsidiërende overheid”. Wat verwerende partij in werkelijkheid heeft beslist is dat de vaste benoeming “geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid”, beslissing die begrepen moet worden in het licht van artikel 31, § 8, van het rechtspositiedecreet van 27 maart 1991, blijkens welke bepaling een vaste benoeming meegedeeld moet XII-5003-6\9 worden aan het departement onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap “opdat zij [zou] uitwerking hebben ten aanzien van de overheid”. Met de bestreden beslissing heeft verwerende partij dan ook niet de vaste benoemingen ongedaan gemaakt, maar enkel geweigerd om die benoemingen te “erkennen”, dat wil zeggen er wat haar betreft de uitwerking van te ondergaan. Het nadeel dat verzoeksters vrezen te ondergaan is in dat licht veeleer voorbarig en hypothetisch. Eerste en tweede verzoekster zijn alleszins niet door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit “gedoemd” om hun werk te verliezen in afwachting van de afloop van de procedure ten gronde. Zoals de Raad van State onder meer heeft gewezen in zijn arrest nr. 93.104, Missorten, van 6 februari 2001 van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, is de rechtsverhouding tussen de verzoeksters-personeelsleden en verzoekster-schoolbestuur van contractuele aard en behoren geschillen met betrekking tot hun contractuele rechtsverhouding tot de uitsluitende bevoegdheid van de gewone rechter. De Raad van State is dan ook niet bevoegd om zich uit te spreken over de rechtsverhouding die bestaat tussen de verzoekende partijen. Hij kan evenwel niet voorbij de feitelijke vaststellingen, eensdeels, dat bij de inleidende akte van eerste en tweede verzoekster de in het feitenrelaas vernoemde overeenkomsten zijn overgelegd waarin het schoolbestuur de vaste benoeming verleent zonder termijn of voorwaarde en, anderdeels, dat nergens zelfs maar door derde verzoekster wordt beweerd dat die overeenkomsten zijn opgezegd of verbroken. Derde verzoekster verzaakt integendeel niet aan haar recht om ook tegen de beslissing van de subsidiërende overheid op te komen, door het instellen van de tweede voorliggende vordering, en stelt integendeel in die vordering dat “de vaste aanwervingen waartoe werd beslist [...] volgens de VzW niet [dienen te] worden teruggetrokken en dus moeten deze plaatsen niet meer open worden verklaard”. De Raad kan gezien die feitelijke gegevens geen rekening houden, als nadeel, met de eventualiteit van een nieuwe vacantverklaring, laat staan daaropvolgende vaste benoeming van derden in de betrekkingen die thans door eerste en tweede verzoekster worden bekleed. Mocht door het schoolbestuur alsnog een beslissing worden genomen die een weerslag heeft op de uitvoering van de overeenkomst, kan die desgewenst door eerste en tweede verzoeksters overigens voor de bevoegde rechter tot voorwerp van een ander rechtsgeding worden gemaakt. XII-5003-7\9 De Raad handhaaft met andere woorden ook voor de voorliggende zaak de zienswijze die hij over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel reeds in menig andere zaak heeft uiteengezet, zoals bij voorbeeld in de arresten nr. 54.498, Soetens, van 12 juli 1995, nr. 56.492, De Wit, van 29 november 1995, nr. 91.185, Muylaert, van 29 november
- Als verzoeksters daarentegen zelf “overwegen hun job op te geven”, is dit een beslissing overeenkomstig hun eigen keuze die niet het gevolg is van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en waarvan de Raad overigens niet onmiddellijk duidelijk ziet -vrije keuze zijnde- hoe zij een nadeel kan onderbouwen. Aangenomen mag immers worden, zoals derde verzoekster betoogt, dat zij die job maar effectief zullen opgeven omdat zij in andere scholen met minder problemen een vaste benoeming kunnen nastreven. Derde verzoekster laat na haar vrees voor een leegloop “op termijn” ook maar enigszins concreet te maken, bij voorbeeld door het verwezenlijken van dit risico aan te tonen aan de hand van het totaal aantal leerkrachten, het aantal vast benoemde leerkrachten waarvan de vaste benoeming wel uitwerking heeft ten aanzien van de subsidiërende overheid, het aantal tijdelijke leerkrachten die wel en zij die niet in een vergelijkbare situatie verkeren als eerste twee verzoeksters. Door niet het minste feitelijk en concrete gegeven te verstrekken maar slechts een onbewezen vrees te opperen, kan de Raad er door derde verzoekster niet van worden overtuigd dat de weigering van verwerende partij om de vaste benoeming van twee leerkrachten uitwerking te laten hebben ten aanzien van de subsidiërende overheid een reëel risico inhoudt van de stopzetting van verzoeksters activiteiten, nog vooraleer over de zaak ten gronde uitspraak kan worden gedaan. Uit wat voorafgaat blijkt dat de besproken uiteenzettingen van verzoeksters nopens het door hen gevreesde nadeel, uitgaan van een verkeerd uitgangspunt en geen ernstig en moeilijk te herstellen nadeel onderbouwen. Dienvolgens moet niet de weerslag worden onderzocht op dit nadeel van de aard van de aangevoerde onwettigheden -daargelaten ook dat verzoeksters in hun uiteenzetting van het nadeel geen bijzonderheden bijbrengen om het speciaal grievend karakter ervan aan te tonen. XII-5003-8\9
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken A. 180.688/XII-5003 en A. 180.689/XII-5004 worden, wat de schorsingsprocedure betreft, samengevoegd. Artikel
- De vorderingen tot schorsing worden verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vorderingen tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5003-9\9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.959 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.