← België

Arrest 172071 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 11/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:A

voerdatum: 2007-06-26 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 06:47 Fiche Arrest nr 172.071 van 11 juni 2007 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.071 van 11 juni 2007

de zaak A. 46.253/IX-2808.

zake : Yvo SCHURMANS wonende te KRAAINEM Ferdinand Kinnenstraat 62 tegen :

  1. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering
  2. de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest, die woonplaats kiest bij advocaten X. LEURQUIN en P. DE MAEYER, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan
  3. tussenkomende partij : Eddy VAN DIJCK, die woonplaats kiest bij advocaat P. LUYPAERS, kantoor houdende te HEVERLEE-LEUVEN,

dustrieweg 4, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Yvo SCHURMANS op 10 maart 1992 heeft

gediend om de nietigverklaring te vorderen van : “

  1. het voorstel van de Directieraad van 4 december 1991 m.b.t. de rangschikking en bevordering van de kandidaten voor de vacante betrekkingen van de rangen 11 en 12;
  2. de benoeming tot e.a. geoloog van de Heer VAN DIJCK E. per 1 januari 1992, zoals meegedeeld

de nota aan het personeel dd. 16 januari 1992”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 18 augustus 1992; Gelet op de beschikking van 26 augustus 1992 die de tussenkomst van Eddy VAN DIJCK toelaat; IX-2808-1/11 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 2 september 1994 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat P. DE MAEYER die,

eigen naam en loco advocaat X. LEURQUIN, verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat K. VAN HERCK die, loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. Yvo SCHURMANS is houder van het diploma van licentiaat

de wetenschappen, groep aardrijkskunde met een grondige studie van de fysische aardrijkskunde, en licentiaat

de stedenbouw en ruimtelijke ordening. IX-2808-2/11 Bij ministerieel besluit van 16 juli 1987 werd hij benoemd tot bestuurssecretaris bij OVAM. 1.

  1. Bij besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 1991 houdende vaststelling van de personeelsformatie van OVAM werden twee betrekkingen van eerstaanwezend geoloog - hoofd van dienst, eerstaanwezend geoloog of geoloog opgericht. 1.
  2. Artikel 6, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 30 oktober 1991 tot vaststelling van bijzondere statutaire bepalingen voor het personeel van OVAM bepaalt dat de personeelsleden die op de datum van de

werkingtreding van dit besluit -dit is op 10 juli 1991- titularis zijn van een graad van rang 10 of rang 11, die houder zijn van het diploma van licentiaat of doctor

de wetenschappen, groep aard- of delfstofkunde of van het diploma van licentiaat of doctor

de wetenschappen, grondige studie fysische aardrijkskunde, ambtshalve bij wege van graadverandering tot respectievelijk de graad van geoloog of eerstaanwezend geoloog worden benoemd. De graadanciënniteit verworven

een graad van rang 10 of 11 wordt geacht

de nieuwe graad verworven te zijn. 1.4. Ter uitvoering van het voormeld artikel 6, § 3, worden Yvo SCHURMANS en Eddy VAN DIJCK bij ministeriële besluiten van 16 december 1991 met

gang van 10 juli 1991 ambtshalve bij wege van graadverandering benoemd tot de graad van geoloog. 1.5.

tussen werden een aantal betrekkingen van de rangen 11 en 12 vacant verklaard. Een van de vacante betrekkingen is de betrekking van eerstaanwe- zend geoloog bij de dienst sanering waarvoor Yvo SCHURMANS en Eddy VAN DIJCK zich kandidaat stellen. 1.

  1. Op 4 december 1991 onderzoekt de directieraad de kandidaturen. Hij oordeelt “dat beide kandidaten aan het gestelde profiel beantwoorden, maar dat de ervaring en kennis voor deze functie van de heer VAN DIJCK Eddy groter is”. Hij stelt voor laatstgenoemde tot eerstaanwezend geoloog bij de dienst sanering te bevorderen . IX-2808-3/11 1.
  2. Op 10 december 1991 dient Yvo SCHURMANS tegen dit voorstel bezwaar

. Op 17 december 1991 wordt dit bezwaar door de directieraad verworpen . 1.8. Door het thans bestreden ministerieel besluit van 6 januari 1992 wordt Eddy VAN DIJCK met

gang van 1 januari 1992 tot eerstaanwezend geoloog bevorderd . Deze bevordering wordt bij nota van 16 januari 1992 aan de personeelsleden ter kennis gebracht .

  1. De aanwijzing van de verwerende partij. 2.
  2. Overwegende dat de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (verder: OVAM) een openbare

stelling met rechtspersoonlijkheid is die ten tijde van het bestreden besluit was

gedeeld bij de

stellingen van categorie A bedoeld

artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige

stellingen van openbaar nut; dat aangezien de Gemeen- schapsminister van Leefmilieu, Natuurbehoud en Landinrichting die het bestreden benoemingsbesluit ondertekend heeft is opgetreden als bestuursorgaan van de OVAM, het Vlaamse Gewest, dat door verzoeker als verwerende partij is aangewezen, buiten de zaak gesteld dient te worden; 3. Over de ontvankelijkheid. 3.1.1. Overwegende dat de tweede verwerende partij en de tussen- komende partij opwerpen dat het beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is

zoverre het gericht is tegen het voorstel van de directieraad; 3.1.2. Overwegende dat het voorstel dat overeenkomstig artikel 26, § 1, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het Rijkspersoneel, door de directieraad wordt uitgebracht een louter voorbereidende handeling is, die niet bindend is voor de benoemende overheid en derhalve op zichzelf geen rechtsgevolgen doet ontstaan; dat de omstandigheid dat de benoemende overheid

het voorliggend geval het voorstel van de directieraad IX-2808-4/11 gevolgd heeft, niet

sluit dat dit voorstel op zichzelf rechtsgevolgen heeft gehad en aldus voor beroep tot nietigverklaring vatbaar zou zijn; dat de exceptie gegrond is; 3.2.

  1. Overwegende dat de tussenkomende partij opwerpt dat het beroep niet ontvankelijk is omdat verzoeker nagelaten heeft te vermelden waarin zijn persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang bestaat; 3.2.
  2. Overwegende dat uit de uiteenzetting van de feiten

het verzoekschrift evenwel blijkt dat verzoeker kandidaat was voor de bevordering die aan de tussenkomende partij werd toegekend, zodat hij belang heeft bij de nietigverklaring van die bevordering; dat de exceptie wordt verworpen; 3.3. Overwegende dat verzoeker

zijn brief van 7 juli 2005 zijn vordering uitbreidt door ook de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 3 februari 1994 houdende de benoeming tot e.a. geoloog - hoofd van de dienst Eddy VAN DIJCK, alsmede van het ministerieel besluit houdende de benoeming tot e.a. geoloog van Eddy WILLE; dat wat het ministerieel besluit van 3 februari 1994 betreffende de benoeming tot e.a. geoloog - hoofd van de dienst van Eddy VAN DIJCK betreft, dit een gevolgakte is van de reeds bestreden benoeming tot e.a. geoloog van Eddy VAN DIJCK per 1 januari 1992; dat de vraag of het beroep tot dat besluit kan worden uitgebreid slechts rijst

dien de Raad van State het oorspronkelijk bestreden besluit vernietigt; dat, zoals hierna zal blijken, dit niet het geval is; dat wat de vordering tot nietigverklaring van het ministerieel besluit betreffende de benoeming tot e.a. geoloog van Eddy WILLE betreft, verzoeker

eenzelfde procedure geen verschillende voorwerpen kan bestrijden; dat het beroep, voor wat de vordering tot nietigverklaring van het ministerieel besluit betreffende de benoeming tot e.a. geoloog van Eddy WILLE betreft, onontvankelijk is; 4. Over de gegrondheid van het beroep. 4.1.1. Overwegende dat verzoeker

een eerste middel aanvoert dat “het advies van de directieraad niet met redenen is omkleed ten aanzien van de rangschikking van de Heer VAN DIJCK boven de heer SCHURMANS Yvo”, hetgeen een schending uitmaakt van artikel 26, § 1, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het Rijkspersoneel; IX-2808-5/11 4.1.

  1. Overwegende dat de verwerende partij als antwoord hierop citeert uit de notulen van de directieraad en ontkent dat het advies van de directieraad niet met redenen zou zijn omkleed; 4.1.
  2. Overwegende dat artikel 23, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het Rijksperso- neel bepaalt dat de bevorderingen door verhoging

graad tot de graden van de rangen 11 tot 16 worden verleend “na met redenen omkleed advies van de directieraad”; dat artikel 26, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit bepaalt dat voor iedere benoeming door verandering van graad en iedere bevordering door verhoging

graad een voorstel wordt gedaan; dat

zover verzoeker

het middel aanvoert dat de directieraad de rangschikking van de kandidaten niet gemotiveerd zou hebben, hij derhalve veeleer de schending aanvoert van artikel 23, eerste lid, dan van artikel 26, § 1, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939; dat uit het advies van de directieraad onder meer blijkt dat deze van oordeel was “dat beide kandidaten aan het gestelde profiel beantwoorden, maar dat de ervaring en kennis voor deze functie van de heer VAN DIJCK Eddy groter is”; dat het advies van de directieraad aldus op afdoende wijze aangeeft waarom de ene kandidaat boven de andere verkozen werd en dat het bijgevolg regelmatig gemotiveerd is; dat het eerste middel niet gegrond is; 4.2.1. Overwegende dat het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 12 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstof- fen en van het ministerieel besluit van 1 oktober 1982 houdende de organisatorische bepalingen en de bevoegdheden die worden toegewezen aan sommige ambtenaren van de OVAM; dat verzoeker aanvoert dat volgens artikel 12 van het decreet van 2 juli 1981 de Vlaamse regering het statuut van de OVAM bepaalt; dat hij betoogt dat de directieraad de functies

het benoemingsvoorstel anders heeft

gedeeld dan

de bijlage bij het ministerieel besluit van 1 oktober 1982 beschreven is en er derhalve een voorafgaand besluit van de Vlaamse regering met een nieuw organigram nodig was vooraleer er binnen het stramien van een nieuw dienstenbe- stand tot bevorderingen kon worden overgegaan; 4.2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de verwijzing naar artikel 12, § 3, van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen, niet relevant is aangezien de bestreden bevordering geen wijziging

houdt van het statuut van de OVAM; dat de verwerende partij IX-2808-6/11 vervolgens betoogt dat de vacantverklaring van de betrekkingen

welbepaalde diensten noodzakelijk was om functioneel verantwoorde bevorderingen te kunnen doorvoeren en om een objectieve vergelijking van de kandidaten mogelijk te maken; dat de ervaring, kennis en kwaliteiten van de kandidaten immers enkel beoordeeld kunnen worden

functie van de taken die verbonden zijn aan de te begeven betrekking en dat die taakomschrijving vereist dat de betrekking op een bepaalde dienst gesitueerd is; dat de verwerende partij er verder op wijst dat het ministerieel besluit van 1 oktober 1982 waarvan de schending door verzoeker wordt aangevoerd, is opgeheven bij het ministerieel besluit van 9 april 1987 houdende de organisatori- sche bepalingen en de bevoegdheden die worden toegewezen aan sommige ambtenaren van de OVAM; dat dit besluit op zijn beurt is opgeheven door het ministerieel besluit van 4 januari 1991 houdende de bevoegdheden die worden toegewezen aan de directeur-generaal van de OVAM; dat de verwerende partij vervolgens uiteenzet dat de minister, die de beheersbevoegdheid uitoefent, door het voormeld ministerieel besluit van 4 januari 1991 alle bevoegdheden en taken van

wendige orde en dagelijks bestuur aan de directeur-generaal heeft gedelegeerd, met uitzondering van de

artikel 2 opgesomde handelingen, en dat

uitvoering van dit besluit, na bespreking

de directieraad, een nieuw voorlopig organisatie- schema werd vastgelegd; dat de verwerende partij besluit dat verzoeker zich vergist wanneer hij stelt dat de bestreden handelingen onwettig zijn wegens het ontbreken van een nieuw besluit van de Vlaamse regering dat het nieuw organigram van OVAM vaststelt, en verzoeker een verwarring begaat tussen het statuut, dat door de Vlaamse regering wordt vastgesteld, en de organisatie van de dienst, die tot de bevoegdheid van de minister behoort, en die gedelegeerd werd aan het hoofd van het bestuur; dat de uitoefening van deze bevoegdheid aan geen bijzondere vormvereiste is onderworpen en het organigram noch bij besluit van de Vlaamse regering noch bij ministerieel besluit dient vastgesteld te worden; dat bovendien verzoeker de schending

roept van een artikel van een ministerieel besluit dat

middels is opgeheven; dat gelet op de juridische situatie die ontstond door het ministerieel besluit van 4 januari 1991 er geen nieuw ministerieel besluit met een organigram nodig is; dat het

tern vastgesteld organigram beschikt over de nodige wettelijke basis en zodoende zonder schending van enige bepaling tot bevordering binnen dit nieuwe stramien kon worden overgegaan; 4.2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij zich bij deze zienswijze aansluit; IX-2808-7/11 4.2.4. Overwegende dat verzoeker

zijn repliek, aan het middel zoals

het verzoekschrift is uiteengezet, toevoegt dat het de verwerende partij er om te doen was de functie- en profielomschrijving zo te personaliseren en af te stemmen op de gegadigde dat niemand anders kon kandideren, omdat alle vereisten op maat waren geschreven, onder meer van de tussenkomende partij; 4.2.5. Overwegende dat artikel 12 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen

middels het decreet betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bepaalde,

§ 1

, dat er voor het Vlaamse Gewest onder de benaming "Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest" een bestuur met rechtspersoonlijkheid wordt opgericht,

§ 2

, dat de OVAM is opgenomen

artikel 1, littera A, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige

stellingen van openbaar nut en,

§ 3

, dat de Vlaamse regering het statuut van de OVAM vaststelt en de plaats aanwijst

het Vlaamse Gewest waar zij gevestigd wordt; dat verzoeker niet verduidelijkt op welke wijze deze bepalingen door het bestreden besluit geschonden zijn, zodat het middel op dit punt niet ontvankelijk is; dat verzoeker zich verder beroept op het ministerieel besluit van 1 oktober 1982 houdende de organisatorische bepalingen en de bevoegdheden die worden toegewezen aan sommige ambtenaren van de OVAM, waarvan de bijlage een organisatorische verdeling van de functies bevat; dat dit besluit is opgeheven bij ministerieel besluit van 9 april 1987 houdende de organisatorische bepalingen en de bevoegdheden die worden toegewezen aan sommige ambtenaren van de OVAM; dat artikel 1 van dit laatste besluit een nieuwe organisatorische

deling vaststelt; dat het besluit van 9 april 1987 op zijn beurt is opgeheven bij het ministerieel besluit van 4 januari 1991 houdende de bevoegdhe- den die worden toegewezen aan de directeur-generaal van de OVAM; dat

tegenstelling tot de ministeriële besluiten van 1 oktober 1982 en 9 april 1987 dit laatste besluit geen bepalingen bevat

verband met de organisatorische

deling van de OVAM; dat, ofschoon de verwerende partij er

haar memorie van antwoord de aandacht op gevestigd heeft dat het ministerieel besluit van 1 oktober 1982 opgeheven was toen de thans bestreden beslissing genomen werd, de verzoeker

zijn memorie van wederantwoord nog steeds de schending aanvoert van dat ministerieel besluit; dat artikel 1 van het ministerieel besluit van 4 januari 1991 evenwel bepaalt dat alle bevoegdheden en taken van

wendige orde en van dagelijks bestuur, met uitzondering van de

artikel 2 opgesomde handelingen die hier niet ter zake zijn, worden gedelegeerd aan de directeur-generaal; dat verzoeker IX-2808-8/11 derhalve ten onrechte aanvoert dat een ministerieel besluit of zelfs een besluit van de Vlaamse regering noodzakelijk zou zijn om de betwiste betrekking van eerstaanwezend geoloog aan de dienst Sanering toe te wijzen; dat het middel niet gegrond is; 4.3.1. Overwegende dat verzoeker

zijn memorie van wederantwoord een derde middel aanvoert dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij betoogt dat noch

het bestreden ministerieel besluit noch

het voorstel van de directieraad noch

enig ander stuk van het dossier is terug te vinden waarom de kennis en ervaring van de tussenkomende partij groter zouden zijn dan die van hem; dat hij verder stelt dat het tegenstrijdig is te zeggen dat beide kandidaten aan het profiel voldoen maar de kennis en ervaring van de ene kandidaat groter is dan de andere; dat verzoeker ook betoogt dat ten onrechte geen rekening werd gehouden met zijn kennis en ervaring op het vlak van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw, terwijl de functieomschrijving een zeer goede kennis en ervaring op het vlak van ruimtelijke ordening en stedenbouw vereist aangezien het er op aankomt te weten en te onderkennen wat de stedenbouwkundige toestand is van de betreffende stort-site om zelfs maar te kunnen aanvangen met een saneringsscenario en men minstens

alle stedenbouwkundige mogelijkheden dient te voorzien alvorens de sanering te kunnen aanvangen; dat verzoeker besluit dat de benoemende overheid zich geen volledig beeld heeft kunnen vormen van zijn kwaliteiten, zodat zij haar beslissing niet afdoende heeft kunnen motiveren en de kandidaten niet echt heeft kunnen vergelijken; 4.3.2. Overwegende dat de tussenkomende partij opwerpt dat het middel niet ontvankelijk is aangezien verzoeker het reeds

zijn verzoekschrift had kunnen aanvoeren; dat zij verder stelt dat een eenvoudig onderzoek van het administratief dossier aantoont dat het middel feitelijke grondslag mist, zelfs wat betreft het voorschrift van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 dat niet uitdrukke- lijk werd

geroepen; 4.3.3. Overwegende dat krachtens de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alle bestuurshandelingen met

dividuele strekking uitdrukkelijk gemotiveerd moeten zijn; dat artikel 3 van diezelfde wet bepaalt dat de motivering

de akte de juridische en de feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten IX-2808-9/11 grondslag liggen en de motivering afdoende moet zijn; dat de schending van de voormelde bepalingen door verzoeker voor het eerst

de memorie van wederant- woord kan worden aangevoerd aangezien niet blijkt dat hij vóór het

stellen van het vernietigingsberoep van de motivering van het aangevochten besluit kennis heeft gehad; dat het bestreden besluit, wat de vergelijking van de kandidaten betreft, als motivering heeft dat

het licht van de functie-analyse en het daaraan verbonden profiel voor de functie van eerstaanwezend geoloog op de dienst Sanering de bekwaamheden, ervaringen en titels van de kandidaten werden onderzocht, dat hieruit blijkt dat beide kandidaten aan het gestelde profiel beantwoorden, maar dat de ervaring en kennis van Eddy VAN DIJCK voor deze functie groter is; dat de benoemende overheid aldus de motivering van het voorstel van de directieraad overneemt; dat verzoeker aan die motivering vooreerst verwijt dat nergens blijkt waarom de kennis en ervaring van de tussenkomende partij groter zou zijn dan die van verzoeker; dat verzoeker echter uit het oog verliest dat de directieraad en de benoemende overheid konden beschikken over de gemotiveerde kandidaatstellingen, waarin de kandidaten onder meer hun bekwaamheden en ervaring dienstig voor deze betrekking moesten vermelden; dat uit de kandidaatstelling van verzoeker blijkt dat hij bij de OVAM achtereenvolgens werkzaam was op de dienst van het Plan en de dienst Afvalstromenbeheersing en dat hij vóór zijn

diensttreding bij de OVAM projectmedewerker was bij de Koning Boudewijnstichting; dat uit de kandidaatstel- ling van de tussenkomende partij blijkt dat deze als geoloog bij de vroegere dienst Onderzoek en de huidige dienst Sanering verscheidene saneringsonderzoeken, saneringen en verwijderingen heeft geleid en begeleid en dat hij vóór 1987 bij het Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie van de Rijksuniversiteit Gent gedurende meer dan acht jaar gelijkaardige projecten met betrekking tot bodem- en grondwaterverontreiniging heeft uitgevoerd; dat de directieraad en de benoemende overheid aldus over concrete feitelijke gegevens beschikten op grond waarvan zij

redelijkheid konden oordelen dat de tussenkomende partij van een grotere ervaring en kennis voor de functie van eerstaanwezend geoloog bij de dienst Sanering blijk gaf; dat verzoeker voorts stelt dat de motivering tegenstrijdig is, aangezien enerzijds gesteld wordt dat beide kandidaten aan de profielbeschrijving voldoen en anderzijds gesteld wordt dat de kennis en ervaring van de ene kandidaat groter is dan die van de andere; dat het feit evenwel dat beide kandidaten aan de profielbeschrijving voldeden, niet uitsluit dat de kennis en de ervaring van de kandidaten verschillen; dat de motivering derhalve niet tegenstrijdig is; dat verzoeker eveneens ten onrechte doet gelden dat onvoldoende aandacht werd besteed aan zijn kennis en ervaring op het vlak van de stedenbouw en de ruimtelijke IX-2808-10/11 ordening; dat dergelijke kennis en ervaring niet rechtstreeks dienstig blijken voor de functie van eerstaanwezend geoloog bij de dienst sanering zoals

de oproep tot de kandidaten is beschreven; dat ook dit middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel

  1. Het Vlaamse Gewest wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken

openbare terechtzitting, op 11 juni 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2808-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.071 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.