← België

Arrest 172072 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 11/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.072 Rolnummer: A. 181112/IX-5569 Zaak: Arrest 172072 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 11/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-21 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 06:47 Fiche Arrest nr 172.072 van 11 juni 2007 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.072 van 11 juni 2007 in de zaak A. 181.112/IX-

  1. In zake : Sofie DE BOECK, die woonplaats kiest bij advocaat L. DE DEKEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Emiel Banningstraat 47 tegen : de stad ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Sofie DE BOECK op 16 februari 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 21 december 2006 van de burgemeester van de stad Antwerpen waarbij haar de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H.COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 17 april 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 7 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5569-1/16 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VAN GHEEM die, loco advocaat L. DE DEKEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat M. DEWAERSEGGER die, loco advocaat P. VAN DER STRATEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST HET VOLGENDE ARREST : De feiten. 1.
  2. Verzoekster was inspecteur van politie bij de lokale politie Antwerpen. Op 16 februari 2004 legt de burgemeester van de stad Antwerpen haar de zware tuchtstraf op van 2 % inhouding van de bruto maandwedde gedurende een maand wegens dronken voeren. 1.
  3. Op 17 september 2004 deelt de procureur des Konings te Antwerpen aan de korpschef van de lokale politie Antwerpen mee dat verzoekster door de onderzoeksrechter op 16 september 2004 in verdenking werd gesteld wegens

(1)invoer en handel en bezit van psychotropische stoffen en verdovende middelen en
(2)deelname aan criminele organisatie. In fine van die brief wordt, met verwijzing naar het feit dat verzoekster niet voldaan heeft aan haar wettelijke verplichting om de procureur in kennis te stellen van strafbare feiten die haar bekend waren en naar de nauwe banden die zij onderhoudt met een persoon uit het crimineel milieu, voorgesteld verzoekster preventief uit de dienst te verwijderen. Dit gebeurt voor het eerst bij beslissing van 22 september
  1. 1.
  2. Op 22 september 2004 vraagt de korpschef aan de procureur des Konings of de dienst Interne Zaken een administratief tuchtonderzoek ten laste van verzoekster mag starten aangezien de brief van 17 september 2004 slechts algemene omschrijvingen bevat met betrekking tot de in verdenkingstelling, of dit onderzoek geen hinderpaal zal vormen voor het lopend gerechtelijk onderzoek en of toelating verleend kan worden voor inzage en kopie van het gerechtelijk dossier. IX-5569-2/16 Op 10 december 2004 vraagt de burgemeester aan de procureur des Konings hem te willen inlichten omtrent de stand van het onderzoek, of er ten laste van verzoekster nog steeds elementen worden weerhouden en, desgevallend, of deze elementen voldoende zwaarwichtig zijn om de voorlopige schorsing van verzoekster nog langer te rechtvaardigen. Op 16 december 2004 deelt de procureur des Konings aan de burgemeester mee dat het gerechtelijk onderzoek lastens verzoekster en anderen nog wordt voortgezet, en dat hij op 27 september 2004 een uitbreiding van het onderzoek lastens verzoekster heeft bevolen hoofdens schending van het beroepsgeheim en mededaderschap aan inbreuk tegen de hormonenwetgeving. Met een brief van 20 december 2004 deelt de procureur des Konings aan de korpschef mee dat het hem in de huidige stand van het gerechtelijk onderzoek niet opportuun lijkt in te gaan op het verzoek tot het verlenen van toelating tot inzage en kopie van het lopend gerechtelijk dossier. 1.
  3. Op 24 juni 2005 vraagt de burgemeester aan de procureur des Konings hem in te lichten omtrent de huidige stand van het gerechtelijk dossier lastens verzoekster. De procureur des Konings antwoordt dat een eerste uitspraak waarschijnlijk nog niet rond eind oktober 2005 kan worden verwacht. 1.
  4. Bij vonnis van 30 september 2005 van de correctionele rechtbank te Antwerpen : - wordt verzoekster vrijgesproken voor de tenlastelegging K3 (“ wetens en willens deel uitgemaakt te hebben van een criminele organisatie”); - wordt haar, voor de tenlastelegging H (“invoer, handel en bezit van verdovende middelen”), het voordeel van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een periode van drie jaar verleend; - wordt zij, voor de tenlastelegging L (“schending van het beroepsgeheim” door tijdens de uitoefening van haar functie als politieagente op vraag van E. in de administratieve papieren te hebben gekeken naar de genaamde Z.), veroordeeld tot een autonome werkstraf van 50 uren. 1.6.
  5. Op 29 november 2005 wordt een afschrift van het vonnis van 30 september 2005 aan de burgemeester bezorgd. In de brief wordt erop gewezen dat het vonnis ten aanzien van verzoekster enkel kracht van gewijsde heeft voor wat betreft de feiten weerhouden onder de tenlasteleggingen H en K3, vermits IX-5569-3/16 verzoekster hoger beroep ingesteld heeft voor wat de feiten betreft voorzien onder de tenlastelegging L. 1.6.
  6. Met een brief van 7 december 2005 deelt de korpschef aan de procureur des Konings mee dat, aangezien verzoekster reeds veroordeeld werd voor de feiten van invoer, handel en bezit van verdovende middelen en deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een tuchtdossier zal worden opgestart, maar dat, om een duidelijk zicht te krijgen op de omstandigheden waarin de feiten zich hebben voorgedaan, een inzage van het gerechtelijk dossier zich opdringt. Hij vraagt toelating te geven aan de dienst Interne Zaken om het gerechtelijk dossier in te kijken, zodat nadien documenten kunnen worden opgevraagd om te voegen bij het tuchtdossier. De procureur des Konings weigert in te gaan op die vraag. 1.
  7. Op 31 maart 2006 stelt de burgemeester een inleidend verslag op, waarin hij besluit dat hij, gelet op de door de rechtbank van eerste aanleg bewezen geachte tenlastelegging, het voornemen heeft om haar de zware tuchtstraf van inhouding van de bruto maandwedde met 10% gedurende één maand op te leggen. Die tuchtprocedure loopt uiteindelijk uit op de beslissing, van 19 juni 2006, om verzoekster de zware tuchtstraf op te leggen van de inhouding van de bruto maandwedde met 10% gedurende één maand. 1.
  8. Bij arrest van 6 april 2006 van het Hof van Beroep te Antwerpen wordt verzoekster vrijgesproken van de tenlastelegging “schending van het beroepsgeheim”. Met een brief van 2 mei 2006 bezorgt de procureur-generaal een afschrift van het arrest van 6 april 2006 en van het strafdossier aan de burgemeester. 1.
  9. Op 15 mei 2006 duidt de korpschef een vooronderzoeker aan. In de aanduidingsbeslissing wordt de vooronderzoeker verzocht verzoekster te confronteren met verklaringen over een drugstrafiek naar Engeland en haar te vragen wat ze met deze informatie heeft gedaan. Op 22 mei 2006 wordt verzoekster door de vooronderzoeker geconfronteerd met een aantal van haar verklaringen die bij het gerechtelijk dossier zijn gevoegd; wat haar verklaring betreft dat zij op de hoogte was van een drugstrafiek naar Engeland, antwoordt zij dat zij serieuze bedreigingen kreeg van IX-5569-4/16 haar toenmalige vriend, dat zij, in het belang van haar eigen veiligheid, met die informatie bewust niets heeft gedaan, en dat zij een relatie heeft gehad met die vriend van midden april tot 13 juni 2004; wat haar verklaring betreft dat, toen zij dienst moest doen als vervangend cipier, haar vriend haar vroeg of ene Z. daar verbleef vermits hij van hem nog geld te goed had en zij in de administratieve papieren van de gang waarop zij dienst deed heeft gekeken, antwoordt zij dat zij enkel heeft gekeken in het administratieregister met namen van de gedetineerden die zich bevinden in de cellen van die gang, dat het geen echt register betreft en dat zij de andere gangen niet heeft geverifieerd. 1.
  10. Nadat de burgemeester op 15 juni 2006 door de korpschef (zijnde de gewone tuchtoverheid) is geadieerd, deelt hij aan verzoekster middels een 21 juni 2006 gedateerd inleidend verslag mee dat hij het voornemen heeft om haar voor de feiten vervat in punt 4 van het verslag, de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen. Punt 4 van dat inleidend verslag luidt als volgt : “
  11. Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten : Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier; 4.1 meen ik dat de feiten vaststaan doordat INP DE BOECK Sofie heeft toegegeven dat ze een relatie onderhield met E van wie ze ook wist dat hij XTC tabletten met een sportvliegtuigje naar Engeland liet overvliegen. Niettegenstaande ze in geuren en kleuren kennis had gekregen van de drugtrafiek, hield ze deze informatie voor zichzelf. Ze deed dit uit schrik voor de bedreiging van E. Op vraag van E deed INP DE BOECK Sofie ook nazicht in een naamlijst in de gevangenis te Antwerpen op zoek naar de naam Z die echter niet op de lijst vermeld stond. 4.2 meen ik dat deze feiten aan INP DE BOECK Sofie kunnen worden toegerekend gezien de vermelding in punt 4.
  12. 4.3 meen ik dat deze feiten het volgend tuchtvergrijp uitmaakt. - Binnen de periode van 20 april 2004 tot 13 juni 2004 had INP DE BOECK Sofie kennis van een drugtrafiek van XTC tabletten naar Engeland. Ze hield deze informatie voor zich. Betrokkene pleegde hierdoor een inbreuk op de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie gestructureerd op twee niveaus Onderafdeling 3 artikel 44/11 dat luidt als volgt : ‘Elke politieambtenaar die willens en wetens inlichtingen en gegevens die van belang zijn voor de uitoefening van de strafvordering of de handhaving van de openbare orde achterhoudt en nalaat door te zenden aan de algemene gegevensbank overeenkomstig artikel 44/4, derde lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot zes maanden en een geldboete van zesentwintig tot vijfhonderd frank of met één van die straffen alleen. De bepalingen van boek I van het strafwetboek hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn toepasselijk op dit misdrijf.’ IX-5569-5/16 - In de periode van 20 april 2004 tot 13 juni 2004 deed INP DE BOECK Sofie op verzoek van haar vriend, nazicht in een naamlijst in de gevangenis te Antwerpen op zoek naar de naam Z. Nazicht doen in een aanwezigheidslijst van de gevangenis op vraag van een vriend is een politieambtenaar onwaardig. Een politieambtenaar mag zich niet laten misbruiken door op zoek te gaan naar vertrouwelijke informatie die beroepshalve binnen handbereik ligt. Betrokkene pleegde een inbreuk op artikel 132 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus dat het volgende stelt : ‘Het personeelslid vermijdt elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is.’” 1.
  13. Op 20 juli 2006 dient de raadsman van verzoekster een verweerschrift in waarin wordt aangevoerd dat de tuchtvordering verjaard is, dat de redelijke termijn voor het nemen van een beslissing werd overschreden, en dat het vertrouwens- en het evenredigheidsbeginsel werd geschonden. 1.
  14. Op 1 augustus 2006 wordt verzoekster, bijgestaan door haar raadsman, door de burgemeester gehoord. Met een brief van 16 augustus 2006 verleent de procureur des Konings op vraag van de burgemeester advies over de zaak. Hij is van mening dat de door verzoekster gepleegde gedragingen inbreuken betreffen die een verregaand vorm van normvervaging uitmaken waarvoor een zware tuchtstraf opgelegd dient te worden. 1.
  15. Op 22 augustus 2006 beslist de burgemeester, na onder een punt 4 (“analyse”) de door de verdediging aangevoerde argumenten te hebben ontmoet, voor te stellen om verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 1.
  16. Op 31 augustus 2006 dient verzoekster een verzoek tot heroverweging in bij de tuchtraad. 1.
  17. Op 6 december 2006 adviseert de tuchtraad dat de kwalificatie van de feiten dient verbeterd te worden, dat al de feiten moeten gekwalificeerd worden als een inbreuk op artikel 132 WGP, dat de feiten bewezen zijn, dat zij een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet en dat de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege moet worden opgelegd. IX-5569-6/16 1.
  18. Op 21 december 2006 neemt de burgemeester de beslissing die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige vordering tot schorsing. De voorwaarden voor de schorsing.
  19. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Middelen die kunnen leiden tot de vernietiging.
  20. In het eerste middel voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing laattijdig genomen is. Zij verwijst naar artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet) en stelt dat zij op 30 juni 2006 kennis kreeg van het inleidend verslag, dat zij tot 30 juli 2006 haar verweer kon indienen en dat het bestuur binnen de vijftien volgende dagen een voorstel van tuchtstraf diende te formuleren, terwijl in dit geval de burgemeester slechts na het verstrijken van die termijn het advies van de procureur des Konings ingewonnen heeft -advies dat misschien zelfs niet hoefde ingewonnen te worden- en zijn voornemen om een zware tuchtstraf op te leggen haar slechts op 23 augustus 2006 medegedeeld is.
  21. De verwerende partij antwoordt daarop dat, daargelaten de vraag of zij wel moet antwoorden op een probleem dat verzoekster bij wege van vraagstelling aanbrengt, de hogere tuchtoverheid oordeelde dat de feiten kaderden in de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie -het opsporen, vaststellen en verzamelen van informatie over gepleegde misdrijven- en dat vanuit dat oogpunt het advies van de procureur des Konings vereist was. IX-5569-7/16
  22. Artikel 24, tweede en derde lid, van de tuchtwet bepalen : “[...] Wanneer feiten werden gepleegd die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie kan een zware tuchtstraf slechts worden opgelegd na het advies van de procureur des Konings tot wiens ambtsgebied de lokale politie of de op arrondissementeel niveau gedeconcentreerde dienst van de federale politie, waarvan het betrokken personeelslid deel uitmaakt, behoort. [...] De in het eerste en tweede lid bedoelde adviezen moeten gemotiveerd zijn en worden verleend binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag waarop het voorstel tot straf aan de betrokken overheid wordt toegestuurd en vooraleer de tuchtraad zich uitspreekt. Eens die termijn verstreken is, wordt de betrokken overheid geacht geen aanvullend advies te willen verstrekken.” Artikel 38quater van de tuchtwet bepaalt : “Het betrokken personeelslid of zijn verdediger dient zijn verweer in binnen dertig dagen na de dag volgend op de ontvangst van het inleidend verslag. Na deze termijn wordt het personeelslid geacht geen schriftelijk verweer te willen indienen.” Artikel 38sexies, eerste en vierde lid, van de tuchtwet bepalen : “Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen. [...] [...] Wanneer geen enkele in het eerste lid bedoelde beslissing wordt genomen binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval verlengd met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid, of verlengd met (...), wordt de hogere tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die de betrokkene ten laste gelegd werden. [...].”
  23. Het inleidend verslag is op 30 juni 2006 ter kennis van verzoekster gebracht. Zij kon dus tot 30 juli 2006 een verweerschrift indienen. Daags nadien ving de termijn aan waarbinnen de burgemeester een voorstel van tuchtstraf ter kennis van verzoekster kon brengen. In dit geval heeft de burgemeester, binnen die periode, op 2 augustus 2006 onder verwijzing naar artikel 24 van de tuchtwet, het IX-5569-8/16 advies van de procureur des Konings ingewonnen. Overeenkomstig artikel 38sexies, vierde lid van de tuchtwet beschikte de burgemeester daardoor over een langere termijn om zijn voorstel van tuchtstraf ter kennis van verzoekster te brengen. Blijkens de tekst van artikel 38sexies, vierde lid, bedraagt de verlenging van de termijn twintig dagen. Berekend vanaf 31 juli 2006, liep de termijn waarbinnen de burgemeester een strafvoorstel ter kennis van verzoekster diende te brengen dan ook tot 3 september
  24. Aangezien verzoekster kennis gekregen heeft van het strafvoorstel op 23 augustus 2006, zijn de wettelijke termijnen nageleefd. Het middel is niet ernstig.
  25. Verzoekster stelt in het kader van het eerste middel onrechtstreeks het probleem aan de orde of de burgemeester wel verplicht was het advies van de procureur des Konings in te winnen. Zij had dat probleem op dezelfde wijze reeds aan de tuchtraad voorgelegd, en de tuchtoverheid heeft gesteld dat het achterhouden van informatie kadert in het uitvoeren van opdrachten van gerechtelijke politie en de vertegenwoordiger van de algemene inspectie heeft geantwoord dat het advies van de procureur des Konings verplicht is wanneer politieambtenaren nuttige informatie voor het opstarten van een gerechtelijk onderzoek achterhouden. De tuchtraad zelf heeft vervolgens geadviseerd dat, behoudens aangetoonde fraude om aan een vervaltermijn te ontsnappen, het inwinnen van het advies van de procureur des Konings tot een termijnsverlenging leidt, ongeacht of de aard van de feiten de tuchtoverheid daartoe verplicht. Verzoekster had aldus de mogelijkheid om in haar verzoekschrift duidelijk aan te geven waarom zij alsnog van oordeel bleef dat het advies van de procureur des Konings in haar geval toch niet vereist was. Te dien aanzien is het eerste middel niet ontvankelijk.
  26. In het tweede middel voert verzoekster de verjaring van de tuchtvordering aan. Zij stelt dat het inleidend verslag gewag maakt van het achterhouden van informatie en dat zulks een inbreuk vormt op artikel 44/11 van de wet op het politieambt, die dergelijke inbreuken strafrechtelijk sanctioneert. Voor die inbreuk is evenwel geen strafprocedure opgestart en dus is de verjaringstermijn voor deze inbreuk aangevangen op het ogenblik van de kennisneming van de feiten door de tuchtoverheid. In de brief van de procureur des Konings van 17 september 2004 is melding gemaakt van de miskenning van de verplichting om de procureur in te lichten van strafbare feiten die zij kende en van de nauwe banden die zij met iemand uit het criminele milieu onderhield en verzoekster heeft bij haar ondervraging ook gesteld dat zij nuttige informatie achtergehouden heeft. Gerekend IX-5569-9/16 vanaf 17 september 2004 is de tuchtvordering, die op 28 juni 2006 voor dat feit ingesteld is, verjaard. In ieder geval heeft verzoekster zelf aan het bestuur medegedeeld dat zij informatie achtergehouden heeft en is zij daarvoor ook nooit strafrechtelijk vervolgd. Het hof van beroep te Antwerpen heeft haar vrijgesproken voor de schending van het beroepsgeheim en zij is dan tuchtrechtelijk vervolgd wegens gedragingen die strijden met de waardigheid van het ambt. Maar ook voor die feiten is er nooit een strafonderzoek gevoerd en bijgevolg is ook te dien aanzien de verjaring ingegaan op het ogenblik van de kennisneming van de feiten. Dit gebeurde op 29 november 2005, toen de burgemeester het vonnis van de correctionele rechtbank ontving waarin gesteld is dat verzoekster in de gevangenis administratieve stukken nagekeken heeft in verband met de opsluiting van een bepaald persoon. Vanaf die datum gerekend, is het inleidend verzoekschrift laattijdig opgesteld.
  27. De verwerende partij verwijst naar artikel 56 van de tuchtwet en naar het feit dat het strafrechtelijk onderzoek en de tuchtprocedure ingesteld zijn naar aanleiding van dezelfde feiten. Overeenkomstig het zorgvuldigheidsbeginsel diende zij te wachten tot de strafrechter zich definitief uitgesproken had en zij van die uitspraak en het daarop betrekking hebbend dossier kennis kon krijgen. Zij heeft ook niet lijdzaam de gerechtelijke eindbeslissing afgewacht.
  28. Artikel 56 van de tuchtwet bepaalt : “De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.”
  29. Wat het achterhouden van informatie over een drugstrafiek naar Engeland betreft, blijkt uit de gegevens van het dossier dat de verwerende partij inderdaad vanaf 17 september 2004 kennis had van mogelijke misdragingen van verzoekster. Die mededeling en de verklaring die verzoekster daarover aflegde boden evenwel geen voldoende basis om met kennis van zaken een tuchtonderzoek op te starten. Het heeft geduurd tot 5 mei 2006, datum waarop het strafdossier en het arrest van 6 april 2006 aan het bestuur medegedeeld werden, alvorens de IX-5569-10/16 verwerende partij zich een correct oordeel kon vormen over de feiten. Het inleidend verslag is aan verzoekster medegedeeld op 30 juni
  30. Op dat vlak is de verjaringstermijn niet overschreden.
  31. Over de feiten met betrekking tot het inzien door verzoekster van de naamlijsten in de gevangenis, is een strafvervolging gevoerd. Overeenkomstig artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet begon de termijn voor de betekening van het inleidend verslag te lopen op het ogenblik dat de verwerende partij door de gerechtelijk autoriteiten in kennis werd gesteld van het bestaan van een eindbeslissing op strafgebied over deze feiten. De verschillende kwalificatie die in de strafprocedure en in de tuchtprocedure aan de feiten werd gegeven is van geen belang ten aanzien van de berekening van de termijnen bedoeld in artikel 56 van de tuchtwet. Het tweede middel is niet ernstig.
  32. In het derde middel voert verzoekster aan dat de redelijke termijn voor het treffen van een beslissing overschreden werd. Verwijzend naar de kennisgeving van 17 september 2004, en voor wat het nazicht van administratieve stukken in de gevangenis betreft, de kennisneming op 30 november 2005 van het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen, heeft de verwerende partij de tuchtzaak te lang laten aanslepen. Met een administratief verhoor van verzoekster kort na die kennisgeving, had de verwerende partij zich een beeld kunnen vormen van de feitelijke gegevens. Het gebrek aan diligentie vanwege het bestuur heeft tot gevolg dat op 21 december 2006 geen tuchtstraf meer opgelegd kon worden.
  33. De verwerende partij betwist het gebrek aan diligent optreden. Zij heeft met het opstarten van de tuchtprocedure gewacht tot de uitslag van het strafonderzoek haar bekend raakte. De periode van schorsing van de tuchtvordering door de strafvordering komt niet in aanmerking voor het vaststellen van de redelijke termijn waarbinnen een beslissing genomen moet worden.
  34. Bij de bespreking van het tweede middel is vastgesteld dat de verwerende partij tot aan de kennisneming van het strafdossier met betrekking tot het achterhouden van informatie, over onvoldoende concrete gegevens beschikte om de tuchtvordering in te stellen. Bovendien heeft de burgemeester meer dan eens geïnformeerd naar de stand van het strafonderzoek en heeft hij meteen om de toelating gevraagd om het strafdossier in de tuchtzaak te mogen gebruiken. Er kan het bestuur geen gebrek aan diligentie verweten worden. IX-5569-11/16
  35. Dat de verwerende partij op 30 november 2005 kennis kreeg van het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen is niet relevant ten aanzien van de vraag of zij met betrekking tot de inbreuk van de inzage van administratieve documenten, de nodige diligentie aan de dag gelegd heeft. Er was immers daarover een onderzoek door de gerechtelijke overheid ingesteld en, zoals de Raad van State reeds besliste in de arresten nr. 137.406 van 22 november 2004 inzake CORRE, nr. 135.028 van 20 september 2004 inzake VAN HAANDEL en nr. 135.030 van 20 september 2004 inzake COUDIJZER, laat artikel 56 van de tuchtwet het bestuur in dat geval toe met het instellen van de tuchtvordering te wachten totdat de uitslag van het gerechtelijk onderzoek hem bekend is. Het derde middel is niet ernstig.
  36. In het vierde middel voert verzoekster de schending van het vertrouwensbeginsel aan. Zij stelt dat zij op 6 april 2006 vrijgesproken is voor het misdrijf van de schending van het beroepsgeheim en dat zij op 15 april 2006 een inleidend verslag ontvangen heeft voor overtreding van de hormonenwetgeving, waarvoor zij door de strafrechter schuldig verklaard is. Op dat ogenblik mocht zij ervan uitgaan dat er haar geen andere feiten meer ten laste gelegd zouden worden. Tot haar verbazing heeft zij moeten vaststellen dat er nadien een nieuw inleidend verslag opgesteld is voor feiten waarvoor zij vrijgesproken was. Een correct handelende tuchtoverheid had één inleidend verslag opgesteld.
  37. Op 31 maart 2006 heeft de burgemeester een inleidend verslag opgesteld aangaande inbreuken op de hormonenwetgeving. In dat verslag wordt verwezen naar de brieven van de procureur-generaal waarin gewezen wordt op het voorbarig karakter van de vraag om afschrift van het strafdossier met betrekking tot de schending van het beroepsgeheim. Het desbetreffend tuchtdossier bevatte eveneens informatie waaruit duidelijk bleek dat, voor wat de miskenning van de hormonenwetgeving betreft, de verjaringstermijn aangevangen was. Het blijkt bovendien dat, toen de tuchtprocedure voor de inbreuken op de hormonenwetgeving nog lopende was, reeds een tuchtrechtelijk vooronderzoek opgestart was betreffende de drugstrafiek. Op basis van die gegevens kon verzoekster niet besluiten dat de verwerende partij enkel de inbreuk op de hormonenwetgeving tuchtrechtelijk zou vervolgen. Het vierde middel is niet ernstig.
  38. In het vijfde middel voert verzoekster de schending van het evenredigheidsbeginsel aan. Wat de inbreuk betreft van het achterhouden van informatie, stelt zij dat zij onder druk gehandeld heeft, dat de burgemeester dit IX-5569-12/16 gegeven eigenlijk onderkent, dat de strafrechter haar voor het desbetreffend misdrijf vrijgesproken heeft en dat haar houding op geen enkele wijze het strafonderzoek gehinderd heeft, maar dat het bestreden besluit dan plots een nieuw gegeven bij de zaak betrekt, met name het feit dat zij zich enige tijd in een crimineel milieu zou begeven hebben, hetgeen niet wordt bewezen. Wat het inkijken van administratieve stukken tijdens een opdracht in de gevangenis betreft, stelt zij dat de bewuste lijst gewoon ter inzage van de cipiers ligt, dat zij niet actief achter informatie gezocht heeft en dat zij ook geen informatie naar buiten gebracht heeft die niet iedereen van de griffie van de gevangenis kan verkrijgen. Gelet op haar vrijspraak door het Hof van Beroep, moet aangenomen worden dat haar schorsing met loonverlies gedurende bijna twee jaar reeds een voldoende tuchtstraf vormt.
  39. Volgens de verwerende partij moet het evenredigheidsbeginsel beoordeeld worden ten aanzien van de ernst van de feiten en rijst daarbij de vraag of een andere tuchtoverheid rekening houdend met dezelfde gegevens tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. In dit geval heeft de tuchtraad besloten dat het ontslag van ambtswege allesbehalve onredelijk was. De inspecteur-generaal van de Federale politie was dezelfde mening toegedaan en hij verwees naar de antecedenten van verzoekster en naar de mogelijkheid om bij het opleggen van tuchtstraffen een zekere gradatie in acht te nemen. Het samenleven met een crimineel die zich inlaat met drugstrafiek -zij heeft zelf verklaard dat zij sedert 1997-1998 in het milieu vertoefde en de verwijzing naar haar activiteiten in die periode onderbouwen de tenlastelegging dat zij reeds lang de betrokkene kende-, is niet te verzoenen met het ambt van politieagent.
  40. De Raad van State bezit slechts een marginale toetsings- bevoegdheid bij het beoordelen van het aangepast karakter van de straf aan de feiten. In het bestreden besluit wordt terecht verwezen naar het belang van de dienst en wordt daar even terecht aan toegevoegd dat verzoekster tewerkgesteld was in een dienst die belast is met het voorkomen, bestrijden en opsporen van misdrijven en dat, binnen dat kader, een politieambtenaar een maatschappelijke voorbeeldfunctie te vervullen heeft, dat hij daarom moet voldoen aan een streng verwachtingspatroon, dat ook betrekking kan hebben op zijn activiteiten buiten de diensttijd. Een politieambtenaar die een relatie aangaat met iemand uit het crimineel milieu en die vervolgens informatie achterhoudt die voor de gerechtelijke overheid nuttig kan zijn en op vraag van haar vriend, tijdens een opdracht binnen de gevangenis, bepaalde gegevens nakijkt, neemt een houding aan die een verwijdering uit de dienst IX-5569-13/16 rechtvaardigt. De omstandigheid dat de achtergehouden informatie van geen belang was voor een strafrechtelijk onderzoek of dat de ingewonnen informatie in de gevangenis haar vriend geen voordeel heeft opgeleverd, de strafrechtelijke vrijspraak, haar eerdere tuchtrechtelijke bestraffing, haar preventieve schorsing met loonverlies, noch de omstandigheid dat zij de informatie over een drugstrafiek slechts onder druk achtergehouden zou hebben of dat zij in de gevangenis niet actief gezocht heeft naar bepaalde documenten, maken het ontslag van ambtswege niet kennelijk onredelijk.
  41. In het middel wordt ook verwezen naar de schending van de rechten van de verdediging, doordat het bestreden besluit rekening houdt met het feit dat verzoekster zich sedert 1997-1998 in een crimineel milieu zou bewegen, dat zij kassierster in een dancing zou zijn geweest en dat ook haar nieuwe vriend in een crimineel milieu zou vertoeven, terwijl die aspecten van de zaak bij de totstandkoming van de bestreden beslissing nooit ter sprake gekomen zijn en zij zich daar niet tegen heeft kunnen verdedigen.
  42. Uit de stukken van het administratief dossier, inzonderheid het proces-verbaal van het administratief verhoor van verzoekster van 22 mei 2006, blijkt dat de gegevens waarnaar verzoekster verwijst wel degelijk in de loop van het tuchtrechtelijk onderzoek ter sprake zijn gekomen. De vaststellingen van het bestuur zijn het gevolg van de eigen verklaringen van verzoekster.
  43. Het vijfde middel is in geen van zijn onderdelen ernstig.
  44. In het zesde middel voert verzoekster aan dat, nu in het bestreden besluit niet geantwoord wordt op haar bemerking dat het voorstel van tuchtstraf haar laattijdig medegedeeld werd en dat het vertrouwensbeginsel geschonden werd, het niet voldoet aan de motiveringsverplichting en dat de loutere verwijzing naar het inleidend verslag als antwoord op haar bemerking over de onevenredigheid van de voorgestelde straf ook geen geldige motivering is. IX-5569-14/16
  45. Aangenomen dat verzoekster met het middel doelt op de schending van de formele motiveringsverplichting, moet worden opgemerkt dat een administratieve overheid niet uitdrukkelijk moet ingaan op alle argumenten die de betrokkene in de loop van het besluitvormingsproces naar voren schuift, maar dat enkel de redenen vermeld moeten worden die het bestuur tot zijn besluit hebben gebracht. In ieder geval heeft de minister zich aangesloten bij het advies van de tuchtraad, waarin geantwoord is op de bemerking inzake het laattijdig mededelen van het voorstel van tuchtstraf en op de schending van het vertrouwensbeginsel en is, wat de opgelegde straf betreft, in het bestreden besluit uiteengezet welke maatstaven bij het bepalen van de straf gehanteerd werden. Overigens is bij de bespreking van het eerste, het vierde en het vijfde middel reeds vastgesteld dat het middel, gesteund op de laattijdige kennisgeving van het voorstel van tuchtstraf en op de miskenning van het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, niet ernstig is. Het middel is niet ernstig.
  46. Verzoekster voert geen middelen aan die als ernstig aangemerkt kunnen worden. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  47. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  48. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5569-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 11 juni 2007, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5569-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.072 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.520 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.