← België

Arrest 172106 - Penitentiair recht - 11/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.106 Rolnummer: A. 183842/IX-5668 Zaak: Arrest 172106 - Penitentiair recht - 11/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-18 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 20:17 Fiche Arrest nr 172.106 van 11 juni 2007 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.106 van 11 juni 2007 in de zaak A. 183.842/IX-

  1. In zake : Karim TAZI, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN STEENBERGHE, kantoor houdende te LEUVEN, Bondgenotenlaan 132 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. die woonplaats kiest bij advocaat B. DERVEAUX, kantoor houdende te KORTENBERG, Veldstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Karim TAZI op 6 juni 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de administratieve beslissing dd. 19.5.2007 van de Directeur van de gevangenis te Hasselt waarbij verzoeker een tuchtsanctie werd opgelegd, meerbepaald worden hem 3 maanden individuele wandeling opgelegd”; Gelet op de beschikking van 6 juni 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 6 juni 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2007, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die verschijnt in persoon, van advocaat K. VAN STEENBERGHE, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat B. DERVEAUX, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-5668-1/5 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; WIJST HET VOLGENDE ARREST :
  3. De verzoeker verblijft in de gevangenis te Hasselt. Op 17 mei 2007 heeft zich een incident voorgedaan aan het einde van de wandeling. Een klein aantal gedetineerden weigerde toen terug naar binnen te gaan. Door gevangenis- bewaarder R.T. werd een verslag aan de directeur opgesteld, waarin de verzoeker genoemd werd als één van de drie gedetineerden die “zich dreigend (opstelden), zodat de wandeling niet naar binnen (kon)”. Dit rapport leidde tot het opleggen van een voorlopige maatregel, bevolen op 18 mei 2007, en tot het opstarten van een tuchtprocedure. Op 19 mei 2007 vond een hoorzitting plaats. De verzoeker verklaarde er dat hij bereid was geweest om buiten te blijven, als ook de andere gedetineerden dat deden, maar dat hij zich niet dreigend had opgesteld; hij was integendeel slechts tegen de muur gaan staan, waar hij wel als eerste werd opgemerkt door R.T. Dezelfde dag nam de directeur van de gevangenis de bestreden beslissing, welke gesteund is op de volgende motieven : “- dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan aanzetten tot collectieve protestactie op wandelkoer, het belemmeren van een vlot verloop van de beweging bij het binnenkomen van de wandelkoer en zich dreigend opstellen zodat de gedetineerden van de wandeling niet naar binnen kwamen, - dat betrokkene de veiligheid van de inrichting en het personeel ernstig in gevaar heeft gebracht, - dat dergelijk gedrag niet door de beugel kan, en een gepaste sanctie zich opdringt, - dat uit de feiten een gebrek aan respect voor de lokale leefregels blijkt, - dat hij de feiten niet toegeeft, hoewel het personeel formeel is over het gebeurde, - dat omwille van de ernstige bedreiging voor de veiligheid een onmiddel- lijke en voorlopige maatregel tot uitsluiting van de gemeenschappelijke wandeling aangewezen was; dat tot deze maatregel werd beslist op 18/05/2007 om 13u40”. Aan de verzoeker werd de tuchtsanctie van “3 maanden individuele wandeling” opgelegd. IX-5668-2/5
  4. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen ver- antwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  5. Wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, voert de verzoeker aan dat de tuchtsanctie wordt opgenomen in zijn detentiedossier, zodat de directie hiermee rekening houdt ingeval later een echte overtreding zou worden vastgesteld, en dat hij de schending van zijn rechten als een moreel leed ervaart. Voorts voert hij aan dat hij in de voorwaarden verkeert voor een voorwaardelijke invrijheidstelling, dat voor het al dan niet toestaan daarvan rekening gehouden wordt met opgelopen tuchtsancties, en dat hij in verband hiermee de nadelige gevolgen van de tuchtsanctie zal ondervinden, zelfs na zijn voorwaardelijke invrijheidstelling, gelet op het feit dat het dossier van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet meteen wordt afgesloten en heropnames mogelijk blijven. Ten slotte voert de verzoeker aan dat de tuchtmaatregel zeer sterk ingrijpt in zijn leven en dat de gevolgen, zeker voor de warme zomerperiode, zeer zwaar zijn. In dit laatste verband wijst de verzoeker erop dat de individuele wandeling plaatsvindt op een klein koertje van enkele vierkante meters groot, omgeven door hoge muren, en extreem warm. Artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 16, § 2, 6/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen”. Uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met ter terechtzitting gegeven aanvullende feiten en verklaringen geen rekening kan worden gehouden. IX-5668-3/5 Te dezen beperkt de verzoeker zich ertoe in algemene bewoordingen te wijzen op het “moreel leed” dat de aangevoerde schending van zijn rechten veroorzaakt, op de gevolgen van de bestreden tuchtsanctie voor de beoordeling van latere tuchtrechtelijke inbreuken en voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling, en op de zeer zware gevolgen van de uitvoering van de bestreden straf, met name tijdens de warme zomerperiode. De aldus gegeven uiteenzetting kan de Raad van State er niet van overtuigen dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een nadeel met zich brengt, dat als “ernstig” beschouwd kan worden, in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
  6. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  7. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-5668-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 11 juni 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5668-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.106 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.