id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.120 Rolnummer: A. 179925/X-13134 Zaak: Arrest 172120 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-18 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:47 Fiche Arrest nr 172.120 van 11 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.120 van 11 juni 2007 in de zaak A. 179.925/X-13.134. In zake : 1. Herman MATTHYSSEN, 2. Martha VAN DEUN, die woonplaats kiezen bij advocaat R. DE KONINCK, kantoor houdende te 2610 WILRIJK, Prins Boudewijnlaan 177-179 tegen : 1. de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg 160 tussenkomende partij : de b.v.b.a. RMV CONSTRUCT, die woonplaats kiest bij advocaten H. SEBREGHTS en F. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Herman MATTHYSSEN en Martha VAN DEUN op 29 december 2006 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van: - de beslissing van 2 maart 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende inwilliging van het beroep dat de heer en mevrouw FRANKEN-GOETELEN hebben ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle over de aanvraag tot het verkavelen van een terrein gelegen te Malle aan de Antwerpsesteenweg, kadastraal gekend sectie B, nr. 648/l, en waarbij de vergunning wordt verleend overeenkomstig de in rood gewijzigde plannen, onder de voorwaarden, gesteld in het advies van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap, afdeling Water d.d. 20 februari 2006, en mits toepassing van de bijgevoegde stedenbouwkundige voorschriften, en X-13.134-1/18 - het besluit van 7 september 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van de gemeente Malle tegen de beslissing van 2 maart 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen onontvankelijk wordt verklaard, en ten gevolge waarvan de beslissing van 2 maart 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende toekenning van de vergunning aan de heer en mevrouw FRANKEN-GOETELEN haar rechtskracht herneemt; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 maart 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 30 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. JONGBLOET, die loco advocaat R. DE KONINCK verschijnt voor de verzoekers, van adviseur R. LANGERWERF, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak zich in de huidige stand van het geding als volgt aandienen : X-13.134-2/18 1.1. Op 3 februari 2005 dienen de heer en mevrouw FRANKEN- GOETELEN bij het gemeentebestuur van Malle een aanvraag in voor een verkavelingsvergunning voor het voormelde terrein, met het oog op de oprichting van 2 vrijstaande meergezinswoningen. De verzoekende partijen wonen aan de Antwerpsesteenweg 513, op het perceel onmiddellijk rechts palend aan de ontworpen verkaveling. Het terrein is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Turnhout gelegen in woongebied. 1.2. In zitting van 27 september 2005 adviseert het college van burgemeester en schepenen de aanvraag ongunstig, o.m. om de volgende redenen: “(...) - de voorgestelde ordening van het perceel voorziet niet in de gewenste overgang tussen de bestaande meergezinswoningen en de villa’s langs de Antwerpsesteenweg (...) - de locatie bevindt zich aan de rand van een recent overstromingsgebied en in het algemeen een risicogebied voor overstromingen; deze omgeving werd in het verleden reeds geconfronteerd met wateroverlast. Het bestaande maaiveld is 60cm lager gelegen dan de Antwerpsesteenweg en omgeving; indien de toekomstige vloerpassen gelijkvloers worden gerealiseerd op 35cm boven het maaiveld, zoals het advies van Wegen oplegt, betekent dit een terreinverhoging van 85cm; deze noodzakelijke terreinverhoging zal een belangrijke invloed hebben op de waterhuishouding; de bestaande baangrachten kunnen de toevloed aan dak- en oppervlaktewater niet aan”. 1.3. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek worden zes bezwaren ingediend, o.m. door de verzoekende partijen. 1.4. Op 2 augustus 2005 tekenen de heer en mevrouw FRANKEN- GOETELEN beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen tegen de ontstentenis van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen. 1.5. Op 20 februari 2006 brengt de Afdeling Water het volgende advies uit: “Het totale perceel ligt in de vallei van het Schijn, waterloop van 1/ categorie, maar valt buiten de grenzen van het van nature overstroombare X-13.134-3/18 gebied en buiten de grenzen van de ROG 2003 (recent overstroomde gebieden) en buiten de aangeduide risicozones. Voor de lozing van afvalwater en hemelwater dienen hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en een gescheiden stelsel aangelegd te worden volgens gemeentelijke en/of gewestelijke bouwverordening. De afdeling water geeft volgende algemene aanbevelingen: de hoeveelheid bebouwde en verharde oppervlakte dient zoveel mogelijk beperkt te worden alle bestrating bestaat uit waterdoorlatende materialen realisatie van platte of zachthellende daken als ‘groendak”. 1.6. Bij beslissing van 2 maart 2006 van de bestendige deputatie wordt het beroep ingewilligd op grond van de volgende motieven: “De overgang tussen de verschillende bouwtypologieën links en rechts, kan worden gevonden, door het verkavelen van het terrein in twee loten, zoals thans wordt voorgesteld, door het toelaten van meergezinswoningen, zoals thans wordt voorgesteld, maar ook door het aanpassen van de diepte van de voorziene bouwstrook aan deze van de aanpalende bebouwing. De bouwstroken dienen immers maar 5m dieper naar achter toe te worden voorzien om een geleidelijke overgang te krijgen tussen de links en rechts aanpalende bebouwing. De aanvraag kan uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaard worden, indien de diepte van de bouwstrook wordt aangepast aan deze van de aanpalende bebouwing, zoals in rood is aangegeven op de plannen en indien de bijgevoegde stedenbouwkundige voorschriften worden toegepast”. De vergunning wordt verleend “overeenkomstig de in rood gewijzigde plannen, onder de voorwaarden, gesteld in het advies van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap, afdeling Water d.d. 20 februari 2006, en mits toepassing van de bijgevoegde stedenbouwkundige voorschriften”. Dit is het eerste bestreden besluit. 1.7. Bij aangetekend schrijven van 17 maart 2006 wordt de beslissing van de bestendige deputatie verzonden én aan het gemeentebestuur van Malle én aan de aanvragers. 1.8. Het gemeentebestuur van Malle ontvangt deze zending op 20 maart 2006. 1.9. Bij aangetekend schrijven van 19 april 2006 tekent de gemeente Malle beroep aan tegen het vergunningsbesluit van de bestendige deputatie bij de Vlaamse regering. X-13.134-4/18 Op dezelfde datum verzoekt de raadsman van de gemeente Malle de postdiensten een aangetekende zending te verzenden aan de aanvragers. 1.10. Met een besluit van 7 september 2006 van de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening wordt het beroep onontvankelijk verklaard. Het besluit bevat de volgende motieven: “Overwegende dat volgens het beroepsschrift van de gemeente de beslissing zou ontvangen zijn op dinsdag 21 maart 2006; dat echter tijdens huidig onderzoek werd vastgesteld dat het college van burgemeester en schepenen de beslissing van de bestendige deputatie heeft ontvangen op maandag 20 maart 2006; dat dit blijkt uit zowel de aftekening van de rode kaart bij de zending van de bestendige deputatie door de betrokken dienst van de gemeente Malle, als door de inschrijving en stempel op de brief van de bestendige deputatie in het dossier van de gemeente Malle; dat het duidelijk is dat op 21 maart 2006 de wettelijke beroepstermijn van 30 dagen is beginnen lopen; dat dan ook het beroep van het college van burgemeester en schepenen slechts werd ingesteld op de 30e dag, en derhalve laattijdig is omdat het nog onmogelijk diezelfde dag kon zijn ter kennis gegeven aan de aanvrager; dat het beroep bijgevolg niet werd ter kennis gegeven binnen de door de wet gestelde dwingende termijn na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie en dat het dus als onontvankelijk dient beschouwd”. Dit is het tweede bestreden besluit; 2. Rechtspleging Overwegende dat de b.v.b.a. RMV CONSTRUCT met een verzoekschrift van 1 februari 2007 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; 3. Ontvankelijkheid 3.1. Excepties met betrekking tot het voorwerp van de vordering 3.1.1. Overwegende dat de eerste verwerende partij de ontvankelijkheid van de vordering betwist in zoverre die vordering gericht is tegen de eerste bestreden beslissing ; dat zij het volgende aanvoert : “Betreffende de ontvankelijkheid van het beroep Het bestreden besluit van de Vlaamse minister van 7 september 2006 dat het beroep van de gemeente tegen het bestreden besluit van de deputatie van X-13.134-5/18 2 maart 2006 niet ontvankelijk verklaart, heeft alleszins niet tot gevolg dat het laatste besluit zou herleven. Het beroep van de gemeente impliceert enkel de schorsing van de verkavelingvergunning (decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, artikel 53, § 2, eerste lid). De schorsing betekent dat de uitvoerbare kracht van de verkavelingvergunning verdwijnt en dit tot de uitspraak van de Vlaamse minister over het beroep. Het beroep van de gemeente werkt enkel ten gunste van de gemeente en niet van derde partijen. Het bestreden besluit van de deputatie blijft bijgevolg ten opzichte van derde partijen voortbestaan. Het bestreden besluit van de Vlaamse minister doet enkel de schorsing van de verkavelingvergunning verdwijnen. Men kan trouwens niet tegen het bestreden besluit van de Vlaamse minister èn tegen het bestreden besluit van de deputatie ageren. Denk maar aan de situatie die in de hypothese dat de Raad van State zowel het beroep tegen het besluit van de Vlaamse minister als het beroep tegen het besluit van de deputatie gegrond verklaart, zou ontstaan. Men moet bijgevolg beroep (instellen) hetzij tegen het besluit van de Vlaamse minister hetzij tegen het besluit van de deputatie. Het beroep bij de Raad van State is tegen het ultieme besluit in te stellen. Het beroep tegen het besluit van de Vlaamse minister impliceert dan dat het beroep tegen het besluit van de deputatie niet ontvankelijk is”; Overwegende dat de tussenkomende partij de ontvankelijkheid van de vordering ten aanzien van de beide bestreden beslissingen betwist, in de volgende bewoordingen : “In hoofdorde: de vordering tegen beide besluiten is niet ontvankelijk 20. Tegen het eerste aangevochten besluit van 2 maart 2006 van de Bestendige Deputatie van de provincie Antwerpen was geen verder georganiseerd administratief beroep mogelijk door de verzoekende partij. Voor haar was het een eindbesluit. (Het was evenwel niet uitvoerbaar ingevolge het beroep dat er tegen aangetekend werd door de gemeente Malle.) Teneinde haar rechten te vrijwaren en het teloor gaan van haar belang te vrijwaren, had zij binnen 60 dagen na het wijzen van voormeld besluit, dat door haar griefhoudend werd geacht, hiertegen bij de Raad van State in beroep moeten komen. De Raad zou het onderzoek van de vordering hebben verdaagd tot er een eindbesluit zou zijn, met zelfde uiteindelijk resultaat, nl. een herleven van het besluit van de Bestendige Deputatie, over het besluit van de minister. Verzoekende partij heeft geen afzonderlijke vordering aanhangig gemaakt Daardoor is de vordering tegen dat besluit nu niet ontvankelijk. 21. Ingevolge de devolutieve kracht van het beroep bij de minister, kan dat besluit nu slechts als het aangevochten besluit worden weerhouden. Er is geen samenhang ingeroepen of toegelicht tussen de beide besluiten. 22. Een verzoekschrift kan enkel ten opzichte van het eerste voorwerp onderzocht worden op zijn ontvankelijkheid en gegrondheid zoals uit vaste rechtspraak van Uw Raad blijkt: ‘Bij gebrek aan samenhang tussen de verschillende voorwerpen, is het verzoekschrift slechts ontvankelijk voor het eerste voorwerp.’ 23. Er kan geen sprake van samenhang zijn tussen het eerste aangevochten besluit van de Bestendige Deputatie van Antwerpen en het tweede aangevochten besluit van de Minister. Gezien enkel het eerste voorwerp van een vordering ontvankelijk kan zijn conform de hierboven aangehaalde rechtspraak van uw Raad én hoger reeds werd aangehaald dat de vordering wat betreft dit eerste voorwerp onontvankelijk is nu het geen bij de Raad X-13.134-6/18 aanvechtbare administratieve rechtshandeling betreft en de vordering ter vrijwaring van de rechten evenmin tijdig werd aanhangig gemaakt, is tevens het tweede onderdeel van de vordering dat gericht is tegen het besluit van de Minister, in zoverre tijdig, niet ontvankelijk. Er is uiteraard evenmin een samenvoeging noodzakelijk ... 24. In de regel is het immers zo dat slechts één rechtshandeling per verzoekschrift kan bestreden worden. Het vormt een dwingende vereiste van goede rechtsbedeling dat slechts één vordering per verzoekschrift wordt ingesteld. Uitzonderlijk is een afwijking op dit principe mogelijk, met name wanneer de onderscheiden bestreden besluiten een zodanige samenhang vertonen dat, indien zij het voorwerp hadden uitgemaakt van afzonderlijke verzoekschriften, deze hadden kunnen worden samengevoegd door de Raad van State. Samenhang van onderscheiden beslissingen, derwijze dat een samenvoeging van de daartegen ingestelde beroepen noodzakelijk is, kan, blijkens de rechtspraak van Uw Raad, slechts onder restrictieve voorwaarden aangenomen worden. Bij nadere beschouwing van de huidige aangevochten beslissingen, enerzijds, en de stringente jurisdictionele voorwaarden van samenhang, anderzijds, kan enkel geconcludeerd worden dat aanvechting van de twee onderscheiden beslissingen in één en hetzelfde verzoekschrift niet op ontvankelijke wijze mogelijk is. 25. Gezien de eerste aangevochten akte niet uitvoerbaar is ingevolge het beroep bij de Minister en evenmin tijdig ter vrijwaring van de rechten werd aangevochten, is de vordering om voormelde redenen en op basis van de aangehaalde rechtspraak in zijn geheel niet ontvankelijk. In ondergeschikte orde. 26. In casu betreft het eerste aangevochten besluit van 2 maart 2006 vanwege de Bestendige Deputatie te Antwerpen geen definitieve uitvoerbare en in laatste aanleg genomen administratieve rechtshandeling, nu er georganiseerd administratief beroep tegen open stond en er ook effectief dergelijk beroep werd aangetekend. De gemeente Malle heeft gebruik gemaakt van die beroepsmogelijkheid, hetgeen leidde tot het tweede bestreden besluit van 7 september 2006 van de Minister. Dat is de enige beslissing die in laatste aanleg werd genomen. Enkel dat besluit is op ontvankelijke wijze aanvechtbaar voor de Raad. Slechts in zoverre hiertegen op ontvankelijke en gegronde wijze wordt opgekomen, kan het eerdere besluit van de Bestendige Deputatie worden onderzocht. 27. Er zijn twee mogelijkheden. Ofwel aanvaardt men de wettigheid van het besluit van de minister dan wel aanvaardt men de wettigheid van het besluit van de minister niet en vecht men dat besluit, zijnde het besluit genomen in laatste aanleg, aan. 28. In casu vecht men het besluit van de minister aan als onwettig nu men van oordeel is dat het beroep van de gemeente wel degelijk ontvankelijk was, in tegenstelling tot wat de minister besliste. Indien men van die stelling uitgaat, kan onmogelijk tegelijkertijd voorgehouden worden dat het besluit van de deputatie een definitief in laatste aanleg genomen - en dus uitvoerbaar en bij de Raad aanvechtbaar - besluit is. Integendeel, dat kan het niet zijn nu men het standpunt inneemt dat de minister na vaststelling van de onwettigheid van zijn besluit immers opnieuw over de ontvankelijkheid alsook ten gronde over het dossier zal moeten oordelen. 29. Het staat vast dat het eerste bestreden besluit van de deputatie, niet op ontvankelijke wijze kan worden aangevochten voor Uw Raad. Het verzoek tot schorsing moet om die redenen worden afgewezen als onontvankelijk in zoverre het gericht is tegen het besluit van de deputatie. Omwille van de voormelde leer, kan het tweede besluit niet meer worden onderzocht. De vordering in haar geheel is niet ontvankelijk. Minstens is de vordering niet ontvankelijk in zoverre ze gericht is tegen het besluit van de Deputatie. X-13.134-7/18 30. Verzoekende partij in tussenkomst verwijst naar hetgeen zij hoger uiteenzette omtrent de onontvankelijkheid van het verzoek tot schorsing in zoverre het gericht is tegen het besluit van de deputatie en meent dat de verzoekende partij om die reden niet over het vereiste belang beschikt om het besluit van de deputatie aan te vechten bij de Raad”; 3.1.2.1. Overwegende dat, op grond van het bepaalde in artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, alleen het college van burgemeester en schepenen en de gemachtigde ambtenaar de mogelijkheid hebben bij de Vlaamse regering in beroep te komen tegen een beslissing van de deputatie waarbij deze een vergunning verleent ; dat derhalve alleen deze overheden over de vereiste hoedanigheid beschikken om de nietigverklaring en de schorsing te vorderen van een ministerieel besluit waarbij dergelijk beroep niet ontvankelijk wordt verklaard; dat de vordering niet ontvankelijk is in zoverre ze is gericht tegen de tweede bestreden beslissing ; 3.1.2.2. Overwegende dat, vermits de tweede bestreden beslissing zich niet heeft uitgesproken over de verkavelingsaanvraag zelf, doch alleen het tegen de eerste bestreden beslissing ingesteld administratief beroep als niet ontvankelijk heeft verworpen, het annulatieberoep en de vordering tot schorsing terecht werden ingesteld tegen het eerste bestreden besluit ; dat de excepties worden verworpen in zoverre ze gericht zijn tegen de eerste bestreden beslissing ; 3.2. Ontvankelijkheid ratione temporis 3.2.1. Overwegende dat de tussenkomende partij met betrekking tot de tijdigheid van de vordering het volgende doet gelden : “9. De bestreden besluiten dateren van 2 maart 2006 en 7 september 2006. Ze diende(
- n)niet te worden betekend. Het verzoekschrift tot schorsing volgt 10 maanden na het oudste bestreden besluit, en 106 dagen na het tweede bestreden besluit. De vraag is wanneer verzoekende partij kennis kreeg van de bestreden besluiten en op welke wijze. Afhankelijk van die vraag kan nagegaan worden of het verzoekschrift tot schorsing al dan niet tijdig werd ingediend. Doordat verzoekende partij hierover, hoewel die informatie m.b.t. de tijdigheid van de vordering in casu niet bijkomstig maar essentieel is, met geen woord rept in het inleidend verzoekschrift, toont ze allerminst de tijdigheid van de vordering aan. Het verzoek is niet ontvankelijk. 10. In het arrest (...) wordt gesteld dat niemand het tijdstip waarop hij de kennis, vereist om een annulatieberoep in te stellen, zal opdoen, naar eigen goeddunken mag uitstellen en dat wel integendeel verwacht wordt dat men onverwijld op informatie uitgaat. Immers, de eisen van de behoorlijkheid zijn niet enkel na te leven door het bestuur; ook de rechtsonderhorige dient in overeenstemming hiermee te handelen en zich loyaal te gedragen. Mede op X-13.134-8/18 deze laatste rust de zorgvuldigheidsplicht, zij het niet met dezelfde gestrengheid als t.a.v. het bestuur omwille van de ongelijkheid van de partijen. Die mildere behandeling ontslaat de rechtzoekende er niet van redelijk, met een minimum aan zorgvuldigheid te handelen: wie zich zo niet gedraagt, kan zich niet beklagen over schending van rechtsaanspraken die hij had kunnen voorkomen door zich wel zo te gedragen. 11. Verzoekende partij diende bezwaar in tijdens het openbaar onderzoek. Zij wist dat er een aanvraag was en dat er een besluit zou komen. Zij had zich hierover regelmatig moeten informeren om haar rechten op gepaste wijze te kunnen vrijwaren. Door slechts beroep aan te tekenen meer dan 10 maanden na het besluit van de Bestendige Deputatie tegen dat besluit, en daar middelen tegen te ontwikkelen, toont zij haar eigen gebrek aan zorgvuldigheid aan”; 3.2.2. Overwegende dat, ten gevolge van het ertegen ingestelde administratief beroep door de gemeente Malle, de eerste bestreden beslissing pas definitief is geworden na de verwerping van dat beroep bij de tweede bestreden beslissing; dat de beroepstermijn derhalve pas een aanvang nam na de feitelijke kennisneming door de verzoekende partijen van deze laatste beslissing; dat in de huidige stand van het geding niet blijkt dat die beslissing laattijdig werd aangevochten; dat de exceptie wordt verworpen ; 3.3. Belang Overwegende dat de eerste verwerende partij opmerkt dat het verzoekschrift wat het preciseren van het belang van de verzoekende partijen betreft, “duister” is; dat zij evenwel zelf, terecht, aangeeft dat de verzoekende partijen het rechts aanpalend terrein bewonen; dat deze laatste partijen dan ook het vereiste belang hebben; 4. Ten gronde 4.1. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.2.1.1. Overwegende, wat de eerste schorsingsvoorwaarde betreft, dat het eerste middel gericht is tegen de eerste bestreden beslissing; dat het als volgt is geformuleerd: X-13.134-9/18 “Eerste middel. genomen uit de schending van de artikelen 55 §1, en 53 §3 en 51 van de bij Decreet dd. 22 oktober 1996 gecoördineerde Stedenbouwwet (verder DRO), Doordat, de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen bij haar besluit dd. 2 maart 2006 de bestreden vergunning aflevert op basis van een verkavelingsplan, waarop de op het door de aanvrager ingediende ontwerp in die zin wordt gewijzigd dat de bebouwbare zone van de kavels een vijftal meter achteruit wordt geschoven ten opzichte van de voorliggende Antwerpsesteenweg, En doordat, hierdoor bij het bestreden besluit de verkavelingsvergunning wordt afgeleverd op basis van plannen die op een essentieel punt werden gewijzigd ten opzichte van de plannen die de aanvrager voorlegde aan het College van Burgemeester en Schepenen, en daarmee de vergunning aflevert onder een voorwaarde die het ingediende plan op een essentieel punt wijzigt Terwijl, Artikel 53 §3DRO de beroepsinstantie niet toelaat een verkavelingsvergunning (...) uit te reiken door het ontwerp van de oorspronkelijke aanvraag fundamenteel te wijzigen En terwijl, de wijziging van de bebouwbare oppervlakte op de ontworpen kavels een fundamentele wijziging uitmaakt, nu deze gelet op de in de onmiddellijke omgeving bestaande ruimtelijke ordening determinerend was voor de inwilliging van de aanvraag Zodat, het bestreden besluit, door de vergunning af te leveren op basis van plannen die ten opzichte van het bij het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Malle ingediende ontwerp op een essentieel punt werden gewijzigd, de in het middel aangehaalde bepalingen hebben geschonden, en wel kennelijk, zodat de vergunning behoort te worden vernietigd met toepassing van artikel 94 van het procedurereglement”; 4.2.1.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij repliceert : “Het circa vijf meter achterwaarts verschuiven van de voorgevelbouwlijn ten opzichte van de Antwerpsesteenweg kan geenszins als een wijziging van de aanvraag op een essentieel punt gelden. Het terrein heeft immers een diepte van 54,5 meter aan de linker zijde en een diepte van 86,79 meter aan de rechter zijde. De verschuiving is bijgevolg beperkt in relatie tot de diepte van het terrein. De verschuiving dient overigens enkel de goede ruimtelijke ordening: de verschoven voorgevelbouwlijn vormt de geleidelijke overgang tussen de voorgevel van het links gelegen appartementsgebouw en de rechtsaanpalende villa. De verschuiving is ook voor de verzoekende partij van belang”; Overwegende dat de tweede verwerende partij hetzelfde verweer voert; Overwegende dat de tussenkomende partij het volgende doet gelden: “Weerlegging van het middel: A ONONTVANKELIJKHEID VAN HET MIDDEL 99. Verzoekende partij in tussenkomst verwijst naar wat zij voorheen uitvoerig uiteenzette ter argumentatie van het feit dat het verzoekschrift onontvankelijk (
- is)in zoverre het gericht is tegen het besluit van de deputatie, X-13.134-10/18 hetgeen hier als integraal hernomen aanzien wordt. In die zin is het eerste en tweede middel, gericht tegen het besluit van de Bestendige Deputatie, onontvankelijk. B ONDERGESCHIKT: ONGEGRONDHEID VAN HET MIDDEL 100. Voor zover de Raad zou oordelen dat het verzoekschrift toch ontvankelijk zou zijn in zoverre het gericht is tegen het besluit van de Bestendige Deputatie, quod certe non, wordt hierna de ongegrondheid van het middel aangetoond. 101. Verzoekende partij houdt voor dat er sprake is van een essentiële wijziging van de aanvraag na het openbaar onderzoek, hetgeen onwettig zou zijn. 102. Vooreerst dient benadrukt dat de aangehaalde rechtspraak hier niet van toepassing is. De aanvraag werd geenszins gewijzigd sinds haar indiening. Er werd geen bijkomende info, noch stukken, noch toelichting verschaft over de inplantingsplaats van de gebouwen zoals verzoekende partijen onterecht voorhouden met verwijzing naar de door hun aangehaalde rechtspraak. Er werd niets aan het dossier toegevoegd van de zijde van de aanvrager na het openbaar onderzoek. 103. Wat gebeurde is dat de vergunningverlenende overheid een vergunningsvoorwaarde oplegde hetgeen perfect in overeenstemming is met haar decretaal vastgelegde bevoegdheid, meerbepaald artikel 105, §2 DORO: ‘§ 2. De vergunningverlenende overheid kan voorwaarden opleggen in het kader van het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning.’ 104. Tot slot kan nog aangevuld worden dat uit niets blijkt dat zonder deze voorwaarde de vergunning niet verleend had kunnen worden, en dus uit niets blijkt dat deze voorwaarde als essentieel bestempeld zou kunnen worden voor het geval al geoordeeld zou worden dat het opleggen van een voorwaarde aan de vergunning zoals in casu gebeurde decretaal niet mogelijk, laat staan onwettig zou zijn, quod certe non. Zulks blijkt onmiskenbaar uit de bewoording van het bestreden besluit zelf: ‘Het schepencollege heeft recent vergunning afgeleverd voor het oprichten van 3 grote appartementsgebouwen op het aanpalende perceel. De overgang tussen de verschillende bouwtypologieën links en rechts, kan worden gevonden, door het verkavelen van het terrein in twee loten, zoals thans wordt voorgesteld, door het toelaten van meergezinswoningen, zoals thans wordt voorgesteld, maar ook door het aanpassen van de diepte van de voorziene bouwstrook aan deze van de aanpalende bebouwing. De bouwstroken dienen immers maar 5m dieper naar achter toe te worden voorzien om een geleidelijke overgang te krijgen tussen de links en rechts aanpalende bebouwing.’ 105. Uit de formulering blijkt dat de inplanting zoals deze als voorwaarde wordt opgelegd geenszins essentieel is, nu uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat de overgang tussen de verschillende bouwtypologieën links en rechts bekomen kan worden op verschillende wijzen waarvan er reeds twee in de aanvraag voorzien werden. Het zou tevens op een derde wijze kunnen, dewelke als bijkomende - extra en dus geenszins decisief - wordt opgelegd. 106. Het middel is om al deze redenen, indien ontvankelijk, geenszins ernstig”; 4.2.2.1. Overwegende dat, om de redenen uiteengezet onder randnummer 3.1.2.1, de vordering ontvankelijk is ten aanzien van de eerste bestreden beslissing; dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid ten opzichte van het eerste middel om dezelfde redenen wordt verworpen; X-13.134-11/18 4.2.2.2. Overwegende dat artikel 53, §3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, overeenkomstig artikel 55, §1, van hetzelfde decreet mede van toepassing op de verkavelingsvergunning, als volgt luidt: “De beslissingen van de bestendige deputatie en van de Vlaamse regering worden met redenen omkleed. De vergunning kan worden geweigerd om dezelfde redenen, worden verleend onder de voorwaarden of kan de afwijkingen toestaan, bedoeld in de artikelen 43, 44 en 49”; dat deze bepaling de deputatie niet de bevoegdheid geeft om in beroep een vergunning te verlenen voor een verkaveling die op essentiële punten afwijkt van de aanvraag die bij het college van burgemeester en schepenen was ingediend; Overwegende dat de deputatie de aanvraag heeft ingewilligd op grond van de volgende motieven: “De overgang tussen de verschillende bouwtypologieën links en rechts, kan worden gevonden, door het verkavelen van het terrein in twee loten, zoals thans wordt voorgesteld, door het toelaten van meergezinswoningen, zoals thans wordt voorgesteld, maar ook door het aanpassen van de diepte van de voorziene bouwstrook aan deze van de aanpalende bebouwing. De bouwstroken dienen immers maar 5m dieper naar achter toe te worden voorzien om een geleidelijke overgang te krijgen tussen de links en rechts aanpalende bebouwing. De aanvraag kan uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaard worden, indien de diepte van de bouwstrook wordt aangepast aan deze van de aanpalende bebouwing, zoals in rood is aangegeven op de plannen en indien de bijgevoegde stedenbouwkundige voorschriften worden toegepast”; dat zij de vergunning heeft afgegeven “overeenkomstig de in rood gewijzigde plannen, onder de voorwaarden, gesteld in het advies van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap, afdeling Water d.d. 20 februari 2006, en mits toepassing van de bijgevoegde stedenbouwkundige voorschriften”; Overwegende dat uit wat voorafgaat lijkt te moeten worden afgeleid dat de deputatie de vergunning afgeeft voor een verkaveling waarbij de voorgevelbouwlijn circa 5m achterwaarts is verschoven; dat “(de aanpassing van) de diepte van de bouwstrook (...) aan deze van de aanpalende bebouwing” blijkens de bewoordingen van het bestreden besluit de deputatie ertoe gebracht lijkt te hebben de aanvraag uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te aanvaarden; dat de opgelegde aanpassing van de diepte van de bouwstrook derhalve de initieel voorgelegde verkavelingsaanvraag op een essentieel punt lijkt te X-13.134-12/18 wijzigen; dat dit niet het opleggen van een voorwaarde lijkt te betreffen; dat de deputatie haar bevoegdheid lijkt te hebben overschreden door een vergunning te verlenen voor een verkaveling die essentieel afwijkt van de oorspronkelijke aanvraag; Overwegende dat noch de omstandigheid dat de wijziging niet is gebeurd op initiatief van de aanvrager maar op initiatief van de vergunningverlenende overheid in graad van beroep, noch de grootte van het perceel, hieraan afbreuk lijken te doen; dat het eerste middel ernstig is; 4.3.1.1. Overwegende, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen onder meer aanvoeren: “Daar waar verzoekers’ woning ter linkerzijde momenteel paalt aan een bos, zullen zij na de tenuitvoerlegging van de verkaveling worden geconfronteerd met een appartementsgebouw met een kroonlijsthoogte van 6 meter waarop een zadeldak met een hellingsgraad tot 55%, wat resulteert in een nokhoogte van meer dan 10m, en dit op 4 meter van de perceelsgrens. Conform het gewijzigde verkavelingsplan valt de achteruitbouwlijn van de ontworpen verkaveling volledig samen met de achtergevel van de villa van verzoekers. Dit biedt hen ten opzichte van het door de aanvrager opgestelde ontwerp het specifieke nadeel dat de inkijk vanuit de in uitvoering van de verkaveling op te trekken meergezinswoningen op de tuin van verzoekers niet langer ten dele belemmerd zal worden door de garage die gelegen is tussen het verkavelde perceel en hun woning. Door de verschuiving van de achteruitbouwlijn, zullen immers de bewoners van de meergezinswoningen die in uitvoering van de verkavelingsvergunning zullen worden opgetrokken van op de terrassen aan de achtergevel een ruim uitzicht hebben op de tuin van verzoekers en meer nog op het terras van verzoekers, het gedeelte van de tuin dat meest intensief wordt gebruikt. Het spreekt voor zich dat zulke vrije inkijk op de tuin van verzoekers hun woongenot ernstig zal schaden. (..) Uw Raad oordeelde reeds eerder dat privacyverlies door inkijk op de tuin van een woning en het woongenotverlies dat dit met zich brengt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is. Daar waar verzoekers tot op heden ongestoord kunnen genieten van hun tuin in een landelijke omgeving, zullen zij nu worden geconfronteerd met ongegeneerde inkijk in hun tuin van op de terrassen en vanuit de ramen van de appartementsgebouwen die in uitvoering van de verkaveling zullen worden opgetrokken. (...). (...) Reeds eerder besliste Uw Raad dat het verlies van een uitzicht op onbebouwde terreinen voor de onmiddellijk omwonenden een moeilijk te herstellen ernstig nadeel met zich brengt, waarbij het irrelevant is of deze de facto onbebouwde terreinen volgens hun stedenbouwkundige bestemming ja dan neen bebouwbaar zijn. Overwegende dat kunnen wonen met uitzicht op niet bebouwde gronden en kunnen genieten van privacy, zoals dit voor verzoekers het geval blijkt te zijn, onschatbare voordelen zijn; dat moet worden aangenomen dat het teloorgaan of het verlies ervan op zich een ernstig nadeel is dat tevens moeilijk te X-13.134-13/18 herstellen is; dat dit nadeel slechts moet worden ondergaan indien de bouwvergunning die aan die voordelen een einde maakt wettig blijkt te zijn; dat, zoals hierboven is gebleken, dit vooralsnog niet het geval is; dat voldaan is aan de tweede schorsingvoorwaarde; (...) Het is evident dat dit ernstig nadeel ook moeilijk te herstellen zal zijn. Volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State vergt het via gerechtelijke weg bekomen van een gedwongen afbraak van opgetrokken gebouwen, nadat de vergunningen in uitvoering waarvan deze gebouwen zijn opgetrokken een zeer moeilijke en hard te bevechten procedure, zodat daaruit moet worden afgeleid dat het nadeel moeilijk te herstellen is (...). Het nadeel vindt ook zijn oorzaak in het bestreden besluit zelf. Het bestreden besluit regelt op micro-niveau de ruimtelijke ordening op het verkavelde perceel, en geeft dus de concrete invulling aan het gewestplan. De inplanting, de bouwhoogte, het bouwvolume en de afstand tot de perceelsgrenzen die precies het nadeel dat verzoekers leiden concretiseert, worden bij het bestreden besluit geregeld, en geven nu reeds op bindende en verordenende wijze aan binnen welke grenzen de in de toekomst aangevraagde stedenbouwkundige vergunningen zullen kunnen worden afgeleverd. (...). Hoewel het perceel waarop het bestreden besluit slaat volgens de voorschriften van het gewestplan Turnhout gelegen is in het woongebied, kan evenmin worden gesteld dat het nadeel dat verzoekers lijden zijn oorzaak vindt in de gewestplanbestemming van het gebied. Het is wel zo dat ingevolge de gewestplanbestemming van het perceel, mijn verzoekers zich konden verwachten aan de bebouwing van het perceel, doch dit houdt niet in dat de concrete invulling (die) de thans bestreden verkavelings- vergunning geeft aan deze ‘verwachting’, voor verzoekers geen enkel nadeel kan veroorzaken dat voortvloeit uit de bestreden vergunning. Van verzoekers kan immers niet worden verwacht dat zij zich dienen neer te leggen bij om het even welke stedenbouwkundige vergunning (...). Bovendien is het in ieder geval zo dat, indien verzoekers de realisering van het Gewestplan op het betrokken perceel sowieso zouden dienen te ondergaan, wat niet het geval is, zij dit nadeel in ieder geval slechts moeten ondergaan indien de bouwvergunning die aan het voordeel van het uitzicht op een onbebouwd perceel een einde maakt wettig blijkt te zijn, wat, zoals uit de middelen blijkt, niet het geval is (...)”; 4.3.1.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij hierop repliceert : “1. De verzoekende partij veronderstelt dat het uitvoeren van de verkavelingvergunning in appartementsgebouwen resulteert. De verkavelingvergunning staat echter zowel eengezinshuizen als meergezins- woningen toe (artikel 2.01.1). Het is eveneens toegestaan om de achtergevel van de gebouwen op 8 meter vanuit de voorgevel te plaatsen (artikel 2.01.3.b). Het eventueel moeilijk te herstellen ernstig nadeel volgt geenszins uit het uitvoeren van de verkavelingvergunning. De verzoekende partij moet op de fase van het afgeven van de stedenbouwkundige vergunningen wachten. 2. Het achterwaarts verschuiven van de voorgevelbouwlijn faciliteert enkel maar in beperkte mate de inkijk vanuit de voorziene gebouwen in de tuin van de verzoekende partij, Het verschuiven heeft ook (een) positief effect op het terrein van de verzoekende partij. Het uitzicht vanuit het voorste gedeelte van het terrein verbetert immers: de verzoekende partij kijkt op veel minder storende wijze op de rechter zijgevel van het voorziene gebouw uit. De X-13.134-14/18 verzoekende partij gaat bijgevolg beter zicht op de voortuin van het voorziene gebouw en de Antwerpsesteenweg hebben. De verkavelingvergunning staat ook toe om de achtergevel op 8 meter vanuit de voorgevel te plaatsen (artikel 2.01.3.b). Het is bijgevolg niet verplicht om de diepte van het voorziene gebouw op 17 meter uit te voeren. 3. Men moet bij het appreciëren van het recht op uitkijk op niet bebouwde terreinen wel acht op de bestemming die de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen voorzien, geven. Het betrokken terrein heeft de bestemming van woongebied volgens het gewestplan. Het is bijgevolg te verwachten dat de bestemming van woongebied ooit verwezenlijkt wordt. Het recht van uitkijk op niet bebouwde terreinen staat aldus in subsidiaire orde tot de bestemming van het terrein. 4. Het verzoekschrift stelt terecht dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit de stedenbouwkundige vergunningen volgt (p. 10, laatste lid, en p.11, leden 5 en 6). Het uitvoeren van de verkavelingvergunning veroorzaakt inderdaad geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Dit kan eventueel enkel bij het afgeven van de stedenbouwkundige vergunningen ontstaan. Het concretiseren van de stedenbouwkundige voorschriften van de verkavelingvergunning gebeurt pas op dit moment. De effectieve impact van de verkavelingvergunning blijkt dan maar pas”; Overwegende dat de tweede verwerende partij in dezelfde zin argumenteert; Overwegende dat de tussenkomende partij dienaangaande het volgende stelt: “A VERLIES AAN PRIVACY, UITZICHT EN WOONGENOT A. 1 Geen rechtstreeks nadeel 49. Verzoekende partij houdt voor door de uitvoering van het bestreden besluit een verlies aan privacy, uitzicht en woongenot te moeten ondergaan, hetgeen een MTHEN in haren hoofde zou vormen. 50. Bij de beoordeling van het MTHEN dient er rekening te worden gehouden met het feit dat het nadeel specifiek en rechtstreeks moet voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning. Hieruit volgt dat moet worden aangetoond dat het besluit waarvan de schorsing wordt gevorderd aan de oorsprong ligt van het nadeel en er een rechtstreeks causaal verband is. 51. In casu is het onmiskenbaar dat het voorgehouden nadeel geenszins rechtsreeks voortvloeit uit de bestreden besluiten. Het voorwerp van de bestreden besluiten is namelijk een verkavelingsvergunning. Die verkavelings- vergunning geeft op zich, zonder afzonderlijke uitvoerbare stedenbouwkundige vergunning, geen recht tot bebouwing of ontbossing. Dat zal in de toekomst het voorwerp van een stedenbouwkundige bouwvergunning uitmaken. Het is de uitvoering van dergelijk besluit dat mogelijkerwijze de rechtstreekse oorzaak van het voorgehouden nadeel zou kunnen vormen. Er bestaat dus geenszins een rechtsreeks causaal verband tussen de bestreden besluiten en het voorgehouden nadeel, dat nooit het rechtsreeks gevolg kan zijn van de uitvoering van de bestreden besluiten. 52. Er is geen sprake van een MTHEN zoals wordt voorgehouden bij gebrek aan rechtstreeks verband tussen de bestreden besluiten en het voorgehouden nadeel. De vordering is om die reden onontvankelijk. X-13.134-15/18 A.2 Voorgehouden MTHEN is volstrekt ongegrond 53. Ondergeschikt gaat verzoekende partij in tussenkomst in op het voorgehouden nadeel, en zal zij hierna aantonen dat hiervan geen sprake kan zijn. Het voorgehouden MTHEN betreft verlies aan privacy, uitzicht door kapping van bomen en verlies van woongenot. Op het eerste en laatste element, die samenhangen, wordt eerst ingegaan. 54. Privacy en in- en uitkijkmogelijkheid zijn recht evenredig met de plaats waar iemand woont. Naar gelang men meer in een dorpscentrum, stad of aan een drukke weg woont is er minder privacy dan wanneer men op de ‘diepe’ buiten woonachtig is. Verzoekende partij woont langsheen één van de drukste gewestwegen in de provincie, meerbepaald langsheen de Antwerpsesteenweg die Antwerpen met Turnhout verbindt. Ontegensprekelijk kan men daar geen absolute privacy zonder enige in- of uitkijkmogelijkheid claimen. Overigens volgt het aldus geformuleerde nadeel niet uit het aangevochten besluit op zich maar uit de ligging van de eigen woning en eigen tuin in een druk woongebied. Er is geen rechtstreeks causaal verband tussen het voorgehouden nadeel en het aangevochten besluit. Het nadeel volgt uit de bestemming als woonzone en de ligging van het perceel. Er moet een causaal verband zijn tussen het voorgehouden MTHEN en het aangevochten besluit. Uit de bewoordingen van artikel 17, §2, van de gecoördineerde wetten op de raad van State kan worden afgeleid dat het MTHEN moet voortvloeien uit de uitvoering van de bestreden beslissing als zodanig, zodat wanneer dat MTHEN daaruit niet rechtstreeks voortkomt, niet voldaan is aan de tweede schorsingsvoorwaarde. (...) 55. Er is geen schending van de privacy of het woongenot door de bestreden besluiten die perfect tegemoet komen aan wat overeenstemt met goede plaatselijke ruimtelijke ordening, draagkracht, aanvaardbare perceelsordening en integratie, rekening houdend met configuratie en aanwezige bebouwing in de omgeving. Men kan zich verwachten aan vergunningen zoals de aangevochten. 56. Uit de hieronder gevoegde foto blijkt het voorgaande overigens duidelijk. Het perceel van verzoekende partij is als het ware omringd door grote appartementsgebouwen, die eigen zijn aan de ligging langs een drukke verkeersader en de ligging in woongebied: 57. Hierbij kan tevens gewezen worden naar het profiel van het ontwerp van appartementen in verhouding tot de naastgelegen bebouwing van verzoekende partij: 58. De afstand tussen de geplande bebouwing en de woning van verzoekende partijen is overigens +/- 10m, hetgeen ruim is in de betreffende context. 59. Er is aldus geen ernstig nadeel. Het voorgehouden nadeel volgt uit de ligging van de eigendom van verzoeker eerder dan uit de aangevochten besluiten, en waaruit overigens zoals hoger uitvoerig besproken het nadeel niet voortvloeit, doch slechts mogelijkerwijze uit een later te volgen besluit tot vergunning van bepaalde gebouwen”; 4.3.2. Overwegende dat de eerste bestreden beslissing het mogelijk maakt twee meergezinswoningen op te richten op het kwestieuze perceel; dat uit het aanvraagdossier blijkt dat het wel degelijk de bedoeling van de tussenkomende partij is dergelijke woningen, en geen eengezinswoningen, op te trekken; dat de bestreden verkavelingsvergunning ook aangeeft waar deze gebouwen op het perceel moeten worden ingeplant, en zelfs de bouwdiepte zodanig wijzigt ten opzichte van de ingediende plannen, dat de gebouwen vijf meter achterwaarts moeten worden X-13.134-16/18 opgetrokken; dat de aangevoerde nadelen dan ook op de eerste plaats hun oorsprong vinden in de bestreden verkavelingsvergunning, en niet in de later te verlenen stedenbouwkundige vergunningen voor het optrekken van de meergezinswoningen; Overwegende dat de aangevoerde nadelen niet op de eerste plaats voortvloeien uit de gewestplanbestemming “woongebied”; dat dergelijke bestemming immers niet toelaat eender waar in het woongebied eender welk gebouw op te trekken; dat in casu de inplantingsplaats van de gebouwen decisief was voor het verlenen van de bestreden vergunning ; dat de aangevoerde nadelen wat betreft de inkijk precies verbonden worden aan de opgelegde bouwdiepte; Overwegende dat niet wordt betwist dat, gelet op de door de eerste bestreden beslissing opgelegde inplantingsplaats, bewoners van de later op te richten meergezinswoning op het perceel onmiddellijk palend aan dit van de verzoekende partijen rechtstreeks inkijk zullen kunnen nemen in de tuin van de verzoekende partijen; dat de verwerende en de tussenkomende partij dit niet echt betwisten; dat hun argumenten aan die vaststelling geen afbreuk vermogen te doen; dat het betoog van de verzoekende partijen dienaangaande overtuigt; dat dit ook het geval is wat de moeilijke herstelbaarheid van het ernstig nadeel betreft; dat ook aan de tweede schorsingsvoorwaarde is voldaan, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de b.v.b.a. RMV CONSTRUCT in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 2 maart 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende inwilliging van het beroep dat de heer en mevrouw FRANKEN-GOETELEN hebben ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle over de aanvraag tot het verkavelen van een terrein gelegen te Malle aan de Antwerpsesteenweg, kadastraal gekend sectie B, nr. 648/l, en waarbij de vergunning X-13.134-17/18 wordt verleend overeenkomstig de in rood gewijzigde plannen, onder de voorwaarden, gesteld in het advies van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap, afdeling Water d.d. 20 februari 2006, en mits toepassing van de bijgevoegde steden- bouwkundige voorschriften. Artikel 3. De vordering tot schorsing wordt voor het overige verworpen. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juni 2007, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.134-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.120 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.095 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div