← België

Arrest 172174 - Monumenten en Landschappen - 12/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.174 Rolnummer: A. 71916/X-11039 Zaak: Arrest 172174 - Monumenten en Landschappen - 12/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-24 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 20:20 Fiche Arrest nr 172.174 van 12 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Kantmelding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.174 van 12 juni 2007 in de zaak A. 71.916/X-11.

  1. In zake : Victor VAN DEN EYNDE, die woonplaats kiest bij advocaat J. DE RIECK, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Vaartstraat 70 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Victor VAN DEN EYNDE op 4 november 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 juni 1996 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling houdende rangschikking als landschap om reden van esthetische, historische en wetenschappelijke waarde, van het gebied “De Kesselse Heide - Het Goor”, gelegen te Nijlen (Kessel), “minstens voor wat betreft zijn toepassing op de percelen, onder Nijlen, 1ste afdeling, sectie D, nrs. 678, 679, 680 en 681”; Gelet op het arrest nr.133.061 van 25 juni 2004 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 17 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; X-11.039-1/5 Gelet op de beschikking van 13 februari 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 2 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. WARGÉE, die loco advocaat J. DE RIECK verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat N. DE CLERCQ, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat uit de door de verzoekende partij neergelegde stukken blijkt dat het beroep tot nietigverklaring is ingeschreven op de kant der overschrijving van het besluit waarvan de vernietiging wordt gevorderd; dat is voldaan aan het vereiste in artikel 3 van de Hypotheekwet; Overwegende dat ambtshalve dient te worden nagegaan of het bestreden besluit niet is aangetast door de onbevoegdheid van de steller ervan; Overwegende dat naar luid van artikel 2, §1, 1/, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 oktober 1992 tot delegatie van de beslissings- bevoegdheden aan de leden van de Vlaamse regering, zoals gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 20 januari 1993 en van 7 oktober 1993, de leden delegatie hebben voor “het nemen van beslissingen, rekening houdend met de bevoegdheidsverdeling, voor de toepassing van de wetten, decreten, koninklijke besluiten, ministeriële besluiten, verordeningen en besluiten van de Vlaamse regering”; dat, op grond van artikel 2, §2, van hetzelfde besluit, die delegatie ook geldt “voor beslissingen die door de bevoegde leden van de Vlaamse regering gezamenlijk moeten genomen worden”; Overwegende dat het bestreden besluit is genomen op grond van het decreet van 16 april 1996 houdende bescherming van landschappen, door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling, Theo KELCHTERMANS, die X-11.039-2/5 overeenkomstig artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juni 1995 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit bevoegd was voor o.m. “de landschappen, zoals vermeld in artikel 6, § 1, I, 7/, van de bijzondere wet”; Overwegende dat artikel 2 van het bestreden besluit “voor de behartiging van het nationaal belang” een aantal beperkingen stelt aan de rechten van de eigenaars; zo is onder meer verboden: “
  3. Het oprichten van een gebouw of eender welke constructie uit om het even welk materiaal, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd, op de grond steunend, of aan om het even welke drager vastgemaakt.
  4. Het plaatsen van eender welke verplaatsbare constructie of delen ervan die al dan niet voor bewoning kunnen worden gebruikt, behalve deze noodzakelijk voor regulier agrarisch gebruik in de zone afgebakend op bijgaand plan, mits voorafgaande en schriftelijke toestemming van de Vlaamse minister of zijn gemachtigde. (...)
  5. Het aanbrengen en het voeren van gelijk welke publiciteit. (...)
  6. Het verharden van wegen en paden”; Overwegende dat onder meer de aangehaalde verbodsbepalingen betrekking hebben op de op het ogenblik van het bestreden besluit aan de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening toegewezen bevoegdheden; dat overeenkomstig artikel 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juni 1995 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, de bevoegdheid inzake de stedenbouw en de ruimtelijke ordening, zoals vermeld in artikel 6, § 1, I, 1/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, op het ogenblik van het bestreden besluit toekwam aan de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, Eddy BALDEWIJNS; dat de door de verwerende partij aangevoerde omstandigheid dat “de bevoegde Minister beschikt (...) over een ruime beoordelingsvrijheid inzake het opleggen van de erfdienstbaarheden van openbaar nut (...)”, hieraan geen afbreuk doet; dat de verwerende partij evenmin gevolgd kan worden waar zij betoogt dat de beschermende maatregel enkel gericht zou zijn op het behoud van het landschap en dat het feit dat er raakvlakken zijn met de bevoegdheden van de andere leden van de Vlaamse regering, het bevoegde lid de bevoegdheid niet ontneemt om het bestreden besluit alleen te nemen; dat te dezen de Raad van State geen “potius ut valeat” regel bekend is; dat de verwijzing naar vroegere delegatiebesluiten irrelevant is; dat de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling niet bevoegd was om X-11.039-3/5 het bestreden besluit alleen te nemen; dat ambtshalve dient te worden vastgesteld dat het bestreden besluit is aangetast door bevoegdheidsoverschrijding; Overwegende dat een besluit houdende bescherming als landschap in beginsel één ondeelbaar geheel uitmaakt; dat een gedeeltelijke vernietiging evenwel mogelijk is indien niet blijkt dat de bevoegde overheid het landschap zonder de percelen van de verzoekende partij niet zou hebben beschermd; dat het in voorkomend geval aan de verwerende partij toekomt hieromtrent de nodige verduidelijking te verschaffen; Overwegende dat de verzoekende partij de vernietiging vraagt van het bestreden besluit, “minstens voor wat betreft zijn toepassing op de percelen, onder Nijlen, 1ste afdeling, sectie D, nrs. 678, 679, 680 en 681”; dat de verzoekende partij niet uiteenzet welk belang zij heeft bij een vernietiging van het bestreden besluit voor het overige; dat de verwerende partij zich niet verzet tegen een gedeeltelijke vernietiging; dat om deze redenen de vernietiging van het bestreden besluit wordt beperkt tot de percelen van de verzoekende partij, BESLUIT: Artikel
  7. Vernietigd wordt het besluit van 27 juni 1996 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling houdende rangschikking als landschap om reden van esthetische, historische en wetenschappelijke waarde, van het gebied “De Kesselse Heide - Het Goor”, gelegen te Nijlen (Kessel), in zoverre het de percelen grond betreft, gelegen te Nijlen, kadastraal bekend, 1ste afdeling, sectie D, nrs. 678, 679, 680 en
  8. Artikel
  9. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. X-11.039-4/5 Artikel
  10. De kantmelding wordt bevolen van dit arrest op de kant van de overschrijving van het rangschikkingsbesluit in de registers van het hypotheek- kantoor te Mechelen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de in artikel 3 van dit arrest vermelde kantmelding komen eveneens ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juni 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.039-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.174 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.061 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.