id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.235 Rolnummer: A. 110870/X-10573 Zaak: Arrest 172235 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-27 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 20:32 Fiche Arrest nr 172.235 van 13 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.235 van 13 juni 2007 in de zaak A. 110.870/10.
- In zake : de n.v. TEXACO BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaat I. CUYPERS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : de gemeente OOSTKAMP, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tussenkomende partij : de n.v. Brandstoffen ANSEEUW, die woonplaats kiest bij advocaten R. HONORÉ en F. VANDEN BERGHE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 4A. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. TEXACO BELGIUM op 28 september 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van:
- het besluit van 16 juli 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oostkamp waarbij aan de n.v. BRANDSTOFFEN ANSEEUW de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het saneren van een brandstoffenbedrijf op een perceel gelegen aan de Albrecht Rodenbachstraat 39 te Oostkamp, kadastraal bekend onder sectie I, nr. 224/l, en
- het besluit van 16 juli 2001 van hetzelfde college waarbij aan de n.v. BRANDSTOFFEN ANSEEUW de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het vellen en heraanplanten van bomen op hetzelfde perceel; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 5 februari 2002 ingediend door de n.v. Brandstoffen Anseeuw; X-10.573-1/10 Gelet op de beschikking van 27 februari 2002 die de tussenkomst van de n.v. Brandstoffen Anseeuw toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 23 maart 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 april 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 11 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. DE BECKER, die loco advocaat I. CUYPERS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat J. GOETHALS, die loco advocaat A. LUST verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat S. RODTS, die loco advocaten R. HONORÉ en F. VANDEN BERGHE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de feiten die van belang zijn voor de zaak, kunnen worden samengevat als volgt: X-10.573-2/10 1.
- De tussenkomende partij exploiteert reeds sedert lang aan de Albrecht Rodenbachstraat te Oostkamp (d.i. de ringweg rond de gemeente) een handel in brandstoffen. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Brugge-Oostkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, is de bedrijfssite gelegen, deels in het woongebied en deels in agrarisch gebied. De betrokken site is tevens gelegen binnen het beheersingsgebied van het bijzonder plan van aanleg “Bruggestraat”, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 7 juni 1993, dat de terreinen onderbrengt in een zone voor ambachtelijke bedrijven. De verzoekende partij is eigenaar van een handelsfonds in de buurt van de bedrijfsvestiging van de tussenkomende partij, zijnde een “TEXACO” tankstation aan de Brugsestraat te Oostkamp, meer bepaald aan de verkeersrotonde waar de Albrecht Rodenbachstraat op aansluit. De uitbating van dit tankstation geschiedt sedert 1989 door een zelfstandige gerante. 1.2 Op 12 januari 2001 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oostkamp een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor “het saneren van een brandstoffenbedrijf” op een perceel gelegen aan de Albrecht Rodenbachstraat 39 te Oostkamp, kadastraal bekend onder sectie I, nr. 224/l. Naast een aanpassing en verbreding van de oprit naar het bedrijf vanaf de Albrecht Rodenbachstraat en een uitbreiding van de groene beplantingszones, wordt voorzien in de vervanging van de twee bestaande benzinepompen door drie nieuwe pompeilanden, waarvan er één voor vrachtwagens, en een nieuwe luifel. In de bestaande loods ernaast worden ook enkele inwendige wijzigingen voorzien. 1.
- Op 14 februari 2001 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oostkamp een tweede aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning om op voormelde gronden een aantal bomen te vellen en over te gaan tot de heraanplanting van groen. De aanvraag omvat het vellen van een aantal populieren en het vervangen ervan door de aanplanting van streekeigen bomen en struiken die moeten fungeren als groenbuffer ten opzichte van de aanpalende percelen. X-10.573-3/10 1.
- Bij de bestreden besluiten van 16 juli 2001 verleent het college van burgemeester en schepenen van Oostkamp de beide gevraagde vergunningen. Wat de “sanering” van het benzinestation betreft, motiveert het gemeentebestuur dat de aanvraag verenigbaar is met de geldende voorschriften van de bijzondere plannen van aanleg, en dat uit een mobiliteitsnota blijkt dat slechts een bijkomende “verkeerstrafiek” te verwachten is van ongeveer 6 voertuigen per dag. De vergunning voor het vellen van de populieren en de heraanplanting van de groenzone wordt verleend op grond van de overweging dat de werken “naar aanleiding van de sanering van een bestaand brandstoffenbedrijf” gebeuren, en voor het overige in overeenstemming zijn met de stedenbouwkundige voorschriften van de bijzondere plannen van aanleg. 1.
- Op 26 april 2001 heeft de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen aan de tussenkomende partij de milieu- vergunning voor een termijn van twintig jaar verleend voor de uitbating van de aangepaste inrichting. De verzoekende partij heeft tijdens het openbaar onderzoek een bezwaarschrift ingediend tegen de milieuvergunningsaanvraag, en tegen voormelde beslissing van de bestendige deputatie tot afgifte van de milieuvergunning beroep ingesteld bij de ter zake bevoegde Vlaamse minister;
- Ontvankelijkheid van het beroep Overwegende dat de verzoekende partij haar belang in het verzoekschrift tot nietigverklaring uiteenzet als volgt: “Verzoekster oefent haar bedrijvigheid uit in de sector van de verdeling aan het publiek van brandstoffen voor motorvoertuigen. De N.V. BRANDSTOFFEN ANSEEUW wil zich, door middel van de bestreden bouwvergunningen, vestigen als rechtstreekse concurrente van verzoekster, op slechts enkele meters van verzoeksters zaak en dus op dezelfde verkeersas als verzoekster. De zaak van verzoekster, en thans dus ook deze van de N.V. BRANDSTOFFEN ANSEEUW, is zo ingeplant dat zij een draaischijf vormt voor passerende vrachtwagens. Het tankstation is immers gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de autosnelweg E
- Verzoekster voorziet een toenemende concurrentie en roept dan ook een geoorloofd commercieel belang in. X-10.573-4/10 Verzoekster verwijst daarbij naar de uitgebreide rechtspraak van de Raad van State, waarin wordt gesteld dat in een dergelijk geval een handelsbelang een geoorloofd belang is. De Raad van State heeft eerder beslist dat geen enkele wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel zich ertegen verzet dat een verzoeker de rechtsmiddelen aanwendt die hem ter beschikking staan om zijn zaak tegen concurrentie te beschermen en dat niet kan worden betwist dat een verzoekende partij rechtstreeks uit de vernietiging van een bestreden bouwvergunning, verleend aan een concurrent, een rechtmatig voordeel kan halen en, bijgevolg, van het wettelijk vereiste belang doet blijken om die vernietiging na te streven (...). Verder stelt de Raad van State dat het feit dat dit belang vreemd is aan de doelstellingen van de Stedenbouwwet, niet verhindert dat een verzoekende partij voldoet aan het vereiste van artikel 19, lid 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad (...). Verzoekster heeft dan ook het door artikel 19, lid 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, vereiste belang”; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord hieromtrent laat gelden wat volgt: “Nog meer subsidiair moet vastgesteld worden dat het door de verzoekende partij ingeroepen commercieel belang alleszins niet rechtstreeks door het bestreden besluit kan veroorzaakt worden, maar enkel door het effectief exploiteren van de inrichting ingevolge het bekomen van een exploitatievergunning, thans milieuvergunning genoemd. De omstandigheid dat ingevolge artikel 5 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 de milieuvergunning opgeschort blijft tot er voor het gebouw, waarin de activiteit zal plaatsgrijpen, een stedenbouwkundige vergunning bestaat, doet daaraan niets af en heeft met name niet voor gevolg dat de aangevoerde vrees voor verscherpte concurrentie het rechtstreeks gevolg van de stedenbouwkundige vergunning zou zijn”; Overwegende dat de tussenkomende partij een exceptie van niet ontvankelijkheid wegens gebrek aan belang opwerpt, welke zij uiteenzet als volgt: “- Wat de vernietiging betreft van de bouwvergunning voor het vellen en heraanplanten van bomen is vooreerst helemaal niet duidelijk in welk opzicht verzoekster een voordeel zou hebben bij de vernietiging van deze vergunning. Verzoekster wordt door het vellen en heraanplanten van bepaalde bomen niet in het minst benadeeld. Zij voert terzake ook geen nadeel aan. - Wat de vernietiging betreft van de vergunning tot stedenbouwkundige sanering van de brandstoffenhandel, weze aangestipt dat het belang van verzoekster niet rechtstreeks is. *Het laat verzoekster onverschillig dat er op de bouwplaats stedenbouwkundig bepaalde werken worden uitgevoerd. De bouwwerken zijn voor haar slechts hinderlijk omdat er in en rond de werken een commerciële uitbating plaatsvindt. Aldus betreft haar belang niet de vernietiging van de stedenbouwkundige oprichting van het bouwwerk maar de exploitatie ervan, hetgeen door de bestreden vergunningen niet wordt vergund. X-10.573-5/10 Typisch stedenbouwkundige belangen zoals verlies van licht door het bouwwerk, een esthetisch nadeel, het feit dat de bouwwerken een essentiële wijziging in het leefklimaat van verzoekster zou teweegbrengen, schending van het uitzicht of vermindering van de privacy, voert verzoekster niet aan. Men ziet ook niet hoe verzoekster dergelijke belangen zou kunnen aanvoeren. Verzoeksters tankstation is op meer dan 500 m van de tussenkomende partij verwijderd en zoals gezegd is het station van de tussenkomende partij van de openbare weg niet zichtbaar vermits het geheel binnenwaarts is gelegen. Verzoekster woont ook niet ter plaatse zodat -mocht dergelijke hinder er zijn- zij deze in ieder geval niet ervaart. De vordering is onontvankelijk”; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord dienaangaande dupliceert wat volgt: “Verzoekster heeft een rechtstreeks, persoonlijk, griefhoudend en geoorloofd belang. Verzoekster oefent haar bedrijvigheid uit in de sector van de verdeling aan het publiek van brandstoffen voor motorvoertuigen. De N.V. BRANDSTOFFEN ANSEEUW wil zich, door middel van de bestreden bouwvergunningen, vestigen als rechtstreekse concurrente van verzoekster, op slechts enkele meters van verzoeksters zaak en dus op dezelfde verkeersas als verzoekster. De zaak van verzoekster, en thans dus ook deze van de N.V. BRANDSTOFFEN ANSEEUW, is zo ingeplant dat zij een draaischijf vormt voor passerende vrachtwagens. Het tankstation is immers gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de autosnelweg E
- Het komt verzoekster bijzonder eigenaardig voor dat haar tankstation, dat reeds meer dan 40 jaren aldaar gevestigd is, om reden van vermeende hinder en verkeersdrukte niet vergund kan worden, terwijl een voormalige opslagplaats voor brandstoffen, op nauwelijks enkele honderden meters, wél vergund wordt, en dit overduidelijk in strijd met het BPA. Verzoekster voorziet door deze plotse “sanering” van de opslagplaats naar een servicestation, een toenemende concurrentie en roept dan ook een geoorloofd commercieel belang in. Verzoekster verwijst daarbij naar de uitgebreide rechtspraak van de Raad van State, waarin wordt gesteld dat in een dergelijk geval een handelsbelang een geoorloofd belang is. De Raad van State heeft eerder beslist dat geen enkele wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel zich ertegen verzet dat een verzoeker de rechts- middelen aanwendt die hem ter beschikking staan om zijn zaak tegen concurrentie te beschermen en dat niet kan worden betwist dat een verzoekende partij rechtstreeks uit de vernietiging van een bestreden bouwvergunning, verleend aan een concurrent, een rechtmatig voordeel kan halen en, bijgevolg, van het wettelijk vereiste belang doet blijken om die vernietiging na te streven (...). Verder stelt de Raad van State dat het feit dat dit belang vreemd is aan de doelstellingen van de Stedenbouwwet, niet verhindert dat een verzoekende partij voldoet aan het vereiste van artikel 19, lid 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (...)”; X-10.573-6/10 Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie nog uiteenzet wat volgt: “Verzoekster is van mening dat de door haar geciteerde arresten wel degelijk kunnen worden toegepast op voorliggende casus. Verzoekster verwijst ook naar recente rechtspraak van uw Raad waarin nogmaals uitdrukkelijk gesteld wordt dat de vrijheid van handel en ambacht toestaat ‘een eventuele concurrent op een wettelijke manier te bestrijden door met name een beroep te doen op gerechtelijke procedures’ (...). Verzoekster wenst ook op te merken dat het arrest IMMAR (...) en de andere arresten in gelijkaardige zin bekritiseert worden in de rechtsleer: ‘Deze rechtspraak kan niet worden bijgetreden. In de eerste plaats beperkt de stedenbouwwetgeving het belang van een verzoeker geenszins tot ‘nobele’ of ‘hogere’ motieven die het algemeen belang betreffen, zoals de goede ruimtelijke ordening van de wijk. Ten tweede voegt deze rechtspraak een voorwaarde aan de wet toe waarbij ze voorbijgaat aan de vaststelling dat artikel 19, eerste lid R.v.St. weliswaar eist dat de verzoeker getuigt van een persoonlijk, rechtstreeks, zeker en actueel belang dat niet ongeoorloofd is, maar voor het overige niet oplegt welke de aard van de in aanmerking te nemen belangen dient te zijn. Niets belet immers dat een particulier opkomt voor zijn private belangen, op voorwaarde dat de bestreden rechtshandeling hem een nadeel toebrengt en dat hij het rechtens vereiste belang daartoe heeft. Waar dit belang juist ligt, heeft in rechte geen belang, zolang het te beschermen belang maar niet ongeoorloofd is. Te dezen is er geen enkel feitelijk nochjuridisch motief om een andere redenering aan te houden ten opzichte van een handelaar die een nadeel ondergaat van een bouwvergunning toegekend aan een concurrent en die meent hiertegen te moeten opkomen. Het volstaat hierbij dat hij getuigt van het rechtens vereiste belang, waarbij er geen reden is om dit belang te beperken tot stedenbouwkundige belangen.’ (BAERT, J. en DEBERSAQUES, G., Raad van State. Afdeling administratie. Ontvankelijkheid, Brugge, Die Keure, 1996, 284-285) De door de heer Auditeur geciteerde arresten (...) hebben geen betrekking op situaties die vergelijkbaar zijn met de voorliggende problematiek. In de arresten (...) gaat het om handelaars wiens panden op geruime afstand van het vergunde bouwwerk zijn gelegen (respectievelijk 1800 m en 10 km), terwijl in casu de handelsvestigingen nauwelijks 400 m uit elkaar liggen. Het arrest (...) heeft geen betrekking op het bestrijden van een stedenbouw- kundige vergunning maar van een gemeentelijk plan van aanleg. Bovendien heeft verzoekster wel degelijk opmerkingen en bezwaren geuit in het kader van de verlening van de milieuvergunning. Zij heeft terzake ook beroep aangetekend. Zonder een rechtsgeldige stedenbouwkundige vergunning kan niet wettig worden geëxploiteerd en omgekeerd, dit gelet op de koppeling van milieu en stedenbouwkundige vergunning. De heer Auditeur kan geen afwezigheid van belang afleiden uit het niet verzet van verzoekster tegen de huidige activiteiten, daar de verleende milieuvergunning wel degelijk werd betwist (...). Verzoekster is dan ook van mening dat haar beroep wel degelijk ontvankelijk is”; X-10.573-7/10 Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog repliceert wat volgt: “De verzoekende partij gaat eraan voorbij dat het belang, vereist door art. 19 van de gecoördineerde wet, niet alleen persoonlijk en actueel moet zijn, maar ook rechtstreeks, d.w.z. dat er een noodzakelijk oorzakelijk verband moet bestaan tussen wat de bestreden handeling toelaat en het nadeel dat de verzoekende partij inroept. Indien men de stelling van de verzoekende partij zonder meer zou aannemen, nl. dat een louter commercieel belang op zich volstaat om zich te verzetten tegen gelijk welke administratieve beslissing, gelijk waar zij territoriaal moet worden gesitueerd, zou dit er op neerkomen dat een onderneming, gevestigd in De Panne, kan opkomen tegen een stedenbouwkundige vergunning verleend aan een concurrerend bedrijf in Aarlen. Immers, zeker in bepaalde gespecialiseerde bedrijfstakken, zal de vestiging van een concurrent wel altijd een mogelijke weerslag hebben op de marktpositie van een eerder gevestigd bedrijf. Dit ware natuurlijk onzin. De oprichting van een gebouw kan op zich enkel gevolgen hebben op de leefomgeving van wie in de omgeving woont of er zijn zetel heeft. Op zich kan de bouw nooit gevolgen hebben op de commerciële marktpositie van derden. Dit ware enkel anders indien aan het op te richten gebouw een functie mocht worden gegeven die rechtstreeks mogelijk wordt gemaakt door het in gebruik nemen van het vergunde gebouw, d.w.z. een functie of gebruik voor een activiteit die niet voorafgaandelijk aan een andere toelating of machtiging is onderworpen, voorwerp van een andere regelgeving. Te dezen is vergunning verleend voor het oprichten van een gebouw waarin de door de bouwheer voorgenomen activiteit enkel mogelijk is mits het bekomen van een andere vergunning. Wanneer in zulk geval het door de verzoekende partij ingeroepen nadeel, te dezen een louter financieel nadeel, onmogelijk kan worden veroorzaakt door de tenuitvoerlegging van de stedenbouwkundige vergunning, doch uitsluitend kan worden veroorzaakt door de tenuitvoerlegging van de vergunning die nodig is om de activiteit te kunnen opstarten en continueren, spreekt het voor zich dat de derde, die beweert financieel nadeel te zullen lijden door die activiteit, geen enkel belang heeft met het bestrijden van de stedenbouwkundige vergunning, maar des te meer belang heeft met het bestrijden van de milieuvergunning. Het is nu precies dit laatste wat de verzoekende partij niet heeft gedaan. Zij heeft er zich toe beperkt administratief beroep aan te tekenen tegen de milieuvergunning, maar zij heeft zich bij de beroepsbeslissing neergelegd, ofschoon haar ingeroepen nadeel uitsluitend uit de tenuitvoerlegging van die vergunning (voorheen: ‘exploitatie- vergunning’) voortvloeit. Het advies van de auditeur spoort derhalve geheel met art. 19 van de gecoördineerde wet. Vermits in het vergunde gebouw geen activiteit kan worden ontplooid die de verzoekende partij commercieel nadeel kan berokkenen zonder dat voor die activiteit de geëigende vergunning is verleend, mist verzoekers belang elk noodzakelijk rechtstreeks verband met de bestreden vergunning. De verwijzing naar het arrest (...) is niet relevant. De vordering had betrekking noch op een stedenbouwkundige vergunning, noch op een milieuvergunning, maar op een socio-economische vergunning voor de vestiging van een winkel- en bioscoopcentrum van bijna 4 ha groot, bevattende een supermarkt, 100 boetieks en 10 gespecialiseerde winkels. Het spreekt voor zich dat de verzoekers, allen exploitanten van een minisuperette, een praline- X-10.573-8/10 en banketwinkel, een bakkerij, een boekhandel of een restaurant op een afstand van 140 m tot maximaal 2 000 m van de voorgenomen vestigingsplaats, onmiddellijk nadeel dreigden te ondergaan door de tenuitvoerlegging van zulke vergunning (het arrest heeft trouwens de schorsingsvraag verworpen wegens gebrek aan MTHEN). Zelfs indien men aanneemt dat het belang niet, of niet geheel, moet worden ontleend aan de doelstellingen van de regelgeving waarin de aangevochten beslissing haar rechtsgrond vindt, te dezen een behoorlijk ruimtegebruik en dito leefomgeving, kan men niet omheen de vereiste dat het ingeroepen nadeel, van welke aard het ook weze, het gevolg moet zijn van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en niet van een andere beslissing. De verzoekende partij beweert zelfs niet dat de leefomgeving van haar vestigingsplaats door de vergunde bouwwerken nadelig wordt beïnvloed. Ze beweert enkel dat de erin uitgeoefende activiteit een invloed (kan) hebben op haar commerciële marktpositie. Maar tegen de vergunning die die schadeverwekkende activiteit toelaat, heeft zij verzuimd voor Uw Raad op te komen (...)”; Overwegende dat de verzoekende partij, om haar belang bij de vernietiging van de bestreden besluiten te verantwoorden, zich beroept op haar “handelsbelang” als “rechtstreekse concurrente” van de vestiging van de tussen- komende partij; Overwegende dat een handelsbelang geen ongeoorloofd belang is; dat geen wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel zich ertegen verzet dat een verzoeker de rechtsmiddelen aanwendt die hem ter beschikking staan om zijn zaak tegen concurrentie te beschermen; dat een beroep tot nietigverklaring van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een inrichting die dezelfde handelsactiviteiten als de verzoekende partij ontwikkelt en die gelegen is binnen een afstand -in casu 400/500m- waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij eenzelfde cliënteel beogen, als een zodanig rechtsmiddel kan worden beschouwd; dat de eventuele vernietiging van de aangevochten stedenbouwkundige vergunningen tot gevolg heeft dat de betrokken inrichting moet worden geacht nooit te zijn vergund en dat de daarvoor verleende milieuvergunning komt te vervallen; dat het feit dat de verzoekende partij zou hebben nagelaten een door de tussen- komende partij verkregen milieuvergunning voor de bij de bestreden stedenbouw- kundige vergunningen vergunde inrichting aan te vechten derhalve niet relevant is ter beoordeling van het belang van de verzoekende partij; dat de exceptie van niet ontvankelijkheid niet gegrond is; Overwegende dat het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat zijn op grond van artikel 12 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling X-10.573-9/10 bestuursrechtspraak van de Raad van State opgemaakte verslag over de zaak met toepassing van artikel 24, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, heeft beperkt tot het onderzoek van de voormelde exceptie van niet ontvankelijkheid; dat het noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil dat ook de overige excepties en middelen door een lid van het auditoraat worden onderzocht en dat daarover verslag wordt uitgebracht; dat er reden is de debatten te heropenen, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien juni 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.573-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.235 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.296 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div