← België

Arrest 172253 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 14/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.253 Rolnummer: A. 181378/XII-5039 Zaak: Arrest 172253 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 14/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-25 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 06:48 Fiche Arrest nr 172.253 van 14 juni 2007 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.253 van 14 juni 2007 in de zaak A. 181.378/XII-

  1. In zake :
  2. de VZW VLAAMS KOMITEE BRUSSEL,
  3. de VZW VLAAMSE VOLKSBEWEGING,
  4. de VZW BRUSSELNL,
  5. de VZW VERBOND VAN HET VLAAMS OVERHEIDSPERSONEEL, die woonplaats kiezen bij advocaat I. Rogiers, kantoor houdende te Kalken, Kalkendorp 17 A tegen :
  6. het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST,
  7. de GEMEENSCHAPPELIJKE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE, die woonplaats kiezen bij advocaat M. Uyttendaele, kantoor houdende te 1060 Brussel, Bronstraat
  8. Verzoeksters in tussenkomst :
  9. Souad AOUFI,
  10. Saida BAKKALI, die woonplaats kiezen bij advocaat M. Pilcer, kantoor houdende te 1160 Brussel, Nijvelsedreef 182, bus
  11. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW Vlaams Komitee Brussel, de VZW Vlaamse Volksbeweging, de VZW BrusselNL en de VZW Verbond van het Vlaams Overheidspersoneel op 27 februari 2007 hebben ingediend om “te verzoeken een dwangsom op te leggen lastens de verwerende partijen, wegens het in gebreke blijven om de arresten nr. 156.436 van 16 maart 2006 en nr. 161.084 van 7 juli 2006 ten uitvoer te leggen”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 25 april 2007; Gezien de nota van de verwerende partijen; XII-5039-1/9 Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 17 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2007, datum waarop de zaak in voortzetting is uitgesteld tot de terechtzitting van 22 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Vandendriessche en I. Rogiers, die verschijnen voor de verzoeksters, van advocaat E. Jacubowitz, die loco advocaat M. Uyttendaele verschijnt voor de verwerende partijen, en van advocaat M. Pilcer, die verschijnt voor de verzoeksters in tussenkomst; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De voorgaanden
  12. Op vraag van verzoeksters vernietigt de Raad van State bij arrest nr. 156.436 van 16 maart 2006 de 18 juli 2002 gedateerde omzendbrief betreffende het taalhoffelijkheidsakkoord van de leden van het Verenigd college van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bevoegd voor bijstand aan personen en de 19 juli 2002 gedateerde omzendbrief betreffende het taalhoffelijkheidsakkoord van de voorzitter van de Brusselse hoofdstedelijke regering. In de vernietigde omzendbrieven doen de verwerende partijen kennen dat de plaatselijke besturen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vanaf 1 september 2002 aanwervingscontracten voor twee jaar mogen sluiten met sollicitanten die niet aan de gestelde taalkennisvereisten voldoen en dat de contracten onder voorwaarden verlengd kunnen worden ofschoon de ambtenaren nog altijd niet geslaagd zijn voor de taalexamens. Dit is, aldus het XII-5039-2/9 vernietigingsarrest, niet verenigbaar met artikel 21, §§ 2, 4, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurstalen (hierna: taalwet bestuurszaken). Tevens wordt in de brieven aangegeven onder welke voorwaarden de verwerende partijen geen gebruik zullen maken van hun nochtans verplicht uit te oefenen bevoegdheid om, op verzoek van elke belanghebbende, de handelingen te vernietigen die in strijd zijn met de taalwet bestuurszaken. Volgens het vernietigingsarrest is, gelet op artikel 58, tweede lid, van de taalwet bestuurszaken, “een dergelijke abdicatie wederrechtelijk”. Op vraag van dezelfde verzoeksters vernietigt de Raad van State bij arrest nr. 161.084 van 7 juli 2006 eveneens de brief van 14 oktober 2004 van de Brusselse hoofdstedelijke regering en de twee brieven van 29 oktober 2004 van de leden van het Verenigd college van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bevoegd voor het beleid inzake bijstand aan personen, aangaande de “Gevolgen van de schorsing door het arrest van de Raad van State van 8 april 2003 van de tenuitvoerlegging van de omzendbrieven (dd. 18 juli 2002 en 19 juli 2002) betreffende het taalhoffelijkheidsakkoord - verplichting om de bepalingen van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken na te leven”. Ook in de circulaires van 14 en 29 oktober 2004 verbinden de verwerende partijen zich ertoe om onder voorwaarden te gedogen dat eentalige contractuelen worden aangeworven. De vernietiging van die circulaires door het arrest nr. 161.084 is het gevolg van de nietigverklaring van de omzendbrieven van 18 en 19 juli 2002 door het arrest nr. 156.
  13. Met brieven van 9 augustus 2006 manen verzoeksters de Brusselse hoofdstedelijke regering, respectievelijk het Verenigd college van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie aan “om alle beslissingen en toezichtshandelingen te nemen die vereist zijn met het oog op het herstel van de wettigheid zoals vastgesteld in de arresten nr. 161.084 en 156.436 van de Raad van State”. Het betreft, luidens die brieven, “onder meer het nemen van alle [...] toezichtshandelingen voor de naleving van de bestuurstaalwetgeving, in het bijzonder het vernietigen van aanstellings- of verlengingsbesluiten van eentalige contractuele personeelsleden van de lokale besturen, al dan niet na schorsing van deze besluiten”. XII-5039-3/9 Bij gebreke aan enige reactie stellen verzoeksters de voorliggende vordering in : “In hoofdorde wordt Uw Raad verzocht om elk van de verwerende partijen een dwangsom op te leggen van 200i voor iedere dag dat zij nalaten gebruik te maken van hun vernietigingstoezicht bedoeld in artikel 58 van de bestuurstaalwet om de aanstellingen door een gemeente, OCMW of hiervan afhangend bestuur die in strijd met de bestuurstaalwet worden verricht te vernietigen. In ondergeschikte orde wordt Uw Raad verzocht om elk van de verwerende partijen minstens te veroordelen tot een dwangsom van 200i voor iedere dag dat ze nalaten om een aanstellingsbesluit dat door de vice-gouverneur werd geschorst wegens schending van de bestuurstaalwet, te vernietigen”. De vordering tot tussenkomst
  14. Na het neerleggen van het verslag door de auditeur vragen Souad Aoufi en Saida Bakkali -aan wie door de hoofdgriffier geen kennisgeving van de onderhavige vordering is gedaan- in de debatten te mogen tussenkomen. In hun verzoekschrift tot tussenkomst zetten zij onder meer uiteen dat zij als contractueel personeelslid in dienst zijn van de stad Brussel, dat verzoeksters op impliciete, maar zekere wijze de vernietiging van hun aanwerving vragen, dat de zaak naar de tweetalige kamer van de Raad van State moet worden verwezen, en dat de vordering tot oplegging van een dwangsom als ongegrond moet worden verworpen. In een bijkomende nota met opmerkingen verklaren verzoeksters in tussenkomst nader dat zij zich voor hun vraag tot verwijzing naar de tweetalige kamer op artikelen 60 en 61, 4/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State steunen. Zij voegen daaraan toe dat indien die artikelen niet toepasselijk mochten worden geacht omdat artikel 60 enkel het geval beoogt van een verzoek of beroep dat uitgaat “van een titularis van een der ambten als bedoeld in de artikelen 54 en 59” -en niet een verzoek of beroep dat, zoals te dezen, uitgaat van een VZW-, die interpretatie de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou schenden en er dan reden is het Grondwettelijk Hof met betrekking tot die discriminatie te ondervragen.
  15. Naar luid van artikel 15, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 april 1991 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake de dwangsom geschiedt de eis tot tussenkomst “ten laatste binnen acht dagen na ontvangst van de kennisgeving van het beroep door de hoofdgriffier en, bij ontstentenis van kennisgeving, vóór het neerleggen van het verslag door de auditeur”. De kamer bij wie de zaak aanhangig is kan “nochtans”, XII-5039-4/9 aldus het derde lid van het artikel, een latere tussenkomst toelaten “voor zover deze tussenkomst de procedure op generlei wijze vertraagt”. Uit die voorschriften, waarvan de wettigheid niet wordt betwist, volgt dat de tussenkomst van Souad Aoufi en Saida Bakkali niét kan worden toegelaten indien hun verzoek de verwijzing naar de tweetalige kamer moet meebrengen, laat staan nog indien over de al dan niet verwijzing eerst het antwoord van het Grondwettelijk Hof op een prejudiciële vraag moet worden ingewonnen. De verwijzing en de prejudiciële vraag zijn immers noodzakelijkerwijze van aard de procedure te vertragen.
  16. De artikelen 60 en 61, 4/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waarop verzoeksters in tussenkomst hun vraag tot verwijzing naar de tweetalige kamer steunen, beogen “de verzoeken om schadevergoeding, de beroepen tot nietigverklaring en de cassatieberoepen, gegrond op de artikelen 11 en 14”, die uitgaan “van een titularis van een der ambten als bedoeld in de artikelen 54 tot 59” en die betrekking hebben “op een beslissing tot regeling van de individuele rechtstoestand van een andere titularis van een gelijkaardig ambt”. De onderhavige vordering beantwoordt daar niet aan, en zulks niet alleen omdat zij niet uitgaat “van een titularis van een der ambten als bedoeld in de artikelen 54 tot 59”. Te dezen immers is evenmin een verzoek om schadevergoeding, een annulatie- of een cassatieberoep aan de orde, maar een vordering tot het opleggen van een dwangsom, gegrond op artikel 36, en dan bovendien nog ter uitvoering van de vernietiging van omzendbrieven - niet van beslissingen tot regeling van de individuele rechtstoestand van wie dan ook. In die omstandigheden doet het er niet toe of de genoemde artikelen 60 en 61, 4/, al dan een discriminatie inhouden in zoverre zij alleen in de verwijzing naar de tweetalige kamer voorzien, “en dus [in] de mogelijkheid om zich uit te drukken in de welbepaalde taal waarvan de artikelen 54 tot 59 van de gecoördineerde wetten het gebruik oplegt”, wanneer het verzoek of beroep uitgaat van een titularis van een der ambten als bedoeld in de artikelen 54 tot 59, en niet van een andere persoon. Hoe ook het oordeel van het Grondwettelijk Hof met betrekking tot deze beweerde discriminatie luidt, het zou een verwijzing van de zaak naar de tweetalige kamer, in geval van inwilliging van het verzoek tot tussenkomst, niet dichterbij brengen. XII-5039-5/9 Er is des te minder reden om de prejudiciële vraag die verzoeksters in tussenkomst opperen aan het Grondwettelijk Hof te stellen, nu de vraag ervan uitgaat dat zij zich in voorliggend geschil niet van het Frans mogen bedienen. Het uitgangspunt is onterecht: verzoeksters in tussenkomst hebben zich, met toepassing van artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zowel in hun procedurestukken als ter terechtzitting in de Franse taal mogen uitdrukken én uitgedrukt.
  17. Er is geen grond tot een verwijzing naar de tweetalige kamer of tot het stellen van een prejudiciële vraag in dit verband. Het blijkt niet dat het inwilligen van de eis tot tussenkomst die Souad Aoufi en Saida Bakkali na het neerleggen van het verslag door de auditeur hebben ingediend, de procedure vertraagt. De tussenkomst wordt toegelaten. De ontvankelijkheid
  18. Verwerende partijen werpen in de nota met opmerkingen op dat de vordering onontvankelijk is omdat verzoeksters onredelijk lang zouden hebben stilgezeten na het verzenden van hun aanmaning.
  19. Een onderzoek van en een antwoord op de exceptie komen overbodig voor vermits de vordering, zoals hierna zal blijken, in elk geval moet worden verworpen. De grond van de zaak
  20. Artikel 36, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat wanneer het herstel van de wettigheid inhoudt dat de vernietiging van een rechtshandeling als bedoeld in artikel 14 gevolgd moet worden door een nieuwe overheidsbeslissing of overheidshandeling, de persoon op wiens verzoek de nietigverklaring is uitgesproken de Raad van State kan verzoeken aan de betrokken overheid een dwangsom op te leggen “bij in gebreke blijven van de overheid”. Wanneer, aldus nog het voorschrift, uit een vernietigingsarrest voor de administratieve overheid een onthoudingsplicht ten aanzien van bepaalde beslissingen volgt, kan de persoon op wiens verzoek de vernietiging is uitgesproken de Raad van State vragen de overheid het bevel te geven, op verbeurte van een XII-5039-6/9 dwangsom, “de beslissingen in te trekken die ze zou hebben genomen met schending van de uit het annulatiearrest volgende onthoudingsverplichting”.
  21. De arresten nrs. 156.436 en 161.084 hebben de omzendbrieven van 18 en 19 juli 2002, en 14 en 29 oktober 2004 van de verwerende partijen vernietigd. In die omzendbrieven legden, kort gezegd, de verwerende partijen zich erop vast om in strijd met de taalwet bestuurszaken te gedogen dat eentalige contractuelen worden aangeworven en eventueel voort in dienst gehouden, ofschoon zij -aldus de gegrond bevonden middelen- integendeel verplicht zijn daar op verzoek van elke belanghebbende tegen op te treden in het kader van hun vernietigingstoezicht. Ten gevolge van hun vernietiging moeten de omzendbrieven geacht worden retroactief uit het rechtsverkeer te zijn weggehaald en dus nooit te hebben bestaan. Het is hiermee onverenigbaar dat de verwerende partijen voort toepassing zouden maken van de vernietigde omzendbrieven en er zich voort naar zouden gedragen. Aldus volgt uit de vernietigingsarresten voor de verwerende partijen de verplichting zich ervan te onthouden te handelen alsof de omzendbrieven niét vernietigd zijn. In de concrete omstandigheden van de zaak, inzonderheid gelet op de gegrond bevonden middelen, komt dit er op neer dat de verwerende partijen niet meer, steunend op de omzendbrieven, mogen nalaten om -zoals artikel 58, tweede lid, van de taalwet bestuurszaken het voorschrijft- op verzoek van elke belanghebbende de nietigheid vast te stellen van de aanwervingscontracten van sollicitanten die niet aan de gestelde taalkennisvereisten voldoen, evenals van de verlenging van contracten van de ambtenaren die nog altijd niet geslaagd zijn voor de taalexamens. Alzo volgt uit de vernietigingsarresten niet alleen een onthoudingsplicht, maar van de weeromstuit ook een verplichting tot handelen, ingeval enige belanghebbende er om verzoekt.
  22. In dit licht kwam het verzoeksters toe, teneinde de oplegging van een dwangsom te verantwoorden, om aannemelijk te maken dat verwerende partijen er zich niet van onthouden de vernietigde omzendbrieven voort in de praktijk te brengen en dat de verwerende partijen overeenkomstig die circulaires in gebreke blijven het vernietigingstoezicht uit te oefenen waartoe artikel 58, tweede lid, van de taalwet bestuurszaken hen verplicht indien een belanghebbende het vraagt. XII-5039-7/9 Verzoeksters leveren dat bewijs echter niet. Volgens verwerende partijen is een dergelijk bewijs zelfs onmogelijk, aangezien geen enkele belanghebbende een bezwaar heeft ingediend tegen de aanstelling van een contractueel personeelslid in een gemeente of OCMW van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Verzoeksters betwisten dat niet wezenlijk; eerder beklagen zij zich ter terechtzitting over de gebrekkige terinzagelegging van de betrokken beslissingen en de onvoldoende mogelijkheid om er kennis van te nemen.
  23. Het is vooralsnog niet aangetoond dat verwerende partijen onwillig zijn zich naar de vernietigingsarresten nrs. 156.436 en 161.084 van de Raad van State te schikken en het gezag van gewijsde ervan te eerbiedigen. De vordering tot oplegging van een dwangsom wordt niet ingewilligd. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  24. Het verzoek tot tussenkomst van Souad Aoufi en Saida Bakkali wordt ingewilligd. Artikel
  25. De vordering tot oplegging van een dwangsom wordt verworpen. Artikel
  26. Het door de tussenkomende partijen ten onrechte gekweten zegelrecht van 250 euro dient hen te worden terugbetaald. XII-5039-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5039-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.253 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.