id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.254 Rolnummer: Zaak: Arrest 172254 - O.C.M.W. - 14/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-13 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 20:32 Fiche Arrest nr 172.254 van 14 juni 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Vernietiging Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.254 van 14 juni 2007 in de zaken A. 108.357/XII-4686 (I.) 111.291/XII-4687 (II.). In zake : Sibylle VANRENTERGHEM (I. + II.), die woonplaats kiest bij advocaat V. Tollenaere, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan 128 tegen :
- het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN EVERGEM (I. + II.),
- de GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE OOST-VLAANDEREN (I.). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Sibylle Vanrenterghem op 1 augustus 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
- het besluit van 8 maart 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Evergem waarbij haar proefperiode met ingang van 9 maart 2001 met een periode van zes maanden wordt verlengd,
- het “besluit” van 1 juni 2001 van de gouverneur van Oost-Vlaanderen “waarbij hij beslist geen toezichtsmaatregel te nemen” (zaak A. 108.357/XII-4686); Gezien het verzoekschrift dat Sibylle Vanrenterghem op 9 oktober 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
- het besluit van 9 augustus 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Evergem waarbij werd beslist haar niet te benoemen in de functie van directie-verzorging en een einde te stellen aan haar tewerkstelling met ingang van 13 september 2001,
- het besluit van 13 september 2001 waarbij de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Evergem geen noodzaak zagen de eerdere beslissing van niet-benoeming te hernemen,
- de beslissing van 13 september 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Evergem waarbij XII-4686-1/18 de functie van directie-verzorging in de rusthuizen met ingang van 14 september 2001 via verhoging in graad wordt toegewezen aan Fabine Matthijs (zaak A. 111.291/XII-4687); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 19 augustus 2005 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 19 augustus 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. De Sutter, die loco advocaat V. Tollenaere verschijnt voor verzoekster, van advocaat G. Van Hecke, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van adjunct van de directeur B. Heirbrandt, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De gegevens van de zaken
- Overwegende dat de gegevens van de zaken kunnen worden samengevat als volgt : Verzoekster is door de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna: het OCMW) van Evergem XII-4686-2/18 op 9 maart 2000 aangesteld als voltijds “directie-verzorging”. Haar proeftijd is ingegaan op 13 maart 2000, duurt één jaar en eindigt dus in beginsel op 12 maart
- Op 12 september 2000 wordt verzoeksters functioneren tijdens haar proeftijd een eerste maal geëvalueerd. De evaluatie gebeurt aan de hand van diverse criteria die eensdeels zijn gegroepeerd in zeven rubrieken en die anderdeels zijn onderscheiden al naargelang ze “van beperkt belang”, “van belang” of “essentieel” zijn voor de functie. Voor 32 van de in totaal 34 evaluatiecriteria krijgt verzoekster de waardering “voldoet aan de gestelde eisen” of “voldoet ruim aan de gestelde eisen”. Voor het criterium “hoeveelheid werk” krijgt zij de waardering “voldoet min of meer/af en toe aan de gestelde eisen” en voor het criterium “besluitvaardigheid” een waardering tussen “voldoet min of meer/af en toe aan de gestelde eisen” en “voldoet aan de gestelde eisen”. Beide laatstgenoemde evaluatiecriteria zijn aangemerkt als “essentieel” voor de functie. Luidens het door de beoordelaars ingevulde beoordelingsformulier is de eindevaluatie “gunstig”, de kwalitatieve beschrijvende evaluatie luidt : “Sibylle slaagt er in, onder moeilijke omstandigheden, zich goed in te werken in de functie van directie-verzorging. Indien zij op dezelfde wijze doorgaat, wordt ze ongetwijfeld een degelijke directrice. Zaken waar nog moet aan gewerkt worden zijn o.a. ‘zich niet verliezen in details en uitweidingen’ en ‘de (soms) overbelaste indruk achterwege laten’”. Op 7 maart 2001 wordt verzoeksters functioneren tijdens haar proeftijd een tweede maal geëvalueerd. Voor 24 van de 34 evaluatiecriteria krijgt zij de waardering “voldoet aan de gestelde eisen” of “voldoet ruim aan de gestelde eisen”. Voor de criteria “klantgerichtheid”, “gebruik van de werktijd”, “inschatting van (probleem)situaties”, “efficiëntie”, “zelfstandigheid in het werk”, “mondelinge uitdrukkingsvaardigheid”, “samenwerken met anderen”, “verantwoordelijkheid” en “plannen en organiseren van anderen” krijgt zij de waardering “voldoet min of meer/af en toe aan de gestelde eisen”, voor het criterium “begeleiden en stimuleren van medewerkers” een waardering tussen “voldoet min of meer/af en toe aan de gestelde eisen” en “voldoet aan de gestelde eisen”. Voornoemde criteria zijn allen aangemerkt als “essentieel” voor de functie. De eindevaluatie wordt ook nu “gunstig” genoemd. De kwalitatieve beschrijvende evaluatie luidt thans : “Het tweede gedeelte van de stageperiode verliep niet op hetzelfde hoog niveau als het eerste deel. XII-4686-3/18 De bereikbaarheid was regelmatig problematisch, waardoor de indruk ontstond alsof er van het werk werd weggevlucht. Er werd veel werk gepresteerd en er werden ook veel uren geklopt, maar in een aantal situaties was er duidelijk overacting (vb decubitustoestanden, aankondiging examens, bokshandschoenen, ...) De communicatie met de medewerkers moet in de toekomst zeker verbeteren. Er moet ook meer terreinwerk worden gepresteerd; cursussen, studiedagen, allerlei werkbezoeken, ... zijn interessant, maar mogen niet overwegen”. Verzoekster laat ter gelegenheid van het evaluatiegesprek enkele documenten inzake haar functioneren bij het beoordelingsformulier voegen. Op 8 maart 2001 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn verzoeksters proeftijd met ingang van 9 maart 2001 met zes maanden te verlengen. Deze beslissing steunt op volgende motieven : “Overwegende dat betrokkene de proefperiode van 1 jaar heeft doorlopen; Gelet op het evaluatieverslag van 07 maart 2001 met een gunstige eindevaluatie, maar waarin ook een aantal minder gunstige detailquoteringen zijn opgenomen in verband met de klantgerichtheid, het gebruik van de werktijd, de inschatting van (probleem)situaties, efficiëntie, zelfstandigheid in het werk, mondelinge uitdrukkingsvaardigheid, samenwerken met anderen, verantwoordelijkheid en plannen en organiseren van anderen; Overwegende dat de leden van de raad menen dat daarom nog niet tot een benoeming kan worden overgegaan; Overwegende dat de geleverde prestaties ook niet van die aard geweest zijn dat zij een niet-benoeming met ontslag uit de functie zouden kunnen rechtvaardigen; Dat daarom voorgesteld wordt de tussenoplossing van een verlenging van de proeftijd met 6 maand ter stemming te leggen; [...]”. Dit besluit is het eerste voorwerp van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 108.357/XII-
- Het wordt bij brief van 13 maart 2001 aan verzoekster betekend. Op 19 maart 2001 overhandigt verzoekster met toepassing van artikel 82 van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden van het gemeentepersoneel haar schriftelijke opmerkingen bij het evaluatieverslag van 7 maart 2001 aan de OCMW-secretaris. XII-4686-4/18 Bij aangetekende brieven van 2 april 2001 dient verzoeksters raadsman tegen het raadsbesluit van 8 maart 2001 bezwaar in bij de gouverneur van Oost-Vlaanderen en bij de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen. Hij verzoekt de toezichthoudende overheid het betrokken raadsbesluit in uitoefening van het algemeen administratief toezicht te schorsen of te vernietigen. Bij aangetekende brief van 18 april 2001 dient verzoeksters raadsman eenzelfde bezwaar en verzoek in bij de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport. Bij brief van 1 juni 2001 deelt de gouverneur verzoeksters raadsman mee dat het kwestieuze raadsbesluit afdoende is gemotiveerd, dat de evaluatie laattijdig is gebeurd, waardoor de raad voor maatschappelijk welzijn geen rekening heeft kunnen houden met verzoeksters opmerkingen, doch dat hij heeft beslist geen toezichtsmaatregel te nemen “omdat een schorsing van het besluit niet automatisch leidt tot [verzoeksters] vaste benoeming”. Deze beslissing is het tweede voorwerp van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 108.357/XII-
- Bij aangetekende brief van 20 juni 2001 legt verzoeksters raadsman zijn bezwaar tegen het raadsbesluit van 8 maart 2001 nog voor aan de administratie binnenlandse aangelegenheden van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Op 29 juni 2001 antwoordt het afdelingshoofd dat de termijn om in het kader van het algemeen administratief toezicht tegen dat besluit op te treden op 3 juni 2001 is verstreken. Op 6 augustus 2001 wordt verzoekster opnieuw geëvalueerd. Voor 21 van de 34 evaluatiecriteria krijgt zij de waardering “voldoet aan de gestelde eisen” of “voldoet ruim aan de gestelde eisen”. Voor de criteria “klantgerichtheid”, “werken onder tijdsdruk”, “besluitvaardigheid”, “efficiëntie”, “zelfstandigheid in het werk”, “motiveren en overtuigen van anderen”, “samenwerken met anderen”, “plannen en organiseren van anderen”, “controleren” en “begeleiden en stimuleren van medewerkers” krijgt zij de waardering “voldoet min of meer/af en toe aan de gestelde eisen”, voor de criteria “mondelinge uitdrukkingsvaardigheid” en “schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid” een waardering tussen “voldoet min of meer/af en toe aan de gestelde eisen” en “voldoet aan de gestelde eisen”. Voornoemde criteria worden allen aangemerkt als “essentieel” voor de functie. Voor één van de in het beoordelingsformulier vermelde criteria wordt geen waardering XII-4686-5/18 toegekend. De eindevaluatie wordt nog maar eens “gunstig” genoemd en de kwalitatieve beschrijvende evaluatie luidt : “Ook tijdens de verlengde stageperiode werd door mevrouw Vanrenterghem heel wat werk afgelegd. Problematisch blijven, de omgang met een deel van de medewerkers en de contacten met de residenten en hun vertegenwoordigers. De indruk blijft overwegen van iemand die druk doende is, maar die nog niet echt de uitstraling heeft die men van een leidinggevende kan verwachten. Er is op dat vlak nog heel wat werk aan de winkel”. Verzoekster laat ter gelegenheid van het evaluatiegesprek de volgende opmerkingen noteren: “- Personeelslid zal nadenken over de omschrijving v/d evaluatie. - Wenst concretisering van hoe er moet gewerkt worden aan de opmerkingen. - Omwille van persoonlijke redenen is het voor het personeelslid moeilijk om daarover nu meer reacties te geven”. Op 9 augustus 2001 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn verzoekster niet tot directie-verzorging te benoemen en met ingang van 13 september 2001 een einde te stellen aan haar tewerkstelling. Dit besluit steunt op volgende motieven: “Overwegende dat de proefperiode ingevolge een beslissing van 8 maart 2001 met een termijn van 6 maanden werd verlengd; Gelet op het evaluatieverslag in verband met mevrouw Vanrenterghem dd. 6 augustus 2001; Overwegende dat de leden van de raad in verband met de verlengde proefperiode van mevrouw Vanrenterghem Sibylle volgende vaststellingen aanbrengen : • er is geen verbetering waar te nemen in het functioneren van betrokkene tijdens genoemde periode; • er blijven grote problemen bestaan bij de manier van leiding geven, waarmee wordt bedoeld dat betrokkene er niet in slaagt zich op te werpen als een krachtige, innemende persoonlijkheid, maar dat ze zich eerder opstelt als een autoritair, arrogant iemand, die veeleer aversie oproept bij het personeel; • zij stelt zich op als een belerend persoon, die dikwijls terugkeert op reeds genomen beslissingen en die eigenlijk de eigen wil wenst door te drukken; • zij aanvaardt geen tegenspraak van ondergeschikten en slaagt er niet in om zich in te leven in de wereld van rusthuisbewoners en hun omgeving; • zij stelt zich ten opzichte van de vrijwilligers in de rusthuizen alles behalve positief op; • tijdens de periode van haar aanstelling viel er geen verbetering waar te nemen in de werking van [...] het verzorgend en verplegend personeel van de rusthuizen; • er bestaat geen goede samenwerking met het onderdeel kwaliteitszorg van het OCMW; XII-4686-6/18 • zij door de wijze waarop ze haar functie heeft uitgeoefend, niet kan gezien worden als iemand die behoort tot het management van het OCMW; • zij naar het beleid toe er zelden in slaagde om haar adviesfunctie tot een goed einde te brengen; Dat om al deze vaststellingen een aantal raadsleden aangeven dat een vaste benoeming van mevrouw Sibylle Vanrenterghem niet opportuun is; [...]”. Dit besluit is het eerste voorwerp van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 111.291/XII-
- Bij aangetekende brief van 10 augustus 2001 wordt dit besluit verzoekster ter kennis gebracht. Bij aangetekende brief van 20 augustus 2001 deelt verzoeksters raadsman het OCMW van Evergem de opmerkingen mee die verzoekster met toepassing van artikel 82 van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden van het gemeentepersoneel bij de evaluatie van 6 augustus 2001 wenst te maken. Hij verzoekt deze opmerkingen aan de raad voor maatschappelijk welzijn voor te leggen met de vraag het raadsbesluit van 9 augustus 2001 te herzien. Bij nota van 14 september 2001 deelt de OCMW-secretaris de personeelsleden van het OCMW mee dat de raad voor maatschappelijk welzijn op 13 september 2001 heeft beslist “de functie van directie-verzorging in de rusthuizen, via verhoging in graad, toe te wijzen aan mevrouw Fabine Matthijs, voorheen hoofdverpleegster”. De bedoelde beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn is het derde voorwerp van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 111.291/XII-
- Bij brief van 17 september 2001 delen de voorzitter en de secretaris van het OCMW van Evergem verzoeksters raadsman mee dat zijn brief van 20 augustus 2001 op 13 september 2001 aan de raad voor maatschappelijk welzijn werd voorgelegd, dat de leden van de raad van de inhoud ervan kennis hebben genomen, doch “geen noodzaak [zagen] om de eerdere beslissing van niet- benoeming te hernemen”. De beslissing die aldus op 13 september 2001 door de raad voor maatschappelijk welzijn werd genomen, is het tweede voorwerp van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 111.291/XII-4687; XII-4686-7/18 De ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A. 108.357/XII- 4686
- Overwegende dat eerste verwerende partij opwerpt dat het beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is voorzover het is gericht tegen het besluit van 8 maart 2001 en dit ten eerste omdat het laattijdig is ingesteld aangezien verzoekster er minstens op 14 maart 2001 kennis van heeft gekregen, ten tweede omdat verzoekster gebruik heeft gemaakt van de bij wet voorziene mogelijkheid de gouverneur de vernietiging ervan te vragen, zodat zij haar beroep tot nietigverklaring enkel tegen tweede verwerende partij kon richten en ten derde omdat voormeld besluit voor verzoekster niet grievend is zodat zij geen belang heeft bij de nietigverklaring ervan; Overwegende dat geen van de opgeworpen excepties gegrond is; dat immers de termijn voor het indienen van een beroep tot nietigverklaring wordt gestuit door een bezwaar bij de overheid die het schorsings- of vernietigingstoezicht uitoefent, op voorwaarde dat dit bezwaar wordt ingediend zowel vóór het verstrijken van de oorspronkelijke beroepstermijn bij de Raad van State als gedurende de termijn waarover de toezichthoudende overheid beschikt om de beslissing van de onder toezicht staande overheid te schorsen of te vernietigen; dat de beroepstermijn opnieuw begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de toezichthoudende overheid de bezwaarindiener heeft meegedeeld welk gevolg aan diens bezwaar is gegeven; dat eerste verwerende partij verzoekster te dezen bij brief van 13 maart 2001 op de hoogte heeft gebracht van het besluit van 8 maart 2001; dat het bezwaar dat verzoeksters raadsman tegen dit besluit bij aangetekende brief van 2 april 2001 bij de gouverneur van Oost-Vlaanderen heeft ingediend voldoet aan voormelde voorwaarde om een stuiting van de beroepstermijn teweeg te brengen; dat deze beroepstermijn opnieuw is aangevangen doordat verzoeksters raadsman door de gouverneur bij brief van vrijdag 1 juni 2001 op de hoogte werd gebracht van het gevolg dat hij aan het bezwaar heeft gegeven; dat zelfs indien zou worden aangenomen dat verzoeksters raadsman de brief van de gouverneur op maandag 4 juni 2001 heeft ontvangen, voorliggend beroep tot nietigverklaring op 1 augustus 2001 tijdig werd ingediend; Overwegende dat het bezwaar dat verzoekster in het kader van het algemeen administratief toezicht bij de gouverneur heeft ingesteld geen georganiseerd administratief beroep is waarvan de devolutieve werking tot gevolg heeft dat de door het beroepsorgaan genomen beslissing in de plaats komt van de beslissing van het aan het algemeen toezicht onderworpen bestuur; dat het besluit XII-4686-8/18 van 8 maart 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn bijgevolg ook na verzoeksters bezwaar bij de gouverneur met een beroep tot nietigverklaring kan worden bestreden; dat dat beroep, anders dan eerste verwerende partij lijkt te menen, tegen haar moet worden gericht en zij als verwerende partij moet optreden; Overwegende ten slotte dat het besluit van 8 maart 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn wel degelijk grievend is voor verzoekster; dat de beslissing haar proeftijd te verlengen immers impliceert dat zij, niettegenstaande de evaluatie “gunstig” die zij tot twee keer toe van haar beoordelaars heeft gekregen, vooralsnog niet vast wordt benoemd; dat het belang van verzoekster mogelijk verloren was gegaan, zo zij later met terugwerkende kracht benoemd was geworden; dat zulks te dezen net niet het geval is, zoals uit de gegevens van de zaak A. 111.291/XII-4687 blijkt;
- Overwegende dat tweede verwerende partij stelt dat het beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is voorzover het is gericht tegen haar op 1 juni 2001 meegedeelde “besluit”; dat verzoekster dit ter terechtzitting bijvalt en verklaart afstand te doen van het tweede voorwerp van haar beroep; De ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A. 111.291/XII-4687
- Overwegende dat verwerende partij doet gelden dat het beroep tot nietigverklaring laattijdig is voorzover het is gericht tegen het besluit van 9 augustus 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn, dat verzoekster op 10 augustus 2001 kennis kreeg van voornoemd besluit, doch pas op 10 oktober 2001 een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld, zodat de termijn van zestig dagen niet werd gerespecteerd; Overwegende dat verzoekster antwoordt dat het bestreden besluit haar bij aangetekende brief van 10 augustus 2001 werd betekend, brief die zij op 11 augustus 2001 heeft ontvangen, dat de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring derhalve verstreek op 10 oktober 2001, zodat haar verzoekschrift op 9 oktober 2001 tijdig ter post aangetekend werd verzonden; Overwegende dat verzoeksters standpunt wordt bijgevallen; dat de door verwerende partij ingeroepen exceptie derhalve niet gegrond is; XII-4686-9/18 De grond van de zaak A. 108.357/XII-4686 5.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending inroept van de artikelen 38, 43, 48, 75 en 82 van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden van het gemeentepersoneel, artikel 30, vierde lid, van de OCMW-wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het “recht op tegenspraak”, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel; dat zij stelt dat de tweede evaluatie van haar proeftijd, die op 12 maart 2001 eindigde, pas heeft plaatsgevonden op 7 maart 2001, hetgeen laattijdig is aangezien artikel 43, tweede lid, en artikel 75, eerste lid, van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden bepalen dat de tweede evaluatie één maand voor het einde van de proeftijd moet plaatsvinden, dat ten gevolge van de laattijdigheid van de evaluatie en de keuze van het bestuur vóór het verstrijken van de proeftijd een beslissing te nemen over haar vaste benoeming, de raad voor maatschappelijk welzijn geen kennis meer heeft kunnen nemen van haar opmerkingen bij haar evaluatie die zij met toepassing van artikel 82 van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden op 19 maart 2001 schriftelijk aan het bestuur heeft meegedeeld, dat de raad voor maatschappelijk welzijn zijn besluit haar proeftijd te verlengen derhalve heeft genomen op grond van een onvolledig dossier, dat zij niet ontkennend heeft geantwoord op de vraag of zij nog opmerkingen zou formuleren bij het evaluatieverslag, dat een dergelijk antwoord overigens ook niet blijkt uit het dossier, dat zij heeft aangenomen dat de volledige evaluatieprocedure zou worden gevolgd en dat toepassing zou worden gemaakt van artikel 40 van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden, naar luid waarvan het personeelslid na het beëindigen van de proeftijd de hoedanigheid van op proef benoemde behoudt tot de datum van de beslissing van de benoemende overheid, dat zij alsdan de voorgeschreven termijn om opmerkingen te maken kon benutten; Overwegende dat eerste verwerende partij antwoordt dat verzoeksters rechten niet zijn aangetast aangezien haar evaluatie gebeurde aan de hand van “de evaluatiepunten zoals statutair [...] voorzien”, dat verzoekster wel degelijk de kans heeft gekregen haar standpunt met betrekking tot haar evaluatie uiteen te zetten, dat zij ter gelegenheid van het evaluatiegesprek vijf bladzijden tekst bij het evaluatieverslag heeft laten voegen waarvan de raadsleden kennis hebben kunnen nemen, dat de schriftelijke opmerkingen die zij naderhand nog heeft ingediend niet relevant zijn daar zij geen deel uitmaken van het evaluatieverslag, dat geen enkele wettelijke bepaling, noch de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden XII-4686-10/18 vereisen dat verzoekster nog door de raad voor maatschappelijk welzijn zou worden gehoord; Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord betoogt dat de documenten die zij tijdens het evaluatiegesprek heeft overhandigd algemene opmerkingen bevatten die zij had voorbereid voor haar evaluatie, dat deze documenten betrekking hadden op haar visie op toekomstige activiteiten, aanwezigheid, gepresteerde uren en gevolgde bijscholing, dat deze documenten, aangezien zij vooraf werden opgesteld, geen betrekking konden hebben op opmerkingen in het evaluatieverslag, dat artikel 82, tweede lid, van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden voorziet in een termijn van vijftien kalenderdagen voor het geëvalueerde personeelslid om zijn opmerkingen bij het evaluatieverslag mee te delen, dat die termijn steeds moet worden gerespecteerd en voor het betrokken personeelslid pas begint te lopen op het ogenblik dat hem een afschrift van het evaluatieverslag wordt overhandigd, dat documenten die worden neergelegd tijdens het evaluatiegesprek niet onder deze regeling vallen, dat de raad voor maatschappelijk welzijn door reeds de dag na de evaluatie een beslissing te nemen over het verlengen van haar proeftijd, haar de mogelijkheid heeft ontnomen van deze termijn van vijftien dagen gebruik te maken, dat de opmerkingen die zij nog heeft gemaakt niet werden voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn, dat het recht op tegenspraak en het recht voor haar standpunt op te komen worden gewaarborgd door artikel 82 van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden, doch dat haar geen mogelijkheid tot tegenspraak werd geboden; Overwegende dat eerste verwerende partij in haar laatste memorie argumenteert dat verzoekster tijdens het gesprek de mogelijkheid heeft opmerkingen te formuleren omtrent wat de beoordelaars voorstellen, dat de mogelijkheid zelfs bestaat vooraf voorbereidende opmerkingen aan het evaluatieverslag toe te voegen, geval waarin er van wordt uitgegaan dat de geëvalueerde tijdens de hierop volgende vijftien dagen niet nog eens bijkomende opmerkingen zal formuleren, dat hiervoor overigens de nodige ruimte is voorzien op het evaluatieformulier, ruimte die verzoekster niet heeft gebruikt, dat verzoekster wel vroeg een aantal documenten bij het formulier te voegen, hetgeen is gebeurd, dat wat verzoekster op 19 maart 2001 heeft afgegeven een uitgewerkte overweging was van wat zij zelf reeds op 7 maart 2001 ter beschikking had gesteld en waarvan de raad voor maatschappelijk welzijn dus wel degelijk kennis had genomen, dat wettelijk niet vereist is dat verzoekster moet worden gehoord door of haar standpunt kenbaar moet maken aan de raad voor maatschappelijk welzijn, dat immers een beslissing van de raad voor XII-4686-11/18 maatschappelijk welzijn in de betrokken procedure geen beslissing in een tuchtprocedure is en ook geen louter verlengstuk van een evaluatieverslag; 5.
- Overwegende dat het op proef benoemde personeelslid luidens de artikelen 43 en 75 van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden tijdens zijn proeftijd twee keer wordt geëvalueerd: de eerste keer tijdens de eerste helft van de proeftijd en de tweede keer één maand voor het einde van de proeftijd; dat artikel 82 van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden bepaalt : “Het evaluatieverslag wordt door de beoordelaars gedateerd en ondertekend. Het verslag wordt binnen vijftien kalenderdagen aan de betrokkene overhandigd. Het personeelslid ondertekent het verslag voor kennisneming. Het krijgt een afschrift en kan binnen vijftien kalenderdagen opmerkingen maken en deze aan de beoordelaars afgeven. De beoordelaars tekenen voor kennisneming en voegen de opmerkingen van het personeelslid bij zijn evaluatiedossier. De gemeentesecretaris en de gemeenteontvanger krijgen een afschrift van hun beoordelingsbesluit”; 5.
- Overwegende dat verzoeksters tweede evaluatie plaatsvond op 7 maart 2001 terwijl haar proeftijd eindigde op 12 maart 2001; dat verzoekster daardoor in haar belangen is geschaad omdat de raad voor maatschappelijk welzijn reeds op 8 maart 2001 besloot haar proeftijd te verlengen, zodat zij niet meer de kans heeft gehad nuttig haar opmerkingen bij de bemerkingen van haar beoordelaars kenbaar te maken; dat de omstandigheid dat verzoekster tijdens het evaluatiegesprek op het evaluatieformulier opmerkingen had kunnen laten noteren, mogelijkheid waarvan zij geen gebruik maakte, en dat vooraf voorbereidende opmerkingen aan het evaluatieverslag kunnen worden toegevoegd, gegevens zijn die geen afbreuk doen aan het feit dat verzoekster achteraf opmerkingen mocht meedelen, mogelijkheid die uitdrukkelijk wordt gewaarborgd door artikel 82 van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden van het gemeentepersoneel; dat in de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden van het gemeentepersoneel overigens nergens wordt bepaald dat wanneer de geëvalueerde vooraf voorbereidende opmerkingen aan het evaluatieverslag toevoegt, wordt aangenomen dat hij naderhand niet nog eens bijkomende opmerkingen zal formuleren; dat ook het gegeven dat verzoekster ter gelegenheid van het evaluatiegesprek enkele documenten heeft neergelegd die bij het beoordelingsformulier zijn gevoegd, haar niet de mogelijkheid ontneemt overeenkomstig artikel 82 van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden binnen de vijftien kalenderdagen na een afschrift van het evaluatieverslag te hebben ontvangen, opmerkingen te formuleren bij de XII-4686-12/18 bemerkingen die de beoordelaars in het evaluatieverslag hebben gemaakt; dat bovendien uit de stukken van het dossier niet blijkt dat verzoekster, voorafgaandelijk aan het bestreden besluit, aan haar beoordelaars of aan enig ander orgaan van eerste verwerende partij zou hebben verklaard dat zij geen opmerkingen meer zou maken bij de bemerkingen van de beoordelaars in het evaluatieverslag; dat het bestreden besluit steunt op de evaluatie van 7 maart 2001 van verzoeksters functioneren, meer bepaald op “een aantal minder gunstige detailquoteringen [...] in verband met de klantgerichtheid, het gebruik van de werktijd, de inschatting van (probleem)situaties, efficiëntie, zelfstandigheid in het werk, mondelinge uitdrukkingsvaardigheid, samenwerken met anderen, verantwoordelijkheid en plannen en organiseren van anderen”; dat verzoekster in haar schriftelijke opmerkingen van 19 maart 2001 concreet heeft geantwoord op de kwalitatieve beschrijving van de evaluatie waarmee haar beoordelaars deze “minder gunstige detailquoteringen” hebben onderbouwd; dat deze opmerkingen dan ook bezwaarlijk kunnen worden beschouwd als “een uitgewerkte overweging [...] van wat zij reeds zelf op 7 maart ter beschikking had gesteld en waarvan de OCMW-raad dus terdege kennis heeft van genomen”; dat de raad voor maatschappelijk welzijn hiervan evenwel geen kennis heeft kunnen nemen en er dan ook geen rekening mee heeft kunnen houden toen hij reeds op 8 maart 2001 besloot tot het verlengen van verzoeksters proeftijd; dat de raad voor maatschappelijk welzijn het bestreden besluit bijgevolg heeft genomen op grond van een onvolledig evaluatiedossier; 5.
- Overwegende dat het eerste middel in de besproken mate gegrond is; 6.
- Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de artikelen 38, 43 en 75 van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden en “de algemene materiële en formele motiveringsplicht”; dat zij onder meer doet gelden dat de benoemende overheid krachtens artikel 38 van de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden slechts in “uitzonderlijke omstandigheden” tot het verlengen van de proeftijd kan besluiten, zo niet dient een gunstige evaluatie tot een vaste benoeming te leiden, dat in het bestreden besluit niet afdoende wordt gemotiveerd dat er te dezen uitzonderlijke omstandigheden voorhanden zijn om haar niet vast te benoemen, dat het verwijzen naar “een aantal minder gunstige detailquoteringen” en naar een reeks algemene begrippen, afgeleid uit het evaluatieverslag, ontoereikend is daar niet wordt vermeld op welke concrete gegevens de raad voor maatschappelijk welzijn zich heeft gesteund en hoe de XII-4686-13/18 bedoelde begrippen zouden meebrengen dat nog niet tot een vaste benoeming kan worden besloten, dat de kwalitatieve beschrijvende evaluatie van het evaluatieverslag niet op die begrippen kan worden betrokken, dat de begrippen die in het bestreden besluit worden gehanteerd veel ruimer zijn dan wat in de kwalitatieve beschrijvende evaluatie met betrekking tot haar functioneren werd gesteld, dat wat haar in de kwalitatieve beschrijvende evaluatie wordt verweten bovendien niet correct is; Overwegende dat eerste verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit zeer duidelijk en afdoende is gemotiveerd, dat het uitdrukkelijk verwijst naar de kwalitatieve beschrijving in het evaluatieverslag, dat verzoekster daarop naderhand uitgebreid heeft geantwoord waardoor wordt aangetoond dat die motivering afdoende is geweest, dat de genomen beslissing volledig in overeenstemming is met het advies van het evaluatieverslag, dat de motieven niet tegenstrijdig zijn, noch kennelijk onjuist, dat zelfs indien wordt aangenomen dat de motivering van het bestreden besluit gebrekkig zou zijn, het middel nog niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit kan leiden aangezien verzoekster er niet door is benadeeld zodat zij geen belang heeft bij het middel; Overwegende dat verzoekster repliceert dat zij niet de motivering van het evaluatieverslag, doch de motivering van het bestreden besluit bestrijdt, dat in het bestreden besluit bijkomende elementen worden opgesomd die niet worden verduidelijkt in de motivering of gestaafd in het dossier, dat de motiveringsplicht strenger is nu de overheid, gezien het feit dat zij twee keer “gunstig” werd geëvalueerd, een niet voor de hand liggende beslissing heeft genomen, dat zij door de gebrekkige motivering van het bestreden besluit wel degelijk is benadeeld aangezien er, indien de motivering van het evaluatieverslag en van het bestreden besluit correct was geweest, nooit sprake had kunnen zijn van het verlengen van haar proeftijd; Overwegende dat eerste verwerende partij dupliceert dat artikel 48 van de personeelsstatuten heel duidelijk is en bepaalt dat “[d]e beslissing tot benoeming in vast verband wordt genomen door de overheid bedoeld bij artikel 4§3”, zijnde de raad voor maatschappelijk welzijn, dat evaluatieverslagen enkel adviezen zijn voor de raad voor maatschappelijk welzijn die autonoom en met de nodige motivering beslist, dat de raad voor maatschappelijk welzijn, ook in geval van gunstige adviezen, niet verplicht is tot benoeming over te gaan, dat wanneer men de evolutie van de quoteringen in de drie evaluatieverslagen bekijkt, duidelijk blijkt XII-4686-14/18 dat deze verschuiven van “voldoet aan de gestelde eisen” naar “voldoet min of meer/af en toe aan de gestelde eisen”, dat voorts de kwalitatieve beschrijving “op een beschrijvende wijze de cijfermatige kwoteringen [verstrekt]”, dat deze kwalitatieve beschrijving zeer concreet en duidelijk omschreven is, dat lezing van de drie evaluatieverslagen bewijst dat er een duidelijke kentering was van vrij goed functioneren naar een functioneren met behoorlijk wat tekortkomingen, dat het mede op grond van deze evaluatieverslagen is dat de raad voor maatschappelijk welzijn besliste verzoekster niet vast te benoemen, dat alle bestreden beslissingen in hun overwegingen hernemen wat uit de evaluatieverslagen naar voor komt; 6.
- Overwegende dat het bestreden besluit ter motivering van het verlengen van verzoeksters proeftijd verwijst naar “het evaluatieverslag van 7 maart 2001 met een gunstige eindevaluatie, maar waarin ook een aantal minder gunstige detailquoteringen zijn opgenomen in verband met de klantgerichtheid, het gebruik van de werktijd, de inschatting van (probleem)situaties, efficiëntie, zelfstandigheid in het werk, mondelinge uitdrukkingsvaardigheid, samenwerken met anderen, verantwoordelijkheid en plannen en organiseren van anderen”; dat voorts in het bestreden besluit wordt overwogen dat de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn menen dat daarom nog niet tot benoeming kan worden overgegaan, doch dat de geleverde prestaties ook niet van die aard zijn dat zij ontslag zouden kunnen rechtvaardigen; dat daarom voor de tussenoplossing van het verlengen van de proeftijd met zes maanden wordt gekozen; 6.
- Overwegende dat het feit dat de raad voor maatschappelijk welzijn autonoom beslist over een benoeming in vast verband en dat evaluatieverslagen slechts adviezen zijn niet betekent dat zijn beslissing niet afdoende moet worden gemotiveerd, vooral niet indien, zoals te dezen, ondanks twee gunstige evaluatieverslagen wordt besloten tot het verlengen van verzoeksters stage; dat verzoekster terecht doet gelden dat in het bestreden besluit niet wordt geconcretiseerd hoe zij op voormelde punten zou zijn tekortgeschoten; dat ook het evaluatieverslag, waarnaar het bestreden besluit verwijst, op dat vlak geen verduidelijking biedt; dat verzoeksters beoordelaars in het evaluatieverslag met behulp van kruisjes aanduiden dat verzoekster voor voormelde criteria de waardering “voldoet min of meer/af en toe aan de gestelde eisen” wordt toegekend; dat nergens wordt vermeld welke de concrete beweegredenen waren om voormelde middelmatige waardering, waarop het verlengen van de proeftijd steunt, toe te kennen; dat ook de kwalitatieve beschrijving van de evaluatie -daargelaten of zij correct is, wat door verzoekster wordt betwist- onvoldoende verheldering brengt; dat XII-4686-15/18 ze gewag maakt van de problematische bereikbaarheid van verzoekster, haar overacting, gebrekkige communicatie en onvoldoende terreinwerk; dat daarmee evenwel niet duidelijk is aangegeven waarom verzoekster een middelmatige waardering werd toegekend voor onder meer “klantgerichtheid”, “inschatting van (probleem)-situaties”, “efficiëntie”, “zelfstandigheid in het werk” en “verantwoordelijkheid”; dat dit evenmin duidelijk wordt gemaakt door de stukken uit het dossier; dat bijgevolg verzoeksters middelmatige waardering voor een aantal evaluatiecriteria niet concreet verantwoord is en derhalve geen afdoende motief kan zijn voor de beslissing verzoeksters proeftijd met zes maanden te verlengen; dat eerste verwerende partij, door in haar laatste memorie te verwijzen naar een evolutie in de quoteringen en een kentering in verzoeksters functioneren, de bestreden beslissing poogt te motiveren aan de hand van het derde evaluatieverslag, dus van gegevens die dateren van na de bestreden beslissing en er niet als motief aan ten grondslag kunnen liggen; dat ten slotte niet valt in te zien dat verzoekster er geen belang bij zou hebben die ontoereikende motivering door de Raad van State vastgesteld te zien worden; 6.
- Overwegende dat het tweede middel in de besproken mate gegrond is; De gegrondheid van het beroep in de zaak A. 111.291/XII-4687
- Overwegende dat de gegrondheid van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 108.357/XII-4686 en de hierna uit te spreken nietigverklaring van de verlenging van verzoeksters proeftijd met zich meebrengt dat ook de op die verlenging steunende, navolgende akten die het voorwerp uitmaken van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 111.291/XII-3687, gevitieerd zijn en moeten worden nietigverklaard, BESLUIT: Artikel
- In de zaak A.108.357/XII-4686 wordt de afstand van het beroep vastgesteld in zoverre het is gericht tegen de onthouding van de gouverneur om een toezichtsmaatregel te treffen. XII-4686-16/18 Artikel
- Vernietigd worden : - het besluit van 8 maart 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Evergem waarbij de proefperiode van Sibylle Vanrenterghem met ingang van 9 maart 2001 met een periode van zes maanden wordt verlengd; - het besluit van 9 augustus 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Evergem waarbij wordt beslist Sibylle Vanrenterghem niet te benoemen in de functie van directie- verzorging en een einde te stellen aan haar tewerkstelling met ingang van 13 september 2001; - het besluit van 13 september 2001 waarbij de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Evergem geen noodzaak zien de eerdere beslissing van niet-benoeming te hernemen; - de beslissing van 13 september 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Evergem waarbij de functie van directie-verzorging in de rusthuizen met ingang van 14 september 2001 via verhoging in graad wordt toegewezen aan Fabine Matthijs. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Evergem. XII-4686-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4686-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.254 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div