id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.255 Rolnummer: A. 123969/XII-3601 Zaak: Arrest 172255 - Examens (onderwijs) - 14/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-01 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 20:32 Fiche Arrest nr 172.255 van 14 juni 2007 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.255 van 14 juni 2007 in de zaak A. 123.969/XII-
- In zake : Ine L’HOEST, die woonplaats kiest bij advocaat M. Van Bosch, kantoor houdende te Hasselt, Toekomststraat 32 tegen : de VZW KATHOLIEKE HOGESCHOOL LIMBURG, die woonplaats kiest bij advocaat K. Geelen, kantoor houdende te Hasselt, Gouverneur Roppesingel
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien de twee verzoekschriften die Ine L’Hoest heeft ingediend om telkenmale de nietigverklaring te vorderen van “de uitslag van haar eindexamen in het vierde jaar Grafische- en Reclamevormgeving aan de Katholieke Hogeschool Limburg te Genk”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 21 november 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 8 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 juni 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-3601-1\7 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Bosch, die verschijnt voor verzoekster; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De gegevens van de zaak
- Verzoekster volgt tijdens het academiejaar 1999-2000 het vierde jaar grafische- en reclamevorming, departement audiovisuele en beeldende kunsten, aan de katholieke hogeschool Limburg. Op het einde van de juni-examenperiode beslist de bevoegde examencommissie dat verzoekster wordt “afgewezen”. Zij wordt vervolgens ook als “afgewezen” geproclameerd op 29 juni
- Op 6 juli 2000 schrijft zij aan de voorzitter van de examencommissie “formeel bezwaar te maken en mij in beroep te voorzien tegen de uitslag van mijn eindexamen in het vierde jaar”. Zij argumenteert bij nazicht van de behaalde punten vast te stellen dat een en ander een uitvloeisel is van ernstige misstoestanden in de school -gebrek aan organisatie, onbekwaamheid van de docenten, overvloedig wijngebruik bij de deliberatie en psychisch terroriseren van de studenten zijn enkele van de door haar te berde gebrachte problemen-, dat in de loop van het jaar over de vorderingen van haar project nooit enige opmerking is gemaakt, dat het een “teken aan de wand” is dat zes van de elf laatstejaars niet geslaagd zijn en dat zij niet op prestaties maar op “karakter” zijn beoordeeld. Verzoekster vraagt de examencommissie opnieuw samen te roepen om haar resultaten te her-evalueren. Het departementshoofd antwoordt op 12 juli
- Hij herinnert aan de eerdere gesprekken waarin de evaluatie werd verantwoord op basis van een reeks formulieren, tussentijdse besprekingen en evaluatieverslagen en de beknopte motivering van de jury van de afwijzing. Hij deelt mee, van oordeel te zijn dat in XII-3601-2\7 voldoende mate is ingegaan op de vragen van verzoekster “en dat we geen administratieve fouten of fouten ten gronde hebben begaan” zodat “het geen zin heeft om een herziening van de deliberatie te organiseren in een buitengewone extra-zitting van de deliberatiecommissie”. Hij besluit er mee verzoekster te wijzen op de mogelijkheid in beroep te gaan bij de Raad van State in geval van betwisting. De ontvankelijkheid van het beroep
- Verwerende partij werpt op dat het beroep niet ontvankelijk is ratione temporis. Verzoekster was aanwezig tijdens de proclamatie en had vanaf dat ogenblik feitelijke kennis van haar uitslag, minstens had ze die op 6 juli 2000 wanneer ze beroep aantekende tegen die uitslag. Het beroep is manifest laattijdig. Verzoekster is het hiermee oneens. Volgens haar is zij nooit op officiële wijze in kennis gesteld van de uitslag, zodat de termijn voor het instellen van haar beroep nog niet is beginnen lopen. Zij heeft over haar klacht nooit formeel antwoord gekregen van de examencommissie. In de krachtens artikel 56 van het hogescholendecreet van 13 juli 1994 vereiste procedure voor de bekendmaking van de examenresultaten noch in de door hetzelfde artikel voorgeschreven interne beroepsprocedure is door verwerende partij voorzien. Dit alles doet haar besluiten dat er “geen tijdstip a quo [is] dat enige termijn kan laten lopen”. Enkel bij het bestaan van een reglementaire interne beroepsprocedure kan de termijn voor het indienen van een verzoek tot nietigverklaring beginnen lopen na het betekenen van een regelmatige beslissing in graad van beroep binnen de interne beroepsprocedure. Bovendien, zo stelt verzoekster nog in de laatste memorie, heeft zij reeds “op 27 september 2001” een eerste verzoekschrift bij de Raad van State neergelegd, “echter niet aangetekend”, en een tweede verzoekschrift “dan gedateerd op 3 juli 2002” dat wel aangetekend werd verstuurd “op 16.7.2002”.
- De stelling van verzoekster over de gevolgen van het ontbreken van een examenreglement met een interne beroepsprocedure aan de hogeschool wekt verwondering. Zoals verzoekster die stelling formuleert leidt ze immers er toe dat er nog steeds geen definitieve eindbeslissing zou zijn genomen door verwerende partij over haar einduitslag. Een ontvankelijk annulatieberoep vereist evenwel in beginsel het bestaan van een aanvechtbare eindbeslissing -in voorkomend geval, van de weigeringsbeslissing die afgeleid moet worden uit het blijven stilzitten van de XII-3601-3\7 behoorlijk in gebreke gestelde overheid- die als voorwerp van het beroep gerekend kan worden. Zoals hierna wordt uiteengezet, valt de Raad van State verzoeksters zienswijze evenwel niet bij en meent hij dat er te dezen wel degelijk een vaststaande en aanvechtbare einduitslag voorhanden is.
- Vooreerst is het niet juist dat verzoekster niet op “officiële wijze” kennis kreeg van haar uitslag. Voor examens is de proclamatie de gebruikelijke vorm van mededeling en bijgevolg van bekendmaking. Zoals verzoekster zelf doet gelden, ontbreekt in de Katholieke Hogeschool Limburg een examenreglement dat van die gebruikelijke regel zou kunnen afwijken. De student moet, behoudens te dezen niet relevante gevallen van overmacht, geacht worden door de proclamatie kennis te hebben gekregen van het resultaat. Naar gelang de omstandigheden van de zaak moet dit uitgangspunt nog worden gerelativeerd om rekening te houden met het beginsel dat een beroepstermijn slechts begint te lopen vanaf het ogenblik dat de belanghebbende ook geacht kan worden een voldoende kennis te hebben van de examenresultaten inclusief de examencijfers en desgevallend andere gegevens die nuttig zijn om zijn bezwaar te formuleren. De openbare proclamatie van verzoeksters resultaat heeft plaats gevonden op 29 juni
- Verzoekster spreekt niet tegen dat zij er aanwezig was en, zoals verwerende partij terecht opmerkt, uit haar brief van 6 juli 2000 blijkt alleszins dat zij ten minste vanaf laatstgenoemde datum op de hoogte was van haar resultaten. Het op dit punt door verzoekster niet tegengesproken antwoord op 12 juli 2000 van het departementshoofd leert dan weer dat daaraan verschillende gesprekken zijn voorafgegaan met verzoekster, op basis van verschillende evaluatiedocumenten. Verzoekster moet derhalve geacht worden uiterlijk op 6 juli 2000 een voldoende kennis te hebben gehad van haar examenresultaten inclusief de examencijfers en van de andere gegevens die nuttig kunnen zijn om haar bezwaar te formuleren.
- Volgens verzoekster was er geen intern georganiseerd beroep voorhanden bij gebreke aan een examenreglement dat uitvoering gaf aan artikel 56 van het hogescholendecreet. Wat verzoekster daartegen niét heeft gedaan, was bij de Raad van State een annulatieberoep instellen -eventueel met een vordering tot schorsing, dan nog bij uiterst dringende noodzakelijkheid- waarbij deze grief als een XII-3601-4\7 grond tot nietigverklaring -c.q. schorsing- werd aangevoerd. Wat zij evenmin heeft gedaan, was de hogeschool aanmanen, voor zoveel als dan nog nuttig, om in een dergelijke regeling te voorzien. Verzoekster heeft integendeel, handelende alsof er wél een beroepsmogelijkheid bestond, haar bezwaren bij haar examenuitslag aan verwerende partij voorgelegd met het verzoek de examencommissie opnieuw samen te roepen. Blijkens het antwoord dat het departementshoofd dan aan verzoekster op 12 juli 2000 bezorgt, is deze van mening “dat we geen administratieve fouten of fouten ten gronde hebben begaan” en dat het geen zin heeft om de examencommissie opnieuw te laten samenkomen. Uit dit formele antwoord kon en moest verzoekster afleiden dat aan haar bezwaarschrift terdege aandacht is besteed, zowel naar de vormelijke aspecten als “ten gronde” en dat het departementshoofd de examencommissie niet opnieuw zou bijeenroepen. Deze brief verschaft dienvolgens een definitief antwoord op verzoeksters ingesteld beroep. Of dit het gewenste antwoord was -vanzelfsprekend niet-, of dit een afdoende antwoord was, of dit antwoord uitging van het daartoe bevoegde orgaan van de verwerende partij, en ook nog, of die verwerende partij terecht verweten wordt niet te beschikken over een examenreglement met een georganiseerd administratief beroep, met vervolgens de vraag of dit eventuele euvel de wettigheid van het door het departementshoofd gegeven antwoord aantast : dit alles zijn grieven die de interne en de externe wettigheid betreffen van verzoeksters “uitslag van haar eindexamen”, formeel voorwerp van voorliggend beroep welke zij kende middels de haar meegedeelde uitslag op 29 juni 2000 en waarvan zij uiterlijk op grond van het antwoord van het departementshoofd op 12 juli 2000 kon en moest weten dat ze voor wat de hogeschool betrof vaststaande was. Reden overigens, waarom het departementshoofd haar in zijn brief er op wees dat in geval van blijvend geschil een beroep bij de Raad van State moest worden ingesteld. Die grieven diende zij dan ook door een tijdig ingesteld annulatieberoep aan de Raad van State voor te leggen.
- De Raad van State heeft een eerste verzoekschrift waarin verzoekster de nietigverklaring vordert van “de uitslag van haar eindexamen” ontvangen, dat op 3 juli 2002 is gedateerd en met een aangetekend schrijven van 4 juli 2002 is verstuurd. XII-3601-5\7 Omdat op dit verzoekschrift de voorgeschreven fiscale zegels ontbraken, werd op 10 juli 2002 door de griffie aan verzoekster gevraagd zo spoedig mogelijk en alleszins binnen een termijn van vijftien dagen de zegels te bezorgen. Die fiscale zegels volgen in een op 16 juli 2002 ter post aangetekende zending. Zij zijn aangebracht op een tweede verzoekschrift dat -met overigens dezelfde bewoordingen als het eerste verzoekschrift- evenwel 27 september 2001 is gedateerd. Zonder dat de Raad moet achterhalen wat de bedoelingen van verzoekster waren om aldus te handelen, volstaat de vaststelling dat niet de datering van een verzoekschrift, maar wel de datum van zijn aangetekende verzending bepalend is voor de termijnen. Zelfs indien de brief van 12 juli 2000 in aanmerking zou worden genomen voor de berekening van de ingangsdatum van de verjaringstermijn en 4 juli 2002 als datum van het inleidend verzoekschrift, ligt tussen beide ruim meer dan de zestig dagen waarna een beroep bij de Raad van State verjaard is.
- De exceptie is gegrond. Het beroep is laattijdig en dus onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-3601-6\7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3601-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.255 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.