← België

Arrest 172258 - Milieuvergunningen - 14/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.258 Rolnummer: A. 89209/VII-20371 Zaak: Arrest 172258 - Milieuvergunningen - 14/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-28 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 20:33 Fiche Arrest nr 172.258 van 14 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.258 van 14 juni 2007 in de zaak A. 89.209/VII-20.

  1. In zake :
  2. Anna Maria HOCHSTENBACH,
  3. Hubert KURVERS, die woonplaats kiezen bij advocaat D. ARITS, kantoor houdende te DILSEN-STOKKEM, Borreshoefstraat 42 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VANDEPUT, kantoor houdende te HASSELT, Kolonel Dusartplein 34, bus
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Anna Maria HOCHSTENBACH en Hubert KURVERS op 26 januari 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 22 oktober 1999 waarbij het beroep dat Paula CRIJNS-MONNESEN had aangete- kend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 15 april 1999, houdende weigering van de vergunning voor het exploiteren van een nieuw varkensbedrijf aan de Voelmerweg te Maasmechelen, gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en aan Paula CRIJNS-MONNESEN de gevraagde vergunning gedeeltelijk wordt verleend; Gelet op het arrest nr. 88.488 van 29 juni 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door eerste verzoekster; VII-20.371-1/4 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 8 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van eerste verzoekster; Gelet op de beschikking van 13 maart 2007 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 19 april 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. LAURIA die, loco advocaat D. ARITS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat H. VAN OPSTAL die, loco advocaat M. VANDEPUT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt dat ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest. Bij arrest nr. 88.488 van 29 juni 2000 werd de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen. Tweede verzoeker heeft echter geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest. Te zijnen aanzien geldt bijgevolg een vermoeden van afstand van het geding. VII-20.371-2/4
  6. Eerste verzoekster doet in haar laatste memorie gelden dat de met het bestreden besluit van 22 oktober 1999 vergunde inrichting nooit in gebruik is genomen, zodat de betrokken milieuvergunning met toepassing van de artikelen 28, §1, en 17, van het milieuvergunningsdecreet is vervallen en er moet worden vastgesteld dat de vordering geen voorwerp meer heeft. Dit wordt door de verwerende partij als dusdanig niet betwist. Uit deze bewoordingen blijkt dat eerste verzoekster, als derde, geen belang meer heeft voor het door haar ingeleide beroep, zodat dit moet worden verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. Ten aanzien van tweede verzoeker wordt de afstand van het geding vastgesteld. Artikel
  8. Het beroep van eerste verzoekster wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van eerste verzoekster. VII-20.371-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juni tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-20.371-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.258 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.88.488 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.