id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.260 Rolnummer: A. 179607/VII-36802 Zaak: Arrest 172260 - Milieuvergunningen - 14/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-19 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 20:34 Fiche Arrest nr 172.260 van 14 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.260 van 14 juni 2007 in de zaak A. 179.607/VII-36.802. In zake : 1. Maria JANSSENS, 2. Greet JANSSENS, die woonplaats kiezen bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Maria JANSSENS en Greet JANSSENS op 20 december 2006 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 13 november 2006 houdende nieuwe uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 12 mei 2005 houdende het verlenen van de vergunning aan de b.v.b.a. FREDERICKX om een inrichting voor productie van gewapende betonelementen gelegen te Scherpenheuvel-Zichem, Schuttersveldstraat 11, te veranderen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-36.802-1/11 Gelet op de beschikking van 12 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 maart 2007; Gelet op de omstandigheid dat ter terechtzitting de behandeling van de zaak wordt uitgesteld tot de terechtzitting van 10 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat Th. EYSKENS die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor verzoeksters, en van advocaat I. VANDEN BON die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten 1.1. De b.v.b.a. FREDERICKX produceert gewapende betonelemen- ten aan de Schuttersveldstraat 11, te Scherpenheuvel-Zichem, kadastraal gekend onder afdeling 3, sectie B, nrs. 261g, 263r en 2620. 1.2. Het perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Aarschot-Diest deels gelegen in een K.M.O.-zone en deels gelegen in agrarisch gebied. 1.3. De basisvergunning voor de exploitatie van de inrichting wordt verleend bij besluit van 14 november 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. 1.4. Op 15 december 2004 dient de b.v.b.a. FREDERICKX bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een aanvraag in om de bestaande inrichting voor de productie van gewapende betonelementen te veranderen. VII-36.802-2/11 1.5. Bij besluit van 12 mei 2005 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning voor een termijn die samenvalt met de geldigheidsduur van de basisvergunning. Aan de vergunning worden een aantal bijzondere voorwaarden gekoppeld waaronder de verplichting om binnen een termijn van zes maanden een akoestisch onderzoek "incl. LFG" te laten uitvoeren door een erkend deskundige. 1.6. Tegen deze toekenningsbeslissing worden op respectievelijk 16 en 21 juni 2005 twee administratieve beroepen ingesteld bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, die bij besluit van 9 november 2005 worden verworpen en waarbij het beroepen besluit integraal wordt bevestigd. 1.7. Bij arrest nr. 160.593 van 27 juni 2006 van de Raad van State wordt de bij besluit van 9 november 2005 van de bevoegde Vlaamse minister toegekende vergunning geschorst. 1.8. Ingevolge dit schorsingsarrest trekt de verwerende partij het ministerieel besluit van 9 november 2005 in en verwerpt zij, na het inwinnen van het gunstig advies van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid van 20 juli 2006, op 13 november 2006 opnieuw de administratieve beroepen van verzoeksters tegen de toekenningsbeslissing van 12 mei 2005 van de bestendige deputatie. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing steunt, onder meer, op volgende motieven : "Overwegende dat verder kan worden vastgesteld dat de voorliggende aanvraag betrekking heeft op gebouwen, constructies of installaties die uit oogpunt van ruimtelijke ordening hoofdzakelijk vergund zijn of geacht worden vergund te zijn, ook wat de functie betreft; Overwegende immers dat voor de productiehal op 22 april 1966 een bouwvergunning werd afgeleverd, en dat de verdere uitbreiding ervan (in agrarisch gebied) stedenbouwkundig vergund werd bij besluit van 7 december 1992 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Scherpenheuvel-Zichem; dat verder op 4 oktober 2004 een bouwvergunning werd afgeleverd voor (het regulariseren van) de twee bouwsilo's; Overwegende dat de afdeling Stedenbouwkundig Beleid kan worden gevolgd waar wordt gesteld dat ook de ingenomen ruimte voor buitenactivitei- ten kan worden beschouwd als hoofdzakelijk vergund, minstens geacht worden vergund te zijn, gelet op de aanduiding van de kwestieuze zone op de goedgekeurde en vergunde bouwplannen van hoger vermelde stedenbouwkun- dige vergunning van 7 december 1992; VII-36.802-3/11 Samenvattend kan dus worden bevestigd dat voor de activiteiten gesitueerd in agrarisch gebied voldaan wordt aan de voorwaarden opgenomen in artikel 43, § 7 en § 8, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zodat op rechtsgeldige wijze kan afgeweken worden van de gewestplanbestemming". 2. Het verzoek tot tussenkomst De b.v.b.a. FREDERICKX vraagt om tussen te komen in het administratief kort geding. Dit verzoek tot tussenkomst is om volgende redenen laattijdig : 1) Met een aangetekende zending van 28 december 2006 werd de b.v.b.a. FREDERICKX door de griffie van de Raad van State aangeschreven met het oog op een eventuele tussenkomst. 2) Op die enveloppe, die is teruggekomen, staat een klever met de vermelding dat de geadresseerde afwezig was en dat een bericht achtergelaten werd op 29 december 2006. 3) De b.v.b.a. FREDERICKX heeft een klacht ingediend bij De Post. In een brief van 18 april 2007, uitgaande van de klantendienst van De Post en gericht aan de b.v.b.a. FREDERICKX, staat te lezen dat naar aanleiding van de klacht een grondig onderzoek werd ingesteld in het postkantoor van Scherpenheuvel-Zichem. Uit dat onderzoek blijkt dat de aangetekende zending van de Raad van State op 29 december 2006 is toegekomen in het postkantoor van Scherpenheuvel-Zichem. Verder blijkt dat de b.v.b.a. FREDERICKX een tijdelijke bewaring van de briefwisseling op het postkantoor had aangevraagd voor de periode van 27 december 2006 tot en met 7 januari 2007 zodat de postbode, zoals reglementair voorzien, het bericht van afwezigheid had gedeponeerd bij de voor de firma reeds in bewaring gehouden briefwisseling. Al deze briefwisseling, en dus ook het bericht van afwezigheid, werd op 8 januari 2007 bij de firma uitgereikt, aldus nog de brief van 18 april 2007. Uit deze gegevens blijkt dat de b.v.b.a. FREDERICKX in de mogelijkheid verkeerde om tussen te komen, maar de termijn daartoe liet verstrijken. De Raad van State kan inderdaad niet zonder meer aannemen dat de verklaring die in de brief van 18 april 2007 te lezen staat onjuist zou zijn, en de brief is overigens niet van valsheid beticht. De Raad van State kan zeker niet in een procedure in kort geding het onderzoek van De Post overdoen, en kan niet anders dan voortgaan op wat De Post heeft medegedeeld. De b.v.b.a. FREDERICKX brengt overigens geen doorslaggevende gegevens aan om de verklaringen van De Post tegen te spreken. Het verzoek tot tussenkomst wordt verworpen. VII-36.802-4/11 3. Beoordeling 3.1. Op grond van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.2. Over de ernst van het eerste middel, tweede onderdeel 3.2.1. In het verzoekschrift zetten verzoeksters uiteen wat volgt : "Eerste middel, genomen uit de schending van art. 2 en van art. 43, § 6, 7 en 8 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna het 'Coördinatiedecreet'), art. 17, eerste lid van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, de art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshan- delingen, art. 52, 3/,
- b)van het besluit van 6 februari 1991 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende de milieuvergunning, art. 11.4.1. van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, het materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbegin- sel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, (...) En doordat, tweede onderdeel, in de bestreden beslissing wordt geponeerd dat enkele van de bouwwerken waarin en/of waarop de aangevraagde exploitatie zal doorgaan, moeten worden geacht vergund te zijn, Terwijl, een zorgvuldig onderzoek naar de bouwvergunningstoestand veronderstelt dat een inventaris van de stedenbouwkundige vergunningen en van de werkelijk verwezenlijkte bouwwerken wordt opgesteld, en dat deze inventarissen met elkaar worden vergeleken, En terwijl, uit zo'n onderzoek noodzakelijkerwijze aan het licht moet komen dat de hoogte van de zonevreemde productiehal 50 % hoger is dan wat vergund is en zodoende in redelijkheid niet kan worden geacht te zijn vergund, En terwijl, uit zo’n onderzoek noodzakelijkerwijze aan het licht moet komen dat de oppervlakte van de stapelplaats onmogelijk kan worden geacht te zijn vergund in het licht van het besluit van de bestendige deputatie houdende de weigering van de regularisatie ervan, minstens is het kennelijk onredelijk om uit het 'verslag van de bestendige deputatie' af te leiden dat het in 1992 goedgekeurde inplantingsplan melding maakt van een stapelplaats zodat het hedendaagse gebetoneerde platvorm dienstig als laadruimte, parking en stapelplaats impliciet moet worden geacht te zijn goedgekeurd en zodoende moet worden geacht te zijn vergund. En terwijl vaststaat dat de portaalkraan, te weten een essentieel onderdeel zonder hetwelk de aangevraagde exploitatie onmogelijk kan worden uitgevoerd, niet wordt geacht te zijn vergund. En terwijl, enkel een zorgvuldig onderzoek het bestuur in staat stelt om met kennis van zaken te beslissen, zodat het bestuur dat vaststelt dat het dossier geen zorgvuldige besluitvorming toelaat moet beslissen tot de weigering". VII-36.802-5/11 In de toelichting bij het middel geven verzoeksters een uiteenzet- ting van de relevante decretale bepalingen, die zij vervolgens verder toelichten. Zij wijzen op de voorwaarden die inzake zonevreemde inrichtingen gesteld worden door artikel 43, §§ 6, 7 en 8 van het coördinatiedecreet ruimtelijke ordening, en wijzen op het belang en de draagwijdte van de motiveringsplicht, alsook op de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Meer concreet stellen zij wat volgt : "Een tweede vereiste voor de toepassing van art. 43, § 6 en 7 van het Coördinatiedecreet, is dat het gaat om een zgn. hoofdzakelijk vergund of geacht vergund bouwwerk. Om uit te maken of er sprake is van een 'hoofdzakelijk vergund' bouwwerk of een 'geacht vergund' bouwwerk, moet het bestuur vooraf een duidelijke inventaris opmaken van alle bouwvergunningen enerzijds en alle op het terrein opgerichte bouwwerken anderzijds. Onduidelijk is welke bouwwerken precies zijn opgericht op het terrein. Onduidelijk is welke bouwwerken zijn uitgevoerd op grond van een stedenbouwkundige vergunning, en welke zijn uitgevoerd zonder stedenbouw- kundige vergunning. Onduidelijk is welke bouwwerken zijn uitgevoerd op grond van een stedenbouwkundige vergunning, doch niet in overeenstemming met deze vergunning. Volgens het advies dd. 18 augustus 2006 van de ASV liggen 'een deel van de bestaande productiehal, een deel van de verhardingen, een portaalkraan en het uiterste noordelijke perceel 261e dat onbebouwd is' in een agrarisch gebied, terwijl volgens hetzelfde advies het perceel 263n het uiterst noordelijke en onbebouwde perceel is. Het is onzorgvuldig om te spreken over 'een deel' van de productiehal en van de verhardingen, zonder duidelijk aan te geven over welk deel het gaat. Dit kan immers niet opgemaakt worden op grond van de plannen. De weigeringsbeslissing dd. 5 november1996 leert dat de ophoging van het industrieel terrein op het perceel nr. 261e in agrarisch gebied moet worden geweigerd, terwijl deze ophoging niettemin is doorgevoerd. Zo men kan aannemen dat de verwijzing naar het perceel 263n een materiële misslag is, is het onjuist om voor te houden dat het perceel nr. 261e 'onbebouwd' is. Een reliëfwijziging is immers een stedenbouwkundig vergunningsplichtig werk. Nergens blijkt dat de reliëfwijziging wordt geacht te zijn vergund. Dit is ook niet het geval. Verzoekende partijen hebben onder de randnr. 21 - 24 van hun administratief beroepschrift duidelijk en concreet aangegeven dat het niet gaat om een hoofdzakelijk bouwvergund bedrijf, onder meer omdat : - de nieuwe productiehal de in 1992 vergunde hoogte met 50 % overschrijdt, zonder dat hiervoor ooit een aanvraag is goedgekeurd; De overweging van de ASV dat 'blijkt dat voor het bedrijfsgebouw, ook voor de latere uitbreidingen binnen het agrarisch gebied, de nodige stedenbouwkun- dige vergunningen werden verleend, waardoor het gebouw moet worden beschouwd als hoofdzakelijk vergund' steunt minstens op een onzorgvuldige feitenvinding. Minstens en zeker in het licht van het gestelde beroepsbezwaar zou het bestuur moeten nagaan of de kennelijk in strijd met de goedgekeurde vergunning uitgebreide productiehal, als hoofdzakelijk vergund kan worden beschouwd. VII-36.802-6/11 Dit is niet het geval, enkel al omdat de in overtreding gerealiseerde productiehal in geen geval voor 90 % overstemt met de vergunde productiehal. Doordat de minister de overwegingen van de ASV blijkbaar bijvalt, is zijn beslissing aangetast door een onregelmatigheid. - de op een oppervlakte van 1,20 ha ingerichte stapelplaatsen zijn niet vergund. De vaststelling dat FREDERICKX hiervoor een stedenbouwkundige regularisatie heeft aangevraagd, laat veronderstellen dat de stapelplaats niet kan worden geacht vergund te zijn. Deze veronderstelling staat vast sinds de bestendige deputatie in laatste administratieve aanleg de regularisatieaanvraag heeft geweigerd. Het is immers onredelijk om te veronderstellen dat het bouwwerk waarvan de regularisatie geweigerd is, geacht moet worden te zijn vergund, terwijl hiervan niets blijkt uit de bedoelde aanvraag. De argumentatie terzake van de ASV overtuigt niet. De ASV leest in het 'verslag van de bestendige deputatie' dat de (zonevreemde) buitenactiviteiten zijn aangeduid op de vergunde bouwplannen van 1992, blijkbaar ongeacht deze vergunning dd. 7 december 1992 uitdrukkelijk als voorwerp heeft de uitbrei- ding van een bestaande productiehal. Blijkbaar toont het 'onderzoek van het inplantingsplan' (maar dus niet van de plannen waarop de aangevraagde uitbreiding van de productiehal is getekend) een stapelplaats aan. 'Hoewel niet expliciet vermeld werd dat deze ruimtes met beton zouden worden verhard, dient toch gesteld dat deze aanduiding als stapelplaats voor welfsels een zekere verharding impliceert'. Hoe de ASV de 'laadruimte en de parking' op een vergelijkbare impliciete wijze meent te kunnen beschouwen als geacht te zijn vergund is onduidelijk. Het voorwerp van een vergunning moet uitdrukkelijk en duidelijk worden goedgekeurd. Men kan niet ernstig betwisten dat dit niet het geval is voor de stapelplaats, de laadruimte en de parking. Doordat de minister de overwegingen van de ASV blijkbaar bijvalt, is zijn beslissing aangetast door een onregelmatigheid". 3.2.2. In de nota citeert de verwerende partij in haar repliek op dit middelonderdeel eerst de relevante overwegingen uit de aanhef van de bestreden beslissing. Zij doet vervolgens gelden dat de bestreden beslissing wel degelijk reeds een inventaris bevat van de bestaande stedenbouwkundige vergunningen, en vervolgt : "In de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat de bedrijfsgebouwen behoorlijk bouwvergund zijn. Daarbij wordt verwezen naar de oprichting in 1966 met bouwvergunning en de latere uitbreidingen. Er wordt expliciet verwezen naar het feit dat de latere uitbreidingen, ook de gedeeltelijke uitbreiding in het agrarisch gebied, steeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een bouwvergunning. De verwijzing van verzoekende partijen naar hun twijfels omtrent het conform de afgeleverde bouwvergunning uitvoeren van de bouwwerken (bijv. hoogte van het dak), is, naast niet aangetoond, tevens misplaatst, want irrelevant. Feit is immers dat de te vergunnen activiteiten betrekking hebben op gebouwen of constructies die reeds het voorwerp uitmaakten van een bouwver- gunning. Dit aspect staat geheel los van enige conformiteit van de constructies met de bouwvergunning, daar dit louter een aspect is dat betrekking heeft op het handhavingsbeleid van de bouwvergunning. VII-36.802-7/11 - Wat de stapelplaatsen betreft, zetten verzoekende partijen uiteen dat zij zich niet kunnen vinden in het oordeel van verwerende partij als zouden deze reeds op basis van de vergunning van 7 december 1992 bouwvergund zijn. Het feit dat een aanvraag gedaan werd tot regularisatie ervan, en die leidde tot een weigering van afgifte van een stedenbouwkundige vergunning, impliceert alvast niet dat niet kan worden vastgesteld dat het voorwerp van de regularisatieaanvraag reeds het voorwerp uitmaakte van de vergunning van 1992. Daar op de destijds, bij aanvraag tot vergunning in 1992, ingediende plannen reeds melding gemaakt werd van een laadruimte, stapelplaats voor welfsels, en een parking, kan wel degelijk besloten worden dat deze bouwvergund zijn. (cfr. stuk 16) - Verzoekende partijen verwijzen trouwens ook naar ophoging die zou hebben plaatsgehad op perceel 261 E, en stellen dat dit zonder stedenbouwkundige vergunning gebeurde. De opmerking is in casu geheel irrelevant : het voorwerp van de bestreden beslissing betreft de verandering van een inrichting op het perceelnummer 262R". 3.2.3. Op grond van artikel 43, § 6 en 7 van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening kan aan zonevreemde inrichtingen een milieuvergunning worden verleend, voor zover aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Artikel 43, § 8, bepaalt twee van die voorwaarden, waaronder de volgende : "De milieuvergunningsaanvraag bedoeld in het voornoemde decreet van 28 juni 1985, moet betrekking hebben op gebouwen, constructies of installaties die uit oogpunt van ruimtelijke ordening hoofdzakelijk vergund zijn of geacht worden vergund te zijn, ook wat de functie betreft". Uit deze bepaling volgt op het eerste gezicht dat enkel beperkte afwijkingen op de vergunde toestand tolereerbaar zijn. Noch in de bestreden beslissing, noch in de voorafgaande adviezen wordt op deze door verzoeksters aangebrachte argumentatie ingegaan. In hun beroepschrift hadden verzoeksters concreet en gedetailleerd uiteengezet dat het gebouwencomplex van de productiehal veel groter is dan op de plannen van 1992 voorzien (deze plannen sloegen op de vergunning van 7 december 1992). Meer bepaald zou voor de rechterhelft van de loods op de plannen van 1992 een hoogte voorzien zijn van 6,65 meter, terwijl uit plannen van 1999 blijkt dat het gebouw tien meter hoog is. Voor die aanzienlijke uitbreiding ligt volgens verzoeksters geen bouwvergunning voor. Een loutere vermelding van de bouwvergunningen, zeker in het licht van de concrete argumentatie van verzoek- sters, volstaat niet om zonder meer aan te nemen dat de productiehal "hoofdzakelijk" vergund is of "geacht" moet worden vergund te zijn. Het gaat om discrepanties die VII-36.802-8/11 op het eerste gezicht niet zonder meer als details of bijkomstigheden kunnen worden beschouwd. Wat betreft de verharding van de buitenruimte lijkt op het eerste gezicht niet zonder meer te kunnen worden aangenomen dat deze hoofdzakelijk vergund is of geacht moet worden vergund te zijn. Daarvoor was blijkbaar een regularisatieprocedure lopende. Bovendien werd die regularisatieaanvraag niet ingewilligd, wat aantoont dat deze werken niet waren vergund. Het middelonderdeel is ernstig. 3.3. Over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 3.3.1. In het verzoekschrift wordt het moeilijk te herstellen ernstig nadeel als volgt uiteengezet : "(...) Vanuit de woning en tuin van verzoekende partijen heeft men een uitgespro- ken landelijke ervaring. De uitbating van de b.v.b.a. FREDERICKX maakt een normale ervaring van de omgeving voor verzoekende partijen onmogelijk. De levenskwaliteit wordt door de uitbating op een zeer ernstige wijze verstoord. (...) De uitbating genereert klaarblijkelijk een uitermate onesthetische en industriële aanblik. Deze aanblik valt geenszins te verzoenen met de kleine zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s waarin de b.v.b.a. FREDERICKX zich bevindt. Deze uitbating heeft inderdaad sterke visuele gevolgen : het voortdurend af en aan rijden van zwaar verkeer over wat ooit een landbouwweggetje was, is onaanvaardbaar. De uitbating veronderstelt daarnaast ook het voortdurend stockeren van de welfsels in open lucht.(...) En er is meer. De uitbating veroorzaakt een geluidsoverlast die verzoekende partijen op een ernstige wijze in hun levenskwaliteit raakt.(...) Verzoekende partijen wensen eveneens de nadruk te leggen op het probleem van de wateroverlast.(...) Tenslotte worden verzoekende partijen, wanneer zij langsheen de N10 en de smalle landelijke buurtwegen rondom de kleine zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO's wandelen en fietsen, telkenmale geconfronteerd met de industriële bedrijvigheid van de b.v.b.a. FREDERICKX". VII-36.802-9/11 3.3.2. In het arrest nr. 160.593 van 27 juni 2006, met betrekking tot dezelfde verzoeksters en hetzelfde bedrijf, werd een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aangenomen dat identiek is aan het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat thans wordt aangevoerd. Er is geen reden om thans anders te oordelen. Aan de tweede schorsingsvoorwaarde is dus eveneens voldaan, BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 13 november 2006 houdende nieuwe uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 12 mei 2005 houdende het verlenen van de vergunning aan de b.v.b.a. FREDERICKX om een inrichting voor productie van gewapende betonelementen gelegen te Scherpenheuvel-Zichem, Schuttersveldstraat 11, te veranderen. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-36.802-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juni tweeduizend en zeven, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. E. BREWAEYS. VII-36.802-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.260 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.922 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div