← België

Arrest 172348 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.348 Rolnummer: A. 70579/IX-2049 Zaak: Arrest 172348 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-05 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 06:49 Fiche Arrest nr 172.348 van 18 juni 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.348 van 18 juni 2007 in de zaak A. 70.579/IX-2049. In zake : Jan DE KEYE, wonende te MECHELEN, Koningin Astridlaan 112 tegen : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BOURTEMBOURG, kantoor houdende te BRUSSEL, Zwitserlandstraat 24. tussenkomende partij : Wilfried PASHLEY, wonende te MECHELEN, Vlietje 12. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan DE KEYE op 29 augustus 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van 30 mei 1996 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering waarbij Wilfried PASHLEY met ingang van 1 juni 1996 benoemd wordt in de graad van inspecteur-generaal bij de diensten van de Secretaris-generaal, Algemene Inspectie Beheersinstrument en Statistiek van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest”; Gelet op het arrest nr. 63.802 van 7 januari 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van Wilfried PASHLEY; Gelet op de beschikking van 20 oktober 1999 die de tussenkomst van Wilfried PASHLEY toelaat; IX-2049-1/13 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 9 mei 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 2 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat S. BIESEMANS die, loco advocaat J. BOURTEMBOURG verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat B. DALLE die, loco advocaat F. VAN ELSEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. Verzoeker is bekleed met de graad van directeur bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.2. Wilfried PASHLEY, de tussenkomende partij, is met ingang van 1 september 1991 bekleed met de graad van directeur bij de dienst Administratieve Coördinatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. IX-2049-2/13 1.3. Bij beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 december 1995 wordt onder meer de betrekking van inspecteur-generaal bij de secretaris-generaal, Algemene Inspectie Beheersinstrumenten en Statistiek, vacant verklaard. In deze vacature zal worden voorzien via een interne en externe oproep. In het Belgisch Staatsblad van 14 maart 1996 wordt de oproep bekendgemaakt. 1.4. Op 25 maart 1996 dient verzoeker zijn kandidatuur in voor de betrekking van inspecteur-generaal bij de diensten van de secretaris-generaal. De tussenkomende partij dient eveneens een kandidatuur in voor diezelfde betrekking. 1.5. Tijdens zijn vergadering van 16 april 1996 onderzoekt de directieraad de titels en verdiensten van de externe kandidaten. Uit de notulen van die vergadering blijkt over verzoeker en de tussenkomende partij het volgende: “2) De heer DE KEYE De heer DE KEYE is in het bezit van de diploma*s van industrieel ingenieur, licentiaat in de rechten en licentiaat in de criminologie. Hij is werkzaam bij de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Economie. De directieraad meent dat de betrokkene op professioneel vlak beantwoordt aan het gewenste profiel voor de te begeven betrekking. (...) 4) De heer PASHLEY De heer PASHLEY is in het bezit van het diploma van licentiaat in de kunstgeschiedenis. Hij is werkzaam bij de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Kanselarij. De directieraad meent dat de betrokkene op professioneel vlak beantwoordt aan het gewenste profiel voor de te begeven betrekking.” De directieraad beslist bij geheime stemming over de rangschikking van de kandidaten: “Resultaat van de stemming De Directieraad gaat over tot de rangschikking van de kandidaten voor de betrekking van Inspecteur-generaal bij de Diensten van de Secretaris-generaal, Algemene Inspectie Beheersinstrumenten en Statistiek. Gerangschikt 1. Dhr. DE KEYE (N) 2. Dhr. KINNAERT (F) 3. Mevr. BABILAS (F), Dhr. VAN BEECK (N) 5. Dhr. PASHLEY (N) 6. Dhr. VANDENHEEDE (F) Niet-gerangschikt : nihil”. IX-2049-3/13 1.6. Op 23 april 1996 dient Wilfried PASHLEY een bezwaarschrift in tegen de voorgestelde rangschikking. 1.7. Tijdens zijn vergadering van 6 mei 1996 onderzoekt de directieraad het bezwaarschrift, en beslist hij de oorspronkelijke rangschikking te handhaven op grond van de volgende overwegingen: “wat de heer PASHLEY betreft, verschaft de betrokkene geen beoordelings- gegevens die aanleiding zouden kunnen geven tot een wijziging van de rangschikking. In zijn bezwaarschrift benadrukt de heer PASHLEY dat hij voor zijn diensten een ‘beheersplan* heeft opgesteld en dat dit feit tot een betere rangschikking had moeten leiden. De leden van de Directieraad wijzen erop dat het curriculum vitae van deze kandidaat, evenals dat van de andere kandidaten, zorgvuldig onderzocht werd en dat er bij de procedure wel degelijk rekening is gehouden met voornoemd beoordelingsgegeven”. 1.8. Bij besluit van 30 mei 1996 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering wordt Wilfried PASHLEY benoemd in de graad van inspecteur-generaal bij de diensten van de secretaris-generaal, Algemene Inspectie Beheersinstrumenten en Statistiek van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 1.9. In antwoord op zijn vraag van 17 juli 1996 krijgt verzoeker op 26 juli 1996 inzage in de documenten van de directieraad die tot de voornoemde rangschikking hebben geleid, evenals een kopie van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering waarbij Wilfried PASHLEY wordt benoemd in afwijking van het voorstel van de directieraad. Hij neemt kennis van de motieven van het benoemingsbesluit, die als volgt luiden: “Overwegende dat de functiebeschrijving vermeldt dat voormelde Inspecteur-generaal de uitvoering van de taken leidt, coördineert en controleert (...); dat dit het belangrijkste criterium is voor de openstaande functie; Overwegende dat de heer PASHLEY vanaf 1 september 1991 Directeur is bij de Dienst Administratieve Coördinatie Brussel van het Departement Coördinatie van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en derhalve van alle externe kandidaten het meest ervaring heeft met de Brusselse problematiek; Overwegende dat de heer PASHLEY als enige van alle interne en externe kandidaten tegelijk deelnam aan diverse cursussen informatica, een cursus systeemmethodologie, houder is van het getuigschrift Management Programma van de Vlerickschool en tevens geslaagd is voor de Assessmentproeven voor toegang tot hogere functies; Overwegende dat de heer PASHLEY als enige van alle interne en externe kandidaten een beleidsplan opstelde voor de te begeven betrekking; IX-2049-4/13 Overwegende dat na een vergelijking van alle kandidaten op het belangrijkste criterium namelijk het leiden, coördineren en controleren van de Diensten Informatica en Studies en Statistiek, de heer PASHLEY de meest geschikte kandidaat is om de functie van Inspecteur-generaal (...) uit te oefenen”; 2. De ontvankelijkheid van de vordering. 2.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie aanvoert dat de door verzoeker geambieerde functie van inspecteur-generaal niet langer bestaat; dat het besluit van 6 mei 1999 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het ambtenarenkorps van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ingrijpend heeft gewijzigd; dat in artikel 6 van voornoemd besluit waarin een opsomming wordt gegeven van de thans gehanteerde graden, de graad van inspecteur-generaal niet is opgenomen; dat de betrekkingen verbonden aan de graden van de rangen A4, A5, A6 en A7 bij mandaat worden toegekend en dat de titularissen van deze graden voorlopig zijn opgenomen in de graad van directeur, rang A3, maar op grond van hun anciënniteit in aanmerking kunnen komen voor een mandaatfunctie; dat, wat betreft het managementniveau, de graad van directeur-diensthoofd, rang A4, overeenstemt met de vroegere graad van inspecteur-generaal; dat artikel 40 van het besluit van 8 juli 1993 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat toeliet om externe ambtenaren te benoemen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, is opgeheven bij artikel 407, 2/, van het voornoemd besluit van 6 mei 1999; dat evenwel overeenkomstig artikel 64 van het besluit van 6 mei 1999, de regering een vacante betrekking van rang A3 bij het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kan openstellen voor ambtenaren van een ministerie, van een instelling van openbaar nut of van een autonoom overheidsbedrijf van het Rijk, van een gemeenschap of van een gewest, maar dat deze procedure niet mag worden toegepast zolang geen oproep tot de kandidaten is gericht binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; dat de tussenkomende partij besluit dat verzoeker geen actueel en rechtstreeks belang heeft bij zijn annulatieberoep, aangezien een gebeurlijke vernietiging er niet toe leidt dat hij zal kunnen worden benoemd, enerzijds, omdat de graad van inspecteur-generaal niet meer bestaat en vertaald is in een mandaatfunctie en, anderzijds, omdat aan artikel 64 van het besluit van 6 mei 1999 nog geen uitvoering is gegeven; IX-2049-5/13 2.2. Overwegende dat krachtens artikel 410 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, samengelezen met de bijlage III van dat besluit, de titularissen van de graad van inspecteur-generaal van rechtswege en door verandering van graad benoemd zijn in de graad van directeur op het ogenblik van inwerkingtreding van het voornoemd besluit, met name op 1 juli 1999; dat de graad van directeur een graad is van rang A3; dat artikel 63 van voornoemd besluit van 6 mei 1999 onder meer bepaalt dat de betrekkingen van directeur in rang A3 open staan voor de titularissen van de graden van attaché in rang Al en van eerste attaché in rang A2 die tenminste negen jaar niveauanciënniteit hebben; dat, luidens artikel 64 van het besluit, een vacante betrekking van rang A3 door middel van een oproep tot de kandidaten kan worden opengesteld voor ambtenaren van het Rijk, van een gemeenschap of van een gewest die aan dezelfde benoemingsvoorwaarden voldoen als degene welke voor de ambtenaren van het ministerie gelden; dat zulks betekent dat die kandidaten een anciënniteit van tenminste negen jaren in niveau A moeten hebben; dat, in geval van vernietiging van de bestreden beslissing, de benoemende overheid ertoe gehouden zal zijn om de procedure over te doen vanaf het punt waar deze door een onregelmatigheid is aangetast; dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op grond van artikel 64 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 de mogelijkheid heeft om externe kandidaten te benoemen; dat de uit de vernietiging voortvloeiende verplichting tot het bieden van rechtsherstel te dezen met zich brengt dat de regering van de bedoelde mogelijkheid gebruik zal moeten maken, om aldus de kandidatuur van verzoeker, ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, in de nieuwe beoordeling van de kandidaturen te kunnen betrekken; dat verzoeker, die ter terechtzitting overigens verklaard heeft nog steeds belang te stellen in de functie van inspecteur-generaal, thans die van directeur, dan ook zijn belang bij zijn beroep behoudt; dat de exceptie ongegrond is; 3. De gegrondheid van de vordering. 3.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht opgelegd bij de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij uiteenzet dat uit de bestreden beslissing moet blijken waarom de eerste en de vijfde plaats in de rangschikking van de directieraad verkeerd waren en dat ook de tweede, de derde en de vierde gerangschikte ten onrechte die plaatsen innamen; dat hij vervolgens IX-2049-6/13 stelt dat de omstandigheid dat de tussenkomende partij werkte op het departement Coördinatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Dienst Administratieve Coördinatie Brussel, niet aantoont dat zij ervaring heeft op het gebied van coördinerende en controlerende taken voor de diensten Informatica en Studies en Statistiek van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; dat de benoemende overheid voorts had moeten aangeven waarom het advies van de directieraad verkeerd was en daarenboven had moeten aangeven waarom de gecombineerde vorming van industrieel ingenieur, licentiaat in de rechten en licentiaat in de criminologische wetenschappen niet opweegt tegen een licentie in de kunstgeschiedenis; dat de vorming van industrieel ingenieur veel meer vakken bevat over informatica en statistiek dan een licentie in de kunstgeschiedenis, dat verzoeker bovendien gelijkwaardige of hoger aangeschreven navormingen kan laten gelden dan de tussenkomende partij; dat ten slotte de benoemende overheid, door te stellen dat de tussenkomende partij als enige een beleidsplan heeft opgemaakt, voorbijgaat aan de voorbeelden van planmatig werken en van de capaciteit om een beleid uit te stippelen die hij in zijn kandidatuur heeft vermeld; dat de oproep tot de kandidaten geen enkele verwijzing bevat naar een op te maken beleidsplan; dat, indien daaraan zoveel belang wordt gehecht, dit in de oproep had moeten worden vermeld; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit de redenen bevat waarom de voorkeur is gegeven aan de tussenkomende partij en dat het aldus voldoet aan de plicht tot formele motivering; dat deze verplichting immers slechts inhoudt dat de redenen moeten worden vermeld waarom de benoemde kandidaat werd verkozen, maar niet deze waarom de andere kandidaten niet werden gekozen; dat de verscheidene overwegingen in de bestreden beslissing op afdoende wijze de elementen aangeven die in het voordeel van de tussenkomende partij werden weerhouden en die de verwerende partij ertoe hebben gebracht om het advies van de directieraad niet te volgen, namelijk: “- zijn ervaring, gedurende 5 jaar, als directeur bij de Dienst Administratieve Coördinatie Brussel van het departement Coördinatie van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, en de ervaring met de Brusselse problematiek waarop hij zich, als enige onder de externe kandidaten, kon beroepen; - zijn deelname aan verschillende cycli van informaticacursussen en zijn getuigschrift Management Programma van de Vlerickschool waarop hij zich, als enige van de interne en externe kandidaten kon beroepen, en die in verband staan met de functie; - de omstandigheid dat hij het initiatief heeft genomen om een beleidsplan voor de te begeven betrekking voor te stellen (...)“; IX-2049-7/13 dat ook uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat het preferentieel criterium niet het opmaken van een beleidsplan was, maar wel de bekwaamheid om te leiden, te coördineren en toezicht uit te oefenen op de taken die behoren tot de diensten waarvan de benoemde aan het hoofd komt te staan; dat de verwerende partij er verder op wijst dat de mogelijkheid van de benoemende overheid om af te wijken van het advies van de directieraad des te groter was, aangezien die raad zijn advies weinig had gemotiveerd; dat de verwerende partij ten slotte verwijst naar het arrest G. CAUWENBERGH, nr. 60.591 van 28 juni 1996, waarin de Raad van State oordeelde dat “het bestreden besluit niet moet vermelden waarom een kandidaat niet wordt benoemd”; 3.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord verduidelijkt dat hij niet betwist dat het bestreden besluit formeel is gemotiveerd, maar wel dat de motieven die er in zijn vermeld afdoende zijn; dat hij een vergelijking maakt van beide kandidaten en dat die vergelijking volgens hem leidt tot de conclusie dat verzoeker : “

  1. a)meer ervaring heeft met de Brusselse problematiek dan de heer W. Pashley,
  2. b)meer ervaring heeft met informatica en systeemmethodologie, minstens dezelfde getuigschriften heeft van de Vlerickschool en dezelfde Assessment- proeven heeft afgelegd,
  3. c)in zijn kandidatuur duidelijk verwijst naar de reden van kandidaatstelling wat ontbreekt bij de heer Pashley,
  4. d)kan bogen op praktijkvoorbeelden waaruit meer beleidsleidings- en coördinatieërvaring blijkt. Bovendien noemt de minister dit het voornaamste criterium,
  5. e)meer ervaring bezit op het vlak van studies en statistiek,
  6. f)veel meer kan terugvallen op bijscholings- en vervolmakingscursussen. Een greep uit het curriculum leert dat verzoeker:
  7. a)als enige de cursussen statistiek en waarschijnlijkheidsleer heeft gevolgd,
  8. b)een groot aantal studies heeft uitgevoerd of begeleid in verband met milieu-aangelegenheden, slachthuizen, verbrandingsovens, wetenschappelijke studies, onteigeningen, ontginningen...,
  9. c)een thesis over de “Ecologische delinquentie” uitvoerde, met aandacht voor het moeilijke samengaan van milieu, economische vrijheid en het overheidsingrijpen, daar waar de heer W. Pashley terugvalt op een studie over de “Patakons als versiering van de Mechelse krollekoeken”; dat hij ten slotte stelt dat de tussenkomende partij in haar kandidatuur nergens spreekt van een beleidsplan, maar alleen een visie geeft en dat het arrest G. CAUWENBERGH niet dienstig is omdat de situatie die in dat arrest werd behandeld, verschillend is van het onderhavige geval; IX-2049-8/13 3.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst stelt dat uit het benoemingsbesluit vijf motieven blijken: dat leiding, coördinatie en controle de belangrijkste criteria ter evaluatie zijn, dat zij het best de Brusselse situatie en problemen kent, dat zij als enige een reeks cursussen en vormingen volgde die haar goed kwalificeerden, dat zij als enige uit eigen beweging een beleidsplan opstelde en dat de vergelijking van de kandidaten op grond van het belangrijkste criterium leidde tot de conclusie dat zij de meest geschikte kandidaat was; dat deze motieven volgens haar pertinent zijn; dat verzoeker beweert dat hij beter gekwalificeerd is dan de tussenkomende partij, maar dat het niet aan de Raad van State is om daarover een oordeel te vellen; dat de omstandigheid dat de tussenkomende partij een beleidsplan opstelde niet het doorslaggevende element was dat in haar voordeel speelde, maar slechts van bijkomende aard was; dat het ook niet helemaal juist is dat de oproep geen melding maakte van een beleidsplan; dat er van de kandidaten immers werd verwacht dat ze de redenen van hun kandidatuur opgaven en dat een beschrijving van hoe de kandidaat denkt de functie te zullen invullen, daarvan een onderdeel kan zijn; dat het de andere kandidaten ook vrij stond een dergelijk initiatief te nemen; 3.5. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel dat is vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet is geschonden omdat er geen objectieve vergelijking van titels en verdiensten is aangetoond; dat er wordt voorbijgegaan aan objectieve gegevens over de vorming en de ervaring van verzoeker en dat er niet wordt aangetoond waarom de verdiensten van verzoeker niet objectief beter konden worden bestempeld als deze van de tussenkomende partij; 3.6. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de benoemende overheid bij het beoordelen van de kandidaten over een discretionaire bevoegdheid beschikt en dat niet blijkt dat zij daarbij een manifeste beoordelingsfout heeft gemaakt; dat integendeel de benoemde kandidaat hogere titels en verdiensten kan verantwoorden die in de motivering van het benoemingsbesluit zijn weergegeven; 3.7. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift in tussenkomst stelt dat uit de motivering van het bestreden besluit blijkt welke de redenen zijn die de benoemende overheid ertoe hebben gebracht om, na een vergelijking van de verdiensten van de kandidaten, haar te verkiezen en dat daarmee IX-2049-9/13 tegelijk werd aangegeven dat de kandidaturen van de andere kandidaten te licht werden bevonden; 3.8. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur doordat de benoemende overheid het opstellen van een beleidsplan als bepalende vereiste heeft gehanteerd, terwijl er daarover niets werd gezegd in de oproep tot de kandidaten; 3.9. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het middel te vaag is in zijn juridische grondslagen om ontvankelijk te zijn; dat verder het opmaken van een beleidsplan niet gehanteerd is als vereiste, maar enkel als een criterium tussen andere, weerhouden in het voordeel van degene die de verdienste had er het initiatief toe te nemen; 3.10. Overwegende dat verzoeker repliceert dat hij de enige is die duidelijk de reden van zijn kandidatuur heeft vermeld, welke vereiste voor de directieraad bepalend is geweest; dat, indien de benoemende overheid andere beoordelingscriteria volgt dan de directieraad, er een schending is van de beginselen van behoorlijk bestuur aangezien over de kandidaten een verkeerd beeld wordt opgehangen; dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de functiebeschrijving op voorstel van de directieraad heeft goedgekeurd; dat de nieuwe vereisten of interpretaties van vereisten ten gunste van een minder gunstig gerangschikte, een behoorlijk bestuur onmogelijk maken; 3.11. Overwegende dat de tussenkomende partij met betrekking tot dit middel opwerpt dat niet wordt aangegeven welke beginselen van behoorlijk bestuur zouden zijn geschonden en dat het middel bijgevolg niet ontvankelijk is; dat het middel in feite neer komt op het herhalen van het eerste middel; dat zij verwijst naar haar uiteenzetting in verband met dat middel; 3.12. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie aanvoert dat de oproep tot de kandidaten niet uitdrukkelijk vermeldde dat de kandidaten een beleidsplan moesten indienen, maar dat deze oproep wel expliciet bepaalde dat de kandidaten de redenen van hun kandidatuur dienden te vermelden; dat het feit dat zij uit eigen beweging een beleidsplan opstelde, een onderdeel van de motivering van haar kandidatuur vormde, aangezien dit initiatief haar motivatie voor de functie aantoonde en de wijze waarop zij deze dacht in te vullen; dat de overige kandidaten eveneens de mogelijkheid hadden om een beleidsplan op te IX-2049-10/13 stellen in het kader van de motivering van hun kandidatuur; dat de benoemende overheid met dit beleidsplan rekening mocht houden, aangezien dit haar leidingge- vende, coördinerende en controlerende capaciteiten ondersteunde; 4.1. Overwegende, over de drie middelen samen, dat daarin in wezen wordt aangevoerd dat er uit de motieven van de bestreden beslissing niet blijkt dat de benoemende overheid een objectieve vergelijking heeft gemaakt van de titels en verdiensten van de kandidaten; dat de directieraad een advies geeft dat weliswaar niet bindend is voor de benoemende overheid; dat deze laatste ervan kan afwijken, maar dat het dan vereist is dat zij in haar besluit de redenen aangeeft waarom zij van oordeel is het advies niet te kunnen volgen; dat dit weliswaar niet betekent dat de benoemende overheid verplicht is het advies punt voor punt te weerleggen; dat het volstaat dat uit de beslissing afdoende blijkt om welke redenen de benoemende overheid van oordeel is te moeten afwijken van het advies; dat het de Raad van State niet toekomt om zelf de vergelijking van de kandidaten te doen; dat hij alleen kan nagaan of de overheid bij het uitoefenen van haar discretionaire beoordelingsbe- voegdheid is uitgegaan van gegevens die in feite en in rechte juist zijn en of de beoordeling die zij op grond van die gegevens heeft uitgebracht niet kennelijk onredelijk is; dat deze controle maar kan uitgeoefend worden voor zover het dossier of de beslissing zelf voldoende duidelijk aangeeft welke gegevens en welke beoordeling de overheid heeft gehanteerd; dat te dezen de motivering begint met te stellen dat het leiden, coördineren en controleren van de taken van de beide diensten die de Algemene Inspectie vormen, het belangrijkste criterium is voor de vergelijking van de kandidaten; dat vervolgens wordt overwogen dat de benoemde kandidaat een aantal kwaliteiten heeft die de andere niet of in mindere mate bezitten, met name de vertrouwdheid met de Brusselse instellingen, zijn opleiding en zijn beleidsplan en dat ten slotte “na een vergelijking van alle kandidaten op het belangrijkste criterium namelijk het leiden, coördineren en controleren van de Diensten Informatica en Studies en Statistiek, de (tussenkomende partij) de meest geschikte kandidaat is”; dat derhalve uit die motivering blijkt dat de vergelijking werd gemaakt zo niet uitsluitend dan toch hoofdzakelijk op grond van het criterium leiding geven, controleren en coördineren van de taken van de diensten waarover de kandidaat de leiding zal krijgen; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij van oordeel is dat de tussenkomende partij voor het criterium “leiding geven, controleren en coördineren” het beste scoort; dat zij hiervoor eerst verwijst naar het feit dat de tussenkomende partij de enige is die vertrouwd is met de Brusselse instellingen; dat het vertrouwd IX-2049-11/13 zijn met de Brusselse instellingen bezwaarlijk rechtstreeks te maken kan hebben met de bekwaamheid tot het leidinggeven, het coördineren en het controleren, maar veeleer als een afzonderlijk criterium moet worden beschouwd, met name de vertrouwdheid met de Brusselse instellingen; dat de bestreden beslissing vervolgens een opsomming geeft van de navormingen gevolgd door de tussenkomende partij en hierbij stelt dat zij als “enige van alle interne en externe kandidaten tegelijk deelnam aan diverse cursussen informatica, een cursus systeemmethodologie, houd(st)er is van het getuigschrift Management Programma van de Vlerickschool en tevens geslaagd is voor de Assessmentproeven voor toegang tot hogere functies”; dat evenwel ook verzoeker bijkomende cursussen heeft gevolgd waaronder managementscursussen in de Vlerickschool en dat hij, zoals de tussenkomende partij, ook geslaagd is voor de genoemde assessmentsproeven; dat de bestreden beslissing aldus niet duidelijk aangeeft waarom de cursussencombinatie die gevolgd is door de tussenkomende partij, meer geschiktheid tot leidinggeven bewijst dan die van de andere kandidaten; dat een derde element betrekking heeft op het feit dat alleen de tussenkomende partij een beleidsplan heeft ingediend; dat, wanneer dit element aldus moet worden begrepen dat het de inhoud van het beleidsplan bedoelt, waaruit de benoemende overheid de grotere geschiktheid afleidt, de verwerende partij op basis daarvan geen rechtens aanvaardbare vergelijking van de kandidaten vermocht te maken, aangezien de andere kandidaten geen dergelijk plan hadden ingediend; dat het niet indienen van een beleidsplan hen ook niet als een minpunt kon worden tegengeworpen, aangezien dergelijk beleidsplan niet was gevraagd bij het vacant verklaren van de betrekking; dat immers, indien de benoemende overheid de geschiktheid van de kandidaten tot leidinggeven, coördineren en controleren had willen beoordelen op basis van hun beleidsvisie, zij in haar oproep tot de kandidaten uitdrukkelijk om de indiening van een beleidsplan of het uitschrijven van een beleidsvisie had moeten vragen; dat dit motief aldus moet worden begrepen dat het enkele feit dat de tussenkomende partij een beleidsplan heeft ingediend, los van de inhoud ervan, in aanmerking wordt genomen, maar dat niet wordt aangegeven welke conclusie de benoemende overheid over de geschiktheid tot leiding geven, het coördineren en het controleren, daaraan heeft gekoppeld; dat bijgevolg de motieven van de bestreden beslissing de conclusie, dat de tussenkomende partij op grond van een vergelijking van titels en verdiensten het beste scoort voor het criterium leiding geven, coördineren en controleren, niet afdoende ondersteunen; dat de middelen in zoverre gegrond zijn, IX-2049-12/13 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt “het besluit van 30 mei 1996 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering waarbij Wilfried PASHLEY met ingang van 1 juni 1996 benoemd wordt in de graad van inspecteur-generaal bij de diensten van de Secretaris-generaal, Algemene Inspectie Beheersinstrument en Statistiek van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest”; Artikel 2. Dit arrest zal in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 juni 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2049-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.348 Gerelateerde publicatie(
  10. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.63.802 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.