id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.348 Rolnummer: A. 70579/IX-2049 Zaak: Arrest 172348 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-05 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 06:49 Fiche Arrest nr 172.348 van 18 juni 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.348 van 18 juni 2007 in de zaak A. 70.579/IX-2049. In zake : Jan DE KEYE, wonende te MECHELEN, Koningin Astridlaan 112 tegen : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BOURTEMBOURG, kantoor houdende te BRUSSEL, Zwitserlandstraat 24. tussenkomende partij : Wilfried PASHLEY, wonende te MECHELEN, Vlietje 12. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan DE KEYE op 29 augustus 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van 30 mei 1996 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering waarbij Wilfried PASHLEY met ingang van 1 juni 1996 benoemd wordt in de graad van inspecteur-generaal bij de diensten van de Secretaris-generaal, Algemene Inspectie Beheersinstrument en Statistiek van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest”; Gelet op het arrest nr. 63.802 van 7 januari 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van Wilfried PASHLEY; Gelet op de beschikking van 20 oktober 1999 die de tussenkomst van Wilfried PASHLEY toelaat; IX-2049-1/13 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 9 mei 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 2 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat S. BIESEMANS die, loco advocaat J. BOURTEMBOURG verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat B. DALLE die, loco advocaat F. VAN ELSEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. Verzoeker is bekleed met de graad van directeur bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.2. Wilfried PASHLEY, de tussenkomende partij, is met ingang van 1 september 1991 bekleed met de graad van directeur bij de dienst Administratieve Coördinatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. IX-2049-2/13 1.3. Bij beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 december 1995 wordt onder meer de betrekking van inspecteur-generaal bij de secretaris-generaal, Algemene Inspectie Beheersinstrumenten en Statistiek, vacant verklaard. In deze vacature zal worden voorzien via een interne en externe oproep. In het Belgisch Staatsblad van 14 maart 1996 wordt de oproep bekendgemaakt. 1.4. Op 25 maart 1996 dient verzoeker zijn kandidatuur in voor de betrekking van inspecteur-generaal bij de diensten van de secretaris-generaal. De tussenkomende partij dient eveneens een kandidatuur in voor diezelfde betrekking. 1.5. Tijdens zijn vergadering van 16 april 1996 onderzoekt de directieraad de titels en verdiensten van de externe kandidaten. Uit de notulen van die vergadering blijkt over verzoeker en de tussenkomende partij het volgende: “2) De heer DE KEYE De heer DE KEYE is in het bezit van de diploma*s van industrieel ingenieur, licentiaat in de rechten en licentiaat in de criminologie. Hij is werkzaam bij de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Economie. De directieraad meent dat de betrokkene op professioneel vlak beantwoordt aan het gewenste profiel voor de te begeven betrekking. (...) 4) De heer PASHLEY De heer PASHLEY is in het bezit van het diploma van licentiaat in de kunstgeschiedenis. Hij is werkzaam bij de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Kanselarij. De directieraad meent dat de betrokkene op professioneel vlak beantwoordt aan het gewenste profiel voor de te begeven betrekking.” De directieraad beslist bij geheime stemming over de rangschikking van de kandidaten: “Resultaat van de stemming De Directieraad gaat over tot de rangschikking van de kandidaten voor de betrekking van Inspecteur-generaal bij de Diensten van de Secretaris-generaal, Algemene Inspectie Beheersinstrumenten en Statistiek. Gerangschikt 1. Dhr. DE KEYE (N) 2. Dhr. KINNAERT (F) 3. Mevr. BABILAS (F), Dhr. VAN BEECK (N) 5. Dhr. PASHLEY (N) 6. Dhr. VANDENHEEDE (F) Niet-gerangschikt : nihil”. IX-2049-3/13 1.6. Op 23 april 1996 dient Wilfried PASHLEY een bezwaarschrift in tegen de voorgestelde rangschikking. 1.7. Tijdens zijn vergadering van 6 mei 1996 onderzoekt de directieraad het bezwaarschrift, en beslist hij de oorspronkelijke rangschikking te handhaven op grond van de volgende overwegingen: “wat de heer PASHLEY betreft, verschaft de betrokkene geen beoordelings- gegevens die aanleiding zouden kunnen geven tot een wijziging van de rangschikking. In zijn bezwaarschrift benadrukt de heer PASHLEY dat hij voor zijn diensten een ‘beheersplan* heeft opgesteld en dat dit feit tot een betere rangschikking had moeten leiden. De leden van de Directieraad wijzen erop dat het curriculum vitae van deze kandidaat, evenals dat van de andere kandidaten, zorgvuldig onderzocht werd en dat er bij de procedure wel degelijk rekening is gehouden met voornoemd beoordelingsgegeven”. 1.8. Bij besluit van 30 mei 1996 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering wordt Wilfried PASHLEY benoemd in de graad van inspecteur-generaal bij de diensten van de secretaris-generaal, Algemene Inspectie Beheersinstrumenten en Statistiek van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 1.9. In antwoord op zijn vraag van 17 juli 1996 krijgt verzoeker op 26 juli 1996 inzage in de documenten van de directieraad die tot de voornoemde rangschikking hebben geleid, evenals een kopie van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering waarbij Wilfried PASHLEY wordt benoemd in afwijking van het voorstel van de directieraad. Hij neemt kennis van de motieven van het benoemingsbesluit, die als volgt luiden: “Overwegende dat de functiebeschrijving vermeldt dat voormelde Inspecteur-generaal de uitvoering van de taken leidt, coördineert en controleert (...); dat dit het belangrijkste criterium is voor de openstaande functie; Overwegende dat de heer PASHLEY vanaf 1 september 1991 Directeur is bij de Dienst Administratieve Coördinatie Brussel van het Departement Coördinatie van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en derhalve van alle externe kandidaten het meest ervaring heeft met de Brusselse problematiek; Overwegende dat de heer PASHLEY als enige van alle interne en externe kandidaten tegelijk deelnam aan diverse cursussen informatica, een cursus systeemmethodologie, houder is van het getuigschrift Management Programma van de Vlerickschool en tevens geslaagd is voor de Assessmentproeven voor toegang tot hogere functies; Overwegende dat de heer PASHLEY als enige van alle interne en externe kandidaten een beleidsplan opstelde voor de te begeven betrekking; IX-2049-4/13 Overwegende dat na een vergelijking van alle kandidaten op het belangrijkste criterium namelijk het leiden, coördineren en controleren van de Diensten Informatica en Studies en Statistiek, de heer PASHLEY de meest geschikte kandidaat is om de functie van Inspecteur-generaal (...) uit te oefenen”; 2. De ontvankelijkheid van de vordering. 2.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie aanvoert dat de door verzoeker geambieerde functie van inspecteur-generaal niet langer bestaat; dat het besluit van 6 mei 1999 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het ambtenarenkorps van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ingrijpend heeft gewijzigd; dat in artikel 6 van voornoemd besluit waarin een opsomming wordt gegeven van de thans gehanteerde graden, de graad van inspecteur-generaal niet is opgenomen; dat de betrekkingen verbonden aan de graden van de rangen A4, A5, A6 en A7 bij mandaat worden toegekend en dat de titularissen van deze graden voorlopig zijn opgenomen in de graad van directeur, rang A3, maar op grond van hun anciënniteit in aanmerking kunnen komen voor een mandaatfunctie; dat, wat betreft het managementniveau, de graad van directeur-diensthoofd, rang A4, overeenstemt met de vroegere graad van inspecteur-generaal; dat artikel 40 van het besluit van 8 juli 1993 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat toeliet om externe ambtenaren te benoemen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, is opgeheven bij artikel 407, 2/, van het voornoemd besluit van 6 mei 1999; dat evenwel overeenkomstig artikel 64 van het besluit van 6 mei 1999, de regering een vacante betrekking van rang A3 bij het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kan openstellen voor ambtenaren van een ministerie, van een instelling van openbaar nut of van een autonoom overheidsbedrijf van het Rijk, van een gemeenschap of van een gewest, maar dat deze procedure niet mag worden toegepast zolang geen oproep tot de kandidaten is gericht binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; dat de tussenkomende partij besluit dat verzoeker geen actueel en rechtstreeks belang heeft bij zijn annulatieberoep, aangezien een gebeurlijke vernietiging er niet toe leidt dat hij zal kunnen worden benoemd, enerzijds, omdat de graad van inspecteur-generaal niet meer bestaat en vertaald is in een mandaatfunctie en, anderzijds, omdat aan artikel 64 van het besluit van 6 mei 1999 nog geen uitvoering is gegeven; IX-2049-5/13 2.2. Overwegende dat krachtens artikel 410 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, samengelezen met de bijlage III van dat besluit, de titularissen van de graad van inspecteur-generaal van rechtswege en door verandering van graad benoemd zijn in de graad van directeur op het ogenblik van inwerkingtreding van het voornoemd besluit, met name op 1 juli 1999; dat de graad van directeur een graad is van rang A3; dat artikel 63 van voornoemd besluit van 6 mei 1999 onder meer bepaalt dat de betrekkingen van directeur in rang A3 open staan voor de titularissen van de graden van attaché in rang Al en van eerste attaché in rang A2 die tenminste negen jaar niveauanciënniteit hebben; dat, luidens artikel 64 van het besluit, een vacante betrekking van rang A3 door middel van een oproep tot de kandidaten kan worden opengesteld voor ambtenaren van het Rijk, van een gemeenschap of van een gewest die aan dezelfde benoemingsvoorwaarden voldoen als degene welke voor de ambtenaren van het ministerie gelden; dat zulks betekent dat die kandidaten een anciënniteit van tenminste negen jaren in niveau A moeten hebben; dat, in geval van vernietiging van de bestreden beslissing, de benoemende overheid ertoe gehouden zal zijn om de procedure over te doen vanaf het punt waar deze door een onregelmatigheid is aangetast; dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op grond van artikel 64 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 de mogelijkheid heeft om externe kandidaten te benoemen; dat de uit de vernietiging voortvloeiende verplichting tot het bieden van rechtsherstel te dezen met zich brengt dat de regering van de bedoelde mogelijkheid gebruik zal moeten maken, om aldus de kandidatuur van verzoeker, ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, in de nieuwe beoordeling van de kandidaturen te kunnen betrekken; dat verzoeker, die ter terechtzitting overigens verklaard heeft nog steeds belang te stellen in de functie van inspecteur-generaal, thans die van directeur, dan ook zijn belang bij zijn beroep behoudt; dat de exceptie ongegrond is; 3. De gegrondheid van de vordering. 3.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht opgelegd bij de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij uiteenzet dat uit de bestreden beslissing moet blijken waarom de eerste en de vijfde plaats in de rangschikking van de directieraad verkeerd waren en dat ook de tweede, de derde en de vierde gerangschikte ten onrechte die plaatsen innamen; dat hij vervolgens IX-2049-6/13 stelt dat de omstandigheid dat de tussenkomende partij werkte op het departement Coördinatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Dienst Administratieve Coördinatie Brussel, niet aantoont dat zij ervaring heeft op het gebied van coördinerende en controlerende taken voor de diensten Informatica en Studies en Statistiek van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; dat de benoemende overheid voorts had moeten aangeven waarom het advies van de directieraad verkeerd was en daarenboven had moeten aangeven waarom de gecombineerde vorming van industrieel ingenieur, licentiaat in de rechten en licentiaat in de criminologische wetenschappen niet opweegt tegen een licentie in de kunstgeschiedenis; dat de vorming van industrieel ingenieur veel meer vakken bevat over informatica en statistiek dan een licentie in de kunstgeschiedenis, dat verzoeker bovendien gelijkwaardige of hoger aangeschreven navormingen kan laten gelden dan de tussenkomende partij; dat ten slotte de benoemende overheid, door te stellen dat de tussenkomende partij als enige een beleidsplan heeft opgemaakt, voorbijgaat aan de voorbeelden van planmatig werken en van de capaciteit om een beleid uit te stippelen die hij in zijn kandidatuur heeft vermeld; dat de oproep tot de kandidaten geen enkele verwijzing bevat naar een op te maken beleidsplan; dat, indien daaraan zoveel belang wordt gehecht, dit in de oproep had moeten worden vermeld; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit de redenen bevat waarom de voorkeur is gegeven aan de tussenkomende partij en dat het aldus voldoet aan de plicht tot formele motivering; dat deze verplichting immers slechts inhoudt dat de redenen moeten worden vermeld waarom de benoemde kandidaat werd verkozen, maar niet deze waarom de andere kandidaten niet werden gekozen; dat de verscheidene overwegingen in de bestreden beslissing op afdoende wijze de elementen aangeven die in het voordeel van de tussenkomende partij werden weerhouden en die de verwerende partij ertoe hebben gebracht om het advies van de directieraad niet te volgen, namelijk: “- zijn ervaring, gedurende 5 jaar, als directeur bij de Dienst Administratieve Coördinatie Brussel van het departement Coördinatie van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, en de ervaring met de Brusselse problematiek waarop hij zich, als enige onder de externe kandidaten, kon beroepen; - zijn deelname aan verschillende cycli van informaticacursussen en zijn getuigschrift Management Programma van de Vlerickschool waarop hij zich, als enige van de interne en externe kandidaten kon beroepen, en die in verband staan met de functie; - de omstandigheid dat hij het initiatief heeft genomen om een beleidsplan voor de te begeven betrekking voor te stellen (...)“; IX-2049-7/13 dat ook uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat het preferentieel criterium niet het opmaken van een beleidsplan was, maar wel de bekwaamheid om te leiden, te coördineren en toezicht uit te oefenen op de taken die behoren tot de diensten waarvan de benoemde aan het hoofd komt te staan; dat de verwerende partij er verder op wijst dat de mogelijkheid van de benoemende overheid om af te wijken van het advies van de directieraad des te groter was, aangezien die raad zijn advies weinig had gemotiveerd; dat de verwerende partij ten slotte verwijst naar het arrest G. CAUWENBERGH, nr. 60.591 van 28 juni 1996, waarin de Raad van State oordeelde dat “het bestreden besluit niet moet vermelden waarom een kandidaat niet wordt benoemd”; 3.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord verduidelijkt dat hij niet betwist dat het bestreden besluit formeel is gemotiveerd, maar wel dat de motieven die er in zijn vermeld afdoende zijn; dat hij een vergelijking maakt van beide kandidaten en dat die vergelijking volgens hem leidt tot de conclusie dat verzoeker : “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.