← België

Arrest 172349 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.349 Rolnummer: A. 76220/IX-784 Zaak: Arrest 172349 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-05 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 20:40 Fiche Arrest nr 172.349 van 18 juni 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.349 van 18 juni 2007 in de zaak A. 76.220/IX-

  1. In zake : Rafaël DEBACKERE, die woonplaats kiest bij advocaat P. LAHOUSSE, kantoor houdende te MECHELEN, Frans Halsvest 33/1 tegen :
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid,
  3. de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rafaël DEBACKERE op 31 oktober 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van 25 augustus 1997 van de minister van Volksgezondheid waarbij hij vroegtijdig wordt gepensioneerd op medische gronden wegens definitieve ongeschiktheid voor elke functie”; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging op 20 juli 2000 door verzoeker ingediend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 7 juni 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; IX-784-1/8 Gelet op de beschikking van 27 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. LAHOUSSE die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M.-R. DE SMET die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. Verzoeker is leraar aan het Vrij Instituut voor Technisch Onderwijs te Hoogstraten. Op 27 januari 1992 wordt hij het slachtoffer van een arbeids- ongeval waarbij hij een letsel oploopt aan de rechter elleboog met ernstige infectueuze complicaties achteraf. Als gevolg van dit ongeval is hij afwezig tot eind
  6. Op 15 december 1994 beslist de Administratieve Gezondheids- dienst in beroep dat de gevolgen van het ongeval op 13 oktober 1994 zijn geconsolideerd met twee procent invaliditeit en dat de afwezigheden van verzoeker tot 13 oktober 1994 kunnen worden beschouwd als gevolgen van het arbeidsongeval en de afwezigheden na de consolidatiedatum als gewoon ziekteverlof moeten worden aangerekend. IX-784-2/8 1.
  7. Op 19 november 1996 stelt het Departement Onderwijs vast dat verzoeker op 31 oktober 1996 al zijn dagen ziekteverlof heeft opgebruikt. Hij wordt bijgevolg ter beschikking gesteld wegens ziekte vanaf 31 oktober 1996, met een wachtgeld, en zal eerlang door de pensioencommissie worden opgeroepen. Verzoeker wordt hiervan op 19 november 1996 op de hoogte gebracht. Hij reageert met een brief van 2 december 1996 waarin hij laat weten dat hij een aanvraag tot herziening van de consolidatie heeft ingediend en dat indien het resultaat daarvan voor hem gunstig zou zijn hij zijn quotum aan ziekteverlof niet zal hebben opgebruikt. Hij meent dat zijn terbeschikkingstelling en de oproeping voor de pensioencommissie zal moeten worden uitgesteld. Op 24 december 1996 dagvaardt hij de Vlaamse Gemeenschap voor de Arbeidsrechtbank te Mechelen om de betaling van de wettelijke vergoeding wegens arbeidsongeval te verkrijgen en, in ondergeschikte orde, om de graad van de werkonbekwaamheid te laten vaststellen evenals de consolidatiedatum; 1.
  8. Desalniettemin wordt verzoeker toch onderzocht door de pensioencommissie (Administratieve Gezondheidsdienst) die op 4 februari 1997 beslist dat verzoeker wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid voor elke functie, de voorwaarden vervult om toegelaten te worden tot het definitief vroegtijdig pensioen. De commissie verantwoordt haar beslissing medisch door te verwijzen naar polyneuropathie en depressief syndroom dat niet te wijten zou zijn aan het ongeval. Verzoeker wordt op 11 februari 1997 van deze beslissing op de hoogte gebracht en er wordt hem meegedeeld dat hij tegen deze beslissing beroep kan aantekenen, wat hij ook doet op 20 februari
  9. In zijn beroepschrift vermeldt hij dat de Arbeidsrechtbank van Mechelen intussen een deskundige heeft aangesteld. Overeenkomstig de procedure vastgesteld bij het op dat ogenblik vigerende artikel 8 van het koninklijk besluit van 18 augustus 1939 tot regeling van de inrichting der geneeskundige onderzoekingen door de Administratieve Gezondheidsdienst in plaats van door de provinciale pensioencommissies worden de medische redenen waarop de beslissing steunt meegedeeld aan verzoekers arts, die op 3 maart 1997 een eigen verslag betreffende verzoekers gezondheidstoestand overmaakt aan de Administratieve Gezondheidsdienst. IX-784-3/8 1.
  10. Op 25 augustus 1997 wordt verzoeker onderzocht door de pensioencommissie in beroep die de beslissing, in eerste aanleg genomen, bevestigt. Deze beslissing, die de bestreden akte uitmaakt, wordt op 3 september 1997 aan verzoeker meegedeeld met een standaardformulier waarin alleen de conclusie is vermeld samen met de administratieve gevolgen ervan, namelijk dat hij vroegtijdig op pensioen wordt gesteld. 1.
  11. Eind 1999 legt de door de Arbeidsrechtbank te Mechelen aangestelde deskundige zijn verslag neer. Daarin besluit hij tot een tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 100% van 3 februari 1992 tot 22 september 1999 en een consolidatie op 23 september 1999 met 7% blijvende arbeidsongeschiktheid. Het advies van de deskundige wordt door de arbeidsrechtbank gevolgd, die op 15 april 2002 haar eindvonnis wijst.
  12. De aanwijzing van de verwerende partij. 2.
  13. Overwegende dat de tweede verwerende partij vraagt om buiten de zaak te worden gesteld omdat zij geen aandeel heeft in de bestreden beslissing; 2.
  14. Overwegende dat verzoeker de bestreden beslissing omschrijft als de beslissing "waarbij hij vroegtijdig wordt gepensioneerd op medische gronden wegens definitieve ongeschiktheid voor elke functie" en dat hij die beslissing situeert in de brief van 3 september 1997 uitgaande van de Administratieve Gezondheidsdienst; dat in de brief van 3 september 1997 de inhoud van de beslissing van de pensioencommissie aan verzoeker wordt medegedeeld; dat deze commissie alleen tot taak heeft en alleen bevoegd is om zich uit te spreken over de vraag of er medische gronden zijn die het toekennen van een invaliditeitspensioen verantwoorden; dat zij zich alleen uitspreekt over de medische toestand van de betrokkene maar hem geenszins op pensioen stelt; dat aangezien de tweede verwerende partij vreemd is aan de beslissing van de pensioencommissie zij buiten de zaak wordt gesteld;
  15. Over de ontvankelijkheid. 3.
  16. Overwegende dat de eerste verwerende partij aanvoert dat de vordering tot doel heeft loon te verkrijgen in plaats van een pensioenuitkering en dat IX-784-4/8 het dus een betwisting met betrekking tot een subjectief recht betreft waarvoor alleen de gewone rechtbanken bevoegd zijn; 3.
  17. Overwegende dat het beroep te dezen is gericht tegen een beslissing van de Administratieve Gezondheidsdienst waarbij verzoeker definitief medisch ongeschikt wordt verklaard voor elke functie en waarbij verklaard wordt dat hij de voorwaarden vervult om toegelaten te worden tot het definitief voortijdig pensioen; dat de Administratieve Gezondheidsdienst terzake over een discretionaire bevoegdheid beschikt; dat verzoeker zich dan ook niet op enig subjectief recht kan beroepen; dat hij de schending van een subjectief recht ook niet aanvoert; Overwegende dat de omstandigheid dat de nietigverklaring van de bestreden akte een weerslag kan hebben op het subjectief recht van verzoeker op behoud van zijn wedde geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de Raad van State; Dat de exceptie faalt naar recht;
  18. Over de gegrondheid van het beroep. 4.
  19. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel XI 33 van het Vlaams personeelsstatuut en van de beginselen van behoorlijk bestuur, het redelijkheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel; dat hij hierbij uiteenzet dat al deze regels en beginselen geschonden zijn omdat de bestreden beslissing stelt dat verzoeker vroegtijdig gepensioneerd moet worden ingevolge definitieve medische ongeschiktheid, terwijl de arbeidsrechtbank nog geen uitspraak heeft gedaan over alle mogelijke gevolgen van het kwestieuze arbeidsongeval, meer bepaald over de definitieve consolidatiedatum; dat de verwerende partij daardoor heeft geoordeeld op basis van betwiste feiten en zij de feiten op een onredelijke wijze heeft beoordeeld door een wezenlijk element, namelijk de hangende procedure voor de arbeidsrechtbank, te verwaarlozen; dat zij aldus op een onzorgvuldige wijze is opgetreden; 4.
  20. Overwegende dat verzoeker een personeelslid van het vrij onderwijs was; dat bijgevolg de bepalingen van het Vlaams personeelsstatuut niet rechtstreeks op hem van toepassing zijn; dat hij wel, krachtens de bepalingen van IX-784-5/8 de artikelen 113 en 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, dezelfde regeling geniet als het overheidspersoneel voor het verkrijgen van een vroegtijdig pensioen wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid; 4.
  21. Overwegende dat de vraag die door het middel wordt opgeworpen is of de pensioencommissie haar beslissing over verzoekers medische toestand had moeten opschorten tot de arbeidsrechtbank uitspraak had gedaan over het beroep dat verzoeker bij die rechtbank had ingediend tegen de beslissing over de consolidatie; dat aangezien de consolidatiedatum bepaalt tot op welk ogenblik de afwezigheden, om medische redenen, geacht kunnen worden het gevolg te zijn van het arbeidsongeval waarvan verzoeker het slachtoffer is, die datum meteen ook bepaalt vanaf wanneer die afwezigheden niet langer als het gevolg van het arbeidsongeval kunnen worden beschouwd en bijgevolg moeten worden aangerekend op het ziekteverlof; dat aldus de consolidatiedatum onrechtstreeks ook de datum van uitputting van het ziekteverlof beïnvloedt en van de terbeschikkingstelling die heeft geleid tot het optreden van de pensioencommissie; dat de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (hierna: de wet betreffende arbeidsongevallen in de overheidssector), krachtens zijn artikel 1, 6/, ook van toepassing is op het personeel van de gesubsidieerde onderwijsinstellingen; dat, op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, artikel 4, § 1, laatste lid, van de wet betreffende arbeidsongevallen in de overheidssector luidde dat het aan de Koning toekwam om de nadere regelen vast te stellen voor het bepalen van de invaliditeit; dat deze nadere regelen werden vastgesteld in de artikelen 6, 7, 8 en 9 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op weg naar en van het werk; dat artikel 4, § 1, laatste lid, van de wet betreffende arbeidsongevallen in de overheidssector bepaalt dat het vastellen van de nadere regelen voor het bepalen van de invaliditeit gebeurt onverminderd artikel 19 van de wet; dat dit artikel 19 bepaalt dat alle geschillen met betrekking tot de toepassing van de wet betreffende de arbeidsongevallen in de overheidssector, ook die over de vaststelling van het percentage van blijvende invaliditeit, worden verwezen naar de rechterlijke overheid die bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen met betrekking tot de vergoedingen, waarin de wetgeving inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen of uit beroepsziekten voorziet; dat artikel 579, 1/, van het IX-784-6/8 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de arbeidsrechter kennis neemt van vorderingen betreffende de vergoeding van schade voortkomende uit arbeidsongevallen, uit ongevallen op de weg van en naar het werk en uit beroepsziekten; dat de wetgever het bijgevolg aan de Koning overlaat om te bepalen wat de te volgen procedure is om de invaliditeit vast te stellen, met dien verstande dat de vaststelling gebeurt onder voorbehoud van de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank; dat bijgevolg indien tijdens de administratieve procedure een geschil ontstaat over de consolidatiedatum, de pensioencommissie er ambtshalve toe gehouden is de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank te eerbiedigen; dat de Administratieve Gezondheidsdienst in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving weliswaar optreedt met de taak van geneeskundig expert die het oorzakelijk verband tussen letsel en ongeval vaststelt, het invaliditeitspercentage van de getroffene bepaalt en zijn advies geeft over de datum van consolidatie; dat niettemin de eindbeslissing in een administratieve procedure, die haar noodzakelijke grondslag vindt in gegevens die op zich het voorwerp vormen van een jurisdictionele procedure, slechts een voorlopig karakter mag hebben, aangezien het bestuur, ongeacht de beslissingen die het neemt, uiteindelijk gevolg zal moeten geven aan de bindende rechterlijke uitspraak; Overwegende dat het bestreden besluit de rechtstoestand van verzoeker definitief bepaalt; dat het aldus voorbijgaat aan het feit dat nog niet definitief vast staat wanneer het arbeidsongeval van verzoeker geconsolideerd is met als gevolg dat ook niet vaststaat wanneer het aantal ziekteverlofdagen van verzoeker opgebruikt zijn; dat de verwerende partij verzoeker enkel ongeschikt kon verklaren in afwachting van de uitspraak van de rechter en dat zij bijgevolg geen deugdelijke reden had om verzoeker onmiddellijk definitief ongeschikt te verklaren; dat in die zin het bestreden besluit geen deugdelijke grondslag heeft; dat, ook al zou het bestuur te dezen verplicht zijn om de aanrekening van het ziekteverlof van verzoeker op zijn ziekteverlofkrediet overeenkomstig het vonnis van de arbeidsrechtbank te herberekenen en in functie daarvan een nieuwe beslissing te nemen over zijn vroegtijdige pensionering het voor de duidelijkheid in het rechtsverkeer aangewezen is de bestreden beslissing te vernietigen, IX-784-7/8 BESLUIT: Artikel
  22. De Vlaamse Gemeenschap wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
  23. Vernietigd wordt de beslissing van 25 augustus 1997 van de minister van Volksgezondheid waarbij Rafaël DEBACKERE vroegtijdig wordt gepensioneerd op medische gronden wegens definitieve ongeschiktheid voor elke functie. Artikel
  24. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 juni 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-784-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.349 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.