← België

Arrest 172351 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 18/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.351 Rolnummer: A. 110957/IX-3080 Zaak: Arrest 172351 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 18/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-06 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 20:41 Fiche Arrest nr 172.351 van 18 juni 2007 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.351 van 18 juni 2007 in de zaak A. 110.957/IX-

  1. In zake : Lucien VERSCHELDE, wonende te OOSTENDE, Taboralaan 21 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Gerard Davidstraat 46/
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Lucien VERSCHELDE op 1 oktober 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van 7 augustus 2001 van de personeelsdienst van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeen- schap, waarbij hem een verlof dat voorafgaat aan de pensionering, ingaande op 1 februari 2003, wordt geweigerd”; Gelet op het arrest nr. 102.692 van 21 januari 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 13 februari 2002 door de verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-3080-1/9 Gelet op de beschikking van 19 februari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van advocaat I. VERHELLE die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : Over de gegevens van de zaak
  3. Bij besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 1999 betreffende de toekenning van een verlof voorafgaand aan de pensionering voor de ambtenaren van de diensten van de Vlaamse regering is voor een bepaalde categorie van ambtenaren van onder meer het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een regeling ingevoerd inzake de toekenning van een verlof dat voorafgaat aan de pensionering. Artikel 2 van dat besluit luidt als volgt : “Het verlof dat voorafgaat aan de pensionering kan worden toegestaan aan alle ambtenaren die minimum 56 en maximum 59 jaar oud zijn gedurende de periode van één jaar volgend op de datum van de goedkeuring van het personeelsplan voor de entiteit waar de betrokken ambtenaar is geaffecteerd. Bij ontstentenis van een goedgekeurd personeelsplan gaat de termijn van één jaar in op 1 januari
  4. IX-3080-2/9 Voor de entiteiten die reeds over een goedgekeurd personeelsplan beschikken, begint de termijn van één jaar, vermeld in het eerste lid, te lopen op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.”
  5. De verzoeker is geboren op 4 januari
  6. Hij is ambtenaar bij het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, met de graad van administratief medewerker. Na een loopbaanonderbreking is hij, sinds 1 december 2000, toegewezen aan het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg Oostende. Op 21 juni 2001 is het personeelsplan van de buitendiensten bijzondere jeugdbijstand door de functioneel bevoegde Vlaamse minister en de Vlaamse minister bevoegd voor de ambtenarenzaken goedgekeurd. De afdeling Personeel van het WVC verwittigde daarop de personeelsleden van de bedoelde buitendiensten van de mogelijkheid om ten laatste op 30 september 2001 een verlof voorafgaand aan de pensionering aan te vragen. Op 3 augustus 2001 heeft de verzoeker bij de personeelsdienst een aanvraag ingediend om met ingang van 1 februari 2003 een verlof dat voorafgaat aan de pensionering te verkrijgen. Zijn aanvraag was geredigeerd als volgt: “Op 4 januari 2003 word ik 56 jaar. Verwijzend naar het schrijven (...) van de heer J. Sauwens, toenmalig Vlaams minister bevoegd voor ambtenarenzaken, (van 23 november 1999), in het bijzonder blz. 2, §§ 2 & 3, verzoek ik u hierbij om uit te stappen met ingang van 1 februari
  7. Vermits het personeelsplan van de dienst waartoe ik momenteel behoor werd goedgekeurd op 21 juni 200l, dien ik aangetekend deze aanvraag heden in (voor 30 september) conform art. 4 van het besluit d.d. 05.10.1999 (B.S. 19.11.1999) van de Vlaamse regering betreffende de toekenning van een verlof dat voorafgaat aan de pensionering voor de ambtenaren van de diensten van de Vlaamse regering.” Bij schrijven van het hoofd van de afdeling Personeel WVC van 7 augustus 2001 wordt de aanvraag van de verzoeker afgewezen. Die beslissing, die het voorwerp vormt van het voorliggende beroep, is gemotiveerd als volgt: “In het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 1999 betreffende de toekenning van een verlof voorafgaand aan de pensionering voor de ambtenaren van de diensten van de Vlaamse regering, staat vermeld : Art.
  8. Het verlof dat voorafgaat aan de pensionering kan worden toegestaan aan alle ambtenaren die minimum 56 en maximum 59 jaar oud zijn gedurende de periode van één jaar volgend op de datum van de goedkeuring van het personeelsplan voor de entiteit waar de betrokken ambtenaar is geaffecteerd. IX-3080-3/9 Bij ontstentenis van een goedgekeurd personeelsplan gaat de termijn van één jaar in op 1 januari
  9. Net omdat op 21 juni 2001 een personeelsplan voor de buitendiensten van de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand werd goedgekeurd, kunnen alleen de personeelsleden die deel uitmaken van deze entiteit en tussen 21 juni 2001 en 21 juni 2002 aan de leeftijdsvoorwaarden voldoen, genieten van de uitstaprege- ling. Er is in dit geval geen sprake meer van een termijn van één jaar, ingaand op 1 januari
  10. Aan uw verzoek om met ingang van 1 februari 2003 uit te stappen kan dan ook geen gunstig gevolg worden verleend.” Met een schrijven van 17 augustus 2001 heeft de verzoeker zich vervolgens gewend tot de directeur-generaal van het departement WVC. Na opgemerkt te hebben dat de regeling vervat in het besluit van 5 oktober 1999 strijdig was met het gelijkheidsbeginsel, vroeg hij om de mogelijkheid te onderzoeken hem toe te wijzen of te muteren naar een dienst waar er op 1 februari 2002 nog geen goedgekeurd personeelsplan zou zijn. Op dat schrijven werd op 29 augustus 2001 geantwoord door de Vlaamse minister bevoegd inzake ambtenarenzaken. De minister verstrekte een nadere toelichting bij de regeling vervat in het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 1999, en herhaalde dat de verzoeker, gelet op zijn leeftijd in de periode tussen 21 juni 2001 en 21 juni 2002, niet in aanmerking kwam voor een uitstapregeling. Op 5 september 2001 repliceerde de verzoeker dat hij in zijn overtuiging gesterkt was dat de regeling vervat in het besluit van 5 oktober 1999 “volledig indruist tegen elke vorm van gelijkgerechtigheid”.
  11. Op 1 februari 2002 heeft de verzoeker opnieuw een loopbaanon- derbreking opgenomen, voor één jaar. Op 1 februari 2003 heeft hij die loopbaanon- derbreking met één jaar verlengd. Ter zitting is door verzoeker meegedeeld dat hij inmiddels op pensioen gesteld is. Over de ontvankelijkheid van het beroep
  12. Ter zitting werpt de verwerende partij op dat de verzoeker, ten gevolge van zijn pensionering, geen belang meer heeft bij zijn beroep, en dat dit beroep derhalve onontvankelijk is geworden. Het bestreden besluit heeft tot gevolg gehad dat de verzoeker, gedurende de periode dat hij, voorafgaand aan zijn pensioen, niet actief in dienst was, niet het voordeel van het verlof voorafgaand aan de pensionering heeft kunnen IX-3080-4/9 genieten. Het daaruit voortvloeiende nadeel is niet verdwenen ten gevolge van de pensionering van de verzoeker. Deze blijft aldus een belang bij zijn beroep behouden. De exceptie van onontvankelijkheid is ongegrond. Over het middel 5.
  13. In zijn verzoekschrift voert de verzoeker een enig middel aan, geredigeerd als volgt : “(Schending van) het gelijkheidsbeginsel zoals bedoeld in de Grondwet en als hoofdprincipe weerhouden in het ‘Charter’ van de Vlaamse Gemeenschap, uitgevaardigd naar aanleiding van o.m. het nieuwe personeelsstatuut. Enerzijds beperkt het niet opstellen -met de eventueel daaraan gekoppelde goedkeuring- van of het ontbreken van een goedgekeurd personeelsplan (PEP) de uitstap van de Vlaamse ambtenaren die reeds in de leeftijdsvoorwaarden verkeerden op het moment dat de regeling van kracht werd; situatie waarin ik mij toen niet bevond. Anderzijds beperkt in mijn geval de goedkeuring van het personeelsplan van de buitendiensten van de afdeling Bijzondere Jeugdzorg mijn uitstap wegens het niet voldoen aan de leeftijdsvoorwaarden en het hanteren van dit argument om het recht tot uitstap vanaf 1 januari 2003 te weigeren. Zoals trouwens in het recent antwoord ... van het kabinet van minister Van Grembergen (van 29 augustus 2001) vermeld, is de mogelijkheid tot uitstappen ten gevolge van een PEP een gunst. Bovendien is de beslissing van de personeelsdienst ook het gevolg van het feit dat ik behoor tot een buitendienst en niet bv. het hoofdbestuur van mijn afdeling, waar er nog geen PEP bestaat. Ik word aldus tevens uitgesloten op basis van functionele redenen. Tot slot kan tevens gesteld worden dat hier overduidelijk sprake is van willekeur met de bedoeling vanwege mijn directe hiërarchische meerderen om mij persoonlijk nadeel te berokkenen. Na loopbaanonderbreking werd ik namelijk buiten mijn wil om bij beslissing van (het college van afdelingshoof- den) per 1 december 1999 (in de memorie van wederantwoord verbeterd: per 1 december 2000) toegewezen aan het CBJ Oostende. Het ‘verwijzersteam’ achtte het blijkbaar noodzakelijk om mijn vorige functie blijvend te laten uitoefenen door een assistent die mij tijdens mijn afwezigheid had vervangen. Als hoofdmedewerker (binnenkort eerste secretaris) diende ik in de plaats van opnieuw te kunnen fungeren als secretaris van een bemiddelingscommissie, hierdoor een onthaalfunctie uit te oefenen, supplementair toegevoegd aan de daar sedert jaren tewerkgestelde secretaris, en dit op een dienst waar volgens mijn PEP na implementatie slechts ½ administratief-equivalent nodig wordt geacht. Als gevolg van dit personeelsplan, dat zich trouwens hoofdzakelijk toespitst op de sociale diensten, zal in een later stadium nog een tiental secretariaatsmedewerkers boventallig zijn. Hierdoor lijkt het niet ondenkbeel- dig dat deze ambtenaren (waaronder ikzelf) toegewezen zullen worden aan de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand te Brussel, rekening houdend met de voorziene timing van het implementeren echter na verloop van de mogelijkheid tot uitstappen. (Ditzelfde college van afdelingshoofden) ging tot heden niet in op mijn aanvraag om nu deze stap te zetten, alhoewel door het vertrek van een collega er een vacature beschikbaar is.” IX-3080-5/9 5.2.
  14. In zoverre het middel grieven bevat die gericht zijn tegen andere beslissingen dan de bestreden beslissing, met name de beslissing om hem per 1 december 1999 toe te wijzen aan het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg Oostende en de weigering om hem toe te wijzen aan de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand te Brussel, is het niet ontvankelijk. 5.2.
  15. In zoverre het middel grieven bevat die gericht zijn tegen de bestreden beslissing, voert het in essentie een schending aan van het gelijkheidsbe- ginsel, op grond dat het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 1999 voorziet in criteria voor de toepassing ervan, welke onder meer in zijn geval niet verantwoord kunnen worden. Aldus werpt de verzoeker een exceptie van onwettig- heid van dat besluit op. Met name voert de verzoeker aan dat een niet te verantwoor- den verschil in behandeling wordt gecreëerd tussen Vlaamse ambtenaren van dezelfde leeftijd, naargelang zij al dan niet tewerkgesteld zijn in een dienst waarvoor een goedgekeurd personeelsplan bestaat. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet- discriminatie, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de terzake geldende beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 1999 betreffende de toekenning van een verlof voorafgaand aan de pensionering voor de ambtenaren van de diensten van de Vlaamse regering voorziet in een uitstapregeling voor de ambtenaren die, in het jaar dat volgt op de datum van goedkeuring van het personeelsplan voor de entiteit waaraan de betrokken ambtenaar is geaffecteerd, minstens 56 jaar oud en nog geen 60 jaar oud zijn. Voor de ambtenaren geaffecteerd aan een entiteit waarvoor er geen personeelsplan is, moet aan de leeftijdsvoorwaarde voldaan zijn in het jaar ingaand op 1 januari
  16. Zoals in het middel wordt aangevoerd, creëert die regeling aldus een verschil in behandeling tussen de ambtenaren van de leeftijdscategorie tussen 56 en 59 jaar, naargelang van het al dan niet voorhanden zijn voor hun entiteit van een goedgekeurd personeelsplan en, IX-3080-6/9 ingeval er een personeelsplan is, naargelang van de datum waarop het is goedgekeurd. Uit artikel 2, eerste lid, van het besluit van 5 oktober 1999 blijkt dat het verlof voorafgaand aan de pensionering “kan” worden toegestaan aan de ambtenaren die aan de in dat artikel bepaalde voorwaarden voldoen. In beginsel kan het voorts slechts verleend worden als er voor de betrokken entiteit reeds een goedgekeurd personeelsplan is of nadat, overeenkomstig artikel 3 van het genoemde besluit, een personeelsplan is opgemaakt. Zoals de verwerende partij opmerkt, moet uit het personeelsplan blijken “in welke mate er zich bijvoorbeeld tekorten voordoen, welke aanwervingen noodzakelijk zijn, enz...”. Artikel 6 van het genoemde besluit bepaalt voorts dat, per organisatorische entiteit waarvoor een personeelsplan wordt opgemaakt, de leidinggevend ambtenaar ook een begeleidingsplan opstelt, waarin wordt bepaald “voor welke personeelscategorieën het verlof dat voorafgaat aan de pensionering een recht of een gunst is, ofwel niet mogelijk is, ofwel onderworpen is aan bepaalde voorwaarden”. Aldus blijkt dat het personeelsplan een leidraad moet bieden voor het rationeel beslissen, in het belang van de dienst, in welke mate ingegaan kan worden op aanvragen tot het verkrijgen van een verlof dat voorafgaat aan de pensionering. In dat licht bekeken, is het niet kennelijk onredelijk om de aanvang van de periode waarin de leeftijdsvoorwaarde vervuld moet zijn te doen afhangen van het ogenblik waarop een personeelsplan is goedgekeurd. Gelet op het feit dat de regeling vervat in het besluit van 5 oktober 1999 is opgevat als een eenmalige regeling, die per entiteit en rekening houdend met de behoeften van die entiteit, toegepast moet worden, is het evenmin kennelijk onredelijk om te bepalen dat de bedoelde periode één jaar bedraagt, met als gevolg dat de ambtenaar binnen die periode, en niet later, de leeftijd van 56 jaar bereikt moet hebben. Indien voor een bepaalde entiteit op 1 januari 2003 nog geen personeelsplan is goedgekeurd, gaat de termijn van één jaar in op de laatstgenoemde datum. Die regeling is volgens de verwerende partij ingevoerd “om te beletten dat een aantal ambtenaren, door afwezigheid van een goedgekeurd personeelsplan, niet zouden kunnen genieten van de verlofregeling”. Aldus strekt die regeling tot het inachtnemen van een zo groot mogelijke gelijkheid tussen de ambtenaren van de onderscheiden entiteiten. Met dat doel voor ogen, is het niet kennelijk onredelijk om te bepalen dat voor de ambtenaren van de entiteiten die op 1 januari 2003 niet over een goedgekeurd personeelsplan beschikken, de termijn om te voldoen aan de IX-3080-7/9 leeftijdsvoorwaarde ingaat op 1 januari 2003, terwijl voor de ambtenaren van de entiteiten die vóór de genoemde datum over een personeelsplan beschikken een vroegere aanvangsdatum geldt. Te dezen blijkt het personeelsplan van de buitendiensten bijzondere jeugdbijstand door de bevoegde ministers op 21 juni 2001 te zijn goedgekeurd. De verzoeker voert niet aan dat de timing voor de goedkeuring van dat personeelsplan van willekeur blijk zou geven. Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, is het feit dat de ambtenaren van de bedoelde buitendiensten in de periode van 21 juni 2001 tot 21 juni 2002 aan de leeftijdsvoorwaarde moeten voldoen, in tegenstelling tot de ambtenaren van andere diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarvoor andere termijnen gelden, niet discriminerend. 5.2.
  17. In zijn laatste memorie voert de verzoeker aan dat hij in feite, gelet op zijn loopbaanonderbreking sinds 1 februari 2002, behoorde tot de “algemene categorie van administratief medewerkers van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap”, dat hij aldus behoorde tot een entiteit waarvoor pas op 31 december 2002 een personeelsplan is goedgekeurd, en dat hij daardoor pas op 1 januari 2003 aan de leeftijdsvoorwaarde moest voldoen. In haar laatste memorie werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van die grieven op. Zij voert aan, enerzijds, dat de verzoeker niet voor het eerst in de laatste memorie kan aanvoeren dat hij, ondanks de beslissing om hem toe te wijzen aan het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg Oostende, tot het hoofdbestuur van de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand is blijven behoren, en anderzijds, dat geen rekening kan worden gehouden met grieven die steunen op ontwikkelingen van na de bestreden beslissing. In zoverre de verzoeker zou aanvoeren dat hij op het ogenblik van het indienen van zijn aanvraag, dit is op 3 augustus 2001, tot het hoofdbestuur behoorde, en niet tot de buitendiensten, zou het gaan om een grief die hij niet voor het eerst in de laatste memorie kan aanvoeren. In zoverre hij aanvoert dat hij ingevolge zijn nieuwe loopbaanonderbreking opnieuw tot het hoofdbestuur is gaan behoren, dat voor het hoofdbestuur aan de leeftijdsvoorwaarde voldaan moet zijn op 1 januari 2003, en dat hij op die datum ook effectief aan de leeftijdsvoorwaarde voldoet, gaat het om een grief die niet tegen de bestreden beslissing is gericht. Het IX-3080-8/9 blijkt overigens niet dat de verzoeker, in het licht van de volgens hem gewijzigde situatie, een nieuwe aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van een verlof voorafgaand aan de pensionering. De in de laatste memorie ontwikkelde grieven zijn dan ook niet ontvankelijk. 5.
  18. Het middel kan niet worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  19. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  20. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 juni 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3080-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.351 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.102.692 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.